[p. 20]
[p. 21]
Vogelpret
Van wiege-wage, wat wil dat fijn,
Vijf op één tak in den zonneschijn.
‘Windeke-baas, waai op, waai uit;
Waar zit je, vroolijke luchtschavuit?’
‘Hoei, hoei, hier ben ik, hoe heerlijk hoog
Zit jullie daar; wil je in wijden boog?
Houd ze goed vast, vader populier,
Dan zwaai ik ze rond in een grooten zwier!’
Van wiege-wage, van zwiep zwap zwip,
Vijf kleine vogelkens op de wip,
Ei, hoe die veerkens gestoven staan
Tegen dien lustigen windman aan!
Van wiege-wage, de zon gaat heen;
't Veld wordt al stil, de boom alleen
Houdt in zijn gouden takkenlast
Nog vijf druk schaat'rende vinkjes vast.
Doch 't wieg'len mindert. ‘Ho kameraad,
Schommelken bijna stille staat.
Wat doe je, vroolijke luchtschavuit?’
‘'k Blaas in de bloemen de keerskens uit!’