[p. 38]
Herfstdraden
Wat zijn dat voor zilv'ren draden daar
Van de' hoogen eik naar de hazelaar?
Hebben vannacht de kabouterkens blonde
De boomen aan elkander gebonden?
Of hebben vanmorgen de kleine dwergen
Vergeten hun touwtertjes op te bergen?
Zoo zacht, zacht voelt het mijn vingertjes aan....
Ay! och, daar heb ik een stuk gedaan.
Neen, baasje, dat is geen kabouterwerk;
Kijk, linde en vlierbosch en beuk en berk
Zijn alle met zilv'ren netten omhangen;
Daar wou de Herfst de Zomer mee vangen.
Wel duizend spinnetjes hielpen hem binden,
Die kwamen het web door de boomen winden,
En Herfst riep vroolijk: ‘Nu opgepast!
Zoo houden wij zeker de Zomer vast.’
Van blijdschap hij op de weide sloeg
Met dikke buien, maar dat was te vroeg:
Zomerken is op haar goudgroene slede
Al lachend de boomen uitgereden;
Alleen het bont sluierken, bloem-doorweven,
Is tusschen het takken werk zitten gebleven....
Zie, 't waait er zoetjes wat heen en weer
En 't schittert zoo schoon als een pauweveer.
Maar 't mooie glinst'rende webbestuk
Dat scheurde aan flarden in éénen ruk,
[p. 39]
En al die strengetjes zilver en gouden
Konden de zonnige Zomer niet houden;
Die reed naar 't Zuiden, haar blauwe rijk, en
De Herfst zit nog stom bij zijn ratels te kijken;
Maar nu vraag ik jou wat of dat ook past:
Zoo'n zonnekind bij zoo'n bulderbast.