|
|
|
| |
| | | |
Voornaamgeving in de beide Limburgen sinds 1839
Gerrit De Vos
| |
| | | |
1. Inleiding
De opzet van dit werk is de voornaamgeving in de beide Limburgen sinds 1839
te onderzoeken en eventuele verschillen op te sporen en te verklaren.
Drie jaren werden reeds onderzocht: 1840, 1900 en 1960, telkens in Hasselt en in Sittard. Voor
de eerste twee jaren werden zowel de voorkeursnaam (de eerste voornaam) als
de andere voornamen (de tweede, derde, ...) onderzocht. Voor 1960 voorlopig
enkel de voorkeursnaam.
Het is de bedoeling dat deze scriptie verder uitgewerkt wordt tot
eindverhandeling. Daartoe zullen ook de jaren 1870 en 1930 onderzocht
worden. Deze scriptie is dus een eerste resultaat van het onderzoek. Zij zal
ook als uitgangspunt dienen voor mijn bijdrage aan het colloquium van 22
april 1989 te Diepenbeek. Tenslotte dient zij ook als eindexamen voor het
vak Naamkunde.
| |
2. Preliminaria: Voornaam(geving)
Deze scriptie - en later ook de verhandeling - is een onderzoek naar de
voornaamgeving. Waarom de term ‘voornaamgeving’?
Semantisch gezien is er een verschil tussen de termen
‘voornaam’ en ‘doopnaam’:
‘doopnaam’ heeft een semantisch veld dat men onder de
noemer ‘religieus’ zou kunnen samenvatten;
‘voornaam’ daarentegen valt eerder onder de noemer
‘burgerlijk’ te definiëren. Aangezien ik mij
voor dit onderzoek gebaseerd heb op de registers van de Burgerlijke Stand
heb ik de term ‘voornaam(geving)’ gebruikt in de titel
en in de bespreking van de verschillende tabellen.
De voornaam is een heel belangrijk gegeven. Je hele leven lang zal je met die
voornaam aangesproken worden - je wordt er mee één.
De keuze van de voornaam moet dan ook gezien worden binnen een
cultuurhistorisch kader:
‘In den meisten Fällen ist die Namenwahl ein
Produkt wohlüberlegter, von den kulturellen Strömungen
einer Zeit mitbedingter geistiger Betätigung. Darin wurzelt der
kulturgeschichtliche Wert der Namenforschung.’(1)
Factoren die de naamgeving in min of meer belangrijke mate kunnen
beïnvloeden zijn bij voorbeeld de familietraditie, de sociale
stand, de tijds- en plaatsomstandigheden. Adolf Bach, een autoriteit op het
gebied van de onomastiek, of naamkunde, haalt vijf aspecten aan, die de
studie van de naamgeving interessant maken:
| | | |
| - | het filologisch aspect, waarbij vooral de syntaxis en de etymologie
bestudeerd worden |
| - | het historisch aspect, waarbij de ouderdom van de naam bestudeerd
wordt |
| - | het geografisch aspect, waarbij de ruimtelijke verspreiding van de
naam bestudeerd wordt |
| - | het sociologisch aspect, waarbij het aandeel van de verscheidene
sociale groepen bestudeerd wordt |
| - | het psychologisch aspect, waarbij de verhouding mensnaam bestudeerd
wordt.(2) |
De wetenschap die zich bezighoudt met de naamgeving, de onomastiek, is
bovendien een uitermate interessante hulpwetenschap. Onder het begrip
‘Names’ in de Encyclopaedia Britannica
vindt men het volgende:
‘Most Scholarship upon personal names had concentrated
upon their etymology, manners of origin and method of development.
Statistical and historical study of naming as a social phenomenon is little
advanced. Although as yet failing to be as useful a tool as the study of
place names, the study of personal names has been of aid to genealogists and
linguists, and occasionally <sic> to
historians.’(3)
De acceleratie van de geschiedenis is wellicht één van
haar voornaamste kenmerken. Men zegt wel eens dat, als men de hele loop van
de geschiedenis in één uur zou samenvatten, de
uitvinding van het wiel pas na 55 minuten ter sprake zou komen. Dit is
waarneembaar op alle mogelijke maatschappelijke gebieden: op het gebied van
de economie, op het gebied van de techniek, en ook op het gebied van de
naamgeving.
De naamgeving, en de voornaamgeving in het bijzonder, kent immers een vrij
gelijkaardig verloop. Vele eeuwen lang bleef de namenvoorraad uitermate
beperkt. In Vlaanderen gaven ouders hun kinderen steeds namen als bij
voorbeeld Maria, Joannes en Anna. In feite kan dat gezien worden als een
uiting van het diepgewortelde katholicisme in onze streken. Men koos vrijwel
uitsluitend bijbelse of heiligennamen (cfr. infra sub 3.2.). Midden deze
eeuw heeft er zich echter een grondige mentaliteitsverandering voorgedaan.
Sinds 1945 bij voorbeeld, is er een echte boom in de voornaamgeving
waarneembaar die in verband gebracht zou kunnen worden met wat er zich in de
maatschappij afspeelde. | | | | De Angelsaksische invloed was op dat
moment enorm - vooral op het gebied van de economie. Bovendien hadden de
Amerikanen in niet onbelangrijke mate bijgedragen tot het einde van de
Tweede Wereldoorlog. Dit zijn twee mogelijke verklaringen voor de sterke
aanwezigheid van namen als John, Willy, Eddy en Peggy in de namenvoorraad.
Ook de allerhoogste instanties zien het belang van de naamgeving in. Denken
we daarbij bij voorbeeld aan de albanisering of zaïrisering van
de Westers-christelijke namen. In 1975 vaardigde de Albanese regering een
decreet uit waarbij de burgers hun namen dienden te wijzigen. De namen
dienden gekozen te worden uit een lijst die door de partij opgesteld was. In
Guinea werd het in 1975 verboden kinderen christelijke namen te geven.
Twee jaar eerder werden alle westerse en/of christelijke namen in
Zaïre aangepast: alleen personen met een autochtone naam konden
voortaan in aanmerking komen voor het bekleden van een officiële
functie.(4)
| |
3. Tabellen en bespreking - 1840
| |
3.1. Eerste voornaam - Jongens
| Hasselt |
Sittard |
| (onvolledige geg.) |
|
| Joannes 41 |
Jan 24 |
| Joseph 18 |
Peter 7 |
| Hubertus 15 |
|
| Petrus 14 |
|
| Henricus 13 |
|
| Ludovicus 13 |
|
| Lambertus 8 |
|
| Jacobus 8 |
|
Vooraleer deze gegevens te bespreken dienen volgende opmerkingen gemaakt
te worden. Voor de namenlijst van Hasselt zijn niet alle gewenste
documenten geraadpleegd kunnen worden aangezien het Stadsarchief van
Hasselt eind verleden jaar verhuisde. Er zijn problemen met de nieuwe
huisvesting en bijgevolg zijn niet alle documenten beschikbaar. Het
materiaal is om die reden gebaseerd op de gegevens die in het
Rijksarchief beschikbaar waren en op de licentiaatsverhandeling van
Colette Schuermans ‘
Bijdrage tot het onderzoek naar de mode in de
doopnaamgeving te Hasselt tijdens de 19de eeuw
’.
Het dient eveneens opgemerkt te worden dat enkel die namen die vijf keer
of meer voorkwamen in de frequentie- | | | | lijsten zijn opgenomen
omdat men enkel dan van een voornamenmode kan spreken.
In Hasselt kregen 41 jongens de naam Joannes en
18 jongens de naam Joseph. De populairste naam komt dus meer dan twee
keer meer voor dan de tweede naam in deze modelijst. Van de 130 jongens
wier naam in deze frequentielijst werd opgenomen, kreeg dus nagenoeg de
helft (45,38%) de naam Joannes of Joseph. Deze twee namen komen bijna 4
keer meer voor dan de derde naam op de lijst, Hubertus, en bijna acht
keer meer dan de zevende en achtste naam op de lijst, Lambertus en
Jacobus.
Dit is te verklaren door het feit dat de namenvoorraad in 1840 eerder
beperkt was. Ouders kozen steeds weer dezelfde namen.
Die tendens is ook in Sittard merkbaar. Hier
komen slechts twee namen voor in de modelijst, nl. Jan en Peter. Jan
komt 24 keer voor, bijna vier keer meer dan Peter, een naam die zeven
keer voorkwam.
Een ander opmerkelijk feit is dat in Hasselt bijna uitsluitend de
Latijnse vormen van voornamen voorkomen. In het begin van de 19de eeuw
was dat nog anders: in de frequentielijsten komen in de periode
1800-1815 nagenoeg alleen Franse vormen voor.(5) Dit heeft te maken met de maatschappelijke structuur
aan het begin van de vorige eeuw. De streek die ongeveer overeenkomt met
het huidge België was toen nog bezet door de Franse troepen
o.l.v. Napoleon. Deze had een volledige verfransing van de administratie
- voor zover er een bestond - opgelegd. Het resultaat daarvan is ook
merkbaar in de geboorteregisters: de klerk noteerde immers Jean i.p.v.
Joannes, Pierre i.p.v. Petrus, Henry i.p.v. Henricus.
Opvallend is wel dat daarna, onder het bewind dat koning Willem I in deze
contreien voerde van 1814 tot 1830, weer de Latijnse vormen voorkwamen
alhoewel een vernederlandsing van de administratie was opgelegd. Was die
vernederlandsing effectief doorgevoerd, dan zouden de namen die in
Hasselt gegeven werden in grote mate overeenstemmen met de namen die in
Sittard gegeven werden. Het is echter zeer onwaarschijnlijk dat de namen
die men in de geboorteregisters terugvindt, de namen waren die in het
dagdagelijkse leven gebruikt werden. Paulus werd veeleer Paul of Pol(le)
genoemd, Augustus veeleer (Au)Gust. Pas aan het begin van deze eeuw
begint de vernederlandsing van de namen zich ook duidelijk in de
registers van de Burgerlijke Stand van de stad Hasselt te manifesteren:
namen als Jan, Pieter, Willem, Antoon, Herman, Karel en Lodewijk kwamen
dan ook in de geboorteregisters voor (zie infra sub 4.1.).
| | | |
In Sittard is het voorkomen van Latijnse vormen eerder sporadisch:
Paulus, Augustus, Jacobus en Gerardus komen elk
één keer voor, wat ongeveer overeenkomt met zeven
procent van het aantal jongensnamen. Oak deze kinderen zullen in het
dagelijkse leven aangesproken geweest zijn met namen als Paul, (Au)Gust,
Jacob en Gerard. Opvallend is dat er slechts één
Franse vorm in het hele namenbestand voorkomt, nl. Joseph. De jongen die
die naam kreeg werd overigens naar zijn vader genoemd. In de lijsten met
de tweede en derde voornaam komen er meer Franse vormen voor (zie infra
sub 3.3.) omdat de factor vernoeming (bij voorbeeld naar
één van de grootouders of
één van de doopborgen) een heel belangrijke rol
heeft gespeeld in de voornaamgeving (zie infra sub 4.3.).
| |
3.2. Eerste voornaam - Meisjes
| Hasselt |
Sittard |
| (onvolledige geg.) |
|
| Maria 52 |
Maria 35 |
| Anna 24 |
Anna 16 |
| Catharina 20 |
|
| Elisabeth 15 |
|
| Hubertina 14 |
|
| Ludovica 8 |
|
| Filomena 8 |
|
| Josephina 6 |
|
Ook bij de meisjesnamen ziet men de enorme populariteit van
één naam: Maria. 87 van de 198 meisjes (43,93%)
van wie de naam in deze frequentielijst voorkomt kregen de naam Maria.
Maria komt in Hasselt bijna 7 keer meer voor dan de zesde of zevende
meest populaire naam, nl. Ludovica en Filomena. Ook de naam Anna kent
een vrij behoorlijke populariteit, zowel in Hasselt als in Sittard. 40
meisjes (20,20%) kregen deze naam. Opvallend is dat naast deze twee
namen in Hasselt nog zes andere namen voorkomen, waar in Sittard enkel
Maria en Anna voorkomen.
Nagenoeg alle meisjes (meer dan 85%) hebben een naam met een a-uitgang.
Deze uitgang kan gezien worden als de Latijnse uitgang. Het is niet
verwonderlijk dat er hier een uitgang aanwezig is. In het algemeen bleef
de tendens immers bestaan om het vrouwelijke te markeren.
Er zijn enkele namen die die a-uitgang niet hebben. Bij voorbeeld de naam
Elisabeth (alhoewel de naam ook in zijn verkorte vorm Elisa voorkomt,
waar men wel weer de a-uitgang heeft). Gezien Elisabeth (ook wel eens
met een z in plaats van een s geschreven) een bijbelse naam is, is de
aanwezigheid van die naam in de frequentielijsten direct verklaard. Op
de aanwezigheid van bijbelse namen - en meer in het algemeen | | | |
heiligennamen - zou ik hier wat dieper willen ingaan.
Bijbelse namen en heiligennamen hebben altijd een enorme populariteit
gekend. Het Concilie van Trente (1545-1563) werd door
sommigen als de oorzaak van deze populariteit gezien. Om helemaal
correct te zijn moet men zeggen dat de Catechismus
Romanus (1566) de grootste invloed gehad heeft. Deze Catechismus
was echter wel het rechtstreekse resultaat van wat er tijdens het
Concilie besproken en beslist werd. Het ging in deze publicatie in feite
om gedragsrichtlijnen, o.a. wat betreft de naamgeving, maar aangezien de
Kerk in die tijd de gezaghebbende autoriteit was,
werden ze snel als regels aangezien. Het is wel belangrijk te vermelden
dat de Catechismus Romanus geen plotselinge ommekeer
in de naamgeving heeft teweeggebracht - in tegenstelling tot wat wel
eens beweerd werd; de namenvoorraad kende na de publicatie van de
Catechismus helemaal geen boom zoals men die in de 20ste eeuw gekend
heeft. Sinds 1200 was er immers reeds een tendens om de kinderen
heiligennamen te geven. Die tendens had zich aan het begin van de 17de
eeuw vrijwel veralgemeend, zodat de richtlijnen uit de Catechismus de
tendens enkel tot regel maakten.
‘Daardoor zal men de naam kiezen die, om zijn
vroomheid en godsdienstigheid, onder het getal der heiligen opgenomen
werd. Met den naam van een heilige te dragen, zal men gemakkelijk
opgewekt worden om zijn heiligheid en zijn deugd na te volgen; en den
heilige dien men tracht te volgen, zal men ook aanroepen en hem vragen
dat hij een beschermer zou zijn tot het behoud van lichaam en ziel.
Daarom zijn zij die, met de meeste zorg, namen van heidenen en vooral
van boosdoeners uitkiezen en aan hun kinderen geven, ten zeerste af te
keuren. Immers, daardoor toonen zij hoe weinig waardering zij hebben
voor de christelijke godsvrucht, vermits zij zooveel behagen schijnen te
vinden in de gedachtenis van die goddelooze menschen, dat zij hun namen
voortdurend in de ooren van de geloovigen willen doen
klinken.’(6)
Deze richtlijnen drongen aanvankelijk vrij moeilijk door tot de basis
omdat de Catechismus in het Latijn geschreven was en dat er niet direct
een vertaling gemaakt werd. De richtlijnen werden echter bevestigd door
het derde provinciale Concilie van Mechelen (1607).
Dit Concilie verbood zelfs uitdrukkelijk het gebruik van profane of
heidense namen.
Ook het Rituale Romanum (1653), dat de richtlijnen
bevat die door de Kerk aan de priesters werden voorgeschreven inzake de
gebruiken bij het toedienen van de sacramenten, had het over de
naamgeving:
| | | |
‘Het is gewenst dat aan dopelingen namen van heiligen
worden gegeven, opdat door hun voorbeelden de gelovigen worden
aangespoord vroom te leven en zij door hun patroon worden
beschut.’(7)
Naast bijbelse en heiligennamen waren ook de namen van patroonheiligen of
volksbeschermers erg in trek. Een kind kreeg de naam van de
patroonheilige opdat deze het kind zou beschermen. Het kind kreeg ook
wel eens de naam van een koning of van een graaf opdat het kind de
kwaliteiten van deze heren zou verkrijgen.
Het geven van heiligennamen begon in sommige streken reeds rond 1200. In
de 13de en 14de eeuw kreeg ongeveer 75% van de jongens in West-Brabant
de naam van een heilige of werd de oorspronkelijk Germaanse naam
gelatiniseerd door het toevoegen van het suffix -us. In de streek van
Leuven kwamen in die tijd vooral nog de Germaanse namen voor.(8)
Uit de frequentielijsten opgesteld door naamkundigen kan men opmaken dat
de naam Joannes altijd een enorme populariteit gekend heeft, ofwel onder
de vorm Joannes zelf, ofwel onder afgeleide en/of vertaalde vormen als
Johannes, Johan, Jan, Jean, Jehans, enz. Ongeveer 22% van de jongens
geboren tussen 1200 en 1900 luisterde naar de naam Joannes of een van
zijn afgeleiden.
Bij de meisjesnamen is een dergelijk patroon niet dadelijk waar te nemen.
Catharina en Elisabeth waren een hele tijd de meest populaire
meisjesnamen. De naam Maria kwam later in trek maar was wel gedurende
vele decennia de meest gegeven voornaam. Er zijn verscheidene jaren
waarin de naam Maria aan meer dan 60% van de pasgeboren meisjes gegeven
werd. Ook jongens kregen wel eens de naam Maria, niet enkel als tweede,
derde of vierde voornaam (wat meestal wijst op vernoeming naar bij
voorbeeld de doopborg of (groot)ouder - zie infra sub 4.3.), maar ook
als voorkeursnaam (eerste voornaam). Het afgeleide Marie was eveneens
zeer in trek als jongensnaam en is vaak nog terug te vinden in namen die
vrij recent nog populair waren als voorkeursnamen bij de jongens, vooral
in samengestelde vormen als bijvoorbeeld Jean-Marie, Pierre-Marie (zie
infra sub 5.1.).
| |
3.3. Overige voornamen - Jongens
| Hasselt |
Sittard (Tweede voornaam) |
| (onvolledige geg.) |
|
| Joannes 7 |
Joseph 6 |
| Joseph 7 |
Mathis 5 |
| Hubertus 5 |
|
| | | |
Reeds in 1840 kregen een aantal kinderen een tweede en derde voornaam,
maar het was in geen geval een regelmatig terugkomend feit.
De tendens om de kinderen naast de voorkeursnaam ook nog een tweede, een
derde of een vierde voornaam te geven werd echter steeds sterker. Men
gaf het kind naast de vourkeursnaam ook de naam van vader, moeder,
grootvader/moeder, doopborg, indien dat bij de voorkeursnaam nog niet
het geval was.
In 1840 kreeg ongeveer 40% van de kinderen in Hasselt en Sittard een
tweede voornaam, een kleine 10% een derde voornaam en heel sporadisch
een vierde, vijfde of zelfs zesde voornaam.
In 1900 kreeg in Sittard reeds 92,43% van de
kinderen een tweede voornaam; 55,67% een derde voornaam en 11,35% een
vierde voornaam. In Hasselt daarentegen liggen die percentages beduidend
lager: respektievelijk 64,43%; 39,22% en 8,53%. In Hasselt kreeg 1,42%
een vijfde voornaam en telkens 0,40% ook nog een zesde en een zevende
voornaam (zie infra sub 4.6.).
Aan de hand van deze percentages zou men kunnen vooropstellen dat de
vernieuwing in de naamgeving sneller doorgevoerd werd in Sittard dan in
Hasselt, alhoewel de bevolking in Hasselt
steeds merkelijk groter is geweest dan in Sittard.
| |
4. Tabellen en bespreking - 1900
4.1. Eerste voornaam - Jongens
| Hasselt |
T |
% |
| Joannes |
33 |
13,04 |
| Joseph |
25 |
9,84 |
| Alphonse |
10 |
3,93 |
| Franciscus |
9 |
3,54 |
| Hendrik |
8 |
3,14 |
| Lodewijk |
7 |
2,75 |
| Ludovicus |
7 |
2,75 |
| Jan |
6 |
2,36 |
| Willem |
6 |
2,36 |
| Pieter |
5 |
1,96 |
| |
|
|
| T: 254 |
N: 91 |
|
| Sittard |
T |
% |
| Jan |
17 |
17,32 |
| Maria |
14 |
14,43 |
| Peter |
7 |
7,21 |
| Joseph |
5 |
5,15 |
| |
|
|
| T: 97 |
N: 39 |
|
| | | |
De overweldigende populariteit van één naam zoals men
die in 1840 kende, is hier duidelijk aan het wegebben. De namenvoorraad was
inmiddels sterk toegenomen en naast Latijnse of Franse namen kwamen er ook
Nederlandse voor. Toch blijft Joannes de meest populaire naam, zij het wel
onder de vorm Jan in Sittard. In 1900 kreeg nog bijna 23% van alle jongens
de naam Joannes of de naam Joseph. De meest populaire naam komt toch nog
bijna zeven keer meer voor dan de tiende naam in de Hasseltse lijst, Pieter.
Opmerkelijk is de enorme aangroei van de boorlingen in de stad Hasselt - op
60 jaar verdubbelde die nagenoeg (+ 82,89%) - in vergelijking met
de vrij beperkte aangroei in Sittard (+ 23,37%). In
België is Limburg overigens nog steeds de provincie met de
sterkste demografische groei. Op 1 januari 1970 kende Limburg 650.338
inwoners (= 268 per km2), wat een aangroei betekende van 41,2%. t.o.v.
1947.(9)
Na de onafhankelijkheid van 1830 en na de scheiding van Nederlands Limburg in
1839 ontwikkelde de stad Hasselt zich aan een zeer hoog ritme. Dankzij de
gevoelige verbetering van het wegennet ontstond er een enorme nieuwe
economische bedrijvigheid. De groothandel van o.a. granen, hout en steenkool
floreerde, vooral met het oog op de productie van de plaatselijke
jeneverstokerijen. Later werd er ook uitgevoerd naar landen als Frankrijk,
Zwitserland, Cuba en Italië. In de 19de eeuw draaide de hele
Hasseltse economie vooral rond de produktie van jenever. Ook de landbouw,
waarin slechts 8% van de bevolking was tewerkgesteld, was vooral op die
produktie afgestemd. Door de urbanisatie aan het einde van de vorige eeuw is
de agrarische sector in Hasselt nagenoeg helemaal weggevallen. De bevolking
was in 1900 al gestegen tot 14.889, een aangroei van 79,68% t.o.v.
1840.(10)
In de Hasseltse namenlijst van 1900 ziet men twee wijzigingen in vergelijking
met die van 1840: ten eerste duiken Franse vormen weer op, en ten tweede
komen Nederlandse vormen nu duidelijk voor: namen als Hendrik, Lodewijk,
Jan, Willem, Pieter, Frans, Adriaan en Christiaan zijn nadrukkelijk
aanwezig. De klerk van de gemeente heeft steeds een rol van betekenis
gespeeld. Hij kon bijvoorbeeld weigeren een naam in het register op te
nemen, of hij had bepaalde richtlijnen te volgen. Dat is vooral het geval
geweest in de doopregisters - denken we daarbij aan de richtlijnen van de
Catechismus Romanus. In de registers van de
Burgerlijke Stand komen met het decennium meer verschillende vormen van
één naam voor: waar in 1840 enkel Joannes voorkwam,
vinden we 60 jaar later ook namen als Johannes, Johan, Jan, Jean en
Jehan(s).
| |
| | | |
4.2. Eerste voornaam - Meisjes
| Hasselt |
T |
% |
| Maria |
86 |
36,13 |
| Anna |
20 |
8,40 |
| Joanna |
10 |
4,20 |
| Bertha |
10 |
4,20 |
| Josephina |
8 |
3,36 |
| Elisa |
5 |
2,10 |
| Martha |
5 |
2,10 |
| |
|
|
| T: 238 |
N: 75 |
|
| Sittard |
T |
% |
| Maria |
56 |
63,63 |
| Anna |
9 |
10,22 |
| |
|
|
| T: 88 |
N: 17 |
|
Waar de immense populariteit van Joannes al aan het tanen was, blijft
Maria nadrukkelijk de meisjesnamen ‘overheersen’. In
Hasselt komt Maria vier keer meer voor dan de tweede naam, Anna; in
Sittard is het zelfs meer dan zes keer. Ook Anna blijft in zowel Hasselt
als Sittard vrij populair, alhoewel de frequentie (procentueel) toch ook
al duidelijk afgenomen is. In Sittard is er nog steeds geen enkele
andere voornaam in de mode geraakt. In Hasselt zijn Joanna, Bertha,
Elisa en Martha, die respectievelijk 10, 10, 5 en 5 keer voorkwamen, in
de lijst opgenomen, maar zijn in vergelijking met 1840 Catharina,
Elisabeth, Hubertina, Ludovica en Filomena uit de modelijst verdwenen.
Ook hier is het verschil in de groei van de beide steden duidelijk
merkbaar in de geboorteregisters. In vergelijking met 1840 zijn er in
Sittard slechts 13 meisjes meer geboren. Nog opmerkelijker is het feit
dat het namenbestand kleiner geworden is. In 1840 koos men uit een lijst
van 22 namen, 60 jaar later slechts uit een lijst van 17 namen. Dat is
in grote mate terug te brengen op de frequentie van de naam Maria:
63,63% van de meisjes (en 14,43% van de jongens) kreeg de naam Maria als
voorkeursnaam.
In Hasselt ligt het helemaal anders: op 30 boorlingen na zijn er in 1900
evenveel meisjes geboren als er in 1840 boorlingen waren. Het
namenbestand is vrij uitgebreid: 75 namen voor in het totaal 238
boorlingen.
Op de 17 namen die in Sittard gebruikt werden hadden er 15 de uitgang -a
(Elisabeth en Lucie waren de twee uitzonderingen, alhoewel de vorm Elisa
ook voorkwam). In Hasselt hadden 16 namen een andere uitgang, maar in 10
van die 16 gevallen ging het om een verfranste vorm. Verder vindt men
nog de volgende namen: Blanche, Aldegondis, Agnes, Elisabeth, Machtildis
en Rachel. De uitgang -a blijft dus enorm populair - in tegenstelling
tot de tanende -us-uitgang | | | | bij de jongensnamen. De sterke
aanwezigheid van die a-uitgang is hier dan vooral toe te schrijven aan
de tendens om het vrouwelijke te markeren.
| |
4.3. Tweede voornaam - Jongens
| Hasselt |
T |
% |
| Joseph |
20 |
12,19 |
| Joannes |
16 |
9,75 |
| Maria |
12 |
7,31 |
| Franciscus |
9 |
5,48 |
| Ludovicus |
9 |
5,48 |
| Lodewijk |
6 |
3,65 |
| Hubert |
6 |
3,65 |
| Hubertus |
5 |
3,04 |
| |
|
|
| T: 164 |
N: 55 |
|
| Sittard |
T |
% |
| Joseph |
21 |
23,86 |
| Hendrik |
5 |
5,68 |
| Jan |
5 |
5,68 |
| Antonius |
5 |
5,68 |
| |
|
|
| T: 88 |
N: 39 |
|
De voornamenvoorraad waaruit geput werd voor de tweede voornaam loopt
vrij parallel met die waaruit geput werd voor de voorkeursnaam. Ook de
frequentie van de verscheidene voornamen is - procentueel gezien - vrij
gelijklopend. De namen die het populairst zijn als voorkeursnaam zijn
meestal ook de meest voorkomende tweede voornamen. Zeven van de twaalf
voorkomende namen vinden we ook in de lijst van de voorkeursnamen.
In Hasselt kreeg bijna 10% van de boorlingen met
een tweede voornaam de naam Maria. De naam Maria kwam ook bij de jongens
als voorkeursnaam regelmatig voor - vooral in Sittard (zie supra sub
4.1.). De verklaring hiervoor is het feit dat ouders kinderen vaak naar
bijvoorbeeld grootouders noemden.
Het familiale verband heeft heel lang een uitermate belangrijke invloed
gehad op de voornaamgeving. Kinderen werden heel vaak genoemd naar
ouders, grootouders, doopborgen of andere familieleden. Dat deze
gewoonte heel erg diep in het naamgevingspatroon ingeworteld was, mag
blijken uit volgende citaten:
‘De keuze dan van den naam regelt zich naar het
gezegde verlangen der H. Kerk, maar de vaderlandsche zede, dat de
kinderen tekens genoemd worden naar de voorouders of bloedverwanten en
bijzonderlijk peters en meters.’(11)
‘La coutume qui survit encore à certains
endroits voulait que l' on donnât à l'
aîné des enfants le nom de baptème de
son grand-père paternel, qui était son parrain, et
au second, celui du père. Ainsi a pu se produire une certaine
alternance: un Lambert, un | | | | Pierre, un Lambert,
etc.’(12)
De voornaamgeving situeerde zich dus - zoals uit dit citaat weerom
afgeleid kan worden - eeuwenlang binnen een bepaalde traditie, meer
bepaald een familietraditie, binnen het volksgeloof ook. Reeds bij onze
verre voorouders, de Germanen, ziet men dat traditie bepalend was voor
de naamgeving. Een naam had bij de Germanen een mysterieuze,
metaforische waarde. De kinderen werden naar bepaalde dieren of goden
genoemd: de Germanen geloofden dat de kinderen door het dragen van die
namen de eigenschappen en krachten van de goden of dieren overerfden. De
naamgeving bij de Germanen is dus vooral gekenmerkt door het
wenskarakter. De Germaanse namen bevatten vooral elementen van strijd,
moed, kracht, roem en overwinning. Er bestond bij de Germanen eveneens
een zeker geloof in reïncarnatie. Kinderen kregen bijgevolg
vaak de naam van een - meestal overleden - familielid. Volgens J. Van
der Schaar was deze gewoonte echter secundair t.o.v. het
‘Nomen est omen’ - idee.(13)
In de 18de en 19de eeuw is vooral de familietraditie bepalend. M.
Janssens(14) merkt op
dat in die periode deze traditie voor 80 à 90% doorslaggevend
was bij de voornaamgeving, zowel bij de jongens- als bij de
meisjesnamen.
Waar de naam Maria als voorkeursnaam 14 keer - of 14,43% - voorkwam bij
de jongens in Sittard kwam zij daar slechts
tweemaal voor als tweede voornaam.
| |
4.4. Tweede voornaam - Meisjes
| Hasselt |
T |
% |
| Maria |
29 |
18,95 |
| Josephina |
12 |
7,84 |
| Catharina |
11 |
7,18 |
| Hubertina |
8 |
5,22 |
| Joanna |
8 |
5,22 |
| Elisabeth |
6 |
3,92 |
| Ludovica |
6 |
3,92 |
| Theresia |
6 |
3,92 |
| Henrica |
5 |
3,26 |
| Louisa |
5 |
3,26 |
| Margaretha |
5 |
3,26 |
| |
|
|
| T: 153 |
N: 54 |
|
| Sittard |
T |
% |
| Josephina |
12 |
13,63 |
| Maria |
11 |
12,50 |
| Catharina |
5 |
5,68 |
| Anna |
5 |
5,68 |
| Agnes |
5 |
5,68 |
| |
|
|
| T: 83 |
N: 36 |
|
De namen die populair waren als voorkeursnamen bij de meisjes zijn minder
populair als tweede voornaam. Enkel Maria, Josephina en Joanna (Hasselt)
en Maria en Anna (Sittard) komen in beide lijsten voor. Dit zou te maken
kunnen hebben met het feit dat veranderingen in de tendensen of
tradities in het algemeen sneller voorkomen bij meisjes- dan bij
jongensnamen.
| | | |
Ook als tweede voornaam is Maria nog vrij populair. In het totaal kregen
nog 41 (12,57%) meisjes deze naam als tweede voornaam. Josephina (7,36%)
komt opvallend meer voor als tweede voornaam (en later ook als derde
voornaam - zie infra sub 4.5.) dan als voorkeursnaam. Hetzelfde geldt,
in mindere mate, voor Catharina (4,90%).
| |
4.5. Derde voornaam - Jongens en meisjes
| |
Hasselt |
T |
% |
Sittard |
T |
% |
| |
Joseph |
12 |
12,37 |
Hubert |
6 |
12,7 |
| J. |
Hendrik |
6 |
6,18 |
Hubertus |
5 |
10,6 |
| |
Maria |
6 |
6,18 |
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
| |
T: 97 |
N: 53 |
|
T: 47 |
N: 30 |
|
| |
|
|
|
|
|
|
| |
Josephina |
9 |
9,37 |
Hubertina |
7 |
12,50 |
| M. |
Hubertina |
7 |
7,29 |
Josephina |
5 |
8,92 |
| |
Maria |
6 |
6,25 |
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
| |
T: 96 |
N: 55 |
|
T: 56 |
N: 33 |
|
Uit deze twee tabellen kunnen twee voorzichtige besluiten getrokken
worden: ten eerste zetten vernieuwingen zich eerder door bij meisjes-
dan bij jongensnamen. Ten tweede zetten vernieuwingen zich eerder door
in Sittard dan in Hasselt.
Zowel in Hasselt als in Sittard zijn er procentueel meer meisjes met een
derde voornaam dan jongens, nl. 40,33% tegen 38,18% en 63,63% tegen
48,45%. Die trend is het duidelijkst merkbaar in Sittard: het
procentueel verschil bedraagt 15,18% tegen 2,15% in Hasselt.
In Sittard krijgen 48,15% van de jongens en 63,63% van de meisjes een
derde voornaam. In Hasselt daarentegen krijgen slechts 38,18% van de
jongens en 40,33% van de meisjes een derde voornaam.
| |
4.6. Overige voornamen - Jongens en meisjes
| Sittard - 4 |
J |
T: 10 |
N: 9 |
| |
M |
T: 11 |
N: 9 |
| | | |
| Hasselt - 4 |
J |
T: 23 |
N: 18 |
| |
M |
T: 22 |
N: 17 |
| |
|
|
|
| Hasselt - 5 |
J |
T: 4 |
N: 4 |
| |
M |
T: 3 |
N: 3 |
| |
|
|
|
| Hasselt - 6 |
J |
T: 2 |
N: 2 |
| |
M |
T: 2 |
N: 2 |
| |
|
|
|
| Hasselt - 7 |
J |
T: 2 |
N: 2 |
| |
M |
T: 2 |
N: 2 |
Het feit dat er in Hasselt een aantal kinderen zijn die een vijfde, zesde
en zelfs zevende voornaam krijgen (respectievelijk zeven, twee en twee)
is hier enkel toe te schrijven aan het aantal geboortes: ter
herinnering: 492 in Hasselt en 185 in Sittard.
Het is wel opvallend dat slechts meisjes een zesde en zevende voornaam
krijgen. Ondanks het kleine aantal (nl. twee) is het toch weer een
bevestiging van de tendens dat vernieuwingen zich eerder doorzetten bij
meisjesnamen dan bij jongensnamen.
| |
| | | |
5. Tabellen en bespreking - 1960
| |
5.1. Eerste voornaam - Jongens
|
Hasselt |
T |
% |
| 1. |
Marc |
61 |
5,26 |
| 2. |
Patrick |
54 |
4,65 |
| 3. |
Eric |
47 |
4,05 |
| |
Johan |
47 |
|
| |
Luc |
47 |
|
| 6. |
Danny |
46 |
3,96 |
| 7. |
Ronny |
35 |
3,01 |
| 8. |
Benny |
32 |
2,76 |
| |
Eddy |
32 |
|
| 10. |
Rudi |
30 |
2,58 |
| 11. |
Guido |
21 |
1,81 |
| |
Jos |
21 |
|
| 13. |
Ludo |
20 |
1,72 |
| 14. |
Paul |
19 |
1,63 |
| 15. |
Peter |
18 |
1,55 |
| 16. |
Dirk |
17 |
1,46 |
| |
Jozef |
17 |
|
| |
Stefan |
17 |
|
| 19. |
Johny |
16 |
1,38 |
| 20. |
Philippe |
15 |
1,29 |
| 21. |
Dominique |
14 |
1,20 |
| |
Guy |
14 |
|
| |
Jan |
14 |
|
| | | |
| 24. |
Freddy |
13 |
1,12 |
| |
Tony |
13 |
|
| 26. |
Philip |
12 |
1,03 |
| 27. |
Herman |
10 |
0,86 |
| |
Francis |
|
|
| 29. |
André |
9 |
0,77 |
| |
Hendrik |
|
|
| |
Ivo |
|
|
| |
Willy |
|
|
| 30. |
Erwin |
8 |
0,69 |
| |
Jean-Pierre |
|
|
| |
Joseph |
|
|
| |
Yves |
|
|
| 37. |
Bruno |
7 |
0,60 |
| |
Carlo |
|
|
| |
Ivan |
|
|
| |
Roger |
|
|
| |
Stephan |
|
|
| 42. |
Alain |
6 |
0,51 |
| |
Daniel |
|
|
| |
Erik |
|
|
| |
Frank |
|
|
| |
Jean-Paul |
|
|
| |
Jacques |
|
|
| |
Karel |
|
|
| |
Marcel |
|
|
| |
Michel |
|
|
| |
René |
|
|
| |
Robert |
|
|
| |
Roland |
|
|
| |
Serge |
|
|
| 55. |
Bartholomeus |
5 |
0,43 |
| |
Etienne |
|
|
| |
Frans |
|
|
| |
Hugo |
|
|
| |
Koenraad |
|
|
| |
Ronald |
|
|
| |
Stefaan |
|
|
| 62. |
Valère |
|
|
| |
|
|
|
| |
T: 1159 |
N: 199 |
|
| | | |
|
Sittard |
T |
% |
| 1. |
Johannes |
48 |
15,28 |
| 2. |
Peter |
20 |
6,36 |
| 3. |
Wilhelmus |
18 |
5,73 |
| 4. |
Franciscus |
16 |
5,09 |
| |
Joseph |
|
|
| 6. |
Petrus |
14 |
4,45 |
| 7. |
Gerardus |
12 |
3,82 |
| |
Hendrikus |
|
|
| |
Hubertus |
|
|
| |
Paul |
|
|
| |
Theodorus |
|
|
| 12. |
Antonius |
10 |
3,18 |
| 13. |
Hendrik |
9 |
2,86 |
| |
Jakobus |
|
|
| |
Paulus |
|
|
| 16. |
Jan |
8 |
2,54 |
| 17. |
Leonardus |
7 |
2,22 |
| |
Ronald |
|
|
| 19. |
Cornelis |
6 |
1,91 |
| |
Matheus |
|
|
| |
Willem |
|
|
| 22. |
Gerard |
5 |
1,59 |
| |
Jozef |
|
|
| | | |
| 24. |
Marcus |
5 |
1,59 |
| |
Robert |
|
|
| 26. |
Rudolf |
|
|
| |
|
|
|
| |
T: 498 |
N: 172 |
|
| | | |
De tendens dat de aangroei van boorlingen veel sneller gebeurde in Hasselt dan in Sittard
(zie supra sub 4.1. en 4.2.) wordt hier tegengesproken. Het aantal
jongens dat in de geboorteregisters ingeschreven werd is in zestig jaar
meer dan vervijfvoudigd in Sittard (× 5,13 - van 97 naar
498), waar het in Hasselt meer dan verviervoudigde (× 4,56 -
van 254 naar 1159). Procentueel betekent dat een aangroei van
respectievelijk 413% en 356%. Dit is een zeer goed voorbeeld van de
demografische revolutie die zich in deze eeuw heeft voorgedaan en die in
feite nog steeds ‘voortwoekert’.
Een andere tendens die tegengesproken wordt is dat de vernieuwingen in de
namenvoorraad zich sneller in Sittard dan in Hasselt voordeden (zie
supra sub 3 en sub 4). De namenvoorraad waaruit geput werd in Hasselt is
nagenoeg volledig vernieuwd. Van de 62 namen die als modenaam kunnen
worden beschouwd komen er slechts 10 ook voor in de populariteitslijst
van 1900: Jan, Herman, Hendrik, Joseph, Jacques, Karel, Marcel, Michel,
Robert en Frans. De Latijnse en/of Franse vorm van namen als Johan, Jos,
Peter en Jozef vinden we weliswaar ook terug op de lijst van 1960. Het
dient wel opgemerkt te worden dat men een retromode - zoals men die in
Sittard zeker kan opmerken - ook als een vernieuwing kan zien.
Een ander opvallend feit is de massale aanwezigheid van Angelsaksische
namen. De voorkeursnamen van 1960 in Hasselt hebben voor 25% een
Angelsaksische oorsprong. Binnen deze groep hebben de meeste namen de
uitgang -y, een Angelsaksische vleivorm. Het foneem /i/ werd aan de
eerste lettergreep van de oorspronkelijke naam toegevoegd. De
intervocalische positie van de eindconsonant had - wat de spelling
betreft - een geminatie van deze consonant tot gevolg: Dan (Daniel): Dan
+ n + y - Ron (Ronald): Ron + n
+ y - Ben (Benjamin), Ben + n + y. Ook
in de voornaamgeving blijken i en a dus de meest prototypische vocalen
te zijn.
Alhoewel de namenvoorraad in Sittard toenam met 340,9% wordt de tendens
dat de vernieuwingen zich eerder in Sittard dan in Hasselt voordeden,
tegengesproken. Men heeft hier een prachtig voorbeeld van een retromode
en deze is in feite ook een vernieuwing. Waar de namen in Hasselt een
evolutie van de klassieke Latijnse vorm - eventueel over de Franse vorm
- naar de Nederlandse vorm vertonen en waar de naamgeving in Hasselt
duidelijk internationale trekjes heeft, is er in Sittard duidelijk
teruggegrepen naar de Latijnse vorm. Meer dan de helft (53,84%) van de
namen die in de populariteitslijst voorkomen, hebben een Latijnse vorm.
In 1840 hadden slechts vier namen (14,81%) van het totale namenbestand
een Latijnse vorm, in 1900 hadden slechts zes namen (15,38%) een
Latijnse vorm.
| |
| | | |
5.2. Eerste voornaam - Meisjes
|
Hasselt |
T |
% |
| 1. |
Marleen |
51 |
4,92 |
| 2. |
Marina |
42 |
4,05 |
| 3. |
Ingrid |
32 |
3,09 |
| 4. |
Brigitte |
31 |
2,99 |
| 5. |
Martine |
27 |
2,60 |
| 6. |
Carine |
26 |
2,51 |
| 7. |
Nicole |
22 |
2,12 |
| |
Rita |
|
|
| 9. |
Carina |
21 |
2,02 |
| |
Christiane |
|
|
| |
Godelieve |
|
|
| 12. |
Maria |
20 |
1,93 |
| |
Monique |
|
|
| 14. |
Anita |
19 |
1,83 |
| |
Linda |
|
|
| 16. |
Anne-Marie |
18 |
1,73 |
| 17. |
Lutgarde |
16 |
1,54 |
| 18. |
Hilde |
4 |
1,35 |
| |
Liliane |
|
|
| |
Patricia |
|
|
| 21. |
Carla |
12 |
1,15 |
| |
Viviane |
|
|
| 23. |
Chantal |
11 |
1,06 |
| |
Diane |
|
|
| |
Myriam |
|
|
| 26. |
Ann |
10 |
0,96 |
| 27. |
Lydia |
|
|
| | | |
| 28. |
Danielle |
9 |
0,86 |
| |
Greta |
|
|
| |
Ria |
|
|
| 31. |
Els |
8 |
0,77 |
| |
Jacqueline |
|
|
| |
Sabine |
|
|
| 34. |
Brigitta |
7 |
0,67 |
| |
Nadia |
|
|
| |
Sonja |
|
|
| |
Yvette |
|
|
| 38. |
Edith |
6 |
0,57 |
| |
Elly |
|
|
| |
Elisabeth |
|
|
| |
Gerda |
|
|
| 42. |
Anne |
5 |
0,48 |
| |
Annick |
|
|
| |
Arlette |
|
|
| |
Dominique |
|
|
| |
Frieda |
|
|
| |
Marie-Christine |
|
|
| |
Mia |
|
|
| 49. |
Veerle |
|
|
| |
|
|
|
| |
T: 1035 |
N: 268 |
|
| | | |
|
Sittard |
T |
% |
| 1. |
Maria |
75 |
27,77 |
| 2. |
Anna |
33 |
12,22 |
| 3. |
Elisabeth |
18 |
6,66 |
| 4. |
Josephina |
16 |
5,92 |
| 5. |
Catharina |
14 |
5,18 |
| 6. |
Yvonne |
13 |
4,81 |
| 7. |
Johanna |
12 |
4,44 |
| 8. |
Hubertina |
9 |
3,33 |
| 9. |
Gertruda |
8 |
2,96 |
| |
Monique |
|
|
| 11. |
Cornelia |
7 |
2,56 |
| |
Christina |
|
|
| 13. |
Anita |
6 |
2,22 |
| |
Helena |
|
|
| |
Ingrid |
|
|
| 16. |
Jacqueline |
5 |
1,85 |
| |
Margaretha |
|
|
| |
Theodora |
|
|
| 19. |
Wilhelmina |
|
|
| | | |
Terwijl de bevolking in Hasselt veel groter was dan in Sittard, steeg het
aantal boorlingen in Sittard met 429,5% (van 88 naar 466) . In Hasselt
bedroeg de toename 334,8% (van 238 naar 1035). De namenvoorrad steeg in
Hasselt met 257,7% (van 75 naar 268) en in Sittard met maar liefst
958,8% (van 17 naar 180).
Ook bij de meisjesnamen wordt de tendens tegengesproken dat de
vernieuwingen zich eerder in Sittard dan in Hasselt voordeden. Weer
dient de opmerking gemaakt te worden dat retromode als een vernieuwing
gezien kan worden. De meisjesnamen die in Hasselt aan de boorlingen
werden gegeven vertonen duidelijk ook internationale trekjes, zij het
wel minder opvallend dan bij de jongens.
In Hasselt zijn er in 1960 4,3 × meer meisjes aangegeven dan
in 1900. In Sittard zijn er dat 5,2 × meer, een procentuele
toename van respectievelijk 334,8% en 429,5%. Ook hier wordt dus de
tendens dat de procentuele toename van boorlingen in Hasselt sterker is
dan in Sittard tegengesproken.
Ook de namenvoorraad neemt in Sittard sterker toe dan in | | | |
Hasselt: 958,8% (van 17 naar 180) en 257,3% (van 75 naar 268). Alhoewel
er in Hasselt 569 meer meisjes werden aangegeven, zijn er slechts 88
bijkomende namen gebruikt.
Het is opvallend dat in Sittard ook bij de meisjesnamen sterk
teruggegrepen wordt naar de Latijnse vormen. De uitgang -a blijft sterk
aanwezig: 14 van de 19 namen op de populariteitslijst (73,6%) hebben nog
steeds deze uitgang. In Hasselt zijn er dat 15 van de 49, of 30,6%).
Hier hebben we dus eenzelfde evolutie als bij de jongensnamen.
Een verklaring hiervoor kan nu nog niet gegeven worden, maar het is in
alle geval een interessant gegeven om op verder te werken.
| |
6. Algemeen besluit.
De evolutie van de voornaamgeving kan in Hasselt
beschreven worden als een evolutie van Latijnse en Franse vormen naar
Nederlandse en later ook meer internationale namen. In Sittard loopt die evolutie volledig in de andere richting; van
Nederlandse namen naar Franse en vooral Latijnse namen.
Waar aanvankelijk bleek dat de vernieuwingen zich eerder in Sittard dan in
Hasselt voordeden, blijkt die tendens na een periode van 120 jaar dus
volledig tegengesproken te worden. Dit is niet het geval indien men een
retromode ook als een vernieuwing ziet.
Bij de meisjesnamen kan de sterke aanwezigheid van de -a-uitgang in 1960 nog
steeds toegeschreven worden aan de tendens om het vrouwelijke te markeren.
Ook de algemene tendens dat in de voornaamgeving meisjesnamen zich sneller
ontwikkelen dan jongensnamen wordt eerst bevestigd en vervolgens
tegengesproken. In 1960 hebben Angelsaksische namen duidelijk hun weg naar
de Hasseltse jongensnamenvoorraad gevonden. Bij de meisjesnamen zijn er ook
een aantal Angelsaksische vormen aanwezig maar blijven de namen met een
-a-uitgang het populairst. In Sittard komen daar dan nog een aantal Franse
namen bij. Bij de jongensnamen is de -us-uitgang nagenoeg volledig
verdwenen, in Sittard daarentegen is hij als het ware uit het niets komen
opduiken.
| |
| | | |
8. Bibliografie.
| - | Registers van de Burgerlijke Stand van de Stad Hasselt
van de jaren 1840, 1900 en 1960. |
| - | Registers van de Burgerlijke Stand van de Stad Sittard
van de jaren 1840, 1900 en 1960. |
| - | BACH, A., Deutsche Namenkunde I. Die deutschen
Personennamen 1, Heidelberg, 1952. |
| - | CLOET, M., De voornaamgeving in het hertogdom Brabant
(17de - 20ste eeuw). Een bijdrage tot de
mentaliteitsgeschiedenis, in:
Cultuurgeschiedenis in de Nederlanden. Liber Amicorum J.
Andriessen, Leuven, 1986, p. 101-117. |
| - | GRAAF, J., Nederlandsche doopnamen naar oorsprong en
gebruik, Bussum, 1915. |
| - | LEYS, O., Sociolinguistische aspecten van de
persoonsnaamgeving, in: Naamkunde, jg. VIII,
1976, p. 137-158. |
| - | JANSSENS, K., De voornaamgeving in Edegem in de 19de en
de 20ste eeuw. Bijdrage tot de studie van een cultuurpatroon,
onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Leuven, 1984. |
| - | JANSSENS, M., Doopnaamgeving en Heiligenverering. Een
onderzoek met betrekking tot het Hertogdom Brabant tijdens de 17de
en 18de eeuw, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Leuven,
1979. |
| - | LANGENDONCK, W. Van, De persoonsnaamgeving in een
Zuidbrabants dialect, Leuven, 1979. |
| - | NIED, E., Heiligenverehrung und Namengebung sprach- und
kulturgeschichtlich mit Berücksichtigung der
Familiennamen, Freiburg-in-Breisgau, 1924. |
| - | SCHAAR, J. Van der, Uit de wordingsgeschiedenis van
Hollandse doop- en familienamen, in: Taalkundige bijdragen van Noord
en Zuid, nr. 5, Assen, 1953. |
| - | SCHUERMANS, C., Bijdrage tot het onderzoek naar de mode
in de doopnaamgeving te Hasselt tijdens de 19de eeuw,
onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Leuven, 1984.. |
| | | |
| - | VOORDE, G. Van de, Voornaamgeving in Herent met
speciale aandacht voor de deelgemeente Winksele. Een
sociolinguistische benadering, onuitgegeven
licentiaatsverhandeling, Leuven, 1980. |
| - | VROONEN, E., Les noms de famille en Belgique, deel
I en II, Brussel, 1957. |
| - | Catechismus Romanus ex decreto Concilii
Tredentini, onuitgegeven bron, Antwerpen, 1591. |
| - | Rituale Romanum Pauli V, onuitgegeven bron,
Antwerpen, 1617. |
| - | Rituale Romanum contractum et abbreviatum in usum
sacerdotum, qui ad remota et periculosa loca subinde coguntur
excurrere, onuitgegeven bron, Antwerpen, 1653. |
| - | Encyclopaedia Britannica. |
| - | Winkler Prins Encyclopedie. |
| - | Hasselt 750 jaar stad: 1232-1982, een uitgave van
het Gemeentekrediet van België, 1982. |
|
(1)E. Nied, Heiligenverehrung und Namengebung
sprach- und kulturgeschichtlich mit Berücksichtigung der
Familiennamen, p. 3
(2)A. Bach, Deutsche
Namenkunde, p. 1
(3)
Encyclopaedia Britannica
(4)O. Leys, Sociolinguistische aspekten van de persoonsnaamgeving, in
Naamkunde, jg. VIII, 1976, p. 137
(5)C. Schuermans: Bijdrage tot het onderzoek naar de mode
in de doopnaamgeving te Hasselt tijdens de 19de
eeuw.
(6)Catechismus Romanus. Dit stuk werd overgenomen uit het
artikel van Prof. Dr. M. Cloet ‘ De
voornaamgeving in het hertogdom Brabant (17de - 20ste eeuw). Een
bijdrage tot de mentaliteitsgeschiedenis’
(7)Rituale
Romanum. Dit stuk werd overgenomen uit de eindverhandeling
van M. Janssens, Doopnaamgeving en Heiligenverering.
Een anderzoek met betrekking tot het Hertogdom Brabant tijdens
de 17de en 18de eeuw, p. 53
(9)Winkler Prins
Encyclopedie, deel 9
(10)Hasselt 750 jaar stad.
1232-1982.
(11)J.
Graaf, Nederlandsche doopnamen naar oorsprong en
gebruik, p. 1
(12)E. Vroonen, Les noms de famille en Belgique, dl. I, p. 9
(13)J. Van der Schaar, Uit de wordingsgeschiedenis van
Hollandse doop- en familienamen, p. 12
|
|