[p. 55]
Naaldeke
Naaldeke met je spitse voetje,
Wat trip je toch over dit witte goedje
En draaft als een haasje heen en weer:
Recht uit, recht aan, trip op, trip neer.
Als lange ik slaap dan loop je nog;
Naaldeke, zeg, wat maak je toch?
Kindeke, zie, mijn scherpe schoentje
Prikt met de spits in dit zacht katoentje,
En waar ik een klein klein gaatje boor,
Daar trek ik een fijn fijn draadje door;
Zoo rijg ik de stukken snel aaneen
Zonder hand, zonder duim, met mijn spitsen teen.
Gisteren hoorde ik reeds 't wieltje snorren;
Naaldeke zeg toch, wat zal dit worren?
Voor wie zal dit mooie kleedje zijn
Zoo glanzend als zijde, zoo zacht en fijn?
Wie zal het dragen op zonnedagen?
Naaldje, wat laat je me lange vragen!
St dan! ik zal het je stil verklappen;
Je mag het je moeke niet oversnappen.
't Is voor een meiske, een kleine snoes,
Met dartele krullen, een poedeldoes;
En voor dat doezeltje, oolijk smoezeltje,
Schik ik en flik ik een vroolijk boezeltje.