[p. 50]
Kruimeltjes
Het eerst vlogen zeven musschen
Van den donkeren toren omlaag;
Ze droegen een jasje als een veldmuis
Met donkergrauw bont om den kraag.
Ze pikten en pakten de kruimels
Zoo snibbig en snel uit de sneeuw,
Als moesten ze zóó met den sneltrein....
Ze hadden geen tijd voor geschreeuw.
Dan zag ik een kopje in een ijsmuts,
Zwart als het zwart sjaaltje om den hals,
Om een suikerwit wilgtakje gluren;
Twee oogjes schitterden als
Ontzonk hun de moed om te snoepen
En toch.... ach ze wilden zoo graag!
Ze glinsterden rechts en weer links en
Vooruit.... o wat was het een waag!
Wip.... met z'n mooi ros-wollig vestje in
De sneeuw, pik.... pak.... pik.... van de vrees
Driemaal mis, dan 'n héél, héél klein brokje,
En weg was de zwartkopmees.
Daarop kwam de laatste, een gravinne,
Gekleed in een pikzwart fluweel,
Met schoonen robijnrooden snavel:
Haar eenigst doch kostbaar juweel.
[p. 51]
Ze streek uit een statigen popel
Met langzamen wiekslag terneer;
Daar zat ze en keek zeer voornaam naar
De kruimkes en dan naar het weer.
Ze leek me een beetje kieskeurig;
Het beste was ook al er uit.
Of zou ze een beetje zich schamen
Te snoepen? Maar honger besluit.
‘Als 't lente wordt zal 'k er voor zingen’,
Zoo dacht onze merel, ‘wat nood!’
En ze nam met het goudfijne spitsje
Van 't sierlijke bekje wat brood.