[p. 11]
Klop-Klop
Klop-klop, klop-klop aan den bijekorf,
Klop-klop, klop-klop, koninginne;
Wie mag daar wel zijn aan de ronde poort?
't Is donkere nacht nog, kom binnen!
Klop-klop, klop-klop, is 't een dooveman
Die aan onze woning hamert?
Bruin-zusterke, breng hem binnen dan,
Wij zitten hier warm gekamerd.
Bruin-zusterke is niet teruggekeerd,
De bijen brommen en spinnen;
Klop-klop, klop-klop wordt opnieuw gehoord,
Klop-klop, klop-klop, koninginne.
Goud-zusterke, haal den gast in huis,
Wie stoort ons zoo in de droomen?
Goud-zusterke gaat de gangen door
En is niet teruggekomen.
Klop-klop, klop-klop aan den bijenkorf,
Klop-klop, klop-klop koninginne;
Wel twintigmaal vloog een bijtje uit
En niemand kwam er weer binnen.
Waar zijn ze toch allemaal heengegaan?
De sleutelbloem zal 't wel weten;
Die had al haar venstertjes open staan,
Daar was ook de klopper gezeten.