[p. 9]
Gevlogen
Ik liep een lief lief wegelken af,
In de eenzaamheid gelegen,
En tusschen wilg en elzehout
Daar kwam ik de Lente tegen,
Ze had een warm-rood manteltje aan;
Wit-wollig was heur kapje;
Want 't was zoo koud, zoo pas in Maart,
Nog haast in den winter, snap je?
De felle wind floot om haar hoofd,
Blies in haar blonde haren,
Zoodat ze als golven bloeiend graan
Om wange' en schouders waren.
Ze tripte dapper 't wegelke af,
Wipte over sneeuwen matjes,
De slanke armen volgelaân
Met knoppende wilgenkatjes.
Ik riep: ‘O Lente, ben je daar weer
En maak je je zusjes wakker,
Het klokje onder de witte sneeuw,
De pinksterbloem op den akker?’
Ze lachte zacht, maar zeide geen woord,
Keek schuchter achteromme:
Daar kwam een grauwe schaduw uit
Een krakend boompje geklommen.
[p. 10]
Het was de barre Winterman;
O wee, wat ging die grollen!
Een stortvloed hagels liet hij uit
Zijn ruige pelsjas rollen.
En ik kreeg alles over mijn hoofd,
In haren en in oogen;
Want zie! de schelmsche Lente was
Ik weet niet waar gevlogen.