[p. 52]
[p. 53]
Appelaar
Appelkens, appelkens hoog en laag,
Wat hangt ge daar glunderrood te gluren,
Of tulpen tusschen de takken turen,
Of volle zomerrozen pronken
Op alle knoesten, alle tronken!
Tulpen en rozen, één malsche vlaag,
Wat zijt ge, appelaar, mooi vandaag!
Appelkens, appelkens, vuur en vlam,
Gij lijkt met uw kraag van gele blâren
Papavers tusschen de korenaren;
Doch al die lichte loovers snellen
De winde' in: vlugge goudlibellen;
Gij blijft alleenig op den stam,
Wanneer niet één u medenam!
Appelkens, appelkens, glanzig rood,
Met hoevelen woont ge wel daarboven?
Zou men één stillekens kunnen rooven,
Of zou de booze boom dan klappen?
Kan er niet één van u ontsnappen?
Rozerok, rol toch eens naar den grond;
Gij zijt nog rooder dan mijn mond.
Appelaar, appelaar, booze plaag,
Wat staat ge daar toch te geuren, pralen
Als boerenmeid met haar bloedkoralen!
[p. 54]
O gij voorname trotsche rooie!
Ik wilde u wel met steenen gooien;
Want o, want o, ik lust u zoo graag!
Wat doet ge ook achter mijn buurmans haag!