
Vanmorgen heb ik de Mount Everest gezien. Ik liep met Rob Weijdert over het pad langs de Rongbukrivier, iets voorbij het Tibetaanse dorp Zambu. De moessonwolken die ons al dagen het zicht op de Himalaya ontnamen, braken open.
De eerste berg die ik zag was de Cho Oyu. Een glinsterende witte bergtop, ondersteund door twee strakke rotspijlers. Daarna kwam de Everest tevoorschijn. Van de schouder tot de top. Daar was hij dan: de hoogste berg van de wereld. Over geen berg had ik zoveel gelezen. Voor de beklimming van deze top had ik me suf getraind, me diep in de schulden gestoken en maanden opgeofferd. Na een paar minuten sloten de wolken de bergtop weer in. Hij was weg voordat ik hem echt gezien had.
Twee jaar geleden dacht ik er voor het eerst over mij op te geven als deelnemer van deze klimexpeditie naar de Mount Everest. In de Berggids, het blad van de alpenvereniging, waren de plannen rond de ‘Nederlandse Mount Everest Expeditie 1982’ onthuld. Er was een stichting met een deftig bestuur en een raad van toezicht opgericht. Alpinisten werden opgeroepen zich aan te melden. De selectie zou plaatsvinden op grond van klimervaring, eerder bereikte hoogte, doorzettingsvermogen, lef en sociale omgang. Aspirantdeelnemers werden gewaarschuwd zich niet te vergissen in de afmetingen van deze Himalayatop.
Twee vrienden met wie ik die winter in de Alpen had geklommen gaven zich op. Zij hadden jarenlange klim-
ervaring. Ik niet, ik was pas in 1978 begonnen met klimmen, maar vond dat ik een betere alpinist was. Mijn uithoudingsvermogen was groter, ik kon beter afzien, was harder en durfde meer. Ik besloot me aan te melden. Mijn kans op deelname schatte ik laag in, maar ik had het mezelf eeuwig kwalijk genomen wanneer zij uitverkoren zouden worden en ik zelfs geen poging had ondernomen om er bij te zijn.
Xander Verrijn Stuart, Eelco Dijk en Mathieu van Rijswick deden de selectie. Een hoogleraar, een kandidaat-notaris en een natuurkundige. Zij kenden elkaar van de expeditie naar de Annapurna, waarbij voor het eerst door een Nederlandse groep met succes hoger dan 8000 meter werd geklommen. Dat was in de herfst van 1977. Eelco had in de eindfase van die beklimming een bevroren voetzool opgelopen, Mathieu bereikte vanuit het niets als onbekende bergbeklimmer samen met een Sherpa de top. Xander had de expeditie geleid en er een mooi boek over geschreven.
Op een zondagmiddag in november had ik mijn gesprek met de selectiecommissie. Ik werd ontvangen in de studeerkamer van Xanders villa aan het Spaarne. Aan de muren hingen foto's van bergen, op de grond lag een klimtouw. Achter de stoel waarin Xander ging zitten stond een boekenkast, waartegen aan een naar voren getrokken boek een zwarte hoogtemeter aan een oranje koord hing. Xander zag eruit zoals ik me een klimmende professor had voorgesteld: een jaar of vijfenvijftig, klein, met een donkere baard en een zwarte bril. Hij leidde het gesprek in, maar werd al gauw onderbroken door Eelco, die sneller en nauwkeuriger formulerend over de expeditie vertelde. Mathieu zweeg en leek te staren naar een bergsportblad dat op de grond lag.
Ik had me goed voorbereid: had Xander zijn boek nog eens doorgespit, me door De strijd om de top en Naar den hoogsten top der aarde, twee dikke pillen over de allereerste vooroorlogse Engelse Everestexpedities, heengewerkt en wat gangbare expeditieliteratuur van de
laatste jaren doorgenomen. Ik had me in korte tijd een gematigde mening gevormd over leiderschap, muiterij, inzet en aspiraties tijdens grote klimexpedities.
Het gesprek verliep niet onaardig en opgewekt reed ik in mijn prachtige zestien jaar oude Austin Balanza terug naar huis. In deze auto had de Belgische ambassadeur in Teheran jarenlang door Perzië getoerd. Ik voelde me zelf al halverwege de Himalaya.
Van links kwam in volle vaart een auto aangereden. Achter het stuur een moeder, op weg naar haar dochtertje in het ziekenhuis. Zij ramde mijn auto linksachter, waarna ik frontaal tegen een boom knalde. Ik had geen schuld, maar mijn auto was total loss.
Enige tijd later kreeg ik bericht voorlopig geselecteerd te zijn. Vlak voor Kerstmis volgde in Xanders huiskamer de eerste bijeenkomst, waar wij aan elkaar werden voorgesteld. Hier zat dan het puikje van het Nederlandse alpinisme met een verslaggever en iemand die de pr professioneel zou gaan verzorgen.
Xander zette de opzet van de expeditie uiteen. De groep zou bestaan uit twaalf klimmers, een expeditiearts en drie verslaggevers (voor Algemeen Dagblad en avro). Totaal zeventien mensen, met Xander als expeditieleider. De kosten zouden rond de een miljoen gulden bedragen. Iedere deelnemer was verplicht tienduizend gulden in te brengen, enige keren met de anderen te trainen en wat organisatietaken op zich te nemen. Ik kreeg ‘Verpakking en Transport’.
Na Xanders introductie kreeg een van de geselecteerden het woord. Met het voorlezen van een lange brief maakte hij duidelijk dat door de deelname van een van de anderen het voor hem absoluut onmogelijk zou zijn een succesvolle bijdrage aan de expeditie te leveren. Het struikelblok bleek Ronald Naar te zijn. De afgelopen jaren had de man vaak met hem te maken gehad en telkens ervaren dat Ronald een onbetrouwbare partner was. Met zo iemand wilde hij niet op expeditie gaan. Na het voorlezen van de brief stond hij op en verliet
Xanders huiskamer. Ik voelde me opgelaten omdat ik niet begreep wat er gebeurde: de man die net was weggegaan kende ik niet en Ronald Naar ontmoette ik die middag voor het eerst. Ik kende een paar artikelen over zijn zware beklimmingen en een interview waarin hij trots vertelde dat hij het enfant terrible van de Nederlandse alpinisten was.
Een paar dagen later kwam het Algemeen Dagblad met een groot stuk over de geplande expeditie. Het bijzondere van de route op de berg werd uiteengezet, er werd iets over Tibet en over ieders alpiene prestaties verteld. De kop van het artikel was ‘dit is mannenwerk’. Er waren geen vrouwen geselecteerd. Onder mijn foto stond de naam ‘Bart Vis’. Toch begon ik me al een beetje held te voelen.
16.00 uur. We zijn de Rongbukrivier overgestoken en hebben onze tenten iets voorbij de oversteekplaats opgezet.
Willem ten Barge is een plunjezak kwijt! Volgens hem lag hij in de vrachtwagen. Vermoedelijk heeft een van de Tibetanen die vanuit hun dorpen belangstellend een eind met ons oplopen, hem meegenomen toen we de truck uitlaadden. Wang, de baas van de Chinezen die ons begeleiden, is met Willem op - onderzoek uit in Tsobuk, het gehucht dat aan de andere kant van de rivier ligt. Als Chinees legerofficier heeft Wang het recht om het dorp te doorzoeken.
We hebben de acht tenten nu zo geplaatst dat zij tezamen met de vrachtwagen een kring vormen. De open plekken zijn gevuld met witte tonnen. Binnen de kring mogen de Tibetaanse dorpelingen niet komen. Ik voel me net een circusartiest. Een veertigtal ogen volgt iedere beweging binnen de piste. Luid wordt elke onbegrepen handeling becommentarieerd.
Een Tibetaan riep eergisteren een paar keer vragend ‘Chomolungma, Chomolungma’ naar me. Hij wees in de verte en keek naar boven. Ik knikte, waarna hij me zijn huis binnenwenkte. Hij gaf me een warme gekookte biet. Nadat ik die had leeggelepeld kreeg ik ‘cha’, ge-
kookte thee. Hij deed er een extra groot stuk yakboter in.
Al ruim een week in Tibet. Dit was mijn eerste directe contact met een Tibetaan. In het boek Naar den hoogste top der aarde worden Tibetanen zonder uitzondering beschreven als vieze en vervuilde mensen, elke huidplooi gevuld met zand. Zij drinken zuur bier en smerige thee. Het laatste is waar.
De expeditie: 17 Nederlanders, 5 Chinezen, 6 Tibetanen, 1 jeep, 4 vrachtwagens, 10000 kilo voedsel, brandstof en materiaal.
Vliegend van Peking via Chengdu naar Lhasa, de hoofdstad van Tibet. 3700 meter hoog. Rijdend via Xigatze naar Xegar. 4200 meter. Lopend, om aan de hoogte te wennen, van Xegar naar de plek van het basiskamp.
Gisteren kwamen we voor het eerst echt hoog: we trokken over de Pang La, een pas van 5100 meter. Ik had gelukkig geen last van de hoogte. Van de anderen weet ik het niet, ik lette alleen op mezelf. Even waren we met zijn allen op de pas, de verdere weg liepen we verspreid in kleine groepjes of alleen.
21.15 uur. Lig in mijn slaapzak in de tent. Op de cassetterecorder neuzelt Randy Newman. Muziek van Rob Weijdert, met wie ik deze tent deel.
Vanavond heb ik na het eten weer een stukje voorgelezen uit Naar den hoogsten top der aarde. In 1921 volgden Engelsen voor het eerst onze weg. In het boek wordt de route aandachtig beschreven. Onze expeditie is de eerste naoorlogse die hier weer te voet doortrekt. In eenenzestig jaar is er niets zichtbaars veranderd, de beschrijvingen kloppen nog. Morgen stop ik met voorlezen. Moet oppassen voor het ‘daar heb je hem weer’-effect.
Willems plunjezak is ondanks het uitkammen van het dorp niet terug. De Chinezen waarschuwen ons nu voort-
durend voor de onbetrouwbaarheid van de Tibetanen.
De Chinese hiërarchie in Tibet: 1 De Chinees. Dan lange tijd niets. 2 De Tibetaan die bus, jeep of truck bestuurt. 3 De westerling. Korte tijd niets. 4 De Tibetaan.
De Chinees heeft vaak moeite met het feit dat de westerling opdrachtgever is en alles betaalt. De westerling kan alleen met de Tibetanen spreken via de Chinees.
De tenten staan naast de ruïnes van een verlaten klooster. Buiten sneeuwt het licht. Voor het eerst!
De komende twee maanden zal alles tot een hoogte van 7000 meter ‘Rongbuk-’ heten: Rongbukklooster, -gletsjer, -dal, en -rivier. De Tibetaanse naam voor de laatste is ‘Dsjakar Tsju’, maar de Chinezen noemen haar voor het gemak Rongbukrivier.
Vandaag vond de eerste slachting onder de expeditieleden plaats. Meer dan de helft heeft blessures, is kapot door de inspanning of heeft door de hoogte vreselijke hoofdpijn. Sommigen reden daarom met de vrachtwagen mee. Xander liep wel het hele stuk (ongeveer 25 kilometer, 700 meter langzaam stijgend langs de rivier), maar ziet er nu uit als de Dood van Pierlala. Tien dagen geleden lag hij in Peking nog op bed. Spit! Het zag er even naar uit dat voor hem de expeditie vroegtijdig was beëindigd, maar Chinese artsen hielpen hem met acupunctuur weer op de been. Het lijkt erop dat hij ondanks jaren ervaring met het maken van trektochten zijn krachten niet weet te doseren.
We vertrokken om 8.45 uur. Willem ten Barge weer als eerste. Willem, voormalig commando, is sportinstructeur bij de Nijmeegse politie. Hij ergert zich aan ons losse wandeltempo. Hij vertrekt als eerste, komt overal als eerste aan. Willem lijkt een wielrenner die te vroeg demarreert. Vandaag zaten Rob en ik hem op de hielen en passeerden hem rond het middaguur. Later ging ik alleen vooruit. Terwijl ik me had voorgenomen niet mee te doen aan die zinloze wedstrijdjes, me in te houden;
om langzaam en ontspannen aan de hoogte te wennen en te genieten van het nauwe Rongbukdal.
Vlak voor het klooster werd het dal wijder. Voor me de ruïnes, in het zuiden een grauwe wolkensluier. Terwijl ik aan de rivier op de anderen wachtte, werden de wolken weggeblazen en toonde de Everest zich weer. Nog ver weg, maar ik zag dat hij echt heel hoog was. De berg was gehuld in witte moessonsneeuw. Een paar minuten was het zicht op de Everest voor mij alleen en daarmee was alle nodeloze inspanning gerechtvaardigd.
De twee Karakorumtoppen K2 en Nanga Parbat zagen we vanuit het vliegtuig. Dat was een sensationeel gezicht. Net als de Mont Blanc toen ik die tien jaar geleden voor het eerst hoog boven Chamonix zag uitrijzen. Een hoge en onbereikbare wereld.
Vandaag probeerde ik de Everest indrukwekkend te vinden. Het lukte niet. Hij was niet meer dan een uitvergroting van de vele foto's die ik de afgelopen twee jaar heb bestudeerd.
Het eerste ‘klim’-boek dat ik ooit las was Ik stond op de Everest van Edmund Hillary. Dat was in 1977 tijdens een vakantie in Clambin, een bergdorpje in het Franstalige gedeelte van Zwitserland. Jet had het boek in de boekenkast ontdekt. Op kinderlijke wijze beschrijft Hillary de expeditie van 1953. Het was een goed voorbereide en groot opgezette onderneming, geleid door een heuse kolonel. Hillary en de Sherpa Tensing bereikten als eersten de top. ‘Na een zwaar maar edel gevecht met tegenstander Everest.’
Dagenlang praatten Jet en ik Hillary-taal: ‘Ik stiet de geduldige Tensing aan, mompelde iets over de primus en trok me nog dieper in de slaapzak terug. Diep en luidruchtig ademend rekte Tensing zich uit en ging aan het werk met de primus, die langzaam op stoot kwam.’
‘Tensing, met gekruiste benen op de grond zittend, bezette het laatste vrije plaatsje en staarde met een ondoorgrondelijk gezicht naar de metershoge vlam van de petroleum-vergasser, die tussen zijn knieën stond.
(Geen Sherpa was ooit aan het verstand te brengen, dat zo'n toestel eerst met spiritus moet worden voorverhit.)’
Jet en ik wandelden veel. Steeds hoger, maar waar de sneeuw begon hield het voor ons op. Tijdens een trektocht ontmoetten we een Nederlands echtpaar op Col Ferret, een pas ten zuiden van de Mont Blanc. De vrouw maakte zich zorgen over haar klimmende zoon, die het jaar ervoor door een val een been had gebroken. De man vertelde trots over de prestaties van zijn kinderen en van zichzelf. Hij vertelde dat er in Nederland drie verenigingen waren waarbinnen men zich met de bergsport bezighield. Die verzuiling bij een sport die in Nederland niet eens beoefend kan worden, verraste me.
Om voortaan ook over gletsjers te kunnen trekken volgde ik in 1978 een bergsportcursus en ik merkte dat ik plezier had in het klimmen. Niet zozeer het bereiken van een top, maar de inspanning, de berekening en het gefriemel met touwen vond ik leuk. In het najaar ben ik met een vriend die ik tijdens de cursus had leren kennen zelfstandig gaan klimmen. Daarna is het snel gegaan.
Nadat we vanmiddag de tenten hadden opgezet heb ik Gert Reijmerink, de avro-cameraman geholpen met het filmen. Het lopen was voor hem al de eerste dagen te zwaar. Hij heeft nu een ontstoken achillespees en schuifelt op pantoffels rond in het kamp. Ook vandaag heeft hij het hele stuk liggend en zittend achterin de vrachtwagen afgelegd.
20.45 uur. Terwijl ik schreef merkte ik opeens dat het buiten stiller was, geen lawaai van de anderen. Ik kroop uit de tent. Iedereen was aan het eten. Het was bijna op; niemand had eraan gedacht me te roepen.
gore sneeuw, op de achtergrond de restanten van het Rongbukklooster. Rillerig lepelden we staande de pap naar binnen. De meesten hadden grote-hoogte-hoofden. Een lichte vorm van oedeem. Ik kende het alleen uit de boekjes: wat opgezwollen en pafferig, ogen die naar voren komen zodat een kleine tik tegen het achterhoofd voldoende lijkt om ze uit de kassen te laten rollen. Hoe ik er zelf uitzag weet ik gelukkig niet.
Nadat we de kleddernatte tenten hadden opgevouwen en in de vrachtwagen gelegd ben ik met Gerard Jansen en Rob Weijdert naar het boeddhistische klooster gelopen. Door een gat in een muur stapten we naar binnen. De daken van de gebouwen zijn gesloopt, van de muurschilderingen zijn alleen nog de blauwe en rode achtergrondkleuren over. In de muren zagen we kogelgaten. Alleen de karakteristieke stupa is nog tamelijk ongeschonden.
Het klooster lijkt nauwelijks op de kloosters, gompa's en paleizen die we in Lhasa, Gyantze en Xigatze bezochten. De Chinezen hebben tijdens de culturele revolutie de lama's afgemaakt of verjaagd, boeddhistische bouwwerken vernield en kunstwerken naar Peking gebracht. Tien jaar later kregen de Chinese bezetters spijt en nu mogen de Tibetanen op beperkte schaal het boeddhisme weer openlijk belijden. De wederopbouw van de vernielde gebouwen hoort ook bij dit verlichte regime.
In alle heiligdommen zagen we Tibetanen heftig bouwen en kleien. Metershoge poppen werden vrolijk beschilderd, wanden tot op de vierkante millimeter getatoeëerd met tafereeltjes, figuurtjes en olifantjes. Zo ontstaan weer kleurige eilanden in dit land dat van nature alleen vele tinten bruin kent. Het resultaat oogt ook aangenamer voor de toeristen die sinds enige tijd voor veel geld Tibet mogen bezoeken. Gelokt door het aroma ‘verboden en geheimzinnig’.
Als je een Chinees vraagt of hij het jammer vindt dat zijn landgenoten hier als wilden hebben huisgehouden, antwoordt hij oprecht dat het hem niet aangaat. Hij heeft het immers niet gedaan. De trots over het bouwen van
stuwdammen, auto's en raketten is collectief, de schuld van de vernietiging ervaren zij niet gemeenschappelijk.
Terwijl ik tussen de muren van het Rongbukklooster liep moest ik denken aan de zeven vooroorlogse expedities die er door de hoofdlama werden gezegend. Voor het eerst in 1921. Een jaar later verloren zeven dragers in een lawine het leven en kwamen de overgebleven aangeslagen klimmers in het klooster tot rust.
In 1924 keerden Mallory en Irvine nadat zij richting top waren vertrokken, niet terug naar hun hoogste kamp op de Everest. De expeditie werd afgebroken, men kwam verslagen terug naar het klooster: een zwart-wit-film met snel bewegende lama's en Engelsen; op de achtergrond, ver weg, de berg.
Lang slenterden we er rond. Het motregende. Ik wist niet wat ik mooier vond: het gesloopte klooster, vooral met dat prachtige druilerige weer, of het overdreven religieuze gedweep van het filmpje uit de jaren twintig? Zo'n grondige beeldenstorm heeft een krachtig reinigende werking.
Een scherf met het hoofd van boeddha erop heb ik meegenomen. Het hoofdje staat nu in mijn tent te glimlachen.
In twee uur liep ik met Rob van het klooster naar de plek van ons basiskamp waar Wang ons met hete thee welkom heette.
Gerard Jansen was achtergebleven bij de vrachtwagen die een kilometer voor het kamp vastzat in de modder. Pas in de loop van de middag kwam hij, onder de smurrie, zittend op de cabine, aan.
Zeventien dagen na vertrek uit Nederland en voor het eerst ben ik nijdig geworden: de zes dozen met klimspullen zijn opengesneden, het vulmateriaal is eruit gegooid. Om te kijken wat erin zat!
We hebben ruim driehonderd dozen en tonnen bij ons. Meer dan een half jaar geleden is onder mijn leiding in Nederland alles ‘goed overdacht’ ingepakt. Naar wat
we later op de berg nodig zullen hebben, het gewicht afgestemd op de yaks, de lastdieren die onze spullen het eerstvolgende stuk zullen vervoeren. Zeven weken, dag in dag uit, was een inpakploeg er in een douane-entrepot mee bezig. Iedereen heeft een boekje met lijsten van de inhoud van de dozen en tonnen gekregen. En toch werden vandaag die dozen onnodig opengerukt.
Later was het excuus dat de verankeringsplaatjes van de tenten gezocht werden. Het verweer klonk in ieder geval redelijk. Heb me voorgenomen me er niet meer over op te winden. Tegenhouden kan ik het toch niet. Bovendien moet Xander vanaf morgen het transport en het inpakken gaan plannen en ik ben dan van die taak verlost.
Het basiskamp: drie grote Chinese legertenten - keuken, verblijfstent en Chinese slaaptent. De bungalowtent is voor Charles Bonhomme, de expeditiearts. Verder een tiental rode en bruine piramide- en koepelvormige tentjes waarin de overige Nederlanders slapen.
Het kamp ligt winderig. Naast de rivier, aan de voet van de gletsjer. Achttien kilometer verder naar het zuiden, de top van de Everest. 8848 meter.
Op een heuvel achter het kamp staat een rij monumenten: gestapelde stenen met een gebeitelde herdenkingsplaat. Drie voor omgekomen Chinezen, Tibetanen en Japanners (1975 en 1980). Daarnaast twee die dit voorjaar zijn gestapeld: een voor Marty Hoey, een Amerikaanse die 8200 meter hoog uitgleed en viel. De andere voor Joe Tasker en Peter Boardman, twee Engelse klimmers die voor het laatst zijn gezien op de noordoostgraat van de Everest. Ik heb vermeden lang stil te staan bij de steen met Peters naam. Vlak voor zijn vertrek naar Tibet heb ik hem nog gesproken.
Naast de tent van Rob en mij staat Xanders tentje. Onze muziek heeft hij al bestempeld tot ‘cafetaria’-muziek.
X profileert zich nog steeds niet als leider, maar misschien is hij het type dat langzaam vertrouwen moet
winnen en dan in zijn rol groeit. Overmorgen gaat het eerste groepje van vier deelnemers samen met de vier Tibetaanse dragers omhoog. Maar wie het zijn en wat zij meenemen is nog steeds niet ‘officieel’ besloten.
Bij het eerste besluit van Xander zal gejuich op zijn plaats zijn. Tot nu toe heeft vooral Eelco de touwtjes in handen gehad. Hij was samen met Mathieu initiatiefnemer van deze expeditie en heeft, toen na een bezoek aan Peking de definitieve afspraken met de Chinese klimor-ganisatie waren gemaakt en Xander als leider was gevraagd, nooit de feitelijke leiding overgedragen.
Als excuus voor X's gedrag geldt natuurlijk zijn lichamelijke gesteldheid: eerst spit, nu de vermoeidheid door de hoogte. Maar het blijft een beetje dubieus: niet fitte mensen horen bij een expeditie als deze niet aanwezig te zijn. De hoogte: 5200 meter. Vierhonderd meter hoger dan de Mont Blanc. De luchtdruk is ongeveer de helft van die op zeeniveau.
De zieken: Frank Moll oor oorontsteking. Gert Reijmerink ontstoken achillespees. Jan van Banning zwaar verkouden. Mathieu van Rijswick en Willem ten Barge zijn het meest aangeslagen door de hoogte: duizelig, misselijk en hoofdpijn. Ik voelde me vandaag af en toe wat zweverig en merk dat mijn ademhaling van slag raakt als ik met zware dozen sjouw.
Willems plunjezak is terug. We vonden hem toen we de dozen, tonnen en zakken sorteerden. Voorzichtig vertelden we het Wang. Hij reageerde pissig, had hij zaterdag voor niets het Tibetaanse dorp uitgekamd.
Om vier uur vannacht werd ik wakker. Daarna niet meer ingeslapen. Gepiekerd over de expeditie. Tijdens het ontbijt heb ik eindelijk Xander gesproken. Terwijl we de droge biscuitjes - noodrantsoen uit groene legerblikken - met dorre hagelslag en verkruimelde raar stinkende kaas naar binnen werkten, hebben we afgesproken dat
ik nog twee dagen het om- en inpakken van de expeditiespullen zal regelen.
Om tien uur begint de eerste bijeenkomst in de grote verblijfstent. Xander leidt de vergadering. Zijn zorgvuldige en bedachtzame manier van praten roept de unieke sfeer van die allereerste bijeenkomst in Nederland weer op. Wij zijn slechts pionnen binnen een groots spel.
Twee maanden, tot half oktober hebben we de tijd om de berg te beklimmen. Daarna wordt het hoog op de berg te koud door de invallende winter.
Boven het basiskamp zullen we zeven of acht kampen - het laatste niet meer dan een enkele lichtgewicht tent - inrichten. Tot kamp 3 op 6400 meter zullen yaks de meeste spullen vervoeren, daarboven tot kamp 4 op 7000 meter helpen vier Tibetaanse ‘High Altitude Assistants’, die al vanaf Lhasa meereizen. Daarna doen we alles zelf.
Besloten wordt dat de twaalf klimmers de eerste weken in drie groepjes van vier zullen opereren. Afwisselend zullen we kampen opzetten en bevoorraden. Tussendoor telkens weer op krachten komen in het basiskamp. Ik zit in het groepje dat het laatst omhoog gaat. Samen met Rob en de twee Gerards.
Even is het zuurstofprobleem nog aan de orde: wij hebben 52 flessen bij ons. Vanaf kamp 5, 7600 meter, zullen we ze gebruiken. Ronald had echter al in Peking laten doorschemeren dat hij ook hoog op de berg op eigen kracht wil klimmen. Dus zonder flessen. Johan Taks had zich vreselijk over Ronalds uitlatingen opgewonden: ‘We zijn nog niet eens begonnen of hij is al bezig de expeditie te verzieken.’ Een van de uitgangspunten van de expeditie is juist dat we met zuurstof klimmen. Alle argumenten voor en tegen werden uit de kast gehaald: het is veiliger, de kans op succes is groter - het is onsportief, het gesjouw van die flessen houdt de voortgang van de beklimming op.
Xander stelt nu voor het als een probleem voor later te beschouwen. Geen tegenwerpingen.
Na de vergadering is Mathieu met de jeep vertrokken. Labu, de chauffeur heeft hem beneden in het dal afgezet. Mathieu zal daar, 1000 meter lager dan het basiskamp, een paar dagen in zijn eentje kamperen, zodat hij in een rustiger tempo kan acclimatiseren. Hij voelde zich hier nog steeds niet lekker. Voor Mathieu heel vervelend. Hij heeft jaren naar deze twee maanden toegeleefd, heeft naast Eelco de expeditie ‘gedragen’, heeft ondanks zijn drukke werk intensief getraind en verwachtte veel te presteren.
Het is niet alleen voor Mathieu vervelend; hij is in gesprekken en discussies de meest zakelijke en weet op een acceptabele manier te verhinderen dat zijn emoties doordringen tot zijn argumenten. Hij is onze redeneer-machine.
Door zijn vertrek zitten we ook opgezadeld met een technisch probleem: eigenlijk weet alleen Mathieu hoe de accu's van de walkietalkies opgeladen moeten worden. Samen met Willem heb ik een van de twee generatoren aan de praat gekregen, maar uit de dradenpuzzel van de stroomomvormers zijn wij niet gekomen.
Willem was in Nederland meestal de sterkste en sportiefste. Nu staat hij met een grauw gezicht aan antennes en radio's te prutsen. Als het hem echt te veel wordt verdwijnt hij in zijn tent om na een half uur weer tevoorschijn te komen om in dezelfde ellende verder te ploeteren. Volgens Charles, de expeditiearts, had Willem met Mathieu moeten afdalen.
Er is verder ook echt hard gewerkt: Gerard van Sprang en Han Timmers hebben het klimmateriaal en de tenten gesorteerd, Gerard Jansen is bijna klaar met het testen van de zuurstofflessen. Johan heeft met Eelco de keuken- en verblijfstent verder ingericht, Charles heeft zijn tent omgebouwd tot een klein ziekenhuis, de dozen met voedsel zijn onder leiding van Rob opnieuw gestapeld. Zelfs X lijkt op gang te komen. Hij rekent en weegt voortdurend, met als resultaat dat de lasten voor de mensen die morgen omhoog gaan bijna gereed zijn.
Ronald had in Nederland zijn aandeel in de voorbe-
reiding teruggebracht tot het verzorgen van de lectuur. Vandaag heeft hij de doos met boeken en strips geopend en is de rest van de dag bezig geweest met het schoonmaken van zijn camera's. Mopperend omdat wij de pornoboekjes die hij had gekocht niet hebben verstuurd. Steun zoekend bij vriendje Frank Moll.
Het is moeilijk me niet te ergeren aan Ronalds gedrag. Ik ben niet de enige: Rob lost het op door te trachten hem te negeren. Een jaar geleden waren zij nog dikke vrienden. Zij kennen elkaar een jaar of tien, klommen samen in de Alpen en in Pakistan. Vorig jaar hielp Rob bij de opzet en correctie van het boek Klimmen, waarin Ronald, als 27-jarige wiskundestudent, terugblikt op zijn grootse klimtochten. Van Eiger-noordwand tot Nanga Parbat. Beklimmingen waarbij hij grote risico's van vallend gesteente en ijs accepteerde. Toen het boek was uitgegeven schreef Rob een recensie, waarin hij wees op een stel onnodige leugens, die afbreuk doen aan zijn prestaties. Ronald heeft hem dit nooit vergeven.
Voor het vertrek naar Tibet was Johan het felst anti-Ronald. Soms leek het alsof hij het sowieso oneens was met iedere bewering van Ronald. Hij ondernam zelfs eenmaal een telefonische actie om hem te wippen. Maar ook hij weet nu door hard werken te voorkomen dat hij zich aan Ronald ergert.
Midden in het kamp staat een hoge mast met bovenop de antenne van de walkietalkie. Aan de mast zouden de Chinese en de Nederlandse vlag worden opgehangen. Nu bleek bij het uitpakken dat de Chinese vlag vele malen groter is dan de onze. Dat kan dus niet. Niet alleen zou de mast door de zware vlag omvallen, de verschillen in maat zouden volgens Eelco een verkeerd beeld geven.
Overleg tussen Eelco en Wang. De laatste geholpen door zijn plaatsvervanger Li en Tsao, de tolk. Eelco en Wang winden zich vreselijk op en irriteren elkaar. Eelco
gedraagt zich steeds botter tegenover de Chinezen. Stom, maar ik denk dat het komt door de voortdurende eis van de Chinezen om over alles te onderhandelen en doordat Eelco steeds die besprekingen moet voeren. Xander is wel steeds aanwezig bij alle gesprekken, maar hoe hij ook zijn best doet het lukt hem nog niet greep te krijgen op het geheel.
Wang is beroepsmilitair. Van hem weet ik dat hij in Peking woont en voor enige tijd gedetacheerd is bij de Chinese Mountaineering Association. Meer laat hij niet los. ‘Not important,’ antwoordt hij meestal op persoonlijke vragen. Zelfs zijn leeftijd houdt hij verborgen.
De vervanger van Wang, Li, is spraakzamer. Zijn echte beroep is cardioloog. Hij woont ook in Peking. Zijn vrouw is plattelandsarts en woont met hun drie jaar oude dochter in een provincie, grenzend aan Vietnam. Li heeft ze voor het laatst meer dan een jaar geleden gezien en hoopt na afloop van deze expeditie toestemming te krijgen om voor een weekje naar het zuiden te reizen en zijn gezin te bezoeken.
Li was ooit werkzaam bij de universiteit van Peking. Maar hij had in zijn jeugd ‘done something wrong’. Begin jaren zeventig is dit tegen hem gebruikt en is hij van de universiteit verwijderd. Door zijn bereidheid in het ‘barbaarse’ Tibet te werken hoopt hij op versneld eerherstel, zodat hij weer als cardioloog aan de slag kan.
Li lacht minzaam als hij begint te praten over het ‘vlag’-geschil. ‘Military problem’: de militair Wang begrijpt niet dat wij Hollanders zo'n klein vlaggetje meenemen als symbool van ons land.
In ieder geval is de mast nog steeds kaal. De vlaggen op aparte plekken bevestigen mag ook niet, omdat het protocol bepaalt dat wanneer er gevlagd wordt beide vlaggen naast of boven elkaar moeten wapperen.
21.20 uur. Met Gerard van Sprang ben ik de hele dag bezig geweest dozen in te pakken. Tenten, slaapzakken, voedsel, batterijen, zuurstofflessen. De spullen voor
kamp 3. Tweeëntwintig dozen van elk 25 kilo. Op de yaks gebonden zullen ze tot 6400 meter hoogte gebracht worden, een tocht van drie dagen. De dichtgeplakte en genummerde dozen zetten we in paren achter elkaar: de yaktrein.
Terwijl ik in de gure wind liep te sjouwen vertrok de eerste groep om kamp 1 op te zetten, daar te overnachten en de weg naar het volgende kamp te verkennen. Een uur later gingen ook de vier Tibetaanse dragers op pad. In ganzenpas, hun leider ‘Doppertje’ (Dorbutia) voorop. Nog voordat ze de puinvlakte hadden verlaten om langs de gletsjer verder te gaan hadden ze de Nederlanders ingehaald. Zij zijn aan de hoogte gewend. Ik ben benieuwd of we ze over een week of drie kunnen bijhouden.
Met een vrachtwagen is de eerste post aangekomen. Drie dagen rijden vanuit Lhasa. Een brief voor Gerard van S. Gepost op de dag van ons vertrek uit Nederland.
22.15 uur. Han Timmers is op bezoek in onze tent. Rob maakt thee voor hem klaar. De brander en de gaslamp brengen enige warmte in de tent, op de recorder zingt Bob Dylan. Han en Rob praten over de Dolomieten, een stuk van de Italiaanse Alpen waar ik zelf nooit heb geklommen.
Ik ken Han nauwelijks. Hij is eigenlijk psycholoog, maar heeft een paar jaar geleden ontslag genomen bij het nat lab van Philips en woont nu, na een lange trektocht door Zuid- en Noord-Amerika, in een berggebied in het noordwesten van de Verenigde Staten. Hij probeert in leven te blijven door zich te verhuren als berggids.
Han praat snel. Net als Ronald straalt hij een natuurlijk charisma uit. Tijdens zijn studententijd, begin jaren zeventig, was hij Nederlands meest inspirerende alpinist. In 1979 zag ik hem voor het eerst. Ik trainde toen zoveel mogelijk in België. Meestal in Freyr. Daar zijn langs de Maas rotsen, waar ijverige Belgen het gesteente
met stevig vastgemetselde haken hebben beveiligd. Het is het gebied om het technische rotsklimmen onder de knie te krijgen en te leren omgaan met touwen en musketons.
Uitgeput zat ik onder een rotswand. Keer op keer had ik geprobeerd een moeilijke passage te klimmen. Het lukte me niet op de juiste manier mijn gewicht van mijn handen naar mijn voeten te verplaatsen. Hoe ik het ook probeerde, telkens gleed een voet onder mij weg. Een hark met een te lang lichaam, een knie die door een operatie niet ver genoeg kon knikken en oren met door plastic vervangen onderdelen. Terecht dat ik ooit afgekeurd werd voor de militaire dienst.
Twee klimmers passeerden me. De kleinste, een jaar of dertig, atletisch en gespierd, een ouderwetse helm op zijn hoofd, ging voorop. Met een paar gecontroleerde bewegingen had hij mijn onneembare passage genomen. Als een slang gleed hij verder. Soepel verend van het ene been op het andere, zijn zwaartepunt steeds dicht bij de wand. De bewegingen van zijn voeten vloeiden door zijn lichaam over in zijn armen. Elke greep was zeker, zelfs als hij met een hand zocht naar een goed houvast. Nog nooit had ik iemand zo elegant zien klimmen. Een minuut of vijf duurde het, toen had hij de eerste standplaats bereikt. ‘Kan ik nakomen, Han?’ riep de ander.
Die avond zat ik voor mijn tent te lezen. Een jonge vrouw kwam op mij af en zei dingen tegen me die ik niet begreep. Toen ik haar dit duidelijk had gemaakt, zei ze ‘Je bent toch Han Timmers!’.
Ik voelde me gevleid.
De yaktrein staat klaar. Alleen de inhoud moet ik voor Xander nog even noteren, maar dat doe ik morgen of laat ik aan X zelf over. We hebben weer veel spullen uit dozen moeten halen omdat we uiteindelijk te veel ladingen hadden. Genoeg voor wel 15 yaks, terwijl er niet meer dan 12 zullen komen. Alle klimmers zullen
daarom zelf hun persoonlijke uitrusting naar boven moeten dragen.
Met gammele Willem heb ik vanochtend vroeg de versterker van de walkïe-talkies geïnstalleerd. Gisteravond lukte het niet contact te krijgen met de mensen in kamp 1. We denken dat het radiosignaal te zwak is om dat kamp, dat in een zijdal staat, te bereiken. Vanavond zullen we de versterker testen.
Het is al de hele dag helder, waardoor we de Everest met onze verrekijkers hebben kunnen beloeren. Alleen het bovenste stuk van de route die wij zullen volgen is te zien. Het gedeelte tot een hoogte van 7700 meter wordt door de Changtse, de noordelijke uitloper van de Everest, aan het oog onttrokken. Door de verse sneeuw zijn de meeste rotsen wit bepleisterd. Af en toe zien we witte wimpels tegen de berg kleven: plakken sneeuw die door de wind worden weggevaagd.
Hao en Yang, de twee Chinese koks, gillen. De lunch is klaar.
16.00 uur. Ik zit achter een grote steen verscholen voor de wind, op de plek waar de Engelse expedities in de jaren twintig en dertig hun basiskamp opzetten. Met Rob ben ik in een uur hiernaartoe gelopen. Door de intense zonstraling kan ik voor het eerst mijn jas uitdoen en in mijn T-shirt in de zon zitten.
Met een foto uit Naar den hoogsten top der aarde ben ik op zoek gegaan naar het monument dat de expeditie van 1924 vlak voor vertrek hier bouwde. Het moet een grote piramide op een vierkante basis van gestapelde stenen zijn geweest. Op de topsteen stond gebeiteld: in memory of three everest expeditions. Daaronder een steen met: 1921 kellas. Kellas was de expeditiearts van de eerste verkenningsexpeditie. Hij heeft deze plek nooit bereikt, al tijdens de zware tocht van India naar Tibet kwam hij om het leven. Onder de steen voor Kellas stonden nog drie stenen. Twee voor de zeven in 1922 omgekomen dragers en een met: 1924 mallory irvine shamsher manbahadur.
De expeditie van 1924 was na een voorspoedige start en snelle bevoorrading van kampen op de berg overvallen door een dagenlange sneeuwstorm:
‘De ongelukjes stapelden zich op en er waren eenige zeer zieke mannen. Het ergste was Shamsher, een der Goerkha onderofficieren, er aan toe. Hij was bewusteloos en had een bloeduitstorting in de hersenen. Manbahadoer, de schoenlapper, verkeerde in een verschrikkelijken toestand; beide voeten waren tot de enkels bevroren.’
Zij stierven en werden in de buurt van het basiskamp begraven.
Een week lang rustten de overgebleven klimmers en dragers uit in het basiskamp en brachten, voordat ze naar de berg terugkeerden, een bezoek aan het klooster. De lama van Rongbuk zegende alle deelnemers.
Een week later was de expeditie weer goed op gang. Nadat de hoogste drie kampen waren opgezet leidde Norton de eerste toppoging.
‘Ons klimmen was treurig. Ik had het erop gezet om twintig achtereenvolgende stappen te klimmen, zonder rustpoozen en zonder hijgen, met den elleboog leunend op de gebogen knie; doch ik herinner mij niet dat ik het ooit zover bracht - dertien kwam er dichter bij. Het inademen der intens koude droge lucht, welke tegen den achterkant van het strottenhoofd aankwam, had een noodlottige uitwerking op de reeds aangedane keel van den armen Somervell, waardoor hij telkens moest stilstaan en hoesten. Iedere vijf of tien minuten moesten wij een paar minuten gaan zitten; wij moeten er wel als een heel armzalig tweetal hebben uitgezien.’
Alleen ging Norton verder. Hij bereikte een hoogte van bijna 8600 meter, 250 meter onder de top. Uitgeput en sneeuwblind kwam hij terug in het hoogste kamp.
De tijd begon te dringen, het was begin juni. De moessonstormen konden iedere dag de berg bereiken en een volgende poging verhinderen. Alleen Mallory, de meest gedreven klimmer wilde het voor het laatst proberen.
‘Mallory was geen gewone persoonlijkheid. Lichamelijk scheen hij mij altijd het mooiste ideaal van den bergbeklimmer toe; hij had een zeer knap uiterlijk en ik heb altijd gedacht, dat zijn jongensachtig gezicht - want hij zag er bespottelijk jong uit voor zijn zevenendertig jaar - het uitwendige en zichtbare teeken was van een wonderlijk goede lichaamsgesteldheid. Zijn bevallige figuur was een en al gespierde lenigheid, en hij liep met een onvermoeide beweging, welke hem tot een man maakte, waarmee maar weinigen den berg op konden wedijveren; den berg af ging het bijna nog beter, want zijn jaren van training hadden bij zijn natuurlijke snelheid nog evenwicht en bestudeerde houding toegevoegd.
Doch het was de geestkracht in hem, welke hem tot den grooten bergbeklimmer, dien hij was, maakte: het was alsof er een vuur in hem brandde, dat zijn willige geest boven de zwakheid van het vleesch deed uitkomen...’
Mallory was al voor zijn vertrek naar Tibet een legende. Hij was de enige die ook bij de eerste twee expedities was geweest en had over zijn belevenissen tot in Amerika honderden voordrachten gehouden.
‘De overwinning van den berg werd een obsessie, en weken- en maandenlang wijdde hij al zijn tijd en energie hieraan, onophoudelijk plannen voor de organisatie uitwerkend; en toen het eenmaal zoover was, gaf hij er elk onsje van zijn ongeëvenaarde lichaamskracht aan.’
Norton had de top willen bereiken zonder gebruik te maken van zuurstofflessen. Mallory wilde, ondanks zijn twijfel over het nut ervan, het met de speciaal ontwikkelde flessen proberen. Tot ieders verbazing koos hij Irvine als metgezel.
‘De jonge Irvine was bijna nog een jongen, wat leeftijd betreft - hij was tweeëntwintig; doch geestelijk en lichamelijk was hij een volwassen man en in staat om zich met de andere leden van ons gezelschap, die gemiddeld twaalf jaar ouder waren dan hij, te meten. Lichamelijk was hij niet alleen een volwassene, hij was
bovendien een prachtexemplaar, zoals het een Oxfordroeier past, met de krachtige schouders en betrekkelijk slanke beenen, karakteristiek voor een uitstekende roeier.’
Irvine was een van de minst ervaren klimmers en had erge last van zijn keel; het was geen voor de hand liggende keus. Mallory zag deze toppoging als zijn laatste kans op het verwerven van roem en misschien zelfs onsterfelijkheid. Had hij Irvine gekozen omdat deze een jongere uitgave van hemzelf was? Of was de reden dat Mallory als de poging zou slagen alle eer naar zich toe kon trekken?
Op 7 juni klommen Mallory en Irvine met vier dragers naar het hoogste kamp. De twee Engelsen bleven daar, 8175 meter hoog, overnachten. De dragers daalden direct af en brachten een briefje mee:
‘Dear Noel, We'll probably start early tomorrow (8th) in order to have clear weather. It won't be too early to start looking for us either crossing the rock band or going up skyline at 8:00 p.m. “Yours ever” G. Mallory.’
De volgende dag zijn Mallory en Irvine voor het laatst gezien. Om tien voor een. Twee stipjes op ruim 8500 meter. Het is onwaarschijnlijk dat ze de top hebben bereikt. De expeditie keerde verslagen terug naar Engeland.
Van het monument is nu niets over. De plaats waar het was gebouwd heb ik steen voor steen afgezocht en wat brokstukken met tekst gevonden. Van de grote topsteen: in memory of three. De andere helft is weg. Ik ben gestopt met zoeken toen ik een scherf met ma had gevonden. Mallory.
21.40 uur. Mathieu is terug. Die twee nachten beneden hebben hem duidelijk goed gedaan. De asgrauwe kleur is van zijn gezicht verdwenen. De eerste avond heeft hij zijn tent in de buurt van het laatste dorp neergezet. Gisteren is hij het zijdal dat naar de Cho Oyu leidt ingelopen en heeft daar de tweede nacht doorgebracht.
Als welkom gaf Rob hem een doos met spekkies. Rustig werkte hij ze een voor een naar binnen. Toen hij ze alle twintig op had was Mathieu echt terug en begon hij zich met de expeditie te bemoeien. Hij vond het raar dat Willem en ik de versterker van de walkietalkies hadden geïnstalleerd. Dat ding moet in kamp 3 komen te staan. Hij dacht dat we de oorzaak van het slechte radiocontact in de antenne moesten zoeken, niet in de kracht van het signaal. We hebben de mast nu op een andere plek neergezet en het lukte, na veel gepiel, om acht uur contact te krijgen met de mensen die nu in kamp 1 zijn. Zij gaan morgen, net als de eerste groep, met een last tot de plek waar het volgende kamp wordt neergezet en dalen daarna af naar het basiskamp.
Ronald en Eelco kwamen vanavond vermoeid terug van hun tocht. Ze hebben op verschillende plekken de inhoud van hun rugzak gedumpt. Eelco op de plek waar de Chinezen in 1975 een kamp hadden. Ronald wat hoger, waarschijnlijk op de plaats van kamp 2 van de vooroorlogse expedities.
Na het walkietalkiecontact ontstond er een warrige discussie. Eelco wilde dat kamp 2 op zijn plek wordt opgebouwd. Ronald stelde zijn dumpplaats voor. Na veel heen en weer gepraat is niets besloten, maar ik denk dat Ronalds plek de voorkeur van de meesten heeft.
Morgen op weg naar kamp 1. Hoe goed het ook is om vooral in het begin niet te snel te stijgen, ik verlang ernaar omhoog te gaan. In ieder geval weg uit dit onoverzichtelijke basiskamp. Ik wil vroeg opstaan, zodat ik de tijd heb om uit mijn eigen dozen en ton de spullen te pakken die ik in mijn rugzak mee wil nemen.
het vinden van een goed loop- en ademhalingsritme met die zware rugzak ging me niet goed af. Voorbij de puinvlakte waarop het basiskamp staat gingen we zigzaggend, tussen grote gladde stenen door, verder. De stenen zijn soms manshoog en liggen ingeklemd tussen de oostelijke dalkant en een kleine morenerug van de centrale Rongbukgletsjer. Na een uur is er in de zanderige helling links een zigzaggend pad omhoog gemaakt. Hier kun je de weg niet kwijtraken, want het pad is gemarkeerd met stenen waarop grote rode stippen zijn geschilderd.
Dat moeten de Chinezen gedaan hebben toen ze in 1975 met een kolossale expeditie de berg te lijf gingen en dezelfde route volgden. Wang was toen een van de meer dan 300 deelnemers. Vanmorgen bladerde ik met hem het expeditieverslag door. Hij vertelde van de professionele wegwerkers die de paden hadden aangelegd. Bij het zien van sommige foto's glommen zijn ogen van plezier. Zoals de plaat waarop een twintigtal vrachtwagens rijdt, vlak voor het basiskamp, dat pal voor de ruïnes van het Rongbukklooster was opgezet. Wang wees me op de mensen die voor de trucks staan. De auto's rijden helemaal niet. Een week lang waren ze met telkens weer afslaande motoren bezig geweest om ze in de goede opstelling te krijgen. Nadat de foto was gemaakt keerden de speciaal voor dit plaatje bestelde wagens terug naar Lhasa. Drie dagen rijden.
Nog meer lol had Wang om de foto die gemaakt was twee dagen voordat acht mannen en een vrouw de top bereikten. Je ziet een tentje met daarvoor twee, in rode bolle donsjassen gehulde Chinezen. Op de achtergrond de Everesttop. Links een derde klimmer die een grote rode vlag met hamer en sikkel vasthoudt. Hij salueert. ‘A new member is admitted into the Communist Party at the 8.200 m. camp.’ Die saluerende klimmer lijkt met zijn vlag te zweven. Hij is er domweg ingemonteerd.
Zo'n tweehonderdvijftig meter is het pad steil. Tot het begin van het oostelijke Rongbukdal. Daar is een vlakker stuk waar gras en mos groeit. Een kilometer verder staan
naast de gletsjerpoort onze twee rode piramidetenten. Zij worden door een heuvel van stenen beschut tegen de wind. Op tien meter afstand is een klein meertje waar we de jerrycans vullen. Vanuit de gletsjerpoort komt een wilde stroom ijskoud water. Gerard van Sprang verhit buiten op een benzinebrander water voor thee en eten voor Johan.
Johan is net terug van zijn tocht naar Ronalds dumpplaats. Hij zal niet, zoals Han, verder afdalen. Hij is van plan samen met Gerard Jansen in de andere tent te slapen. Johan ziet er uitgeblust uit. Zuchtend strijkt hij met zijn handen langs zijn baard en waarschuwt ons voor de lengte en de zwaarte van de tocht. Misschien is het beter om kamp 2 toch op Eelco's plek neer te zetten. We kunnen dan later, als we beter aan de hoogte gewend zijn, dit kamp overslaan.
Johan praat weer over Ronald, die volgens hem veel te weinig kilo's naar boven had gesjouwd: ‘Geen wonder dat hij verder kwam dan Eelco.’ Het lijkt of Johan een primitieve haat jegens Ronald heeft ontwikkeld, achter alles wat Ronald doet vermoedt hij sabotage. Zo mopperend lijkt hij nog maar weinig op de man die ik twee jaar geleden leerde kennen: de leraar Nederlands die met trots vertelde over de sportwedstrijden die hij voor leerlingen van zijn school organiseerde. Wij hadden vanuit zijn huisje in een dorp nabij Maastricht een kilometer of twintig hardgelopen en rustten aan de oever van een beekje uit. Johan vertelde van zijn studie in Amsterdam en dat hij er zoveel mogelijk naast had gedaan. Het bleek dat er colleges waren die we beiden hadden gevolgd. Zoals Middeleeuwse Filosofie. We probeerden terwijl we verder renden ons de verschillende bewijzen van het bestaan van God voor de geest te halen. Johan vertelde regelmatig Augustinus en Boëthius te lezen, met zoveel nadruk dat het leek of hij het stempel ‘sport’ wilde wegpoetsen. De inrichting van zijn huis had dat opgeroepen: in de gang stond de racefiets, in de keuken lagen op het aanrecht de rotshaken en renschoenen, over zijn televisie hingen een klimtouw en een zwembroek te drogen.
Om acht uur moesten we voor het eerst praten door de walkietalkies. Het gaat ons, ongedisciplineerd als we zijn, matig af. We praten nog nadat we ‘over’ hebben gezegd en horen dan het antwoord van het basiskamp niet. X maakt aan de andere kant, in het basiskamp, dezelfde fout. Nu geeft het niet, spielerei.
We schatten de hoogte hier op ongeveer 5600 meter. Preciezer weten we het niet, omdat geen van ons een hoogtemeter in zijn rugzak heeft gestopt.
Ben benieuwd hoe het morgen gaat. Nog even lezen.
Opgestaan om ongeveer half acht, nadat we in de tent, liggend in onze slaapzakken, hadden ontbeten. Toen we kamp 1 verlieten was het niet echt koud. De lichte vorst had de omgeving bedekt met een dunne laag rijp. Het waaide gelukkig niet. Later verscheen de zon boven de bergkam waardoor het zelfs wintersportwarm werd, zodat we alle warme kleding uit konden trekken.
Het eerste gedeelte gaat hoog boven de gletsjer over de linker dalhelling. Rommelig terrein. Het Chinese pad is door grote steenlawines praktisch verdwenen. Het begin van het spoor hebben we met oranje vlaggetjes en gestapelde stenen gemarkeerd. Later was dat niet meer nodig. Resten van dikke grijze elektriciteitsdraden geven vaag de weg aan. De Chinezen hebben ze in 1975 tot kamp 3 neergelegd. Ze gebruikten ze om met hun grote generatoren, die in het basiskamp stonden, kamp 3 van stroom te voorzien en voor het telefooncontact tussen die twee kampen.
Na anderhalf uur stijgen over de puinhelling waren we gedwongen af te dalen naar de middenmorene van de Oost-Rongbukgletsjer. Zwarte stenen en gruis dat met drie scherpe inkepingen omhoog golft. Aan weerszijden staan op de gletsjer, sprankelend in de zon, de witte ‘penitenten’. Metershoge ijspegels met kromme ruggen. Ze zijn zo door de zon en de wind vervormd. Krakend
schuiven ze naar beneden om over jaren in de Rongbukrivier weg te stromen. Mallory noemde dit dal in zijn laatste dagboek het ‘golvendal’.
Met de twee Gerards bereikte ik de dumpplaats om twaalf uur. Rob was kort daarvoor omgekeerd. Hij was misselijk, moest zelfs overgeven. Hij dacht dat de thee met limonadepoeder de oorzaak was van zijn ellende; niet het zuurstoftekort.
Er ligt daar nogal wat rotzooi van de eerdere expedities: gasbolletjes, verwrongen tenten en een paar geribbelde blauwe zuurstofflessen. Ik heb nog even gezocht naar resten van de vooroorlogse expedities, maar na een kwartier heb ik het opgegeven. Te vermoeiend. De hoogte.
Gerard J vond een Frans blikje met ‘foie gras’. Het stonk niet en met veel smaak hebben we het opgegeten. Warme limonade was de wijn.
Bij de afdaling verdwaalden we tweemaal. We hadden de morene te snel verlaten en waren op de warrige gletsjer terechtgekomen. Diepe spleten verhinderden een snelle afdaling.
In kamp 1 ontmoetten we Mathieu en Eelco. Mathieu had een bloedneus. Zij gedroegen zich alsof ze het helemaal gingen maken. Eergisteren was Eelco niet eens in staat tot kamp 2 te komen en zat Mathieu nog ergens beneden te kwakkelen. Overmorgen moeten ze na een eerste nacht in kamp 2 de weg naar kamp 3 verkennen en meteen weer afdalen naar het basiskamp. Zwaar.
Voorbij kamp 1 kwam ik Ronald tegen. Hij vertelde trots dat hij ‘benoemd’ is tot ‘manager’. Eerst van kamp 2, later van kamp 3. Hoe Xander dit heeft kunnen beslissen is mij een raadsel. Van zo'n functie is nooit sprake geweest en in alle acclimatisatieschema's heb ik nooit de stationering van een persoon op een plek gezien. We zouden de eerste weken met zijn allen op en neer blijven hobbelen.
De meest nutteloze zaken worden eindeloos besproken en dan worden er nog geen knopen doorgehakt. Dit
besluit heeft X zo maar even genomen. Of ben ik gewoon jaloers op Ronalds vrijgevochten positie en moet ik verder niet zeuren?
Stap na stap heb ik vandaag mijn hoogterecord verbeterd. Nu dus 6000 meter. Kamp 2, een paar plunjezakken op een grauwe morene.
Rustdag, maar met Gerard van S toch weer lang bezig geweest met inpakken. Twaalf yaks zijn vanmiddag met dozen en zakken bepakt naar boven vertrokken, begeleid door drie Tibetanen. Het opladen was een groots spektakel. Eerst wordt het beest op zijn gemak gesteld en wordt er een deken op zijn rug gelegd. Een Tibetaan houdt daarna voorzichtig de kop van het beest vast, terwijl hij zacht tegen hem praat. Een ander bindt ondertussen een houten rekje, waaraan de lasten komen te hangen, op de yak.
Af en toe gaat het mis. De yak steigert, iedereen springt snel opzij en het beest gaat er wild vandoor. Even later proberen de Tibetanen de yaks naar zich toe te fluiten. Als het beest niet komt worden de slingers gepakt. Als kleine Davidjes rennen ze heen en weer en proberen met hun stenen, die snerpend door de lucht suizen, de yak in de flank te raken.
Xander begrijpt niet dat ik me opwind over zijn aanpak. Niet alleen de malle benoeming van Ronald tot baasje van kamp 2, maar ook het hoge tempo dat hij ons opdringt, stoort me. De groep die kamp 2 heeft opgezet en er vannacht zal slapen, moet morgen tot 6400 meter stijgen om daarna in één ruk af te dalen naar het basiskamp. Als ze het al halen, sloop je zo toch voortijdig wat klimmers. Waarom ze niet weer in kamp 2 laten slapen? Ze hebben dan ook meer tijd om een goede plaats voor het derde kamp te zoeken en de gevaarlijke ijswand naar Noord-Col te bestuderen. Daar begint immers straks het
echte klimmen en vormen we niet langer een wandelclub.
X's laatste antwoord was dat ik misschien gelijk heb, maar dat hij de ‘jongens’ zijn wil toch niet kan opleggen. Hij sloot even zijn ogen en keek me daarna recht aan. Smekend om begrip voor zijn positie?
X doet me denken aan Koetoezow uit Tolstojs Oorlog en Vrede. Die generaal had tijdens de strijd tegen het oprukkende leger van Napoleon de grootste moeite om te beslissen. En als het lukte hem een bevel te ontfutselen dan was de inhoud ervan niet meer dan de bevestiging van wat al gebeurde. Binnen tien pagina's was de slag hopeloos verloren en Moskou praktisch bezet.
De yaks lopen rond de tenten. Ze zijn vandaag niet verder gekomen omdat de yakdrijvers de hele dag bezig zijn geweest het pad tot de middenmorene te herstellen.
X slaapt vannacht ook in dit kamp. Hij is in zijn nopjes. Eelco en Mathieu kwamen om half zes terug van hun verkenning. Volgens hen is de plek waar kamp 3 moet komen te staan binnen twee uur te bereiken. Het lijkt mij sterk dat zij de juiste plaats voor ogen hebben. In Naar den hoogsten top der aarde staat voor het stuk van basiskamp tot kamp 3: 4 + 4 + 3 uur. Dus totaal elf. Wij zitten nu op acht uur. Lopen wij dan sneller dan die mannen voor de oorlog?
Toen Jan een uur geleden zwalkend onze tenten passeerde kwam X triomfantelijk naar mij toe. ‘Zie je wel, dat het in een dag te doen is! Zelfs Jan haalt het.’
Na het walkietalkiecontact dat Xander om acht uur met Ronald had, is het managersplan verdwenen. Ik weet niet waarom. Zo'n plan borrelt uit het niets naar boven, bestaat even en ontploft vervolgens. Straks blijkt nog dat het alleen in mijn hoofd heeft bestaan.
Ik ben hiernaartoe gekomen om met plezier zwaar te
klimmen, te vechten, af te zien en als het kan de top te bereiken. Het klimmen begint voor mij pas over een week. Plezier heb ik maar voor 75%: de omgeving is prachtig, het gezwoeg is leuk en met Rob en de twee Gerards heb ik veel pret. De resterende 25% is ergernis.
Al die klimmers! Het enige wat ons bindt is die idiote top. Over de manier waarop we hem moeten aanpakken wordt weer verschillend gedacht: de precieze route, de zuurstof, het aantal kampen, het aantal topklimmers, de klimleider. In Nederland dachten we dat bij de berg de puzzel langzaam in elkaar zou schuiven. Het tegendeel gebeurt. Ellendige academici.
De rest van de avond wil ik Lolita uitlezen. Ik had het boek hier achtergelaten; was het eergisteren vergeten.
23.50 uur. Ik sliep, maar ben door gegil en gekrijs wakker geworden. De tent van de Tibetanen stond in brand. De jerrycan met benzine had vlam gevat toen de brandende benzinebrander werd bijgevuld. De schade valt mee, alleen de ingang van de tent en twee slaapzakken zijn verbrand.
Gerard J heeft de wonden bekeken. Het jongensachtige was van zijn gezicht verdwenen. Daar stond opeens de 38-jarige Amsterdamse anesthesist een patiënt te behandelen. Het licht van zijn koplamp gleed over de armen en de buik van de Tibetaan. Gerards zachte handen en vriendelijke vragen stelden hem gerust.
Nu hoor ik buiten weer de zangerige murmelende stemmen. Ik heb Pema, de oudste Tibetaan, een gasbrander gegeven, maar nog niet uitgelegd hoe je de gasbolletjes vervangt.
daaraan kunnen onttrekken. Ik vind het niet leuk en wil het daarom pas in kamp 4 en hoger zelf gaan doen. Om er vandaag aan te ontsnappen ben ik Gert Reijmerink gaan helpen bij het filmen van de yaks toen die weer op weg gingen.
De rijst met worst en bieten is klaar.
20.55 uur. Zeker een halfuur lang ben ik buiten met de walkietalkie in de weer geweest. Ondanks mijn gepruts is het niet gelukt contact te krijgen met het basiskamp. Ik weet niet waaraan het ligt.
Lig nu diep weggedoken in de slaapzak. Het is koud, de wind jaagt de sneeuw die vanmiddag is gevallen tegen de tent. De yaks zijn net teruggekeerd. Alle lasten zijn weggebracht. Morgen zullen we wel zien waar ze zijn gedropt. Op de plaats van kamp 3 of ver daarvoor.
De drie Tibetanen zitten zich aan mijn voeteneind bij de brander te warmen. Ze zijn ook vernikkeld van de kou. Rob had thee voor ze klaargemaakt, maar die hebben ze na een paar vriendelijke slokken laten staan. Pema is nu druk in de weer zijn eigen theebladeren uit te koken.
Het lopen naar dit kamp viel tegen. Met de meer dan 20 kilo zware rugzak met slaapzakken, klimschoenen en kleding kwam ik hier om één uur aan. Ronald was er nog. Hij zat op een slaapzak die in een plas water lag. ‘Oh condens.’ Het interesseerde hem blijkbaar niet dat een van ons de slaapzak 's nachts nodig had. Even later ging Ronald tijdens de lunch tekeer tegen Rob, Johan en mij. Rob zou hem benadelen met het verdelen van het eten. ‘Waar is al dat snoep?’ In kamp 1 had hij een leeg pindazakje gevonden. ‘Waarom krijg ik dat niet?’ Na Robs antwoord dat er voor iedereen in het basiskamp genoeg is, maar dat het door de klimmers zelf omhooggedragen moet worden, werd het vuur op mij gericht. Met ‘die baard’, Johan, had ik zijn verdere verblijf hier als manager verhinderd. ‘Jullie tweeën hebben bij Xander erover zitten zeiken. Ik ga wel naar beneden en
weer pendelen.’ Rustig filmde Gert het gesprek. Het leek of Ronald er plezier in had.
Gerard van S en Frank geneerden zich. Zij hebben vorig jaar tijdens de beklimming van de Nanga Parbat twee maanden met Ronald opgetrokken. Volgens Frank is het simpel: ‘Nu hij weer terug moet naar het basiskamp gedraagt hij zich als een kind dat zijn zin niet krijgt.’ En zijn uitvallen naar Rob? ‘Oh, dat is oud zeer!’ De boosheid op Johan? ‘Die twee liggen elkaar gewoon niet.’ Frank vindt dat we er voor die twee maanden maar mee moeten leren leven. ‘En hij mag toch proberen de expeditie naar zijn hand te zetten.’
Juist door Ronalds goede contact met Xander kan zijn invloed inderdaad aanzienlijk zijn. Het gevaar is groot dat dit X en dus ook ons zal opbreken. Misschien is Eelco nog in staat tegengas te geven. Van Mathieu verwacht ik dat niet. Die bezint zich nog als de macht allang vergeven is.
Voordat Ronald vertrok en zich, ondersteund door zijn skistokken, met grote stappen van het kamp verwijderde, waren we even met zijn tweeën in de tent. ‘Zo, Mephisto,’ zei hij.
Eelco had gelijk. Binnen twee uur is deze plek te bereiken.
Kamp 2 zou dus wat lager neergezet moeten worden. Dus toch op de plek die Eelco oorspronkelijk voorstelde?
De nacht was vreselijk koud en ik was blij toen ik verwarmd door de eerste zonnestralen op pad kon gaan. De weg hiernaartoe is eenvoudig: almaar rechtdoor over de middenmorene, tot deze oplost in de gletsjer. Daarna nog een honderdvijftig meter stijgen tot een vlak stuk op een kleine zijmorene die tegen de Changtse aanleunt. Het eindpunt van de grijze elektriciteitsdraden. Verspreid liggen onze dozen en zakken tussen restanten van de Franse expeditie die hier vorig voorjaar was. Ver-
bogen staketsels van tenten, ladders en een hoop conservenblikjes. 6400 meter.
Honderd meter verder is de plaats waar de vooroorlogse expedities hun kamp opzetten. Een plateau onder een beschermende rotswand. Ik herken het van foto's.
Meteen na aankomst hebben we de grote tent opgezet. Daarna is Rob weer afgedaald. Terug naar kamp 2. Hij was duizelig. Straks gaan we met zijn drieën verder de tent inruimen. Nu liggen we heerlijk in de zon. Even slapen, dan weer omhoog kijken. Tweeënhalve kilometer hoger is de Everest-top weer zichtbaar. We zitten pal onder de berg. Aan de top hangt een grote wolkenpluim.
Het terrein waarover de weg van hier omhoog loopt is grotendeels te overzien. Eerst een tamelijk vlak stuk over de gletsjer. Dan een veertig graden steile wand van sneeuw en ijs, zo'n vierhonderd meter hoog. Daar kwamen in 1922 die zeven dragers in een lawine terecht en verloren het leven. Wij zullen de hele wand beveiligen met een touw.
Het gevaarlijke stuk eindigt op 7000 meter: Noord-Col, een zadel in de sneeuwgraat die de Changtse en Everest verbindt. Daar komt het volgende kamp. De route verder volgt de flauw hellende sneeuwgraat naar links. Vermoedelijk een prettige steilte om snel hoogte te winnen. Als de sneeuw door de zon en de wind is aangehard zal het terrein daar geen problemen geven, maar de hoogte gaat er tellen. Bovendien ben je daar onbeschut voor de wind. Waar de graat eindigt moet ons kamp 5 komen te staan. Doordat we schuin in de noordwand kijken is de weg verder van hier af niet goed te overzien. Vanuit basiskamp gaat dat beter.
21.30 uur. Bij schemer waren we nog bezig met het opzetten van een piramidetent. We hebben hard gewerkt. Het effect van de hoogte is duidelijk te merken. Een doos van 25 kilo optillen en ermee lopen gaat moeizaam. Doe ik het te snel dan gaat mijn lichaam tekeer. Mijn hart bonst sneller en het ademhalen heb ik niet
meer onder controle. Eerst dacht ik dat ik de enige was die er last van had, maar toen ik eens goed op de twee Gerards lette zag ik dat bij hen hetzelfde gebeurde. De enige remedie is alles rustig aan te doen. Het beste is zelfs helemaal niets te doen en het werk door anderen op laten knappen. Door alle inspanning takel je af en verbruik je energie die later misschien beter gebruikt zou kunnen worden. Het is legitiem je te drukken, maar er moet ook gewerkt worden. Het dilemma van expedities naar hoge bergen.
Japanse expedities lossen het tegenwoordig op door een paar ‘beschermde’ klimmers aan te wijzen, die zich in het begin niet al te zeer hoeven in te spannen, rustig kunnen acclimatiseren en nog fit zijn op het moment dat alle kampen zijn opgezet en de top binnen bereik ligt. In Nederland is vaak besproken om van tevoren de klimgroep te splitsen in ondersteunende klimmers en topklimmers. Nadeel van zo'n splitsing is dat vaak blijkt dat de geselecteerde klimmers uiteindelijk niet de sterkste zijn. Daarom is besloten die opdeling uit te stellen tot we ergens halverwege zijn. Nu moet iedere topbeklimmer zijn plaats verdienen. Als ik veel zwaar werk doe en er later nog steeds fris uitzie, ben ik blijkbaar sterk en geschikt om in een topteam terecht te komen. Maar ik heb dan ook weer veel krachten verspild en moet dus juist geen topkans krijgen.
De oplossing is eenvoudig: fraude. Je inspannen door bijvoorbeeld lege bolle rugzakken naar boven te dragen.
Als we morgenochtend voor vertrek nog een paar uur doorzwoegen is het kamp klaar om als uitvalsbasis te dienen voor de verkenning van de ijswand.
Iedere keer als we rustten hebben we de wand bekeken. De route is niet voor de hand liggend. Qua helling lijkt het rechts het eenvoudigst: onder de Changtse door omhoog en dan een reuze zwaai naar links en je bent op Noord-Col. Uitnodigend maar lawinegevaarlijk. Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor de daarna gemakkelijkste weg: in het midden via een brede ijsgoot. De goot
eindigt bij een serac, een stuk ijs dat zo groot is als een flatgebouw, maar zo te zien is daar zonder al te grote problemen wel overheen te komen. Ons lijkt de route die links van de centrale ijsgoot loopt het meest safe. Het is steiler, maar daardoor is er ook een kleinere kans op lawines.
We zijn belazerd! Gerard van S had gisteren gemerkt dat twee grote plunjezakken met tenten veel zwaarder dan vijfentwintig kilo leken te zijn. Toen we ze zojuist openden bleek dat er naast de tenten, die wij er in het basiskamp in hadden gestopt, ook nog kleding, schoenen en stijgijzers inzaten. Van Han en Johan. Waarschijnlijk hebben ze maandag, toen de Tibetanen bezig waren het pad te herstellen, in kamp 1 hun rugzakken geleegd en de inhoud in de zakken gepropt.
Vooral Gerard van S voelt zich genaaid. Wij hadden immers afgesproken dat ieder zijn eigen spullen naar boven zou sjouwen. Daar komt nog bij dat wij de yakdrijvers hadden bezworen dat de lasten niet zwaarder waren dan de afgesproken vijfentwintig kilo. Ze hebben ons vertrouwd en niets nagewogen.
Gerard J vindt het 't vervelendst. Han en Johan zijn z'n vrienden.
Het is heerlijk weer. Vannacht waaide en sneeuwde het, maar nu is het windstil en is de sneeuw al weer bijna verdampt. Naast de grote tent die helemaal is ingericht staan nog twee tenten. Een piramide waar een man of vier in kunnen overnachten en een koepeltent met twee slaapplaatsen.
In de grote tent hebben we met de grote dozen zitbanken en een keukentje gebouwd. We drinken daar dadelijk nog wat thee en dalen dan af. Ik merk het effect van de hoogte goed: een loom en moeiig gevoel. Gelukkig heb ik geen last van hoofdpijn of misselijkheid.
18.30 uur. Basiskamp. Post. Een brief van Jet en een tekening van Judith. Drie weken geleden verstuurd vanuit Engeland. De brief was al eerder geopend en weer klungelig met bruine lijm dichtgeplakt. Dat hebben de Chinezen in Peking waarschijnlijk gedaan.
Jet schrijft dat Judith na mijn vertrek een paar dagen van slag was. De spanning van de bootreis naar Engeland en het mysterieuze vakantiehuis waarin ze logeerden heeft het gemis een beetje verdrongen. Wel heeft ze 's avonds een keer gevraagd hoe lang drie maanden duren. Op Jets antwoord reageerde ze met te zeggen dat het heel gemeen van mij is om zo lang weg te blijven. Niet zo gek. Sinds haar geboorte, april 1980, heb ik meer dan Jet voor haar gezorgd. Voor de logica-colleges die ik als assistent aan de Universiteit gaf, hoefde ik maar twee of hooguit drie keer in de week in Amsterdam te zijn. De rest van de tijd studeerde ik thuis in Eemnes, terwijl Jet vier dagen in de week werkte.
Jet schrijft niets nieuws over mijn ouders. Wel dat het voor Ma steeds zwaarder wordt om Pa thuis te verzorgen. Niet de moeilijkheden met zijn suikerziekte en de nasleep van een beroerte, maar de opkomende dementie eisen al haar aandacht op. Ze is bang dat hij snel af zal glijden als ze hem laat opnemen in een verzorgingstehuis. Toch was Ma de laatste week al bij een paar instellingen gaan kijken. Het moet wel, maar ze wil hem nog niet loslaten. Juist de laatste jaren zijn ze weer naar elkaar toegegroeid.
Overmorgen verhuizen we. De meeste spullen hebben Jet en ik al voor mijn vertrek ingepakt. Ze schrijft dat ze naar het nieuwe huis verlangt, al is het maar om van die stapels dozen waartussen ze nu leeft af te zijn.
Bij kamp 1 ontmoette ik vanmiddag Eelco en Mathieu. Zij willen overmorgen samen met Ronald en Jan beginnen met de beklimming van de wand naar Noord-Col. Ik had verwacht dat voor dit werk een homogener en sterker clubje samengesteld zou worden: tussen Eelco en Ronald klikt het niet. Mathieu went nog moeilijk aan de
hoogte. Op Jan is weinig aan te merken, maar hij is qua klimtechniek weer een van de mindere deelnemers. Ten slotte Ronald met zijn sterallures.
Eelco maakte voor het eerst een ontspannen indruk. Met de twee lange antennes die op zijn rugzak gebonden waren, zijn scheve bril en opgewekte gezicht daarachter, leek hij weer de oude. Het doet hem vermoedelijk goed dat hij even niet hoeft te organiseren en dat hij zich kan concentreren op het klimmen.
Toen ik Ronald tegenkwam kon een ‘hallo’ er niet meer vanaf. Hij is nog steeds boos op Johan en mij. Ik heb het idee dat hij in ons zijn tegenstanders heeft gevonden.
23.00 uur. Rolling Stones op de recorder: ‘Just Imagination’. Vanmiddag, direct na mijn terugkeer, was Xander al koud over mij heengevallen met allerlei bewegingsschema's die hij de afgelopen dagen had uitgebroed. De bewegingen van de klimmers gaan nog wel, maar de lasten die hij ze wil laten dragen zijn idioot zwaar. Bijvoorbeeld drie dagen achter elkaar een kilo of vijftien vanuit kamp 4 naar boven sjouwen. Op mijn bezwaar dat op die hoogte niemand zoveel dagen dat gewicht naar boven kan brengen, reageerde hij met: ‘Op de Annapurna, in 1977, is dat toch meerdere malen gebeurd, dus waarom nu niet?’ Hij rekent te optimistisch en neemt de uitzonderingen van vijf jaar geleden als uitgangspunt.
Na het eten hebben we met zijn drieën de logistiek en het tweede yaktransport verder besproken. X, Gerard van S en ik. X voelt niet aan wat waar en wanneer nodig is, daarom zullen Gerard en ik toch weer die yaktrein klaarzetten. X was duidelijk opgelucht dat dat ook weer was geregeld. Wat een klungel! Als hij bij de Annapurna net zoveel overzicht had als hier, dan is het een godswonder dat die expeditie zo'n groot succes had. Volgens Gerard J, die er als klimmer bij was, was het geen mirakel maar gewoon de groep Sherpa's die buiten X om veel zaken regelde.
Morgen kan ik me voor het eerst weer scheren, wassen en schoon ondergoed aantrekken. Maar daarvoor loop ik met Gerard J nog naar het heuveltje achter het kamp. We gaan het monumentje van Joe Tasker en Peter Boardman dat door yaks omvergelopen is, weer opbouwen.
In de slaapzak. Zojuist leek het slechter weer te worden. Bewolking en plotselinge rukwinden. Maar het valt toch mee, want toen ik naar buiten ging om te plassen was de maan al weer te zien en was de wind weer gaan liggen.
Gisteren heb ik geen tijd gehad om te schrijven. Er waren allerlei toestanden rond Willem. Op de middenmorene, vlak voor kamp 2, voelde hij zich zo beroerd dat hij geen kant meer op kon. Hij zweette enorm en was een tijdlang niet in staat zich te bewegen. Vermoedelijk een hersenoedeem. Hij is zo snel mogelijk teruggebracht naar kamp 1, waar hij extra zuurstof toegediend kreeg. Toen Willem hier 's avonds aankwam heeft Gerard J hem onderzocht. Een groot gedeelte van de nacht heeft Willem met een zuurstofmasker geslapen.
Terug in de grote tent begon Gerard Xander onder vuur te nemen. Dit was de gelegenheid om zijn gal te spuwen. Met name het hoge klimtempo dat in alle plannen van Xander voorkomt, zat Gerard dwars. X reageerde verward, zich vastgrijpend aan zijn berekeningen. Het leek alsof hij teleurgesteld was dat nu ook Gerard, de sterkste klimmer bij de Annapurna, hem aanviel.
Vandaag vergeleek Gerard X met een wolk. Hoe je er ook op schiet, hij herstelt direct. Als je er doorheen loopt wijkt hij, maar als je je later omdraait en goed kijkt, dan blijkt hij onveranderd.
Wel werd gisteren duidelijk, hoe er aan X wordt getrokken. Aan de ene kant door Eelco en Mathieu met, in zijn eentje, Ronald aan het einde van hun touw. Zij willen alleen maar ‘snel, snel’. De twee Gerards, Rob en ik
staan aan de andere kant aan X te trekken. Wij zijn voor een iets langzamer en voorzichtiger aanpak tijdens de eerste weken; er mag nu niets geforceerd worden, we moeten nog anderhalve maand mee.
Ik heb de indruk dat het voor Han en Johan allemaal te groot en te complex is, dat ze het niet kunnen vatten. Hoewel het bij Han ook uiterste listigheid kan zijn om later sowieso aan het langste eind van het touw te staan.
De resterende klimmers pruttelen wel, maar hebben geen echt uitgesproken mening en zijn X trouw.
Al dat gepraat is verworden tot een tijdverdrijf: als we toch met elkaar zitten te eten of drinken kunnen we niet de hele tijd over slimme schaakzetten of over Kuifje in Tibet praten. Dus bespreken we eindeloos de dingen die onze hoofden echt bezighouden. En bovendien wat is er tegen goed mopperen en oprecht kankeren?
Overal is hard gewerkt. Hier hebben we met zijn allen dozen en plunjezakken voor het yaktransport ingepakt. Xander heeft, voordat hij naar kamp 1 vertrok, nauwgezet de inhoud genoteerd en Pema heeft het gewicht van de lasten geaccepteerd. Morgen gaat de tweede yaktrein omhoog.
Belangrijker is dat men vanuit kamp 3 tot halverwege de gletsjerwand is gekomen. Maar wel via een route die ergens helemaal rechts loopt, wat door de dreigende lawines op den duur te gevaarlijk kan zijn. Misschien niet nu, maar wel later als het hevig heeft gesneeuwd. Vooral op dit stuk van de weg moeten we rekening houden met het slechtst denkbare weer. Het walkietalkiecontact was vanavond slecht, maar toch begrepen we dat ze er daarboven ook niet helemaal uit zijn en nog overwegen een andere weg te beklimmen.
In zijn geheel verloopt de expeditie voorspoedig. We hebben zelfs een dag gewonnen op de meeste van Xanders schema's. We dobberen voort. Met de wind mee en in de goede richting. Maar we hebben geen kapitein en of we aankomen waar we willen hangt van alle
stromingen af. Misschien maak ik me zorgen om niets, zie ik spoken en dacht ik te naïef over leiderschap, samenwerking en voortgang. En Willems oedeem? ‘Bij de meeste expedities is meer dan een kwart van de deelnemers continu door ziekte uitgeschakeld,’ zegt Gerard J.
Er is een ongeluk gebeurd! Halverwege de gletsjerwand, een lawine of een ingestorte sneeuwbrug. Eelco en Mathieu.
Ze liggen waarschijnlijk nog steeds op de plek waar ze terecht zijn gekomen, in een spleet, 6800 meter hoog. Mathieu mankeert niets ernstigs. Eelco kan niet praten, zich niet bewegen en hij heeft een onregelmatige ademhaling.
Het is vermoedelijk rond het middaguur gebeurd. Wij hoorden het twee uur later. De Tibetanen hadden zojuist hun yaks beladen en stonden op het punt te vertrekken naar kamp 1. Gerard J en ik hadden onze rugzakken gepakt en zaten voor ons vertrek naar kamp 1 thee te drinken in de grote tent. Krakerig hoorden we plotseling Johans stem door de walkietalkie: ‘Er is een ongeluk gebeurd...’
Nadat hij enigszins had uitgelegd wat er aan de hand was, riep hij dat er een helikopter moest komen. Het leek alsof hij vergeten was dat hij in Tibet was en niet in de Alpen. Daar kunnen helikopters tegenwoordig bij gunstig weer op praktisch elke plek reddingen uitvoeren. Maar in Tibet zijn bij mijn weten geen helikopters en al waren ze er, dan hadden we er nog niets aan. Door de geringe luchtdruk kunnen ze maximaal tot 6000 meter hoogte komen.
Bij een reddingsactie is hier geen hulp van buitenaf, wij zijn op elkaar aangewezen. Boven 7500 meter wordt het nog moeilijker. Daar is een klimmer net in staat zijn eigen rugzak te dragen; als er iets gebeurt moet een gewonde op eigen kracht afdalen.
Keer op keer kwam Johan terug op die helikopter.
Met moeite konden de artsen Gerard J en Charles hem een omschrijving van Eelco's toestand ontfutselen. Een helder beeld van de situatie kregen we niet. Waar waren Ronald en Jan op het moment van het ongeluk? Wie waren inmiddels naar Eelco en Mathieu toe geklommen? Wat wel duidelijk werd was de ernst van Eelco's verwondingen. Gerard en Charles vrezen dat Eelco een dwarslaesie heeft.
We hebben lang met Wang gesproken over de mogelijkheid Eelco later vanuit kamp 3 op de rug van een yak naar beneden te vervoeren, maar uiteindelijk maakte een van de Tibetanen ons duidelijk dat geen van de yaks ooit iemand zo had vervoerd en dat bokkensprongen zeer waarschijnlijk waren.
Nog een lange tijd hebben Charles en Gerard, onderbroken door het regelmatige walkietalkiecontact met kamp 3, zitten bladeren in hun medische handboeken, op zoek naar een diagnose. Daarna heeft Gerard zijn rugzak leeggemaakt en opnieuw gevuld met medicijnen en is vertrokken om zo snel mogelijk kamp 3 te bereiken. Vanuit dat kamp zijn klimmers met een tent, slaapzakken en zuurstofflessen op weg gegaan naar de plek waar Mathieu en Eelco liggen. Vermoedelijk duurt het een uur of vier voor ze hen bereiken.
21.55 uur. Kamp 1. Verspreid over de berg houden we ons nu maar met één ding bezig: Eelco redden. Niemand durft te praten over de kleine kans die hij heeft om het te overleven.
Bij schemer kwam ik in dit kamp aan. Gerard van S en Rob waren er al langer. Het is niet zinvol voor ons om nu, in het donker, verder omhoog te gaan. We zouden ons nodeloos uitputten. In kamp 3 zijn voldoende mensen en we zouden elkaar eerder voor de voeten lopen. Als we morgen in de loop van de dag het kamp bereiken zijn we nog fris en kunnen we het werk van de anderen overnemen.
De hele nacht zal de walkietalkie aan blijven. We hebben alleen nog contact met kamp 3 en met Charles in
het basiskamp. Xander is de enige die kamp 2 bemant. Van hem hebben we al uren geen bericht meer gehad. Misschien is de batterij leeg. We voelen ons machteloos.
Buiten sneeuwt het. Ik lig diep weggedoken in de slaapzak. Naast me ligt Rob te slapen. Gisteren was ik te moe om te schrijven. Met Eelco gaat het goed.
Om half tien vertrok ik gisteren uit kamp 1. We wisten inmiddels dat vijf klimmers samen met Eelco en Mathieu de nacht hadden doorgebracht. In de gletsjerspleet hadden ze provisorisch een tent opgezet en ze bleven warm door dicht tegen elkaar te kruipen.
In kamp 2 ontmoette ik Xander en Rob. Met zijn drieën hebben we snel wat gegeten en gedronken. Daarna zijn Rob en ik verder gegaan. Via de walkietalkie ontvingen wij regelmatig boodschappen van Ronald, maar Ronald ontving noch X noch mij. Hij hield wel rekening met de mogelijkheid dat wij hem konden verstaan, want hij ging door met zenden. Hij beschreef het uitzicht, de steilte van de helling waarover hij had geklommen, vertelde dat hij op de gletsjer zijn stijgijzers had achtergelaten en dat het er warm was maar hij zei niets over datgene waarover wij in spanning verkeerden. Wij dachten nog steeds dat Eelco halfdood was.
Waar de middenmorene naar rechts buigt, ben ik met de walkietalkie achtergebleven om als tussenstation voor Xander te fungeren. Rob is snel alleen doorgegaan.
Om vijf uur kwamen de opluchtende mededelingen. Eelco was net op een geïmproviseerde brancard teruggebracht naar kamp 3 en werd onderzocht door Gerard J. Hij had een geperforeerde long, meerdere gebroken en gekneusde ribben, een hersenschudding en een zenuw die in zijn ruggengraat bekneld was geraakt. Maar hij zou het in ieder geval overleven.
Nadat ik het bericht had doorgegeven aan de kampen lager op de berg ben ik verder gegaan om nieuwe wal-
kietalkies te brengen (die dingen zijn echt pet: ze haperen; even schudden of kloppen als bij een oude houten radio en dan geven ze helemaal de geest of doen het zowaar weer).
Om vijf uur kwam ik in het kamp aan. Het sneeuwde inmiddels fors. In de grote tent trof ik een waar schouwspel. Eelco lag links van de ingang op zijn brancard op de grond. Een zuurstofmasker op zijn mond en neus, infuus in zijn arm. Naast hem waren de twee Gerards in de weer de infuuszak in een pannetje warm water op temperatuur te houden.
Om hen heen, zittend op dozen en rugzakken, allemaal uitgebluste mafkezen met rood verbrande hoofden. Moe van de koude bivaknacht in de ijswand en het sjouwen met de brancard over de gletsjer, afgebrand door de hoogte.
Tijdens het eten, boerenkool met worst, ontlaadde alle opgehoopte spanning zich in een twistgesprek over het eten. ‘Waarom is er zo weinig chocolade?’ vroeg Mathieu. Jan beklaagde zich dat hij de bouillonblokjes niet had kunnen vinden, ‘...en je weet dat je juist zout zo nodig hebt om het vocht vast te houden.’ Maar volgens Gerard J was dit een fabeltje. Door het geraas van de benzinebranders en de wind konden we elkaar nauwelijks verstaan. Eelco lag nog steeds half bewusteloos naast ons op de grond. Zijn verwilderde ogen waren net zichtbaar boven het zuurstofmasker, op zijn hoofd had hij op verschillende plaatsen kleine bloederige wonden. Elke ademzucht veroorzaakte een zwaar gepruttel in zijn borstkas. De slaapzak waarin hij lag was op verschillende plekken opengereten, waardoor bij iedere beweging of windvlaag wolken van veren rond hem werden geblazen.
Met de twee Gerards heb ik 's nachts in de grote tent voor Eelco gezorgd, zodat de anderen rustig in de andere tenten konden overnachten. Vooral voor Gerard J een slopende nacht.
Buiten gierde de wind en door kieren in de tent vlogen straaltjes sneeuw naar binnen.
Het kostte grote moeite te voorkomen dat Eelco het masker afrukte en het infuus uit zijn arm trok. Doordat een van zijn longen is ingeklapt had hij het benauwd. Een paar maal kreeg hij een pijnstillende injectie en werd zijn bloeddruk gemeten. Ik hoorde de hele nacht het geruststellende gefluister van Gerard.
Vanmorgen kwam Charles samen met Xander hier aan. Hij heeft de verantwoordelijkheid voor Eelco's verzorging van Gerard J overgenomen. Aan X heb ik voorgesteld dat zoveel mogelijk mensen terugkeren naar het basiskamp, zodat ze weer uitgerust zijn tegen de tijd dat Eelco naar beneden gedragen moet worden.
Een uur later hadden de meesten het kamp verlaten. Met Eelco zijn Charles, Rob, Gerard van S, Han en ik achtergebleven. De Tibetaanse dragers blijven met hun kok voorlopig ook hier wachten.
Morgen wordt beslist wanneer Eelco naar beneden wordt vervoerd en hoe we het aan zullen pakken. Eelco ligt in een blauwe bungalowtent die we vanmiddag rond hem hebben opgezet. Het is zo rustiger voor hem.
Mathieu bleek een aantal gekneusde ribben te hebben, waardoor hij pijnlijk ademhaalt. Hij is dus voorlopig uitgeschakeld. De stand is nu: 12 min Eelco, Mathieu en Willem = 9 klimmers. Het dunt snel uit.
Bovendien zal deze grap ons zeker een week kosten en daarmee misschien de top.
Naast de grote tent staat een kleine, rode, tunnelvormige tent. Het zijn vervelende tentjes, lastig op te zetten, net niet hoog genoeg om er rechtop in te kunnen zitten, niet lang genoeg en te smal om met zijn tweeën in te slapen.
Toen ik vanmorgen vroeg buiten stond te plassen maakte een van de Tibetaanse dragers de tent open en kroop er op handen en voeten uit. Daarna volgde de kok. Toen kwam er nog een drager, die op zijn beurt in gesprek bleef met iemand die ook nog in de tent was. Uiteindelijk bleek dat ze met zijn vijven de nacht in het tentje hadden doorgebracht.
Morgen zal ik de versterker van de walkietalkies installeren. Hopelijk zijn we dan verlost van het slechte radiocontact dat ons tot nu toe teistert.
Het sneeuwt nog steeds. Er is vandaag al zeker een halve meter gevallen.
Prachtig weer. In T-shirts lopen we rond. Het is windstil. De zon is extra verzengend doordat alles door de vers gevallen sneeuw wit is en de hitte in deze doodlopende gletsjerkom blijft hangen.
Een kilometer of twee verder zie ik boven de gletsjer de ijswand fonkelen. Op twee derde hoogte is naast wat onregelmatige bobbels een scherpe kromme breuklijn. Bovenin de kromming zit een klein deukje naar boven. Daar stond Eelco of Mathieu op het moment dat de zaak in beweging kwam en zij met de sneeuw naar beneden werden gesleurd. Een stuk lager zie ik de spleet waarin ze terecht zijn gekomen. Ze hebben geluk gehad dat hun val daar eindigde en dat ze niet de volle lengte van de wand naar beneden zijn gestort.
Langzamerhand is me duidelijk geworden wat er is gebeurd. Op zaterdag, de eerste dag van de verkenning van de route naar Noord-Col, is het ploegje klimmers naar de wand gelopen en heeft de meest uitnodigende weg genomen: helemaal rechts aan de kant van de Changtse. Ze zijn tot halverwege gekomen en teruggekeerd naar dit kamp. 's Avonds is de te volgen weg besproken. Ronald wilde de ingeslagen route verder volgen terwijl Eelco en Mathieu dat door de dreiging van mogelijke lawines te gevaarlijk vonden.
Zondag is het ploegje van vier weer op pad gegaan. Eelco en Mathieu zijn de brede ijsgoot in het midden van de wand gaan beklimmen. Ronald is alleen de weg van de dag ervoor ingeslagen en Jan is achtergebleven op de plek waar de wegen van de klimmers zich scheidden. Hij voelde zich niet lekker.
Rond één uur hadden Eelco en Mathieu nog een hon-
derdvijftig hoogtemeters te overwinnen toen de sneeuw plotseling losbrak en begon te schuiven. Tweehonderd meter lager eindigde deze verkenning.
Om half twee kwamen Han en Johan in kamp 3 aan. In de verte zagen zij onderaan de wand een zich snel heen en weer bewegend stipje - Jan. Ruim vierhonderd meter hoger, op Noord-Col, de stip Ronald. Tussen hen in de sporen van de lawine, maar geen stipjes. Verwonderd hebben ze naar het tafereel gekeken. Langzaam zagen ze de bovenste stip recht naar beneden afdalen en uit het zicht verdwijnen op de plek waar de lawine stopte. Later kwam hij weer tevoorschijn en daalde verder af. Uit de bewegingen begrepen Han en Johan dat er iets aan de hand was en ze zijn op weg gegaan naar de voet van de ijswand. Daar ontmoetten ze Jan en Ronald die afdaalden naar kamp 3. Terwijl Han en Johan naar de gewonden klommen nam Johan via de walkietalkie contact op met de andere kampen en begonnen zijn verzoeken om helikopterhulp.
Rob maakt een schets van de ijswand. Wij zijn hier allemaal van mening dat de minst gevaarlijke weg links in de wand loopt. Het blijft link terrein, maar door de steilte is er daar toch iets minder kans op lawines.
Ik hoor de bellen van de yaks. Ondanks de diepe sneeuw is het de Tibetanen gelukt ze omhoog te drijven.
18.00 uur. Charles maakt zich zorgen om Eelco. Gisteren leek het nog alsof Eelco hier snel zou kunnen herstellen. Gerard J en Charles hadden het er zelfs over dat Eelco met een afgeplakte en verbonden borst op eigen kracht zou kunnen afdalen. Nu zien we Eelco's toestand voor onze ogen verslechteren. Hij sluimert voortdurend, lijkt vaak half bewusteloos. Het ademen gaat nog steeds sputterend en rochelend. Charles houdt enig herstel op deze hoogte voor onmogelijk en wil morgen al beginnen Eelco naar beneden te dragen.
Gerard van S heeft vanmiddag uren besteed aan het verder perfectioneren van de brancard. De twee ladder-
delen die oorspronkelijk bedoeld waren om grote gletsjerspleten te overbruggen zijn nu bekleed met een slaapmat, hebben een kartonnen voeteneind en een zuurstoffles als hoofdkussen. De antennemasten zijn onder de ladders bevestigd, zodat we lange draagbuizen hebben. Aan weerszijden hangen touwen zodat we Eelco op zijn brancard kunnen binden.
Het zal zwaar worden om Eelco beneden te krijgen. We schatten dat het vier of vijf dagen zal duren voor hij terug is in het basiskamp. Vooral de puinhelling boven kamp 1 zal ons veel moeilijkheden opleveren.
21.30 uur. Xander liet vanuit het basiskamp weten dat hij twijfelde of het zinvol is morgen te beginnen met Eelco te sjouwen. Wij hebben er verder niet over gesproken en hem domweg laten weten, dat er geen andere keus is en dat we verwachten dat de komende dagen iedereen zich in zal zetten Eelco levend beneden te krijgen.
De kans als klimmer om te komen tijdens een Everestbeklimming ligt rond de vijf procent. In Nederland is voorzichtig over de risico's gesproken. Ieder heeft op papier gezet wat er met zijn lijk zou moeten gebeuren. Achterlaten op de berg, begraven in Tibet of naar huis transporteren. Ik weet niet meer precies hoe ik het heb omschreven, maar het was zoiets als: niemand mag risico's lopen om mijn lichaam te bergen.
In Nederland is het gevaar abstract, hier leven we ermee. Toch went het niet. Dit is mijn vijfde klimseizoen en het derde ernstige ongeluk waarmee ik te maken heb.
Eenmaal klom boven Chamonix een Franse vrouw vlak voor mij. Het was slecht weer geweest en ik was niet de enige die op het idee was gekomen om deze gemakkelijk te bereiken rotswand te beklimmen. Een spoor van klimmers volgde dezelfde weg, waardoor we telkens moesten wachten. Lachend was zij voor mij uit geklommen, haar helm losjes op het hoofd. Zij gleed uit en viel een paar meter naar beneden, haar helm
gleed af en haar hoofd stuiterde tegen de rots. Een ongeluk van niets, niet ernstiger dan een val van een keukentrap. Later hoorde ik dat ze al in de helikopter was overleden.
Vorig jaar beklom ik samen met mijn Zwitserse vriend Michel Curnis de noordwand van de Grand Jorasses, een markante wand in het Mont-Blancgebied. Afwisselend klimmen: moeilijke rotsen en steil ijs. Terwijl ik het laatste stuk van het bovenste ijsveld beklom zag ik een meter of tien rechts van mij iets blauws uitsteken. Nieuwsgierig klom ik ernaartoe. Verborgen achter doorschijnend ijs zat iemand. De armen rustten op de knieën. Alleen de ellebogen staken door het ijs. Hé, een mannetje, dacht ik.
We markeerden de plek door er een fel rode bivakzak op te hangen. Daarna klommen we verder. Twee dagen later is het lijk geborgen. De klimmer had waarschijnlijk tijdens slecht weer een plateau uitgehakt, was gaan zitten en door kou of uitputting om het leven gekomen en vervolgens onder het ijs geraakt. Hij zat er vermoedelijk al een tijdje. Wij stonden een uur later op de top.
Het eerste ongeluk was een voorbeeld van stommiteit. Als de vrouw het kinbandje van haar helm had vastgemaakt, was ze na haar val overeind gekrabbeld en weer lachend verder geklommen. Over het bevroren mannetje heb ik nooit anders dan grinnikend kunnen praten.
Ook nu merk ik dat Eelco's ongeluk niet echt tot me doordringt. Ik kan het van mij afhouden door te bedenken dat ik nooit op die plek was gaan klimmen. Was het een stommiteit? Het was toch Eelco die twee jaar geleden tegen zijn rugzak stootte, waarna deze tweehonderd meter lager uiteenspatte? Ging hij niet tijdens het fietsen van Luik-Bastenaken-Luik in een gladde bocht onderuit?
Sommigen beantwoorden vragen over klimongevallen door te zeggen dat de alpinist altijd denkt: Dat overkomt mij niet. Maar juist dat klopt niet; in gedachten val ik voortdurend. Moeilijk klimmen is maar voor twintig procent omhoog gaan, mijn lichaam onder controle heb-
ben, niet trillen en krachten sparen. De resterende tachtig procent jagen alleen maar de verschillende antwoorden op die ene vraag door mijn hoofd: Wat gebeurt er met me als ik nu val? Tussen twee bewegingen sterf ik honderden keren. Misschien kan ik daardoor nog steeds verder klimmen.
Eelco ligt als een vorst in de grote legertent. Met dozen van de zuurstofflessen was daar een groot bed gebouwd. Gisteren is Eelco op de brancard tot kamp 2 gebracht. Vandaag is het gelukt hem in een lange tocht tot hier te brengen. We hebben zijn terugkeer met kleine glaasjes jenever gevierd.
Voorzichtig tilden we gistermorgen Eelco in zijn blauwe slaapzak op de brancard, bonden de touwen om hem vast en begonnen aan de terugtocht. Onder leiding van Doppertje bezetten de vier Tibetanen meteen de zwaarste plaatsen aan het hoofd- en voeteneinde. Wij, de vijf Hollanders, droegen de brancard aan de zijkant. Iedere twintig minuten stopten we, legden Eelco op de grond en rustten uit. Charles maakte met een pipet Eelco's lippen nat en probeerde hem wat te laten drinken. De brandende zon maakte het gesleep over de glibberige middenmorene verlammend zwaar.
In de loop van de middag bereikten we kamp 2. Veel sneller dan we zelfs hadden durven dromen. Zonder de inzet van de Tibetanen was dit nooit gelukt. Af en toe leek het of zij treiterend wat harder liepen, zodat wij moeite hadden de brancard bij te houden.
Nadat Eelco in de Takstent was gelegd en toegedekt met een overdadige stapel slaapzakken, de brancard was voorzien van extra dwarsstangen en wij verzadigd waren met thee en warme limonade, kwam Willem vanuit kamp 1 in de lucht. Hij vertelde dat men beneden nog steeds twijfelde aan de haalbaarheid van ons plan Eelco snel naar beneden te brengen. Vanuit het basiskamp
stelde Xander ons via Willem vragen als: ‘Hoe laat denken jullie bij het einde van de morene te zijn?’ en ‘Wat waren vandaag de tussentijden?’ Xander leek nog steeds niet overtuigd van de noodzaak dat Eelco zo gauw mogelijk beneden moest zijn.
Verbouwereerd gaf Charles antwoord op allerlei onzinnige vragen. Tot hij het afkapte en Xander liet weten dat wij verwachtten dat iedereen zich zou inzetten bij het vervoeren van Eelco.
Even later hoorden we dat X had ingestemd met een voorstel van Ronald en Johan om met zijn tweeën weer omhoog te gaan naar kamp 3 om de route naar Noord-Col verder te verkennen en te beveiligen met vaste touwen.
De route naar Noord-Col? Dus nu al opnieuw beginnen met klimmen? Ronald en Johan? En die twee konden elkaar niet luchten of zien.
Geen van ons had overwogen de expeditie op te geven, maar eerst moest Eelco veilig beneden zijn, pas dan mocht er weer serieus over het klimmen gedacht worden. En het moeilijkste stuk, over de brokkelige dalhelling boven kamp 1, hadden we nog voor de boeg. Dat hield ons bezig. Nu leek het of daar beneden de wereld even op zijn kop was gezet.
Briesend van woede stonden we 's avonds naast de tent op een kleine verheffing van de morene. Alleen op die plek hadden we radiocontact met Willem. Ronald en Johan hadden inmiddels het basiskamp verlaten en waren op weg naar kamp 1. Na veel heen en weer gepraat vertelde Willem dat Xander ermee instemde aan Ronald en Johan te vragen ons in ieder geval tussen kamp 2 en kamp 1 te helpen. Maar toen de twee in het kamp waren aangekomen hoorden we dat ze vast wilden houden aan de eerdere afspraak die ze met X hadden gemaakt. Wel waren ze bereid vanochtend met een ‘delegatie’ van ons te praten. Charles liet weten dat wij daar geen zin in hadden. Wij hadden iets belangrijkers te doen. Verkleumd gingen we terug naar de tent.
Het transport naar beneden ging verbijsterend snel. Met dertien man hebben we Eelco over de puinhelling gemanoeuvreerd. De Tibetanen kregen er steeds meer plezier in. Glunderend sjeesden we naar beneden. We hadden niet verwacht vandaag kamp 1 te bereiken en waren voorbereid om ergens halverwege te kamperen. Nu bereikten we het zo vroeg dat wij besloten door te gaan tot het basiskamp. Eelco had vleugeltjes gekregen. Aan het eind van de middag lag hij in zijn bed.
Xander staat nu echt overal buiten. Waar is het alpiene inzicht, de visie, de inspiratie? Wij moeten proberen hem op zijn plaats terug te zetten. Op de zetel van de leider. Er is al geopperd hem af te zetten en iemand anders tot leider te benoemen of zonder leider verder te gaan. Maar dat is ridicuul. Wie zou het dan moeten worden? En zonder kan op dit moment, nu de groep van twaalf klimmers zo duidelijk gespleten is, helemaal niet. Het zou zoveel gedonder geven, dat de top dan zeker niet wordt bereikt. De ontmoeting met Ronald en Johan was voor ieder een beschamende vertoning. Wij zaten te rusten. Er werden weinig woorden gewisseld toen zij ons passeerden.
Ronald en Johan. Nog geen week geleden de uiterste polen van de expeditie. Wat is hier die paar dagen toch gebeurd?
Lig nog heerlijk in mijn slaapzak. Rustig wakker worden. Rob heeft zijn Randy Newman alweer laten zingen. Het is nog steeds mooi weer. Eerst nog lezen, een brief naar Jet schrijven en op mijn rug liggend naar het tentdoek staren. Ik wil de Everesttop nog even niet zien.
was nog steeds boos. Niet eens zozeer over het gebrek aan steun bij het vervoer van Eelco, als wel over zijn instemming met het klimmen van Johan en Ronald. Die twee zijn vandaag waarschijnlijk boven kamp 3 begonnen aan de verdere verkenning van de ijswand. De komende dagen zullen we niets van ze horen, omdat hun walkietalkie niet werkt. Alle accu's hebben wij mee naar beneden genomen om ze hier met de generator weer op te laden. Zorgelijk, vooral omdat de wand met de sneeuwval van de laatste week vermoedelijk nog gevaarlijker is geworden. Als er een ongeluk gebeurt zullen wij het niet eens weten.
's Avonds is alles uitvoerig besproken in de keukentent.
Xander zei spijt te hebben van zijn handelingen en beslissingen en bood zijn excuses aan. Daarna werd alles geplaatst in het wijdere verband van de expeditie. Lang is gesproken over de route, de scheiding tussen een hoge en een lage ploeg, het terugbrengen van het aantal topklimmers van zes naar vier, het inkrimpen van ‘het’ plan en het benoemen van een of twee klimleiders.
In een waas van steeds groter wordende problemen verliet ik de tent. Als ik het goed heb begrepen, hebben we besloten dat alle essentiële beslissingen later genomen zullen worden. En ‘later’ is: zodra kamp 5 er is.
Mathieu ontrafelt problemen tot probleempjes en probeert geleid door - soms malle - ideeën, antwoord te geven. Xander formuleert de problemen, maakt er vervolgens echte, complexe vraagstukken van en brouwt van alles een groot onontwarbaar kluwen, dat hij dan weer kan bespreken.
Gisteren heb ik me voor het eerst in de discussie gemengd. Tot dan toe hield ik me tijdens dit soort bijeenkomsten op de achtergrond en ventileerde mijn mening vooral buiten de vergaderingen. Wat had ik in te brengen? Al deze geweldige alpinisten klimmen immers al jaren, terwijl ik, ondanks mijn vele zware beklimmingen, net kom kijken. Je moet je aanpassen aan de natuurlijke pikorde.
Ik had nog geen drie zinnen gezegd of Jan struikelde over me. Ik zou met mijn gestook veel van het onderlinge wantrouwen op mijn geweten hebben. Wat een verwijt van een deelnemer die geniet van een geheel verzorgde vakantie en die denkt alles meegeorganiseerd en -bedacht te hebben.
Eelco heeft weer enige kleur gekregen. Hij is nog niet echt terug in de wereld, hij slaapt of ligt wazig voor zich uit te staren. Charles verzorgt hem.
22.00 uur. Iedereen is opgelucht en het lijkt of we met zijn allen ons inspannen er weer het beste van te maken. De laatste yaklasten staan klaar. Ik heb me gewassen.
Met Eelco gaat het echt goed: vanavond had hij opeens allerlei opmerkingen over onze omgang met Wang en vroeg of de vlaggen al opgehangen waren. Maar die vlaggen waren we al lang vergeten. Xander heeft het nu aan de stok met Wang over een aantal spoorloos verdwenen lepels en hoe we de vier Tibetaanse dragers extra kunnen belonen.
Morgen weer omhoog.
Sinds een week zegt Pema, de oudste Tibetaan, ‘ome Joop’. Als ik met hulp van tekeningen met hem praat wisselt hij het af met ‘Bij de avro zit je goed’. Gert heeft hem dat geleerd. Het is in ieder geval wat anders dan ‘godverdomme loel’, het gereedschap waarmee Turken en Marokkanen zich tijdenlang in Nederland moesten zien te redden.
De jongste yakdrijfster heet Phantog, net als de Tibetaanse vrouw die in 1975 met de Chinese expeditie de Everest beklom. Zij is klein, heeft lang zwart haar, turkooizen oorbellen en een rood medaillon met een foto van de dalai lama, om haar nek. Zachtjes neuriet zij als zij een last optilt en die naar een yak draagt. Eenmaal naast het dier gaat haar mond bewegen en zingend sjort
zij ten slotte de touwen om de last. Als alles goed vastzit geeft zij lachend een klap op een bil waardoor het beest begrijpt dat het pesten voorbij is. Even wordt het dier met rust gelaten voordat de tocht naar boven begint.
21.30 uur. Kamp 1. Ik heb mijn chocola omgegooid en opgedweild met een halve rol toiletpapier.
Wang zwaaide ons uit nadat hij ons nog even duidelijk heeft gemaakt dat hij zich zorgen maakt over de beklimming van de gletsjerwand. Weer iemand met een mening. Hij wil per se dat we aan de rechterkant een weg zoeken. Maar daar zagen we vorige week, na twee dagen sneeuwval, lawine na lawine naar beneden schuiven. Mocht de weg Wang niet bevallen dan ‘I will not give permission to Tibetan assistants to go there’.
Wij kunnen op dit moment niets anders doen dan afwachten wat Johan en Ronald doen. Ik hoop dat zij de tijd hebben genomen en de wand hebben bestudeerd in plaats van er direct tegenaan te stormen zoals de vorige keer gebeurde.
Willem liet net vanuit kamp 2 weten dat hij geen last heeft van de hoogte. Geen symptomen meer van oedeem, zoals een gezwollen hoofd, hoofdpijn, of tintelende armen en benen. Hopelijk is hij weer helemaal hersteld.
Sinds zaterdagavond zijn we allemaal aardig en voorkomend. Zo liet Willem weten zeer te spreken te zijn over de mandagpakketten, de inhoud van de plastic dozen die Rob meer dan een half jaar geleden had ingepakt. Zij waren bedoeld voor kamp 4 en hoger, maar we hebben er sinds de plannen zijn gewijzigd (vier in plaats van zes man op de top) te veel en eten ze nu ook in de lagere kampen.
Ik sprak nog even met Xander. Hij is ook in kamp 2 en vertelde dat de vier Tibetaanse dragers genoegdoening eisten. Niet voor de verdwenen lepels of hun beloning, maar voor het feit dat Mathieu hen vorige week zondag diep had beledigd. Zij waren toen net aangekomen in kamp 3 om hulp te bieden en rustten even. Mathieu kwam, na de bivaknacht in de ijswand en de
zware sleeptocht met Eelco, afgemat in het kamp aan en probeerde de dragers te overreden direct naar boven te gaan om te helpen bij het laatste stuk. De Tibetanen begrepen hem niet, waarop Mathieu geïrriteerd hun benzinebrander uitdraaide, in de hoop ze zo naar boven te jagen.
Arme Xander, geen moment rust.
Als ik mijn ogen sluit ben ik in Clambin, Zwitserland: het ruisen van de rivier vanonder de gletsjerpoort, de yaks met hun bellen en het gemurmel van de Tibetanen in hun tent. Jet en ik zitten op het balkon van het huis van haar ouders. De wind speelt met Jets lange blonde haren. Naar beneden kijkend tussen de dennen door zie ik twaalfhonderd meter lager dinky-toys op weg naar Martigny. Daarboven schittert het topje van de Aiguille Verte, een van de mooiste toppen van het Mont Blancmassief. Ver weg, 1973. Al drie jaar vult de filosofiestudie mijn leven. Met een algemene belangstelling was ik er aan begonnen, maar al gauw via linguistiek en Wittgensteins Tractatus naar de exacte kant gedreven. Van alpinisme weet ik niets, wel kent Jet iemand die een bergbeklimmer kent.
Voor het eerst slecht geslapen. Bedacht waar de mooiste foto's te maken zijn voor de sponsors die ik heb aangebracht. Niet voor niets sjouw ik nu met een vlag van de Duitse rederij die onze tien ton zeevracht naar de haven bij Peking heeft vervoerd.
Pas om half elf verliet ik het kamp. Na Rob en geruime tijd voor de yakkaravaan. Toen Pema met wat touwen liep dacht ik dat hij ging opladen. Maar hij stapelde ze op de grond op en ging er bovenop zitten om vervolgens zijn brander weer eens aan te steken. Dan maar geen foto's van de yaks op het steile gedeelte.
Om één uur tref ik Ronald en Johan. Een hele opluchting. Tot mijn vreugde hebben zij de linker, steile
route naar Noor