terug  begin  verder
[p. 56]

Langslaper

 
De Oostenwind is wel boos vandaag,
 
Hij heeft zich verslapen, verslapen;
 
Hij bonst tegen berken en beukenhaag
 
En doet niets dan kreunen en gapen.
 
 
 
Daar merkt hij de bloeiende hazelaar....
 
Jij wilde, goudharige hekse,
 
Hoe liet je me slapen en slapen maar,
 
Terwijl je beloofde: ‘Ik wek je.’
 
 
 
De sneeuw vertrok met de morgenster,
 
Zij liet het me gist'ren weten;
 
Ik wilde haar brengen door 't woud, heel ver
 
Tot over de heuvelketen.
 
 
 
De sneeuw! Wat stoof ik met haar door 't bosch!
 
't Ging krijgertje over de takken,
 
Zoo'n snelle wit-blinkende zilvervos
 
Die kun je zoo licht niet pakken.
 
 
 
Nu is ze verdwenen; ik vind alleen
 
Haar wit-wollen wanten vol gaten!
 
O heks ik zie 't door je goudhaar heen,
 
Wil jij er dat lachen eens laten?....
 
 
 
Hij werpt zich vooruit als een dolleman,
 
Het hoofd heeft hij gladweg verloren;
 
Doch eer hij de hazelaar raken kan
 
Rolt hij met den neus in een doren.
 
 
[p. 57]
 
Goed vastgeprikt zit hij en huilt van toorn:
 
Een regen van tranen, het klatert!
 
De hazelaar, o, en de gaspeldoorn
 
Die hebben geschaterd, geschaterd!
terug  begin  verder