[p. 14]
De Gast
Daar 's voorjaarsschoonmaak in de lucht;
Waarom willen we wedden?
Zie maar die witte veêrenvlucht:
Vrouw Holle schudt de bedden.
Ze stuift de heele wereld vol
En lacht om ons gemopper:
‘Wat zou zoo'n beetje witte wol!
Vooruit maar, matteklopper!
Mijn blauwe huis, dat zet ik gansch
Op stelten, zie mij sloven!
Ik boen het - want ik ben wat mans -
Van onderen tot boven.
En heb ik alles schoon en blank
En frissche, held're ruiten,
Dan luister 'k op een morgengang
Of al de lijsters fluiten.
En 'k tuur, den bril flink opgezet,
Of Zuidewinden-zonen
Mijn kleine gast ook brengen met
Het haar vol anemonen.’
- - - - - - - - - - - -
De groote zee wordt wakker. Hoor,
De bosschen slaan aan 't zingen!
[p. 15]
Een zachte regen lacht, waardoor
De knoppen openspringen.
Daar komt een groene wolk in 't zicht.
Vrouw Holle, blij verrezen,
Roept: ‘Moeder zon, maak licht, maak licht!
De gast!’ Wie zou 't wel wezen?