[p. 42]
Sneeuwsterretjes
O jongens, dat is m' een gedrang!
Ze zijn uit den hemel gebroken....
Nu komt dat licht volkje uit de lucht
Op de donkere aarde te spoken.
Wat dansen ze zwierig omlaag:
De wereld wordt wit van haar stoeten.
Wat perzische Shah had ooit fraaier
Tapijt voor zijn vorst'lijke voeten!
Je denkt dat het sneeuw is? Och wat,
De sterren die komen gestoven,
Bij vluchten als vlinders in Mei:
't Verveelde haar langer daarboven.
Ze vinden er niets dan den wind
En de wolken die grauw zien van koude;
Hier pakken ze winterprins kraai
Bij zijn slipjas om walsjes te houden.
Hier springen ze over het veld
Met zilverbeglinsterde steertjes.
Of rijden de herfstboomen in
Als fijne witglanzende peerdjes.
Hier draaien ze rondom je hoofd
En tuimelen neer in je handen
En smelten er weg als was,
De sterren die 's avonds zoo branden.
[p. 43]
Geloof je me niet? Wel stom!
Kom jij dan vanavond eens buiten,
Als 't maantje met koperen slot
Den wijdopen hemel komt sluiten.
Dan zal je zien dat maar een paar
Weer zijn op hun plaatsje gevlogen;
Al d' anderen vind je aan je voet
Met ondeugende tinteloogen.