terug  begin  verder
[p. 34]

De Bladerkindertjes

 
De bladerkindertjes wonen
 
In gouden huizekens zonder gerucht;
 
Daar vliegt hun eeuwige plager:
 
De dart'le wind uit de hooge lucht.
 
 
 
Hij schudt de angstige takken:
 
‘Wat sta je daar toch in domm'lig gedroom?’
 
De bladerkindertjes reeg'nen
 
Als gouden sterretjes naar uit den boom.
 
 
 
De wind blaast bolrond de wangen:
 
‘Nu gaan we uit rijden, de wereld rond!’
 
De bladerkindertjes rollen
 
Als gouden radertjes over den grond.
 
 
 
De wind heeft dolle kuren;
 
Hij zwaait omhoog en hij zwaait weer neer;
 
De bladerkindertjes dwarr'len
 
Als gouden vlindertjes mee heen en weer.
 
 
 
Dan wordt het plotseling stiller:
 
De wilde wind wil wat rusten gaan;
 
De bladerkindertjes schuif'len
 
Op goud-pantoffeltjes langzamer aan.
 
 
 
Een fluister-fluistergeruizel:
 
De wind wiekt henen vanwaar hij kwam;
 
De bladerkindertjes liggen
 
Als doode vogeltjes rondom den stam.
 
 
[p. 35]
 
De bladerkindertjes liggen
 
Als doode loovertjes stil in het gras;
 
En wie 't niet wist, zou gelooven
 
Dat daar een goudsbloemen wereld was.
terug  begin  verder