[p. 60]
Een Sprookje
Wat dekte de heide als voor een festijn
Met kantwerk zoo wit en zoo zacht?
Dat deden de rijm en de maneschijn;
Die weefden tezamen een glanzend ragfijn
Gordijn in een doodstillen nacht.
Een doodstille nacht op de doodstille hei....
En toen kwam het doodstille feest:
Een dansende, zwevende, wiegende rij
Van ranke figuurtjes in sluiers van zij,
Roestkleurige en goudroode 't meest.
Wie zijn het die kome' in den herfstkoelen nacht
Op 't feest van den rijm en de maan?
Dat is het betooverd prinsessegeslacht;
Die kun je overdag als een zilveren wacht
Van berkjes op 't heiveld zien staan.
Daar bloeit wel geen boom in 't woud, die zoo'n rein,
Zoo'n stralend wit stammeken heeft;
Je kunt het wel zien aan dat kleed van satijn,
Dat moet een betooverd prinsesseken zijn
Dat daar als een zilverberk leeft.
Een nacht in den Herfst, het is jaren geleên,
Toen vluchtten ze weg uit haar slot;
Dat kwam van den rijm en den maneschijn
Die hadden daarbuiten zoo'n lokkend festijn,
Ze waren zoo jong en zoo zot.
[p. 61]
Ze kwamen met niets dan een sluierken voor,
Een sluierken roestrood en goud;
Zoo dansten ze heel den lichtmanenacht door,
Totdat in den morgen hun voetje bevroor:
Ze stonden betooverd voor 't woud.
Zoo staan ze jaar in jaar uit in den wind,
Wat kwijnend en tenger van leest;
Doch als zich de rijm door de maanheide spint
Dan wordt weer elk berkje een prinsessekind
En mogen ze dansen op 't feest.
En kom je dien morgen de hei doorgegaan,
Dan vindt je in den rijm die er glanst
Heel kleine, heel fijne voetstappekens staan:
Daar zijn de prinsessekens overgegaan;
Daar hebben de berkjes gedanst.
EINDE