[p. 58]
De Zevenster
Zeven kleine sterretjes
Dorsten niet alleene
Door het groote zwarte veld
Van den hemel henen.
't Wolkenpad dat was zoo smal
En het was zoo duister;
En ze hoorden overal
Zacht en vreemd gefluister.
‘Laat ons liever samen gaan’,
Zei één van de zeven,
‘Dicht tegen elkander aan;
Wij zijn toch ook neven’.
[p. 59]
En de tweede zei: ‘Gewis,
Samen zijn we dapper;
Maar dit kleintje zie, dat is
Niet zoo'n sterke stapper’.
‘Dan moet die in 't midden staan’,
Zei de grootste sterre;
‘En dan gaan we zoetjes aan
En niet al te verre’.
En ze kropen bij elkaar
Met de kopjes, zeven
Kleine blonde scharrelaars
Die nu dapper zweven.
Als je 's avonds buiten komt
Kun je ze zien wand'len:
De gezichtjes blij en rond,
Blank als rijpe amand'len.