terug  begin  verder
[p. 28]



illustratie

[p. 29]

De Merel

 
Een merel fluit, een merel tuit,
 
Of er maar al
 
Een belleken luidt
 
In de hooge donk're boomen;
 
Hij tinkelt zoo hel,
 
Hij rinkelt zoo fel,
 
Of hij ons noodt
 
Met zilveren schel,
 
Aan zijn vroolijken disch te komen.
 
 
 
Zeg, hoor je wel dat lustig spel,
 
Die zuiv're fluit,
 
Dat belleken snel
 
Tusschen al die donk're blaad'ren?
 
O is het niet net
 
Of schapekens met
 
Kling' lende klokjes,
 
Dansend van pret,
 
Van een zomersche heide naad'ren?
 
 
 
Een merel tuit, een merel fluit,
 
Roept je je huis,
 
Je stadswijk uit
 
Naar de gouden zonneweiden.
 
Jongens, komt aan!
 
Thans veldwaarts gegaan!
 
Onder 't geboomt
 
Waar merelen slaan
 
Willen blijde we zijn met de blijden!

terug  begin  verder