terug  begin  verder
[p. 18]

Tien te slim af

 
Eens trok gigg'lend en gagg'lend een ganzenschaar,
 
Al wigg'lend en wagg'lend, met veel misbaar
 
Over 't vlonderken naar den vijverrand,
 
Waar een vorschjen zong aan den waterkant:
 
‘Van je kwekkerde-kwakkerde-kwek-kwak-kwik,
 
De wakkerste kikker ben ik, ben ik.’
 
 
 
En de gigg'lende, gagg'lende ganzenrij
 
Kwam snett'rend en snaat'rend al dichterbij.
 
En de voorste riep in het riet: ‘Waar, waar
 
Zit die schreeuwer toch van kwik hier, kwik daar?
 
Ha ik heb hem, hap!’ .... 't Was een groene lisch;
 
Het kwakertje schaterde: ‘mik-mak-mis!’
 
 
 
Met een plons schoot de tweede gans pardoes
 
Van den wallekant in het eendekroes.
 
‘Wel dat zal je lusten, ik gik-gek-gak,
 
Zal jou lachen leeren, jou boevenpak!’
 
Doch heur snavel sneed door een waterblom
 
En 't vorschjen zwom spottend voorbij: ‘dim-dom!’
 
 
 
Maar nu kwamen d' and'ren, een stuk of acht,
 
In het water en taterden: ‘wik-wak-wacht;
 
Thans is 't liedjen uit van je rik-rak-rok,
 
Je verslinden zullen we, galgenbrok!’
 
En acht bekken die rekten zich boos en bits
 
En.... beten elkaar in de nebbespits.
 
 
 
Toen riep de een tot de ander; ‘Dat deed j' er om!’
 
't Werd een pikken en prikken en slaan weerom,
[p. 19]
 
Tot de veeren stoven uit kop en huid
 
En ze vechtend vlogen den vijver uit.
 
‘Wat een schik heb ik’, schalde 't vorschje haar na,
 
‘Kom je nog eens terug om een hapje, ja?’
terug  begin  verder