|
|
Regelnummers proza laten
vervallen | | | | | | | |
Bijlagen
A. Voorredes voor ‘Alle de Gedichten’
1. Voor de druk van 1662
Den Ed. Gestr. en achtbaren Heer
MYN HEER
Mr. JOAN HUYDEKOOPER,*
RIDDER,
HEER VAN MAARSEVEEN,
NEERDYK, & c.
SCHEEPEN en RAADT
der stadt Amsterdam, &c.
MYN HEER,
1 Indien ik Uw Edt. de lof der Poëzy poogde te vertoonen, ik zou voor de groote zon1 2 een klein licht ontsteeken: want Uw Edts. doorzichtig oordeel weet die hemelsche2 3 konst en haar oeffenaars op hunne waarde te schatten. Onder de vermaartste die met3 4 dien geest zwanger gaan, is de Poëet Jan Vos in Uw Edts. achting geensins de minste.4 5 Zie hier, Ed. achtbare Heer, alle zijn Gedichten, die Uw Edt. voor allen anderen,5 6 byzonderlijk eigen zijn. Want zy waren, Mijn Heer, Uw Edts, waarde Vader, van6
| | | |
7 heerlijker gedachtenis, toegewijdt; dewijl niemant ter weerelt door de luister van 8 blinkende weldaden die in yders oogen straalen, en 't voeden dezer edele konst, ooit 9 meer vermogen op 't gemoet van dezen Dichter had: want het is my, en een yder 10 onmogelijk al d'eer- en gunstbewijzen van die hoogh-edele ziel aan hem, en andere 11 konst-oeffenaars betoont, na waardy te verhalen. Deze waarheit zullen zoo vele 12 bladeren in dit boek, met zijn Wel-Edts. en zijner kinderen en vrienden namen ver-12 13 vult, als levende afbeeldsels van zijn dankbaar hart, overvloedig getuigen. Al de 14 weerelt zal dan met den Auteur en my gevoelen, dat dit werk aan niemant moet op- 15 geoffert worden als aan Uw Edt., den eersten erfgenaam van de naam, deugt, en 16 waardigheden van dien wel-edelen groot-achtbaren Heer Burgermeester, die, na 't 17 voorbeelt van mijn Heer Uw Edts. Grootvader, niet alleen zijn Huis, maar deze17 18 gantsche Stadt tot Vader strekte; en door overloffelijk gebieden, dappere kloek-18 19 moedigheit, beroemde Gezantschappen, heerelijke weldadigheit, en andere onge-19 20 meene deughden, een eeuwigh lof heeft verworven. Op deze doorluchtige voorgang 21 draaft Uw Edt. nu ook in 't zelve spoor van 't bezorgen dezer Stadt, om door Recht21 22 en Raadt, haren welstant te helpen bevorderen. Yder ingezeten is den Vaderen der 23 Stadt en des Vaderlandts onsterfelijken dank schuldigh: dies ik (die boven d'alge-23 24 meene noch bezondere weldaden van Mijn Heer Uwer Edts. Vader heb ontfangen) 25 mijn dankbaar gemoet, by deze voorval, in Uw Edts. schoot kom uitstorten, met25 26 nederig verzoek dat 'et Uw Edt. niet onaangenaam zy: terwijl ik de Goddelijke 27 Majesteit bidde, dat Hy Uw Edts. persoon, en gantsche Vaders Huis, nevens d'aan-27 28 gehechte geslachten, met geheele vloeden van rijken en onophoudelijken zegen over- 29 stroome; en my vernoege met d'eer, dat ik, met oprechter harten, en onveranderlijke29 30 genegentheit, my altijdt moge noemen, gelijk ik ben,
Ed. Gestr. en achtbare Heer, Uwer Edts.
ootmoedighste, gehoorzaamste en verplichte dienaar.
Lescaille.*
den XV van Bloeymaant, 1662.
| | | |
| |
2. voor de druk van 1662
AAN ALLE BEMINNAARS DER DICHTKUNST.
1 Hier hebtge, waarde Kunstgenooten, eindelijk de lang-beloofde, en noch langer verwachte Werken 2 van den vermaarden Poëet Jan Vos, die ik hem, na vele jaren, naulijx uit de handen heb 3 konnen scheuren. Evenwel kan ik u verzekeren, dat alles, wat hy voor 't zijne kent, (uitgezondert 4 vijf of zes dichten, die hy niet voor vruchten van zijn verstant houd,) hier wort gemeen gemaakt.4 5 Ik zou met vele redenen, na 't voorbeelt der doorluchtigste verstanden onzer eeuw, zijn lof5 6 konnen verhalen; maar gy zult terstont eenige staaltjes daar van zien, als gy zommige lof-6 7 dichten zelf gelieft te lezen; en vorders zal dit geheele boek het klaarste bewijs daar van strek-7 8 ken: want men zal daar in, onder andere ontallijke blijken van zijn edel en hooghdravend ver-8 9 nuft, bespeuren, dat hy, met doordringender oordeel dan zommige oude Latynse Poëeten, de leden9 10 der gezangen verdeelt, en hun behoorlijke grootte en plaats geeft. Derhalven zal ik alleen zeggen,10 11 dat nooit Glazemaker, noch iemant anders, die geen taal dan Neêrlants verstont, en in de Hooge 12 Scholen nooit uit de zuivere beeken der weereltwyze wetenschappen gedronken had, tot zo een top12 13 van eer en vermaartheit is gestegen; waar op hy, met een bezadigt gemoet en vroolijk gelaat, als13 14 een diamante schilt, al de pijlen der laster-pennen doet afstuiten; met zoodanig een verachting der 15 zelve, dat hy verscheidemaal begeert heeft, dat ik al de schimpschriften, die ooit op hem uitge-15 16 braakt zijn, by zijn werken zou drukken: maar ik heb altijd geoordeelt, datse die eer onwaardig 17 waren, dewijl de Schrijvers die niet gewaardigden met hunne namen te versieren; 't zy dan uit 18 versmading van eer; of, dat ik liever geloof, uit vrees van schande. Eindelijk, dewijl mijn oog- 19 merk was, om u al zijn, en niet eens anders werk, te geven, zoo heb ik ook, voor hen die 't be- 20 geeren, de klucht van Oene, teegens meening van de Poëet (die met sommige anderen oordeelt datse20 21 by dit werk geen plaats behoort te hebben) hier by gevoegt, doch in zulker voegen, dat men die21 22 daar af kan laten. Gebruikt alles tot verbeterende stichting, en geoorloft vermaak, de twee ware22 23 oogmerken der Poëzy; en gelooft dat ik ben,
Waarde Kunstgenooten,
Uwe aller gewillig dienaar en waare vrient
J. Lescaille.
| | | |
| |
3. Voor deel II, druk van 1671
Den edelen en achtbaren Heer,
MYNHEER
Mr. JOAN HUIDEKOOPER,
RIDDER,
HEER VAN MAARSEVEEN,
NEERDIJK. & c.
SCHEPEN en RAADT
der stadt Amsterdam,
BEWINTHEER
van d'Oost-Indische Compagnie, &c.
MYN HEER,
1 Gelijk d'ontfange weldaden altijdt in wezen zyn, zoo behoort ook de dankbaarheit1 2 onsterflijk te wezen: eens genote gunsten verplichten ons tot onophoudelijke dank- 3 zegging. Dit is de reden, dat ik andermaal voor Uw Ed. Achtbt. verschijne, om dit 4 tweede deel der gedichten van wijlen den Poëet Jan Vos gelijk 't eerste, aan Uw 5 Ed. Achtbt. op te draagen. 't Is my t'over bekent, dat men gants geen gelijkheit kan 6 bespeuren, tusschen zoo vele ja ontelbre gunstbewijzen, die den Dichter, en my, 7 van mijn' Heer, Uwer Ed. Achtbts. waarden Vader, van heerlijke gedachtenis, en 8 van Uw Ed. Achtbt. zijn als t'huis gezonden; en 't opdragen van eenige bladen ge-8 9 drukt papier. Maar d'edelmoedigheit der rechtschape weldoenders is zoodanigh, 10 dat ze met de geringste gift, uit een' oprechte dankbare ziel afvloeyende, zich ver- 11 noegt. Deze waarheit doet my gelooven, dat Uwer Ed. Achtbt. deze rijmen, als11 12 kleine vruchten van de grootste dankwilligheit, met Uw Ed. Achtbts. gunst zal over-12 13 schaduwen; en mijn gering vermogen aanzien, 't welk, waar zoo vele verplichtingen, 14 en diensten, die ik Uw Ed. Achtbt. bekenne schuldigh te wezen, niets, dan een14 15 anders werk, kan toebrengen. Evenwel streelt my een vertrouwen, dat Uw Ed.15 16 Achtbt., na d'eigenschap der hooghstverhevene zielen, mijne ootmoedighste schult-16 17 bekenning niet zal versmaden. Laat dan toe, dat Uw Ed. Achtbts. naam dit boek ver- 18 ciere: terwijl ik, uit den diepsten grondt mijns harten, de Goddelijke goetheit bidde, 19 dat Uw Ed. Achtbt., gelijk zijne hoogwaarde Vaders, altijdt een siersel en steun van19 20 deze groote stadt en 't waarde Vaderlandt strekke, om de zelve met wijsheit, raadt 21 en dapperheit te helpen onderschragen; en alzoo Uw Ed. Achtbts. gansche Huis, met 22 alle hemelsche en aartsche zegeningen rijkelijk overstort zijnde, altijdt in eere en
| | | |
23 voorspoet bloeye en groeye: dit wenscht en bidt, met nederige eerbiedenis, uit alle 24 de krachten zijner ziele,
Edele, Achtbare Heere, Uwer Ed. Achtbts.
ootmoedighste, gehoorzaamste en verplichtste dienaar
Jacob Lescailje.
den XV van Bloeymaant. 1671.
| |
4. Voor deel II, 1e dr., 1671 en 2e dr., 1726
OORDEEL
van wijlen den Professor CASPAR BARLAEUS, over 't dichten van JAN VOS, getrokken uit sijne Latijnsche Brieven.
Uit een Brief aen den Heere van Zuilichem, p. 858.*
1 De Poëten spotten en beuselen nu over ernstige saeken. Maer seker uit veel beter 2 drift heeft hier onse Glasemaker, een ongelettert man, een Treurspel, hoewel van2 3 een verdichte stoffe, geschreven. Dit is dikmaels gespeelt, en 't kan den toehoorder 4 noch niet versaedigen. Ik heb 't zevenmaelen gehoort, buiten mijn gewoonte; want 5 ik plag mijn ooren niet meer dan eens aen sulke speelen te leenen. De heer Hooft5 6 heeft het op mijn' aenmaening gehoort, en stondt als voor 't hooft geslagen. Van der6 7 Burg heeft het gehoort, en stondt stom van verbaestheit. Vondel heeft het gehoort,7 8 en zeide, 't is een man van wonderbaer verstandt. Hy spreekt met woorden daer 9 Zuilichem, de heer Drost, en Vondel mede spreken en schrijven. De spreuken sijn9 10 deftig, vol sins en t'eenemael passende op de saeke. De geheele oudtheit heeft geen10 11 treuriger Treurspel: en misschien sullen sich de strenge berispers daer alleen aen 12 stooten dat het al te treurig is. Ondertusschen heeft hy twee voornaeme deelen des12
| | | |
13 Treurspels op een wonderlijke wijse waergenomen, de seden, en de hertstochten.13 14 'T geheele Treurspel gelijk 't gespeelt is, heeft hy een half jaer lang in 't hooft ont- 15 houden, en daer na laeten schrijven. De Treurspeelen der onsen, ook al uwe schrif- 16 ten, kan hy op zijn duim, en seit se op. 'T spel is waerdig dat gy 't hier hoort of leest, 17 want het is onder de pers. Wanneer gy hier komt, sal Andronicus, de voornaemste 18 rol des Treurspels, de hooge Schouburg t'uwer eere doen daveren. Ik heb eenige 19 Nederduitsche veerssen voor hem geschreven, om opentlijk te betuigen, wat ik van 20 den maeker en 't werk oordeele.
Uit een Brief aen den selven Heere, p. 868.
21 Uw gedicht op Jan Vos onsen Glasemaker is 't eenemael van mijn smaek, en veel 22 helderder dan 't glas selfs. Met dese verssen verheven sijnde,22
En sijn voet raekt naeulijks aerde.
25 Hy is de gunst van fraije luiden waerdig, en dat wegens d'uitnemende gaven der25 26 natuure, die soo groot sijn, dat men 't dese eeuwe sou benijden, indien hy se 27 door konst hadt geschaeft. Hy heeft een boertig spel geschreven, 't welk onder27 28 de pers, en soo vervult is met aerdigheden en boerteryen, uit het midden van28 29 't graeu ontleent, als zijn Treurspel van deftige spreuken.29
| | | |
| |
5. voor deel I van de 2e druk, 1726
AAN DEN EDELEN HEERE
DEN HEERE
BALTHAZAR HUYDECOPER,*
REGENT VAN HET BURGER WEESHUIS T'AMSTELDAM.
EDELE HEER!
1 Met uw Edts toestemming neemen wy de vryheidt om uw Edt deezen nieuwen Druk 2 der Gedichten van den Nederlandschen Dichter JAN VOS op te draagen. En wien 3 behoorenze eigener toe dan uw Edt, aan wiens Grootvader, den Weled: Groot3 4 Achtbn Heere Mr. JOAN HUYDECOPER, in der tyd Ridder, Heere van
| | | |
5 Maarseveen, Neerdyk enz. meermaalen Burgermeester deezer Stad, dezelve, door 6 den eersten Uytgeever, den nyveren JACOB LESCAILJE, met goedvinden van 7 dien door de Natuur alleen uitmuntenden Dichter zyn toegeëygent geworden? 8 Zeker aan Niemand. En noch te meerder, om dat uw Edt op het spoor van uw Edts 9 doorluchtige Voorvaderen, niet alleen een Liefbebber en Betragter van nutte Weten-9 10 schappen en Mecenas der Dichteren zyt: maar zelfs de Poëzy met zo veel lof oeffent, 11 en derhalven, door Uw Edts oordeel en kennis in die Hemelsche Konst, te recht be- 12 kwaam zyt, om onzen Dichter (by zyn Leeven, en zelfs, naar zyn Dood, aangevochten, 13 door Lieden, die hem den welverdienden Lof, door zyn bynaar onnaavolglyken 14 dichttrant verworven, hebben zoeken te ontrooven) te beschermen. Indien wy water 15 in de Zee, en hout in 't Bosch wilden draagen, wy zouden, ter deezer plaatze, onzen 16 Poëet, in een heerlyken dag konnen zetten, en zyne Lasteraaren, zoo die leeven als16 17 die overleden zyn, de onbillykheyd van hunnen averegtsen handel, en schenzucht,17 18 waar door zy, (niet konnende tot dien trap van eer, waar op JAN VOS gestegen is, 19 geraaken,) zich eenen Naam zogten en zoeken te verwerven, aantoonen: Maar, 20 behalven dat de lof van dien Dichter, by rechte Kenners en waardeerders van natuur-20 21 lyke Poëzy, niet zal noch kan versterven, hoe fel de Nyd en Laster heur tanden in 22 's Mans glory koomen te zetten; wy, en zyn beminnaaren zyn gerust, dat 's Mans22 23 Werk, zo door de toeëygening deszelvs, eertyds aan Uw Edts Voorvaderen, en nu 24 door ons, aan Uw Edts. hooggeachte Persoon, niet tegenstaande den aanval dier 25 hairklooveren, en Lettervitteren, zo lang de Nederlandsche Taal- en Dichtkonst in 26 weezen zyllen zyn, geenen welverdienden roem zal ontbreeken. Ondertusschen 27 moeten wy met blydschap betuygen; dat het ons lief is, dat wy door het uitgeeven 28 van onzen Dichter (die nu, in beter orde geschikt, met meer luister als ooit voor-28 29 heenen aan den dag komt) het voorneemen en den toeleg gestuit hebben, 't geen29 30 zeker Dichter van geen geringen Naame hadde, om 's Mans Poëzy (die Hy te vooren30 31 in zyn Werk geroskamt en gelastert hadde) by Intekening te doen drukken, en wel 32 met een vermeerdering, volgens zyn voorgeeven, van 15 bladen of 60 bladzyden,32 33 boven het geene den ouden druk kwam uit te maaken. Een voorgeeven, Edele Heer!33 34 zo verre van de waarheid als zelfs de logen is: 't welk wy vrymoedig konnen zeggen,34 35 eensdeels, dewyl wy allen vlyt aangewendt hebbende, om te verneemen, of 'er noch 36 ongedrukte Gedichten van JAN VOS in de waereld waaren; wy 'er niet meer als 37 één hebben konnen bekoomen; En anderdeels, om dat die Man, meermaalen zyn
| | | |
38 eigen, onder eens anders werk heeft vermengt, zodanig nochtans dat de verreziende38 39 dit vuyl bedrog altoos hebben konnen merken. Maar Edele Heer! wy scheyden hier 40 af, om de opdragt van dit nooitvolpreezen Werk niet te lang te rekken: alleen moeten 41 wy, tot 's Dichters verdediging noch zeggen; dat, schoon de zulken, die een weinig 42 Grieks en Latyn konnen spreeken en schryven, met een Schoolmeesterlyk gezag, 43 deezen Dichter, om dat hy, (gelyk zy zeggen) een Leek is (als of men alleen door de 44 kennis der Vreemde Taalen, en niet door Natuur, Oeffening en Vlyt Poëet konde 45 worden) veroordeelen, en hoewel anderen, die zelfs hun Moedertaal niet kennen, 46 Hem in den schildt van zyn verdiende Glorie durven vaaren; nochtans zullen de46 47 Werken van deezen Dichter, zo door heur eigene Waarde, als door den braven Naam47
48 der Wel-Ed.: HUYDECOPEREN, en door de Lofschriften van Mannen, die zich, 49 door hunne Geleerdheid, en Gedichten, eenen onvergankelyken Lof, hebben ver- 50 worven, by waare kenners en Oeffenaars van rechtschapen Dichtkonst eeuwig in 51 achting blyven, terwyl de Schriften van hen, die hem in zyn Lof hebben tragten,
52 en noch poogen te verkleenen, der vergetelheid zullen weezen opgeoffert; Want 53 (om met J. Oudaans woorden in zyn heerlyk Lykgedicht op den eenigen Fenix der53 54 Nederlandsche Dichteren Joost van Vondel te spreeken) één blad van 's Mans werk 55 is van meerderwigt en waarde als alle de werken van de benyderen van deezen Poëet. 56 Wy eindigen dan, Edele Heer! met uw Ed: toe te wenschen; dat de Alleenheerscher,56 57 de verdiensten van uw Ed: Voorvaderen, en die van uw Ed: met zyn zegen wil 58 kroonen, en dat wy uw Ed: even als hen, ten Luister van Stadt en Staat, zien steigeren58 59 tot die Bedieningen, die zy, met zo veel Lof, ten nutte van deszelfs Inwoonderen en59 60 Onderdaanen, in hachelyke, en beter Tyden, bekleedt hebben, en blyven wyders, 61 met veel achting
EDELE HEER!
Uw Edelheids
Gehoorzaame Dienaaren
H: en G: Bosch.*
Amsteldam, den I, van Herfstmaand, 1726.
|
*Mr. JOAN HUYDEKOOPER II. Geb. te Amsterdam, 21 II 1625, gest. aldaar 1 XII 1704, heer van Maarsseveen, Neerdijk enz., raad van Amsterdam, burgemeester van Amsterdam, bewindhebber der O.I.C., ambachtsheer van Urk en Emmeloord vanwege Amsterdam, hoofdingeland van de Watergraafs- of Diemermeer. Huwde 12 III 1656 met de twintigjarige Sophia Coymans, of Kooimans, of Koeimans, dochter van Sofia Trip. Vondel droeg hem Ifigenie in Tauren (1666) op, vgl. C.J.J.v. Schaik, Balthazar Huydecoper, (Assen 1962) 8-9, 183.
2doorzichtig: verstandig.
4met dien geest zwanger gaan: van de geest (dier poëzie) vervuld zijn.
6byzonderlijk eigen zijn: vooral toebehoren. Vader: Joan Huydecoper I, geb. te Amsterdam, 1599, gest. aldaar 26 X 1661, ridder van St.-Michel, heer van Thamen en Blokland, later heer van Maarsseveen en Neerdijk, vijf maal burgemeester van Amsterdam, vele jaren Raad en bewindhebber van de O.I.C., in 1655 buitengewoon gezant bij het hof van de Keurvorst van Brandenburg, in 1660 buitengewoon gezant in Engeland. Vondel droeg hem Koning Edipus (1660) op. Vgl. Van Schaik, a.w., 9-11, 183.
12dit boek: op blz. *2 treffen we dan ook het wapen van Huydecoper aan met een vierregelig onderschrift van Jan Vos.
17Grootvader: Jan Jacobsz. Bal alias Huydecoper (1541-1624), ospr. leerlooier en handelaar in huiden; na de Alteratie van Amsterdam (1578) schepen; stichter van de buitenplaats Goudesteyn aan de Vecht (later door zijn zoon in aanzienlijke mate verbeterd en vernieuwd), vgl. Van Schaik, a.w., 9-12, 183.
18overloffelijk gebieden: bijzonder loffelijke gezagsuitoefening; dappere kloekmoedigheit: grote flinkheid in handelen en optreden.
19heerelijke weldadigheit: vorstelijke milddadigheid.
21draaft: loopt; bezorgen: zorgen voor; Recht en Raadt, toespeling op de functies van H.
25by deze voorval: bij deze gelegenheid.
27aangehechte: geparenteerde.
29vernoege: genoegen doe.
*Lescaille: Jacob Lescaille (geb. 1611, gest. wsch. 1679), voor de tweede maal gehuwd met Alida Verwou, wed. van Baltes van Dorsten, uitgeefster op de Middeldam, bij wie hij blijkbaar introk. (Zij gaf de 1e druk van Aran en Titus uit en de 1e en 2e dr. van Oene). Zelf was hij ook middelmatig dichter (vooral in de Amsterdamsche Pegasus, 1660), Vgl. H.J.A. Ruys in NNBW III (1914) 760-761.
4verstant: geest, vernuft. De bedoeling van de tussenzin zal zijn dat Vos zich niet meer kan herinneren dat hij deze 5 à 6 gedichten gemaakt heeft.
5doorluchtigste verstanden: schitterendste vernuften.
6terstont: zo dadelijk, zo meteen.
8edel en hooghdravend: fijnzinnig en verheven.
9doordringender: scherper; de leden der gezangen verdeelt: de onderdelen der gedichten scheidt; de verzen een betere structuur geeft.
12weereltwyze wetenschappen: filosofie (volgens de toenmalige opvattingen), nl. de wetenschappen der natuur, der rede en der zedekunde.
13vroolijk gelaat: serene houding.
15schimpschriften: jammer dat aan de wens van Vos niet voldaan is.
20teegens meening: tegen de bedoeling.
21in zulker voegen, gelijk men in de bibliografie kan zien: na de laatste blz. 844, met afzonderlijke titel en afzonderlijk gesigneerd. In de 2e druk (1726) is deze scheiding opgeheven.
22verbeterende stichting: zedelijke verheffing; de twee ware oogmerken: het nuttige met het aangename verenigen: ‘utile dulci’.
1in wezen zijn: voortleven.
11rijmen: gedichten (niet in ongunstige zin).
12dankwilligheit: dankbare gezindheid, dankbaarheid.
14niets, dan een anders werk, een wat wrange persoonlijke noot van de uitgever, die als dichter, door keizer Leopold tot ‘poeta laureatus’ was uitgeroepen en zelf zo weinig succes had.
15toebrengen: schenken, geven.
16schultbekenning: bekentenis dat ik tekortgeschoten ben.
19hoogwaarde: hooggeachte; Vaders: voorvaderen.
*Heere van Zuilichem: Constantijn Huygens.
2hoewel van een verdichte stoffe: Horatius, Ars Poetica, 128-130, achtte een verdichte stof niet wenselijk: ‘Difficile est proprie communia dicere; tuque rectius Iliacum carmen deducis in actus, quam si proferres ignota indictaque primus’, vert. van Vondel, WB VII 361: ‘Zwaer valt het van gemeene zijne eige dingen te maecken. Beter zultghe van Troje doen spelen, dan ofghe onbekende en te vore noit gehoorde dingen aen den dagh zoudt brengen’. Aristoteles ( Poëtica, par. 9) daarentegen meent dat de tragedieschrijver zich in het geheel niet aan de overgeleverde stof hoeft te houden.
6aenmaening: aansporing; als voor 't hooft geslagen: verstomd, als door de bliksem getroffen.
7verbaestheit: verbouwereerdheid.
9spreuken: sententiën, merkwaardige gedachten; ‘Versen, die eine psychologische Erfahrung oder eine Lebensregel auf knappste Form brachten’, E.R. Curtius, Europäische Literatur und Lateinisches Mittelalter (1967) 68. Ze werden door Quintilianus 't eerst zo genoemd ( sententiae, eig. vonnissen).
10deftig: verheven; vol sins: zinrijk; t'eenemael: geheel.
13waergenomen: in acht genomen, gebruik gemaakt van; de seden en de hertstochten: dit was het punt waarin het neo-classicisme en het romantisch toneel elkaar vonden: de eersten zoeken het meer in de innerlijke hartstochten, de anderen in uiterlijke woelingen; wie de door Van Hamel ( Zeventiende-eeuwsche Opvattingen en Theorieën over Literatuur 93-97) geciteerde beschouwingen nagaat, treft deze opvattingen overal aan. Waarom Barlaeus zeden en hartstochten in één adem noemt is duidelijk: hartstochten (b.v. liefde, trouw, ‘staatzucht’, gramschap, haat, wraakzucht, blijdschap) kunnen deugden en ondeugden zijn, en zijn dus zedelijk gequalificeerd.
25fraije luiden: aanzienlijken, aristocraten.
27konst: theorie der kunst, kunstregels; boertig spel: Oene.
28aerdigheden: geestigheden; boerteryen: kwinkslagen.
29't graeu: de geringe volksklasse, de smalle gemeente (niet verachtelijk). Het bovenstaande is een vertaling van: Casparis Barlaei ... Epistolarum Liber. Pars Altera. Amstelodami, Apud Joannem Blaeu. MDCLXVII (Uitg. Gerardus Brandt). P. 858 (15 dec. 1641): ... nugantur & ineptiunt in re seria poëtae. Certè diviniore oestro hîc vitriarius noster, homo illiteratus, tragoediam scripsit, ficti licet argumenti. Recitata est saepius, nec adhuc saturari auditor potest. Ego audivi septies, praeter morem meum, qui istis actubus non nisi semel aures commodo. Audivit, me hortante, Hoofdius, & stupuit. Audivit vander Burchius, & haesit attonitus. Audivit Vondelius, & portentosi ingenii virum dixit. Verbis loquitur quibus Zulechemus, Dominus Satrapa, Vondeliusque loquuntur, & scribunt. Sententiae graves sunt & densae & plane πρὸς διονυσον. [ ad rem.] Nullam habet tota antiquitas Tragoediam magis tragicam. Et fortè ob hoc unum frontem corruget rigido censori, quod nimis tragica sit. Interim duos Tragoediae partes mirificè explet, τὸ ἠθικὸν [ mores] & τὸ παθητικὸν. [ affectus.] Totam tragoediam, prout recitata est, memoria circumtulit per semestre, postea dictavit. Tragoedias nostratium, etiam scripta tua omnia ad unguem callet & recitat. Digna est, quam vel audias coram, vel legas, est enim sub proelo. Vbi huc veneris, pulsabit in tui gratiam orchestram Andronicus, praecipium Tragoediae drama. Ego versiculos aliquot Belgicos illi scripsi, ut quid de authore & opere sentiam, publicè testarer. P. 868 (d.d. 6 apr. 1642): Illud in Iohannem Vos, vitriarium nostrum, planè ad palatum meum est, & ipso vitro pellucidius. Illis versibus elatior pedibus per summa volaret, Culmina, nec teneras plantâ contingat aristas.
[Deze versregels zijn geïnspireerd door Vergilius, Aeneis VII 807 e.v.: over Camilla): .... cursuque pedum praevertere ventos. illa vel intactae segetis per summa volaret gramina nec teneras cursu laesisset aristas vel mare per medium fluctu suspensa tumenti ferret iter celeris nec tingeret aequore plantas. ‘De hyperbolische beschrijving van Camilla's snelheid is een imitatio van de beschrijving van de half-goddelijke paarden van Erichthonius in Ilias XX 226 e.v. Wat ik me wel afvraag is of Barlaeus nu uit het hoofd citerend zich vergaloppeert, of bewust de variaties aanbrengt. Ik denk dat het laatste toch wel het geval is bij een man die zijn klassieken beter dan wie ook kende. Toch vind ik het niet het meest voor de hand liggend citaat om een dichter te prijzen. Omdat het op Vos “hoge vlucht” slaat, vervangt hij blijkbaar gramina door culmina’. Mededeling van Dr. W. Kassies.]
Dignus est bonorum amore, ob egregias naturae dotes, quas si arte expolivisset, invidendus esset seculo. Comoediam jocularem scripsit, quae sub proelo est, tam densa facetiis & è media plebe petitis salibus, quàm tragoedia graviter dictis. - Naar aanleiding van de eerste brief van Barlaeus schreef Huygens op 18 dec. 1641 aan Hooft: ‘De H e Barlaeus heeft my schriftelijck ontsteken met eenen grooten lust tot het spel by den seldsaemen glasmaker op het Tooneel gebracht. Ick verneem geern dat het onder de persse is en sal naer d'uytkomste verlanghen. Quanto in occulto ingenia latent! ende die die hersen boeckvast gemaeckt hadde, wat hadd' hy er niet uytgehaelt? Roemer soude op desen man wel gepast hebben tghene hy van sich selven seide: Als men immers moet rasen, Ist beter in 't papier als in de glasen.’ (P.C. Hoofts Brieven, uitg. Van Vloten, IV 1640-1647, blz. 45). - Hoezeer Barlaeus met het stuk ingenomen was, blijkt ook uit zijn brief aan Joachim van Wicquefort d.d. 10 nov. 1641: Zulechemi Domino me totum offer, & dic Tragoediam hic recitatam, authore vitriario, homine omnis litteraturae & Graecae & Latinae ignaro, cujus vix pudeat ipsum Sophoclem. Stupent mecum Hoofdius, Burghius, Vondelius, & quibuscunque vis est tanta dignoscendi. ( Epistolarum Liber, 854-855).
*BALTHAZAR HUYDECOPER: geb. 10 april 1695 te Amsterdam, gest. aldaar 23 IX 1778, zoon van Joan Huydecoper III. Verwierf veel naam met zijn Frans-classicistische treurspelen Achilles (1719) en Arzases (1722); vertaalde in proza Hekeldichten en Brieven van Q. Horatius Flaccus (1726) en in poëzie Hekeldichten, Brieven en Dichtkunst van Q. Horatius Flaccus (1737). In zijn belangrijke werk Proeve van Taal- en Dichtkunde (1730) gaf hij een oordeel over Jan Vos dat vrij gunstig was (Worp, Jan Vos 112-113). Van 1723 tot 1732 was hij regent van het Burgerweeshuis te Amsterdam en als zodanig ook regent van de Amsterdamse Schouwburg. Over hem een biografie van H.A. Ett (1947) en een van C.J.J.v. Schaik (1962).
3eigener: meer passend; Grootvader, vgl. hiervoor de voorredes van de drukken van 1662 en 1671.
16dag: daglicht, licht; zoo: zowel;
17averegtsen handel: onbehoorlijke handelwijze; schenzucht: laster.
20natuurlyke Poëzy: door de natuur voortgebrachte poëzie (dus niet door studie, vlijt, oefening e.d.).
22beminnaaren: bewonderaars.
29voorneemen: plan (bedoeling om iets ten uitvoer te brengen); toeleg: de voorbereiding en het maken van schikkingen tot de uitvoering;
30zeker Dichter enz.: David van Hoogstraten? Deze was behalve dichter ook een bekend uitgever van gedichten, b.v. van Broekhuizen, Oudae Antonn,ides en Heiman Dullaert. Weliswaar overleed hij 21 XI 1724, maar dat kan wel de oorzaak zijn dat er nooit iets van deze uitgave gekomen is; te vooren: hier kan o.a. bedoeld zijn D. van Hoogstraten, J. Oudaens leven, met afz. paginering opgenomen achter Joachim Oudaans Poëzy, III (Amsterdam 1712) 63 e.v. Vgl. J. Melles, Joachim Oudaan, (Utrecht 1958) 60 en Worp, Jan Vos, III, en ook D.v. Hoogstraten, J.V. Broekhuizens Gedichten (Amsterdam 1712) in diens Leven, voor deze bundel opgenomen, 45 e.v.
32bladen, dus een folio-uitgave.
33kwam uit te maken: uitmaakte, inhield.
34zelfs de logen: de leugen zelf.
38eens anders werk: misschien doelend op Alle de Rijm-oeffeningen van Jeremias de Decker. In beter orde geschikt, etc. (1726) door M. Brouërius van Nidek, die het ten dele persklare manuscript voltooide. (Over de onbetrouwbaarheid daarvan J. Karsemeijer, De Dichter Jeremias de Decker, (Amsterdam 1934) 339-342). Waarschijnlijk had echter Hoogstraten geen deel aan dit geknoei, vgl. Th. Nolen, Iets over David van Hoogstraten (Rotterdam 1886) 12.
verreziende: scherpzinnigen.
46Hem in den schildt van ... vaaren: hem aanvallen, te lijf gaan juist op het punt van (de bepaling met van is een uitbreiding van de bestaande uitdrukking).
47braven: goede, onberispelijke.
53heerlyk lykgedicht: ‘Lijk-gedachtenis van den grooten Agrippijner Joost van Vondel’ (1679); de loftuiting aan het adres van Oudaan doet wat vreemd aan als men denkt aan de zware invectieven waarmee hij Vos (‘eenen dommen os’) en zijn werk veroordeeld heeft.
56Alleenheerscher: Almachtige.
58steigeren: opklimmen, komen (tot een hogere staat).
59Bedieningen: Balth. Huydecoper, die in de eerste plaats geleerde en dichter was, en geen carrièremaker, heeft het niet zover gebracht als zijn voorvaderen: in 1732 werd hij baljuw en dijkgraaf van het eiland Texel, in 1740 voor één jaar schepen van Amsterdam. In 1769 trad hij af als baljuw.
*Hendrik Bosch was in 1726 ‘boekverkooper over 't Meysjes Weeshuys’, vgl. C.M. Geerars, Hubert Korneliszoon Poot (Assen 1954) 189, 327.
|
|