terug  begin  verder
[p. 47]

Aan 't beekje

 
Beekje, beekje bobberdebob
 
Over het bruine zand;
 
Daar komt een kleine robberderob
 
Naar jouw waterkant;
 
Die wil spelen en plassen gaan
 
En zijn voetekens wasschen gaan.
 
 
 
Beekje, beekje, zingerdezang,
 
Onder den witten wal;
 
Pas op dien loozen dwingerdedwang,
 
Doe hem niemendal;
 
Spoel zijn hielekens frisch en ros
 
Als de bloemekens in het mos!
 
 
 
Beekje, beekje bibberdebib
 
Over den kiezelsteen;
 
Let op dien kleinen dribbeldedrib
 
Door jouw golfjes heen;
 
Loop wat zachter, wat stiller an,
 
Dat hij jouw steentjes pakken kan!
terug  begin  verder