Jan Vos Toneelwerken (ed. W.J.C. Buitendijk)


auteur: Jan Vos


editeur: W.J.C. Buitendijk


bron: Jan Vos, Toneelwerken. (editie W.J.C. Buitendijk). Van Gorcum, Assen / Amsterdam 1975  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 462]

Bijlagen

A. Voorredes voor ‘Alle de Gedichten’

1. Voor de druk van 1662

Den Ed. Gestr. en achtbaren Heer

 

MYN HEER

Mr. JOAN HUYDEKOOPER,*

RIDDER,

HEER VAN MAARSEVEEN,

NEERDYK, & c.

SCHEEPEN en RAADT

der stadt Amsterdam, &c.

 

MYN HEER,

 

1 Indien ik Uw Edt. de lof der Poëzy poogde te vertoonen, ik zou voor de groote zon1 2 een klein licht ontsteeken: want Uw Edts. doorzichtig oordeel weet die hemelsche2 3 konst en haar oeffenaars op hunne waarde te schatten. Onder de vermaartste die met3 4 dien geest zwanger gaan, is de Poëet Jan Vos in Uw Edts. achting geensins de minste.4 5 Zie hier, Ed. achtbare Heer, alle zijn Gedichten, die Uw Edt. voor allen anderen,5 6 byzonderlijk eigen zijn. Want zy waren, Mijn Heer, Uw Edts, waarde Vader, van6

[p. 463]

7 heerlijker gedachtenis, toegewijdt; dewijl niemant ter weerelt door de luister van 8 blinkende weldaden die in yders oogen straalen, en 't voeden dezer edele konst, ooit 9 meer vermogen op 't gemoet van dezen Dichter had: want het is my, en een yder 10 onmogelijk al d'eer- en gunstbewijzen van die hoogh-edele ziel aan hem, en andere 11 konst-oeffenaars betoont, na waardy te verhalen. Deze waarheit zullen zoo vele 12 bladeren in dit boek, met zijn Wel-Edts. en zijner kinderen en vrienden namen ver-12 13 vult, als levende afbeeldsels van zijn dankbaar hart, overvloedig getuigen. Al de 14 weerelt zal dan met den Auteur en my gevoelen, dat dit werk aan niemant moet op- 15 geoffert worden als aan Uw Edt., den eersten erfgenaam van de naam, deugt, en 16 waardigheden van dien wel-edelen groot-achtbaren Heer Burgermeester, die, na 't 17 voorbeelt van mijn Heer Uw Edts. Grootvader, niet alleen zijn Huis, maar deze17 18 gantsche Stadt tot Vader strekte; en door overloffelijk gebieden, dappere kloek-18 19 moedigheit, beroemde Gezantschappen, heerelijke weldadigheit, en andere onge-19 20 meene deughden, een eeuwigh lof heeft verworven. Op deze doorluchtige voorgang 21 draaft Uw Edt. nu ook in 't zelve spoor van 't bezorgen dezer Stadt, om door Recht21 22 en Raadt, haren welstant te helpen bevorderen. Yder ingezeten is den Vaderen der 23 Stadt en des Vaderlandts onsterfelijken dank schuldigh: dies ik (die boven d'alge-23 24 meene noch bezondere weldaden van Mijn Heer Uwer Edts. Vader heb ontfangen) 25 mijn dankbaar gemoet, by deze voorval, in Uw Edts. schoot kom uitstorten, met25 26 nederig verzoek dat 'et Uw Edt. niet onaangenaam zy: terwijl ik de Goddelijke 27 Majesteit bidde, dat Hy Uw Edts. persoon, en gantsche Vaders Huis, nevens d'aan-27 28 gehechte geslachten, met geheele vloeden van rijken en onophoudelijken zegen over- 29 stroome; en my vernoege met d'eer, dat ik, met oprechter harten, en onveranderlijke29 30 genegentheit, my altijdt moge noemen, gelijk ik ben,

 

Ed. Gestr. en achtbare Heer, Uwer Edts.

ootmoedighste, gehoorzaamste en verplichte dienaar.

Lescaille.*

 

den XV van Bloeymaant, 1662.

[p. 464]

2. voor de druk van 1662

AAN ALLE BEMINNAARS DER DICHTKUNST.

 

1 Hier hebtge, waarde Kunstgenooten, eindelijk de lang-beloofde, en noch langer verwachte Werken 2 van den vermaarden Poëet Jan Vos, die ik hem, na vele jaren, naulijx uit de handen heb 3 konnen scheuren. Evenwel kan ik u verzekeren, dat alles, wat hy voor 't zijne kent, (uitgezondert 4 vijf of zes dichten, die hy niet voor vruchten van zijn verstant houd,) hier wort gemeen gemaakt.4 5 Ik zou met vele redenen, na 't voorbeelt der doorluchtigste verstanden onzer eeuw, zijn lof5 6 konnen verhalen; maar gy zult terstont eenige staaltjes daar van zien, als gy zommige lof-6 7 dichten zelf gelieft te lezen; en vorders zal dit geheele boek het klaarste bewijs daar van strek-7 8 ken: want men zal daar in, onder andere ontallijke blijken van zijn edel en hooghdravend ver-8 9 nuft, bespeuren, dat hy, met doordringender oordeel dan zommige oude Latynse Poëeten, de leden9 10 der gezangen verdeelt, en hun behoorlijke grootte en plaats geeft. Derhalven zal ik alleen zeggen,10 11 dat nooit Glazemaker, noch iemant anders, die geen taal dan Neêrlants verstont, en in de Hooge 12 Scholen nooit uit de zuivere beeken der weereltwyze wetenschappen gedronken had, tot zo een top12 13 van eer en vermaartheit is gestegen; waar op hy, met een bezadigt gemoet en vroolijk gelaat, als13 14 een diamante schilt, al de pijlen der laster-pennen doet afstuiten; met zoodanig een verachting der 15 zelve, dat hy verscheidemaal begeert heeft, dat ik al de schimpschriften, die ooit op hem uitge-15 16 braakt zijn, by zijn werken zou drukken: maar ik heb altijd geoordeelt, datse die eer onwaardig 17 waren, dewijl de Schrijvers die niet gewaardigden met hunne namen te versieren; 't zy dan uit 18 versmading van eer; of, dat ik liever geloof, uit vrees van schande. Eindelijk, dewijl mijn oog- 19 merk was, om u al zijn, en niet eens anders werk, te geven, zoo heb ik ook, voor hen die 't be- 20 geeren, de klucht van Oene, teegens meening van de Poëet (die met sommige anderen oordeelt datse20 21 by dit werk geen plaats behoort te hebben) hier by gevoegt, doch in zulker voegen, dat men die21 22 daar af kan laten. Gebruikt alles tot verbeterende stichting, en geoorloft vermaak, de twee ware22 23 oogmerken der Poëzy; en gelooft dat ik ben,

 

Waarde Kunstgenooten,

Uwe aller gewillig dienaar en waare vrient

J. Lescaille.

[p. 465]

3. Voor deel II, druk van 1671

Den edelen en achtbaren Heer,

MYNHEER

Mr. JOAN HUIDEKOOPER,

RIDDER,

HEER VAN MAARSEVEEN,

NEERDIJK. & c.

SCHEPEN en RAADT

der stadt Amsterdam,

BEWINTHEER

van d'Oost-Indische Compagnie, &c.

 

MYN HEER,

 

1 Gelijk d'ontfange weldaden altijdt in wezen zyn, zoo behoort ook de dankbaarheit1 2 onsterflijk te wezen: eens genote gunsten verplichten ons tot onophoudelijke dank- 3 zegging. Dit is de reden, dat ik andermaal voor Uw Ed. Achtbt. verschijne, om dit 4 tweede deel der gedichten van wijlen den Poëet Jan Vos gelijk 't eerste, aan Uw 5 Ed. Achtbt. op te draagen. 't Is my t'over bekent, dat men gants geen gelijkheit kan 6 bespeuren, tusschen zoo vele ja ontelbre gunstbewijzen, die den Dichter, en my, 7 van mijn' Heer, Uwer Ed. Achtbts. waarden Vader, van heerlijke gedachtenis, en 8 van Uw Ed. Achtbt. zijn als t'huis gezonden; en 't opdragen van eenige bladen ge-8 9 drukt papier. Maar d'edelmoedigheit der rechtschape weldoenders is zoodanigh, 10 dat ze met de geringste gift, uit een' oprechte dankbare ziel afvloeyende, zich ver- 11 noegt. Deze waarheit doet my gelooven, dat Uwer Ed. Achtbt. deze rijmen, als11 12 kleine vruchten van de grootste dankwilligheit, met Uw Ed. Achtbts. gunst zal over-12 13 schaduwen; en mijn gering vermogen aanzien, 't welk, waar zoo vele verplichtingen, 14 en diensten, die ik Uw Ed. Achtbt. bekenne schuldigh te wezen, niets, dan een14 15 anders werk, kan toebrengen. Evenwel streelt my een vertrouwen, dat Uw Ed.15 16 Achtbt., na d'eigenschap der hooghstverhevene zielen, mijne ootmoedighste schult-16 17 bekenning niet zal versmaden. Laat dan toe, dat Uw Ed. Achtbts. naam dit boek ver- 18 ciere: terwijl ik, uit den diepsten grondt mijns harten, de Goddelijke goetheit bidde, 19 dat Uw Ed. Achtbt., gelijk zijne hoogwaarde Vaders, altijdt een siersel en steun van19 20 deze groote stadt en 't waarde Vaderlandt strekke, om de zelve met wijsheit, raadt 21 en dapperheit te helpen onderschragen; en alzoo Uw Ed. Achtbts. gansche Huis, met 22 alle hemelsche en aartsche zegeningen rijkelijk overstort zijnde, altijdt in eere en

[p. 466]

23 voorspoet bloeye en groeye: dit wenscht en bidt, met nederige eerbiedenis, uit alle 24 de krachten zijner ziele,

 

Edele, Achtbare Heere, Uwer Ed. Achtbts.

ootmoedighste, gehoorzaamste en verplichtste dienaar

Jacob Lescailje.

 

den XV van Bloeymaant. 1671.

4. Voor deel II, 1e dr., 1671 en 2e dr., 1726

OORDEEL

van wijlen den Professor CASPAR BARLAEUS, over 't dichten van JAN VOS, getrokken uit sijne Latijnsche Brieven.

 

Uit een Brief aen den Heere van Zuilichem, p. 858.*

 

1 De Poëten spotten en beuselen nu over ernstige saeken. Maer seker uit veel beter 2 drift heeft hier onse Glasemaker, een ongelettert man, een Treurspel, hoewel van2 3 een verdichte stoffe, geschreven. Dit is dikmaels gespeelt, en 't kan den toehoorder 4 noch niet versaedigen. Ik heb 't zevenmaelen gehoort, buiten mijn gewoonte; want 5 ik plag mijn ooren niet meer dan eens aen sulke speelen te leenen. De heer Hooft5 6 heeft het op mijn' aenmaening gehoort, en stondt als voor 't hooft geslagen. Van der6 7 Burg heeft het gehoort, en stondt stom van verbaestheit. Vondel heeft het gehoort,7 8 en zeide, 't is een man van wonderbaer verstandt. Hy spreekt met woorden daer 9 Zuilichem, de heer Drost, en Vondel mede spreken en schrijven. De spreuken sijn9 10 deftig, vol sins en t'eenemael passende op de saeke. De geheele oudtheit heeft geen10 11 treuriger Treurspel: en misschien sullen sich de strenge berispers daer alleen aen 12 stooten dat het al te treurig is. Ondertusschen heeft hy twee voornaeme deelen des12

[p. 467]

13 Treurspels op een wonderlijke wijse waergenomen, de seden, en de hertstochten.13 14 'T geheele Treurspel gelijk 't gespeelt is, heeft hy een half jaer lang in 't hooft ont- 15 houden, en daer na laeten schrijven. De Treurspeelen der onsen, ook al uwe schrif- 16 ten, kan hy op zijn duim, en seit se op. 'T spel is waerdig dat gy 't hier hoort of leest, 17 want het is onder de pers. Wanneer gy hier komt, sal Andronicus, de voornaemste 18 rol des Treurspels, de hooge Schouburg t'uwer eere doen daveren. Ik heb eenige 19 Nederduitsche veerssen voor hem geschreven, om opentlijk te betuigen, wat ik van 20 den maeker en 't werk oordeele.

 

Uit een Brief aen den selven Heere, p. 868.

 

21 Uw gedicht op Jan Vos onsen Glasemaker is 't eenemael van mijn smaek, en veel 22 helderder dan 't glas selfs. Met dese verssen verheven sijnde,22

 
- vliegt hy hoog
 
En sijn voet raekt naeulijks aerde.

25 Hy is de gunst van fraije luiden waerdig, en dat wegens d'uitnemende gaven der25 26 natuure, die soo groot sijn, dat men 't dese eeuwe sou benijden, indien hy se 27 door konst hadt geschaeft. Hy heeft een boertig spel geschreven, 't welk onder27 28 de pers, en soo vervult is met aerdigheden en boerteryen, uit het midden van28 29 't graeu ontleent, als zijn Treurspel van deftige spreuken.29

[p. 468]

5. voor deel I van de 2e druk, 1726

AAN DEN EDELEN HEERE

DEN HEERE

BALTHAZAR HUYDECOPER,*

REGENT VAN HET BURGER WEESHUIS T'AMSTELDAM.

 

EDELE HEER!

 

1 Met uw Edts toestemming neemen wy de vryheidt om uw Edt deezen nieuwen Druk 2 der Gedichten van den Nederlandschen Dichter JAN VOS op te draagen. En wien 3 behoorenze eigener toe dan uw Edt, aan wiens Grootvader, den Weled: Groot3 4 Achtbn Heere Mr. JOAN HUYDECOPER, in der tyd Ridder, Heere van

[p. 469]

5 Maarseveen, Neerdyk enz. meermaalen Burgermeester deezer Stad, dezelve, door 6 den eersten Uytgeever, den nyveren JACOB LESCAILJE, met goedvinden van 7 dien door de Natuur alleen uitmuntenden Dichter zyn toegeëygent geworden? 8 Zeker aan Niemand. En noch te meerder, om dat uw Edt op het spoor van uw Edts 9 doorluchtige Voorvaderen, niet alleen een Liefbebber en Betragter van nutte Weten-9 10 schappen en Mecenas der Dichteren zyt: maar zelfs de Poëzy met zo veel lof oeffent, 11 en derhalven, door Uw Edts oordeel en kennis in die Hemelsche Konst, te recht be- 12 kwaam zyt, om onzen Dichter (by zyn Leeven, en zelfs, naar zyn Dood, aangevochten, 13 door Lieden, die hem den welverdienden Lof, door zyn bynaar onnaavolglyken 14 dichttrant verworven, hebben zoeken te ontrooven) te beschermen. Indien wy water 15 in de Zee, en hout in 't Bosch wilden draagen, wy zouden, ter deezer plaatze, onzen 16 Poëet, in een heerlyken dag konnen zetten, en zyne Lasteraaren, zoo die leeven als16 17 die overleden zyn, de onbillykheyd van hunnen averegtsen handel, en schenzucht,17 18 waar door zy, (niet konnende tot dien trap van eer, waar op JAN VOS gestegen is, 19 geraaken,) zich eenen Naam zogten en zoeken te verwerven, aantoonen: Maar, 20 behalven dat de lof van dien Dichter, by rechte Kenners en waardeerders van natuur-20 21 lyke Poëzy, niet zal noch kan versterven, hoe fel de Nyd en Laster heur tanden in 22 's Mans glory koomen te zetten; wy, en zyn beminnaaren zyn gerust, dat 's Mans22 23 Werk, zo door de toeëygening deszelvs, eertyds aan Uw Edts Voorvaderen, en nu 24 door ons, aan Uw Edts. hooggeachte Persoon, niet tegenstaande den aanval dier 25 hairklooveren, en Lettervitteren, zo lang de Nederlandsche Taal- en Dichtkonst in 26 weezen zyllen zyn, geenen welverdienden roem zal ontbreeken. Ondertusschen 27 moeten wy met blydschap betuygen; dat het ons lief is, dat wy door het uitgeeven 28 van onzen Dichter (die nu, in beter orde geschikt, met meer luister als ooit voor-28 29 heenen aan den dag komt) het voorneemen en den toeleg gestuit hebben, 't geen29 30 zeker Dichter van geen geringen Naame hadde, om 's Mans Poëzy (die Hy te vooren30 31 in zyn Werk geroskamt en gelastert hadde) by Intekening te doen drukken, en wel 32 met een vermeerdering, volgens zyn voorgeeven, van 15 bladen of 60 bladzyden,32 33 boven het geene den ouden druk kwam uit te maaken. Een voorgeeven, Edele Heer!33 34 zo verre van de waarheid als zelfs de logen is: 't welk wy vrymoedig konnen zeggen,34 35 eensdeels, dewyl wy allen vlyt aangewendt hebbende, om te verneemen, of 'er noch 36 ongedrukte Gedichten van JAN VOS in de waereld waaren; wy 'er niet meer als 37 één hebben konnen bekoomen; En anderdeels, om dat die Man, meermaalen zyn

[p. 470]

38 eigen, onder eens anders werk heeft vermengt, zodanig nochtans dat de verreziende38 39 dit vuyl bedrog altoos hebben konnen merken. Maar Edele Heer! wy scheyden hier 40 af, om de opdragt van dit nooitvolpreezen Werk niet te lang te rekken: alleen moeten 41 wy, tot 's Dichters verdediging noch zeggen; dat, schoon de zulken, die een weinig 42 Grieks en Latyn konnen spreeken en schryven, met een Schoolmeesterlyk gezag, 43 deezen Dichter, om dat hy, (gelyk zy zeggen) een Leek is (als of men alleen door de 44 kennis der Vreemde Taalen, en niet door Natuur, Oeffening en Vlyt Poëet konde 45 worden) veroordeelen, en hoewel anderen, die zelfs hun Moedertaal niet kennen, 46 Hem in den schildt van zyn verdiende Glorie durven vaaren; nochtans zullen de46 47 Werken van deezen Dichter, zo door heur eigene Waarde, als door den braven Naam47 48 der Wel-Ed.: HUYDECOPEREN, en door de Lofschriften van Mannen, die zich, 49 door hunne Geleerdheid, en Gedichten, eenen onvergankelyken Lof, hebben ver- 50 worven, by waare kenners en Oeffenaars van rechtschapen Dichtkonst eeuwig in 51 achting blyven, terwyl de Schriften van hen, die hem in zyn Lof hebben tragten, 52 en noch poogen te verkleenen, der vergetelheid zullen weezen opgeoffert; Want 53 (om met J. Oudaans woorden in zyn heerlyk Lykgedicht op den eenigen Fenix der53 54 Nederlandsche Dichteren Joost van Vondel te spreeken) één blad van 's Mans werk 55 is van meerderwigt en waarde als alle de werken van de benyderen van deezen Poëet. 56 Wy eindigen dan, Edele Heer! met uw Ed: toe te wenschen; dat de Alleenheerscher,56 57 de verdiensten van uw Ed: Voorvaderen, en die van uw Ed: met zyn zegen wil 58 kroonen, en dat wy uw Ed: even als hen, ten Luister van Stadt en Staat, zien steigeren58 59 tot die Bedieningen, die zy, met zo veel Lof, ten nutte van deszelfs Inwoonderen en59 60 Onderdaanen, in hachelyke, en beter Tyden, bekleedt hebben, en blyven wyders, 61 met veel achting

 

EDELE HEER!

Uw Edelheids

Gehoorzaame Dienaaren

H: en G: Bosch.*

 

Amsteldam, den I, van Herfstmaand, 1726.