België in de Tweede Wereldoorlog. Deel 10


auteur: Luc De Vos en Frank Decat


bron: Luc De Vos en Frank Decat, België in de Tweede Wereldoorlog. Deel 10: Mei 1940, van Albertkanaal tot Leie. DNB/Uitgeverij Peckmans, Kapellen 1990  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 42]

Achttien dagen terugtrekken

Het Albertkanaal en Eben-Emael

Duitse blitz en Belgische verbijstering

In de loop van 10 en 11 mei werd de Belgische bevolking met stalen vuist wakkergeschud uit een door de maandenlang aanslepende Schemeroorlog veroorzaakte gelatenheid. Het Duitse leger diende in snel tempo de ene mokerslag na de andere toe. De inval leek een vloedgolf, en de Belgen - politici en burgers, bevelhebbers en soldaten - snakten naar lucht. Niemand had willen geloven dat het allemaal zo snel kon gaan.

Op 30 april 1940 had de 7de Infanteriedivisie, een divisie van eerste reserve die onder leiding stond van generaal Eugène Van Trooyen en die deel uitmaakte van het 1ste Legercorps onder bevel van generaal Alexis Vander Veken, de posities overgenomen van de 5de Infanteriedivisie van Briegden tot Lixhe aan het Albertkanaal. De opdracht luidde de oversteek van het kanaal tot elke prijs te beletten om de vijand geen bruggehoofd te gunnen van waaruit het offensief kon worden verdergezet. Het Albertkanaal werd beschouwd als een dekkingsstelling. De legerleiding hield in haar plannen rekening met een mogelijke doorbraak. In dat geval zou worden teruggetrokken naar de weerstandsstelling. Die liep van Koningshooikt tot Waver en werd in het zuiden verlengd tot Namen en de Maas. Terwijl de Belgen zouden terugplooien op die KW-lijn, zouden de Britten en Fransen, die spraken van de Dijle-lijn, er zo snel mogelijk hulp komen bieden. De sector van Antwerpen tot Leuven was de verantwoordelijkheid van de Belgen, de lijn tussen Leuven en Waver was toegewezen aan de Britten en die tussen Waver en Namen aan de Fransen.

De 7de Infanteriedivisie telde 16.600 man. Drie regimenten werden langs het kanaal opgesteld: het 2de Karabiniers in het noorden, waar de bruggen van Veldwezelt, Briegden en Gellik lagen, het 18de Linie in het centrum, met de brug van Vroenhoven, en het 2de Grenadiers in het zuiden, met de bruggen van Kanne, Ternaaien en Klein-Ternaaien. In de sector van het 2de Grenadiers bevond zich het fort Eben-Emael. Het front bedroeg 19 km, terwijl voor een infanteriedivisie normaal slechts 6 km was voorzien. Omdat de divisie echter profiteerde van een hindernis als het Albertkanaal, de aanwezigheid van het fort Eben-Emael en het dubbele obstakel van Maas en kanaal tussen dit fort en Lixhe, werd verwacht dat zij een sector kon verdedigen die dubbel zo uitgestrekt was. Niettemin bleef het toegewezen front ook vanuit die redenering nog steeds één derde te lang. Vooral de regio van Maastricht vormde een zwakke schakel in het Belgische defensiesysteem. In die sector vielen namelijk de grensversterkingen en de dekkingsstelling samen, vermits het Albertkanaal slechts enkele honderden meters van de Nederlandse grens lag. Bovendien werd de inham bijna niet verdedigd door de Nederlanders. Van coördinatie tussen beide landen was nauwelijks sprake. De Nederlandse opperbevelhebber, generaal Henri Winkelman, had trouwens al eerder laten verstaan dat zijn effectieven ontoereikend waren om de verbinding met het Belgische leger in stand te houden en dat hij in geval van een Duits offensief onmiddellijk het gros van zijn troepen ten noorden van de Waal zou terugtrekken.

Het terrein waar de divisie was opgesteld bestond uit een zacht glooiend akkerlandschap - praktisch zonder bomen - dat de drempel vormde van het Haspengouwse plateau. Aan de vooravond van de Duitse inval was het echter bedekt met jong koren dat een hoogte had van ongeveer 60 cm. Daardoor werd het zicht vanuit de in de winter aangelegde schietstellingen

[p. 43]

en infanteriewaarnemingsposten sterk belemmerd. Toch was het verboden de zicht- en schietvelden te verbeteren door de graangewassen te verwijderen. De overgenomen stellingen waren omwille van de harde winter nauwelijks onderhouden en boden een vervallen aanblik. De camouflage liet te wensen over, terwijl diverse veldwerken ofwel onvoltooid waren ofwel ingestort. Verscheidene wapenstellingen waren niet meer bruikbaar. De telefoonlijnen waren niet ingegraven en verkeerden in bedenkelijke staat.

Bovendien liet de paraatheid van de divisie te wensen over. De lange mobilisatieperiode was niet bevorderlijk voor het moreel, en ook de tucht liet te wensen over. Het kader bestond voor 80% uit reservisten, en die waren onvoldoende opgeleid. Velen waren afkomstig uit Franssprekende milieus, terwijl de overgrote meerderheid van de troepen uit Vlamingen bestond. Als gevolg van verloven en vergunningen om sociale en economische redenen was de sterkte verminderd met 15%. Ook de bewapening was onvolledig. Zo had het 18de Linie een deel van zijn automatische wapens uitgeleend aan een opleidingskamp. Tijdens het alarm van 10 mei zou de instructie-eenheid de ontleende wapens niet teruggeven omdat werd aangenomen dat het de zoveelste oefening was.

De 7de Infanteriedivisie was niet verantwoordelijk voor de bewaking en vernieling van de bruggen. In 1934 reeds waren speciale eenheden aangeduid om dit op te knappen. De ploegen van Kanne, Ternaaien en Klein-Ternaaien stonden onder bevel van de commandant van het fort van Eben-Emael, majoor Jean Jottrand. De bruggen van Briegden, Veldwezelt en Vroenhoven vielen onder de bevoegdheid van de commandant van de Grenswielrijders te Lanaken, kapitein-commandant Henri Giddelo. De beslissing om over te gaan tot het vernielen van de bruggen kon op verscheidene niveaus worden genomen. De opperbevelhebber kon dit bevel op ieder ogenblik geven. De commandant van het 1ste Legercorps was verantwoordelijk in geval van schending van de Duits-Nederlandse grens. Bij het overschrijden van de Belgisch-Duitse grens beslisten commandant Giddelo en majoor Jottrand over het lot van de hun toegewezen bruggen. Op dit niveau liet de communicatie echter te wensen over. De telefooncentrale van de Lanaakse kazerne was niet beveiligd, terwijl het detachement van de brug van Klein-Ternaaien niet in verbinding stond met het fort. Dat hield in dat het ontstekingsbevel door cyclisten diende overgebracht te worden van Ternaaien, een afstand van 2,5 km langs de Belgisch-Nederlandse grens. Tenslotte diende in geval van een directe, vijandelijke bedreiging de onderofficier, chef van het brugdetachement, in actie te treden.

De bruggen zelf waren permanent ondermijnd. Het normale ontstekingsmechanisme was pyrotechnisch, maar indien nodig kon een elektrische ontsteker worden ingeschakeld, zodat twee opties voorhanden waren. De pyrotechnische manier was eenvoudiger, terwijl het elektrische systeem erg delicaat was. Dat werd duidelijk toen in september 1939 een elektrische inductie tijdens een onweer een brug te Val Benoît tot ontploffing bracht. Het resultaat was dat het elektrische ontstekingssysteem werd verwijderd bij de ondermijnde bruggen die niet door de genie werden bewaakt. Voortaan werd ook het beslissingsrecht van de brugdetachementen nauwkeuriger afgebakend. Het springen van een nabijgelegen brug mocht niet worden beschouwd als een directe bedreiging.

Elke brug werd bewaakt door een bunker, voorzien van een 47 mm anti-tankkanon, twee mitrailleurs en een schijnwerper. Een nadeel was dat die schuilplaatsen nauwelijks bescherming boden aan de achterzijde. Hier bevond zich de ingang die bestond uit een metalen poort die slechts van buitenaf kon worden afgesloten met een hangslot. Die poort was de toegang tot een sas waarin zich aan de rechterzijde het ontstekingssysteem bevond. Een gepantserde deur gaf uit op de eigenlijke bunker, die was voorzien van een kelder. Achter de bunker stond nog een kleine barak die dienst deed als verblijfplaats voor het garnizoen. Dat bestond normaal uit een sergeant, twee korporaals en negen soldaten. In de sector van de 7de Infanteriedivisie bevonden zich in totaal 22 bunkers.

Het fort van Eben-Emael was één van de modernste van Europa en werd beschouwd als een bijna oninneembare vesting. Het besloeg een oppervlakte van 75 ha en bevond zich op de plaats waar het kanaal de Maasvlakte verlaat om ten westen van de grens de uitsprong van Maastricht te volgen. De plaatskeuze werd be-

[p. 44]

paald door de diepe uitsnijding van het kanaal doorheen de Sint-Pietersberg, die het fort langs de noordoostzijde een goede bescherming bood. Verder was langs de noordwestzijde een kunstmatige watergracht aangelegd. Het terrein ervoor kon eventueel onder water worden gezet. Tenslotte bevond zich aan de zuidzijde een anti-tankgracht. Het fort was een versterkte artilleriestelling die zowel de bruggen over het Albertkanaal als die over de Maas te Maastricht en Visé onder vuur kon houden. De organieke sterkte van het fort bedroeg 1.200 man. Het bestond vooreerst uit twee groepen van 500 artilleristen die elkaar aflosten. De rustperiode werd doorgebracht in het kantonnement van Wonk dat zeven kilometer naar het zuiden lag. Daarnaast was een groep van 200 man technisch personeel voorzien. Die werden ingekwartierd bij burgers in Eben-Emael of logeerden in de barakken aan de ingang van het fort. De bewapening bestond uit twee batterijen. Batterij 1 omvatte de artilleriekoepels en kazematten bovenop het fort, met twee kanonnen van 120 mm die een draagwijdte hadden van 17,5 km en 16 kanonnen van 75 mm (in groepen van 4) met een draagwijdte van 11 km. Batterij 2 bevatte de verdedigingsbunkers. Die waren uitgerust met 12 anti-tankkanonnen van 60 mm en een draagwijdte van 3 km en met mitrailleurs en schijnwerpers. De commandoverhoudingen waren nogal ingewikkeld. De doelen werden aangeduid door de veldcommandanten, maar de vuuropdrachten werden gegeven door de commandant van het fort.

In het kader van het na het incident van Maasmechelen vooropgestelde von Manstein-plan bleef een Duitse overtocht van de Maas in de buurt van Luik behouden. Dat betekende dat ook het Albertkanaal moest worden overgestoken. De Duitsers beschouwden het kanaal als een niet te onderschatten hindernis. Het succes van de operatie hing immers af van het bijna gelijktijdig veroveren van de bruggen en uitschakelen van het fort Eben-Emael. Voor geen van beide acties lag de oplossing voor de hand. De Duitsers waren sinds de aanleg geïnteresseerd in de militaire aspecten van het Albertkanaal. In Belgische legerkringen werd gevreesd dat Duitsers infiltreerden als arbeiders om informatie door te spelen. Frankrijk reageerde verontrust toen in 1930 bekend raakte dat enke1e bedrijven met relaties in Duitsland betrokken waren bij de aanleg van het kanaal. Het ging hier om het bedrijf A. Monnoyer, dat instond voor de brug van Vroenhoven, en de Entreprises Réunies, met Hochtief A.G. uit Essen en Dyckerhoff und Widman uit Wiesbaden, verantwoordelijk voor de sectie Haccourt-Briegden. Het OKH slaagde er in elk geval in op 29 oktober 1939 een uitgebreide studie te publiceren over de militaire obstakels in het oosten van België en het zuiden van Nederland. Bovendien vulden zij hun uitstekende kennis van de Albertkanaalzone nog aan door verkenningsvluchten.

De door de Duitsers verzamelde gegevens maakten duidelijk dat kracht alleen niet zou volstaan om hun slag thuis te halen. Snelheid en inventiviteit zouden de doorslag moeten geven. Zo leidde een samenspel van tactische en technische innovaties tot nieuwe offensieve mogelijkheden die het klassieke defensiesysteem van de tegenstander grotendeels machteloos maakten. In Polen was gebleken dat de Duitsers in het intensief, gecombineerd gebruik van tanks en vliegtuigen een succesformule hadden gevonden. Om de snelle inzet van de pantserdivisies te garanderen tijdens de doorsteek boven Luik moesten zij zo vlug mogelijk beschikken over een aantal bruggen over Maas en Albertkanaal. De bouw van noodbruggen nam kostbare tijd in beslag en zou bovendien alleen in de streek van Kanne gemakkelijk uitvoerbaar zijn. Daarom werd besloten de luchtmacht in te zetten om een aantal bruggen intact in handen te krijgen en de weg voor pantsers en infanterie te openen. Naast de voor de hand liggende bombardementsopdrachten tegen vliegvelden en defensieve steunpunten werd eveneens geopteerd voor een geheel nieuw aanwenden van het luchtwapen. In functie van snelheid en verrassing zouden luchtlandingstroepen door zweefvliegtuigen zo dicht mogelijk bij de doelen worden gebracht. Die doelen waren de bruggen van Veldwezelt, Vroenhoven en Kanne, en het fort Eben-Emael dat moest geneutraliseerd worden omdat het de grootste bedreiging vormde voor de bruggen. De Duitse soldaten zouden bovendien gebruik maken van een nieuw wapen: de holle lading. Het principe ervan was reeds bekend sedert de in 1888 door de Amerikaan C.E. Munroe uitgevoerde experimenten. Het hield in dat het grootste deel van

[p. 45]

een explosiekracht kon worden geconcentreerd op één punt, waardoor een kracht werd ontwikkeld met een snelheid van 14 km per seconde. Dat liet de doorboring toe van bepantseringen van meer dan 25 cm staal. Tot slot diende nog een speciale operatie op touw te worden gezet om de Maasbruggen bij Maastricht in handen te krijgen. Omdat de oudere generaals van het hoofdkwartier zeer sceptisch stonden tegenover dit aanvalsplan werd de uitwerking ervan toevertrouwd aan de vrij jonge generaal en piloot uit de Eerste Wereldoorlog Kurt Student, commandant van de 7de Fliegerdivision.

In november 1939 werd in de schoot van de 7de Fliegerdivision de Sturmabteilung Koch opgericht. Deze Luftwaffe-soldaten ondergingen in het grootste geheim een speciale training in Gräfenwohr en Hildesheim. Maandenlang leefden de para-genisten in absoluut isolement. Contact met militairen van andere eenheden was ten strengste verboden. Er werden een aantal oefenaanvallen uitgevoerd op versterkingen in het Sudetenland. De explosieven werden getest te Gleiwitz, aan de vroegere grens met Polen. De aanvallers van Eben-Emael oefenden hun bestorming op een verkleind model van het fort te Paderborn. De groep, onder leiding van kapitein Koch, was verdeeld in verscheidene teams op basis van de aan te vallen doelwitten: de groep Stahl voor Veldwezelt, Beton voor Vroenhoven, Eisen voor Kanne en Granit voor het fort van Eben-Emael. Er zouden ongeveer 350 man worden ingezet, verdeeld over 42 zweeftoestellen. De geringe getalsterkte was te verklaren door het beperkte aantal beschikbare zweefvliegtuigen en door de omvang van de lading, vooral voor de groep van Eben-Emael die over niet minder dan 2,5 ton springstoffen beschikte. Die kleine groep zou op de voet worden gevolgd door de landstrijdkrachten. Voor de sector van Nederlands-Limburg en België ten noorden van de Maas waren die georganiseerd in het tot Legergroep B behorende 6de Leger, dat onder het bevel stond van generaal von Reichenau en dat bestond uit o.a. de 3de en 4de Panzerdivision en de 20ste Gemotoriseerde Divisie. Hun aandeel in het veroveren van de bruggen en Eben-Emael zelf was beperkt. Wel werd aan de 4de Panzerdivision de opdracht gegeven de doorstoot bij Maastricht te forceren en zo snel mogelijk de luchtlandingstroepen te helpen bij de uitbreiding van de bruggehoofden aan het Albertkanaal.

Om de aansluiting met de luchtlandingstroepen binnen de voorziene tijdslimiet toe te laten, werd een speciale operatie op touw gezet om de bruggen in Nederlands-Limburg, in het bijzonder de Maasbruggen te Maastricht, open te houden. Hiervoor was het uit ongeveer 100 man bestaande Sonderverband Hocke verantwoordelijk. Het was een onderdeel van het 100ste Bataillon zur besonderen Verwendung, dat was samengesteld uit vrijwilligers waaraan bijzondere opdrachten werden toevertrouwd. Om de bruggen intact in handen te krijgen werden verscheidene voorbereidingen getroffen. Er werden verkenningen verricht aan de bruggen en op de dag van de Duitse opmars zouden in burgerkledij de nodige sabotagehandelingen worden uitgevoerd, waardoor vernieling moest worden voorkomen. Bovendien werden vooraf afdelingen over de grens gezonden die zich in Nederlandse uniformen (o.a. van de militaire politie) bij verrassing dienden meester te maken van enkele bruggen over de Maas en het Julianakanaal tot de aankomst van de eigen legereenheden. Daarnaast moest de groep Melzer, onder leiding van luitenant-kolonel Mikosch en voornamelijk samengesteld uit manschappen van het 151ste Infanterieregiment en het 51ste Pionierbataillon, het bruggehoofd van Kanne uitbreiden en de vernieling van het fort van Eben-Emael voltooien. Die aflossing werd voorzien tegen de valavond van de eerste aanvalsdag.

Tijdens de strijd om de bruggen en het fort zou massale luchtsteun worden geleverd door het IVde Fliegerkorps, belast met het bombarderen van de vliegvelden en verkeerswegen, en het VIIIste Fliegerkorps, verantwoordelijk voor de ondersteuning van de landstrijdkrachten.

Nadat in de loop van de sedert 3 september 1939 aanslepende Schemeroorlog in West-Europa het ultieme bevel talloze malen was ingetrokken, werd uiteindelijk op 9 mei 1940 de definitieve beslissing genomen om aan te vallen in de richting van de Lage Landen en Frankrijk. De weersvooruitzichten waren uitstekend: een gebied van hoge luchtdruk zou het weer blijven bepalen. Er werd geen oorlogsverklaring uitgevaardigd aangezien het succes afhing van het verrassingseffect en de snelheid van de uitvoering. Toch kwam de Duitse inval niet helemaal

[p. 46]

als een verrassing. De militaire attaché te Berlijn, kolonel Goethals, had de dagen voordien reeds zijn ongerustheid laten blijken. Het Belgisch Algemeen Hoofdkwartier ontving op 9 mei tegen 20u30 een nieuw bericht dat een offensief voorspelde tegen de volgende morgen. Een tweede bericht om 22u30 bracht de bevestiging. Vanaf 23u35 werd het leger systematisch in staat van alarm gebracht. Om 00u10 werd de staf der divisies telefonisch door het 1ste Legercorps gealarmeerd. Tussen 00u40 en 1u30 werden de eenheden in hun kantonnementen verwittigd. Tegen 3u00 waren de gevechtsstellingen bezet. Het 2de Grenadiers ondervond bij het innemen van de posities een aantal moeilijkheden. Er waren vooral problemen doordat de paarden, die nodig waren voor de munitiewagens, 's nachts moesten worden verzameld, aangezien die, overeenkomstig de voorschriften, door de landbouwers waren ingeschakeld. Vermits nog op 9 mei de beslissing was genomen de extra-verloven weer toe te laten, en omdat er manoeuvres waren aangekondigd, namen maar weinigen het alarm ernstig op. Sommige steunpunten werden zelfs helemaal niet bemand.

Ondertussen wachtten de ministers Pierlot, Spaak, Janson en Denis in spanning de gebeurtenissen af in het kabinet van Buitenlandse Zaken, in gezelschap van de secretaris van de koning en van de auditeur-generaal. Vanaf ongeveer 4u00 's morgens kwamen de eerste berichten binnen over luchtaanvallen, en spoedig bestond er geen twijfel meer over dat Duitsland een grootscheepse aanval had ingezet tegen België, Nederland en Luxemburg. Dat werd trouwens bevestigd tijdens een onderhoud dat Spaak had met de Duitse ambassadeur von Bülow-Schwante in de vroege morgen. Nu de neutraliteit was geschonden deed België onmiddellijk een beroep op de hulp van de Engelsen en de Fransen. Omstreeks 7u gingen de slagbomen aan de grens omhoog en trad het Dijleplan in werking.

De eerste Duitse luchtaanvallen hadden de vliegvelden tot doel. De resultaten waren catastrofaal voor de Belgische militaire luchtvloot. Het 7de smaldeel van het 3de Luchtvaartregiment verloor al zijn materieel bij het bombardement van Schaffen. Daaronder bevonden zich ook de Hurricanes, de enige toestellen die zich met de Duitse jagers konden meten. In Brustem bij Sint-Truiden werden alle Fiat-vliegtuigen van het 3de smaldeel van het 2de Luchtvaartregiment op de grond vernietigd. De jagers die gespaard bleven, vormden een gemakkelijke prooi voor de moderne Duitse vliegtuigen. Toestellen zoals de Messerschmitt 109 waren zwaarder bewapend en sneller. Het luchtafweergeschut bleek al even ontoereikend. België steunde op een voornamelijk horizontale defensie, maar kreeg af te rekenen met een verticaal offensief. Het werd het slachtoffer van de Duitse revolutionaire ideeën en methodes. Omstreeks 5u00 waren reeds 62 van de 184 operationele Belgische vliegtuigen uitgeschakeld.

In de loop van de dag bleef de Duitse luchtmacht België in golven aanvallen. Ook de stellingen en communicatieknooppunten waren belangrijke doelwitten. Vooral de Junkers 87 of Stuka speelde hierin een uiterst destructieve rol. Deze duikbommenwerper, die een angstaanjagend schril geluid maakte en slechts vlak boven zijn doel optrok, bracht bovendien een erg demoraliserend effect teweeg. De door de intensieve bombardementen veroorzaakte chaos maakte gecoördineerde tegenaanvallen praktisch onmogelijk. De telefoonlijnen waren vernield. Radio was lager dan het bataljonsniveau niet beschikbaar. Er was bovendien een gebrek aan batterijen. Duiven vormden geen afdoende oplossing. Op die manier was het opperbevel niet op de hoogte van het precieze strijdverloop. Ook het contact tussen infanterie en artillerie was in veel gevallen verbroken, waardoor heel wat geschutsstukken niet of onvoldoende accuraat konden worden aangewend. De verwarring werd nog vergroot doordat de Duitsers verscheidene honderden poppen aan parachutes afwierpen. Al vlug dacht iedereen parachutisten te zien en werd er op talrijke plaatsen nodeloos alarm geslagen. Paniek greep om zich heen bij de burgers. Velen leefden nog met de herinnering van '14-'18 en de vluchtelingenstroom groeide in snel tempo. De wegen raakten geblokkeerd.

Intussen waren de Duitsers hun huzarenstukje aan het Albertkanaal begonnen, waar zij de Belgische verdedigers zo mogelijk nog meer ontredderden. 's Nachts waren de driemotorige Junkers 52 transportvliegtuigen die de zweefvliegtuigen met luchtlandingstroepen moesten

[p. 47]

GETUIGENISSEN

Dr. Maurice Odeurs
1ste Karabiniers-Wielrijders

Toen de oorlog uitbrak, zat ik in mijn vierde jaar geneeskunde aan de universiteit van Leuven. Van zodra de eerste bommen waren gevallen, begaf ik mij via Sint-Truiden naar Hasselt. In mijn oproepingsbevel van augustus '39 stond immers dat ik mij bij de provinciecommandant moest aanmelden. Die deelde mij mee dat ik mijn eenheid, het 1ste Karabiniers-Wielrijders, in Rummen moest vervoegen. Daar werd ik met de graad van sergeant kandidaat-reserveofficier als adjunct-geneesheer toegevoegd aan de bataljonsarts, Sylvain Fourmantin, een Rexist die trouwens na de Bevrijding zou worden gevangen gezet. Ik was de enige Vlaming in dit Waalse regiment en de officieren noemden me dan ook le petit Flamand of nog lieftalliger petit poussin. Als persoonlijk wapen kreeg ik een pistool, hoewel ik nog nooit geschoten had. In die tijd moest een dienstplichtige geneesheer immers alleen maar enkele theorielessen aan de Militaire School volgen en tijdens de vakanties deelnemen aan sportoefeningen, die overigens niet erg zwaar waren. Omdat men mij als officier beschouwde had ik toegang tot de poste de combat van het regiment waar ik op 11 mei vernam dat we gingen afzakken naar mijn geboortestad Sint-Truiden pour se defendre anti-char. Toevallig nu werd de poste sanitaire van dokter René Galland, de arts van het andere bataljon, gevestigd in het huis van mijn ouders. Ik ging er echter niet langs... het laatste afscheid was al zwaar genoeg geweest en bij een volgend vertrek zouden mijn ouders zich nog meer ongerust maken, zo dacht ik. In Sint-Truiden gebeurde er gelukkig niets en de 12de mei 's morgens werden we afgelost door een Franse eenheid. Daarbij vertrokken we naar Tienen, waar 90% van de fietsen een lekke band kreeg door glasscherven die her en der lagen na een bombardement. Mijn eigen fiets zette ik steeds in de ambulance-wagen zodat ik samen met de hoofdgeneesheer kon meerijden. Nadat de rijwielen gerepareerd waren, trokken we verder noordwaarts tot we tegen de avond in Herselt aankwamen. Daar leverde ons regiment op 13 mei zijn eerste gevecht. Ik stond paraat op de poste sanitaire maar toen dokter Fourmantin mij het bevel gaf om een gewonde te gaan afhalen, kreeg ik toch serieus schrik. Plots stond ik in de werkelijkheid. De soldaat die ik moest verzorgen had een geperforeerd bovenbeen door een afgeketste kogel die hijzelf had afgevuurd, een balle de ricochet noemden wij dat. Die nacht maakte ik ook iets mee dat mij nog jaren achteraf regelmatig voor de geest zou komen. De cyclisten waren volop aan het terugtrekken, toen dokter Fourmantin, enkele soldaten en ikzelf ons in de achterhoede bevonden om eventuele gewonden op te vangen. Her en der sloegen vijandelijke granaten in, sommige zelfs erg dichtbij ons. Fourmantin en ik leunden tegen de muur van een oud herenhuis en om mij wat op te beuren zei hij. ‘Dites vieux, on a eu chaud, hein!’ Plots echter ging het licht in het huis aan, waarop de soldaten schreeuwden om het weer uit te doen en met de kolf van het geweer enkele ruiten insloegen. Toen vloog de deur open. Op nog geen vijf meter van mij stond een Duitser, de mitraillette in de hand en de benen geheel omzwachteld met kogelbanden. Ik dacht dat het een parachutist was en daar hadden we allemaal erg schrik van. Instinctief greep ik mijn pistool en terwijl hij zijn wapen naar mij richtte, schoot ik... en ik bleef schieten tot mijn ganse lader leeg was. De Duitser zakte in elkaar. Alles gebeurde in een flits van een seconde; ik sidderde doorheen gans mijn lichaam tot iemand mij plots vastgreep en riep dat ik moest maken dat ik wegkwam. Ik ben dan weggerend, maar toen ik weer wat bij mijn positieven was, ben ik me beginnen af te vragen of we die man niet hadden moeten meenemen. Misschien was hij alleen maar gewond. Per slot van rekening was ik toch geneesheer en werd ik verondersteld om mensen te helpen. Maar in een oorlog kan men daar niet bij blijven stilstaan. Trouwens, als de officier-wapenmeester op 10 mei mijn wapen niet schietensklaar had gemaakt, zou ik mijn ontmoeting met die Duitser wellicht niet hebben kunnen navertellen. Na die eerste confrontatie volgde een lange terugtocht, met slechts een korte adempauze aan de KW die we alweer de 16de of de 17de moesten verlaten. In Steenokkerzeel werd ik voor de tweede maal met gewonde soldaten geconfronteerd. Een van hen had een ernstige wonde aan de onderbulk. Voor die mensen telt dan enkel overleven; de strijd voor het vaderland is op dat moment veraf. Daarna verbleef ons regiment enkele dagen in Zeeuws-Vlaanderen, maar ik ben vergeten waar precies omdat de terugtocht altijd 's nachts gebeurde en de wegwijzers uit veiligheidsoverwegingen waren weggenomen. Onze laatste etappe eindigde ergens in West-Vlaanderen aan het Afwateringskanaal. Daar vernamen we de 28ste mei rond vier of vijf uur 's morgens dat het Belgische leger zich overgegeven had. Ik heb toen veel van die Waalse officieren zien wenen en verwijten horen maken aan het adres van de koning. Ik zweeg maar ik was blij dat het voorbij was. In de loop van de dag kwamen er Duitse soldaten die ons regiment begeleidden naar Kwatrecht. Daar bleven we een tweetal dagen in een weide overnachten. Onze levensmiddelen, vooral het brood, werd afgenomen en in ruil kregen we van dat vies Duits pompernikkelbrood. De 30ste of de 31ste moesten we naar Moerbeke gaan, waar de Duitsers een groot gevangenenkamp hadden ingericht met prikkeldraad en wachttorens. Ik had echter helemaal geen zin om mij te laten opsluiten en toen een Duitser met een kepie die ik voorzichtigheidshalve met Herr Offizier aansprak mij zegde dat we overmorgen op transport naar Duitsland werden gezet, was de maat voor mij helemaal vol. Ik ging naar mijn regimentscommandant en vertelde hem tot zijn grote verbazing dat ik wilde ontsnappen. Bij het wisselen van de wachtposten tegen twaalf uur 's middags, slaagde ik erin de fiets van een of andere Duitser te grabbelen waarna ik mij vliegensvlug uit de voeten maakte. Overal in de buurt zaten er Duitsers maar omdat ik mijn rodekruisarmband droeg, zegden die steeds met een vriende-

[p. 48]

lijke hoofdknik: ‘Lassen Sie den Herr Doktor passieren’. Zo kwam ik tegen elf uur 's avonds na een halve dag fietsen thuis aan. Daar werd ik al onmiddellijk geconfronteerd met het droevige nieuws dat mijn broer Paul, die sergeant was bij het 11de Linie, in Melle gesneuveld was. Mijn uniform heb ik dan achter in de tuin begraven en pas toen kreeg ik de tijd om wat te bekomen.

Pierre Celis
15de Artillerie (3de Legercorps)

De 10de mei '40 waren we gelegerd in Grivegnée, nabij Luik. Hoewel we het hoorden rommelen aan het Albertkanaal, bleef het de ganse dag rustig in onze sector. Pas tegen de avond kregen we het bevel de paarden in te spannen. Ik was conducteur (stukrijder) en moest helpen om onze 155 mm-houwitzer uit de stelling te halen. Dat was een hele karwei omdat het tuig daar gedurende bijna gans de mobilisatie onbeweeglijk had gestaan. Ik heb het altijd eigenaardig gevonden dat wij de stukrijders, enkele dagen voor de inval onze geweren moesten indienen met de belofte dat we revolvers zouden krijgen. Dat was praktischer zegde men. Wie het bevel gegeven heeft, en of er kwaad opzet in het spel was, weet ik niet, maar het had tot gevolg dat we op 10 mei geen persoonlijke wapens hadden om ons te verdedigen. Enfin, in de vroege morgen van 11 mei vertrok onze batterij dan en omstreeks 4 uur staken we in Luik de Maas over. Niemand vertelde ons waar we naartoe gingen. Toen het klaar werd, verschenen er een aantal Duitse Vliegtuigen boven ons. Onmiddellijk sprongen we van de paarden maar wonder boven wonder lieten de Duitsers ons ongemoeid. Misschien omdat we niet richting front trokken. In Bierset, op de linker Maasoever, verscholen we ons in een bos en lieten de stukken langs de baan staan. Af en toe losten onze mitrailleurs enkele schoten, maar zonder enig resultaat. Omstreeks 17 uur verlieten we onze schuilplaatsen, en we waren nog maar net terug op de baan toen een 20-tal Stuka's ons onder vuur namen. Het leek me toen alsof de Duitsers al onze verrichtingen van te voren kenden (de regimentsarts was nota bene een Duitstalige, afkomstig van de Oostkantons). Vanaf dat ogenblik was het ieder voor zich. In volle paniek liepen we weg; de paarden en de stukken lieten we achter. Met enkele andere soldaten bleef ik in Bierset bij een boer overnachten. De volgende dag vonden we een paar fietsen, die waarschijnlijk van de Ardense Jagers waren geweest, en zo zetten we onze tocht verder. Tussen de rijen vluchtelingen door fietsten we richting Hoei. De vluchtelingen mochten ons niet erg omdat ze vreesden dat wij de aandacht van de vliegtuigen trokken. Via Hoei en Namen kwamen we in Charleroi aan. Daar was de bevolking ons nogal vijandig gezind. We kregen zelfs geen glas water en de mensen zegden: ‘Als ge dorst hebt, gaat dan maar aan het Albertkanaal drinken’. Het was de derde of de vierde dag van de oorlog en we besloten dan maar naar ‘de Vlaanders’ te rijden. Na een rit van bijna 100 km bereikten we Lichtervelde waar we ons paspoort bij de rijkswacht lieten afstempelen om niet als deserteurs gestraft te worden. Samen met soldaten van diverse eenheden werden we op vrachtwagens gezet en naar het front gestuurd. Lang duurde de tocht niet want vijf km verder namen Duitse vliegtuigen ons konvooi onder vuur. Opnieuw werd het een sauve-qui-peut. Ik heb dan nog enkele dagen rondgezworven tot ik kort na de capitulatie in Kortemark werd gevangen genomen. Het was de eerste keer dat ik een Duitse soldaat van dichtbij zag...

Jean Beunekens
1ste Grenadiers

Ik was granaatschutter bij het 1ste Grenadiers, gelegen in Tessenderlo. De 10de mei om vier uur 's morgens kregen we alarm maar niemand wist dat de Duitsers toen op punt stonden ons land binnen te vallen. Voor ons was het de zoveelste oefening. De laatste maand hadden we immers zo vaak in looppas de 2 km afgelegd, van onze barakken in Huist naar de stellingen aan het Albertkanaal. Het gevolg was dat een derde van ons regiment die ochtend zijn wapens niet bij zich had. Omstreeks zes uur verschenen er Duitse jagers boven onze stellingen, weldra gevolgd door een drietal bommenwerpers (aanvankelijk dachten we dat het Belgen of Fransen waren!). Gelukkig vielen die ons niet aan. We zouden immers een prachtig doelwit geweest zijn omdat de meeste soldaten uit hun stellingen waren gekomen en vanop open terrein de vliegtuigen volgden. Een twintigtal meter van mij vandaan begon een soldaat van de Franstalige compagnie plots te vuren met zijn luchtdoelmitrailleur. Het was een zekere Jacquemeyns, een nogal bekende bokser in die tijd. Een van de bommenwerpers vatte vuur en stortte enkele seconden later neer. Daarop vielen de jagers ons aan en we stoven uiteen. Verder is er die dag niet veel gebeurd. Wel vernamen we dat ons 2de Grenadiers rond Eben-Emael zwaar onder vuur lag en al vele doden had. De 11de mei dan kwam het bevel onze stellingen te verlaten en westwaarts te trekken. En dat terwijl er nauwelijks een schot gelost was! Alle soldaten waren zwaar bepakt. Voor mij kwam daar nog bij dat ik het deel van mijn compagnon, de tweede granaatschutter, moest dragen. Die was op een bepaald ogenblik verdwenen (wanneer precies weet ik niet meer) en ik heb hem sindsdien nooit meer teruggezien. Zo sleepte ik de ganse veldtocht 25 kg mee: rugzak, revolver, schop, DBT (granaatwerper) en munitie. In Lier hield de compagnie halt en onmiddellijk moesten we tranchées beginnen te graven. Lang bleven we daar niet... dag na dag trokken we achteruit. En elke keer hetzelfde scenario: halt houden, graven en weer op weg terwilj de Duitsers ons van ver met hun artillerie bestookten. Dat werkte erg afmattend. Rond de 16de kwamen we aan in Zelzate, op het kanaal Gent-Terneuzen. Van daaruit beschoten we de Duitse voorhoede die in Zeeuws-Vlaanderen begon door te dringen. Het was de eerste en enige keer dat ik mijn DBT gebruikt heb. Over Eekio ging onze

[p. 49]

tocht dan verder naar Maldegem. Wij hadden honger. Dagenlang zagen we geen veldkeuken. We leefden van wat de vluchtelingen ons gaven, af en toe gingen we een paar kippen pakken op een boerderij. Ik had ook de gewoonte om in elke verlaten hoeve de dieren los te laten; ik heb namelijk jarenlang op een boerderij gewerkt. Zo heb ik in Maldegem een stier ‘bevrijd’ maar het beest was nog maar net uit zijn stal toen het werd neergeschoten door een hongerige soldaat die de buit met zijn kameraden deelde. In het nabijgelegen Adegem kregen we het weer zwaar te verduren van de artillerie. Er deden ook geruchten de ronde dat daar helemaal geen Duitsers zaten maar dat een Belgische sergeant, een zekere De Gendt, het bevel zou gegeven hebben het vuur te openen toen hij werd opgeschrikt door loslopende koeien. En in paniek is men toen met alles beginnen te schieten. Op dat ogenblik lag mijn compagnie in reserve en ik weet dus niet wat daar van waar is. Maar zeker is dat die nacht verscheidene jongens zijn omgekomen. Op 26 mei kwam ons regiment aan in Rumbeke, een gehucht van Roeselare, waar we post vatten rond het kasteel. Daar werden we twee dagen lang hevig beschoten en vielen er tiental len doden. De dag van de capitulatie kregen we nog het bevel om posities in te nemen ten zuiden van Roeselare. Zo zijn wij blijven voortvechten tot 7 à 8 uur 's morgens, dus enkele uren na de officiële overgave. Het is in die korte tijd dat de meeste grenadiers gesneuveld zijn. Ikzelf heb drie man naast mij zien vallen. Achteraf heeft men gezegd dat wij de aftocht van een Engelse eenheld en de wederopstelling van het 3de en 5de Jagers te Voet moesten dekken. Hoewel dit laatste natuurlijk helemaal geen zin meer had. Omstreeks 8 uur werden we krijgsgevangen genomen en toen pas vernamen we dat het leger zich overgegeven had! Na een vermoelende tocht te voet werden we in Kortrijk op wagons gezet richting Duitsland. Het station werd echter door een Engels vliegtuig gebombardeerd waardoor de rails omhoog stonden en doorrijden onmogelijk werd. Begeleid door enkele Duitsers gingen we dan maar te voet verder. Ik probeerde verscheidene keren uit de kolonne te ontsnappen maar werd telkens tegengehouden. Uiteindelijk lukte het me toch en in Oudenaarde vond ik onderkomen in een boerderij. Daar kreeg ik burgerkleren. Zo ben ik dan via Ninove in Brussel toegekomen, waar mijn ouders woonden.

aanvoeren opgestegen in Ostheim, ten oosten van Keulen, en Butzweilerhof, ten zuidwesten van Keulen. Reeds omstreeks 3u40 was het laatste vliegtuig in de lucht. Onderweg brak echter het sleeptouw van het zweefvliegtuig waarin zich luitenant Rudolf Witzig bevond die de leiding had over de operatie bij Eben-Emael. Hij zou het strijdtoneel pas enkele uren later bereiken. Ook een ander vliegtuig moest afhaken. In de buurt van Aken, op een hoogte van 2.500 m, werden de zweefvliegtuigen losgekoppeld. Zij vlogen verder met een snelheid van 140 km per uur en bereikten voor zonsopgang, om 4u25 (5 min voor de landmacht de Nederlandse grens overstak) op 300 m hoogte het Albertkanaal.

Aangekomen bij de bruggen vlogen zij het kanaal een eindje voorbij, keerden dan om en kwamen zo aangevlogen vanuit het westen. Na de landing verlieten de Duitsers onmiddellijk hun toestellen om de betonnen schuilplaatsen langs achter aan te vallen. De totaal verraste Belgische soldaten trokken zich in verwarring terug in de bunkers. Zij hadden enkel een aanval uit het oosten verwacht en dachten in het halfduister aanvankelijk met een vliegtuig in moeilijkheden te maken te hebben. Enkele ogenblikken later werden reeds de eerste deuren door zware explosieven geforceerd. Granaten werden in de bunkers geworpen, terwijl andere met vlammenwerpers werden bestookt. Ondertussen werd de kazerne van Lanaken gebombardeerd door laag overvliegende toestellen. Onder de 21 doden bevond zich ook commandant Giddelo, verantwoordelijk voor de door zijn grenswielrijders bewaakte bruggen van Briegden, Veldwezelt en Vroenhoven. Aangezien de commandant van het 1ste Legercorps vanuit zijn hoofdkwartier geen contact meer kreeg met de kazerne, stuurde hij koeriers met het bevel de bruggen te doen exploderen. Die van Veldwezelt en Vroenhoven waren intussen echter al onbeschadigd in handen van de vijand gevallen omdat de overrompelde soldaten geen schijn van kans hadden gekregen de vernielingen uit te voeren. In Veldwezelt werd de lont niet eens ontstoken. In Vroenhoven wel, maar ook daar sprong de brug niet. Waarom is niet duidelijk. Misschien kon de lont nog tijdig worden losgerukt door de Duitsers of werd zij vernietigd door de ontploffing van de springlading tegen de binnendeur; het is ook mogelijk dat de lont niet tot het einde brandde. Na 5u00 werd bij elke brug nog een half peloton Duitse parachutisten gedropt ter versterking. Ondertussen waren de Belgische troepen voortdurend blootgesteld aan het mitrailleurvuur en de bombardementen van de Stuka's. De uitslag van de

[p. 50]

actie overtrof de Duitse verwachtingen: na ongeveer één uur strijd hadden de veroverde bruggehoofden al een diepte van 600 m en een breedte van 1 km.

Ook de brug van Briegden werd aanvankelijk niet vernietigd. Er moest eerst gewacht worden op het terugtrekken van de grenswielrijders. Daarnaast waren er technische moeilijkheden bij het doen springen van de brug. De vernielingsploeg was niet aanwezig omdat het merendeel ervan was omgekomen in de kazerne van Lanaken. Bovendien was de pelotonscommandant om 01u00 naar Beverlo vertrokken om rekruten af te halen. Bijgevolg zochten soldaten van het 2de Karabiniersregiment de hele dag naar het lontsysteem van de brug. Pas om 9u00 de volgende dag slaagde het geniebataljon van de 7de Divisie erin de brug te vernielen. Dat de Duitsers de brug van Briegden niet veroverden was enkel te danken aan het feit dat die niet was aangeduid als één van hun doelen.

Bij Kanne daarentegen mislukte de Duitse operatie. De brug werd er om 4 u 15 op initiatief van de bevelhebber van Eben-Emael opgeblazen. De luchtlandingstroepen, die niet vlakbij de brug konden landen omwille van de oeververhoging in deze zone, werden hier op hevig vuur onthaald en werden in het defensief gedrongen. Het half peloton valschermtroepen dat om 5 u 15 werd geparachuteerd, werd grotendeels uitgeschakeld. Alle vijandelijke pogingen om het kanaal te overschrijden en de verbinding met de luchtlandingstroepen tot stand te brengen, werden verijdeld. Intussen waren ook de meer zuidelijke bruggen van Ternaaien en Klein-Ternaaien tot ontploffing gebracht, hoewel die van Ternaaien niet helemaal werd vernietigd. Desondanks waren de Duitse objectieven ruimschoots gerealiseerd. Twee van de drie tot doel gestelde bruggen bleven open voor het voltrekken van de geplande operaties.

Majoor Jottrand, commandant van Eben-Emael, werd om 00u30 verwittigd van een nakende aanval en alarmeerde zijn manschappen. De getalsterkte van zijn troepen was door het toekennen van de vergunningen teruggebracht tot minder dan 1.000 man, waarvan twee derde in het fort en één derde op rust in het kantonnement van Wonk.

Om 4 u 25 streken negen zweefvliegtuigen neer op het fort. Het plateau van het fort, dat een oppervlakte had van 45 ha, was een ideaal landingsterrein. Er was zelfs een voetbalveld aangelegd voor de manschappen. Bescherming tegen aanvallen uit de lucht was nauwelijks voorzien: er waren geen versperringen en slechts vier luchtdoelmitrailleurs. Later zou aan generaal Van Overstraeten worden verweten dat hij het luchtwapen sterk had onderschat, hoewel hij zichzelf steeds als een ‘militair ziener’ beschouwde. De onverwachte aankomst verrastte het hele garnizoen. Het fort lag immers op 30 km van de Duitse grens en de bevelhebber dacht ruim de tijd te hebben om het in geval van alarm in staat van paraatheid te brengen. Majoor Jottrand zag nog wel de kans te bevelen de hem toevertrouwde bruggen van Kanne, Ternaaien en Klein-Ternaaien te doen exploderen.

De vijandelijke eenheid had als eerste opdracht de luchtafweer, de observatieposten en de mitrailleurbunkers op het plateau te vernietigen. Vervolgens dienden de op Maastricht gerichte artillerie-installaties buiten werking te worden gesteld. Tenslotte was ze opgedragen zich een toegang tot de bunkers te verschaffen en ze in de diepte aan te vallen en bezet te houden. Snelheid was een hoofdvereiste. Elke groep had haar eigen objectief. De vier luchtafweermitrailleurs werden dadelijk tot zwijgen gebracht en in minder dan tien minuten werden verscheidene kazematten met succes aangevallen. Dit alles werd volbracht door 56 man, verdeeld over zeven groepen. Twee andere groepen met in het totaal 13 man vielen het noordelijk deel aan en veroverden er twee valse koepels zodat hun optreden tijdens de eerste minuten nutteloos bleek. Het was tevens een bewijs dat de Duitsers geen gedetailleerde plannen van het fort hadden, zoals achteraf werd beweerd. De aanvallers kregen volop steun van Stuka's. De veroverde doelen werden meteen met behulp van een hakenkruisvlag aangeduid opdat de aanvallers zelf niet onder vuur zouden worden genomen.

Tegen 4 u 40 was het grootste gedeelte van het oninneembaar geachte fort reeds tot zwijgen gebracht. Zowel het plateau als de naar Maastricht gerichte observatie- en artillerieposten waren buiten werking gesteld. Enkel Koepel Zuid en Koepel 120 waren nog actief. De Duitsers hadden aanvankelijk Koepel Zuid met rust

[p. 51]



illustratie

1




illustratie
2




illustratie
3




illustratie
4




illustratie
5




illustratie
6




illustratie
7




illustratie
8
(1) Met zweefvliegtuigen van het type DFS 230 landden de Duitsers op het fort van Eben-Emael en achter de bruggen van het Albertkanaal. (2) Om verwarring te zaaien werden ook ledepoppen gedropt. (3) De onophoudende Stukaaanvallen veroorzaakten vele verliezen en deden paniek ontstaan (tekening door Richard Hess voor het tijdschrift Der Adler). (4) De overwinnaars in het gezelschap van Hitler (uiterst links op de foto luitenant Witzig). (5) 24 uur na de aanval op Eben-Emael. (6) Drie graven aan het front (v.l.n.r.): Belgische soldaat, Duitse parachutist en pionier. (7) Duitse soldaten steken het Albertkanaal over. (8) Van de geallieerde en Belgische piloten die de bruggen over het Albertkanaal aanvielen, keerden velen niet naar hun basis terug.


[p. 52]

gelaten. Dat bleek al vlug een vergissing. De artilleriekoepel beschoot onophoudelijk het plateau en begon later ook op het Nederlandse Eijsden te vuren. Op die manier werd het de 269ste Infanteriedivision uiterst moeilijk gemaakt de Maas over te steken en liepen haar voorste eenheden vast aan het Albertkanaal. Ook het artillerievuur van de forten van Pontisse en Barchon maakte het plateau nog steeds onveilig. Na de aankomst van bevelhebber luitenant Witzig slaagden de Duitsers er echter in een 40 m diepe galerij onder kazemat Maastricht 1 en-Blok Mi-Noord tot ontploffing te brengen met behulp van 50 kg holle ladingen. Dat deed paniek ontstaan en bracht het moreel van de bemanning de genadeslag toe. Tegenaanvallen vonden nauwelijks plaats. Een peloton van het 2de Grenadiers, onder leiding van luitenant Frans Wagemans, bereikte het fort rond 9u30, maar moest het tegen 19u00 uitgeput verlaten. Andere tegenaanvallen werden bemoeilijkt doordat de veldtelefoondraden die het fort met de 7de Divisie en het Iste Legercorps verbonden, verbroken waren door de luchtbombardementen.

De Duitse landstrijdkrachten die de luchtlandingstroepen aan het Albertkanaal zo snel mogelijk moesten komen versterken, de 4de Panzerdivision en het 51ste Pionierbataillon, overschreden de Nederlandse grens om 4u35. Zij liepen echter vast aan de Maas bij Maastricht, waar de Nederlanders de twee bruggen evenals de spoorwegbrug hadden vernietigd. De daardoor veroorzaakte vertraging betekende een gevaar voor de Duitse operaties. Toch wisten de infanteristen van de 4de Panzerdivision de Maas op vlotten over te steken en omstreeks 11u30 de luchtlandingstroepen bij de bruggen van Veldwezelt en Vroenhoven te bereiken. De bruggehoofden werden er verder uitgebreid en hadden tegen het einde van de dag reeds een diepte van 1 km te Vroenhoven en van 2 km te Veldwezelt.

De Belgen besloten het vliegwezen in te zetten om alsnog de ongeschonden bruggen over het Albertkanaal te vernielen. Op 11 mei tussen 5u45 en 6u00 stegen te Aalter drie pelotons van drie Fairey Battles op. Zij werden begeleid door twee pelotons van elk drie Gloster Gladiators. Elke Fairey Battle droeg acht bommen van 50 kg. Die waren echter niet krachtig genoeg om betonnen en metalen bruggen te vernielen. De brug te Vroenhoven werd getroffen maar enkel de borstwering en het wegdek werden licht beschadigd. Bovendien bedroeg de minimumhoogte om het gebruikte bommentype af te werpen 100 m en waren de vliegtuigen niet uitgerust met richtapparatuur, zodat het onmogelijk was vanop grotere hoogte een nauwkeurig bombardement uit te voeren. Zo vormden de Belgische toestellen uitstekende doelwitten voor de Duitse luchtafweer, die niet alleen werd verzekerd door de Luftwaffe maar ook door de reeds talrijk aanwezige FLAK. Daarenboven werkten de elektrische bommenafwerpers van een aantal toestellen niet. Tien van de vijftien ingezette vliegtuigen gingen verloren terwijl de bruggen ongeschonden bleven. Na die mislukking verzocht het opperbevel de medewerking van de geallieerde bommenwerpers. De RAF verloor echter 's namiddags op haar beurt 33 van de 42 ingezette Fairey Battles en Blenheims en kon enkel de brug te Veldwezelt licht beschadigen. De Fransen probeerden het vervolgens met LéObommenwerpers, maar die werden alle 13 neergehaald. De bruggen bleven intact.

Ondertussen werd in de nacht van 10 op 11 mei ten noorden van de vernielde spoorwegbrug te Maastricht een eerste brug geslagen zodat 's ochtends de Duitse pantsers konden oprukken naar de bruggehoofden om er een snelle zuiveringsoperatie door te voeren.

De versterkingen van het 51ste Pionierbataillon bereikten Eben-Emael pas op 11 mei om 6u00. Na de vertraging te Maastricht hadden zij ook moeilijkheden ondervonden bij het oversteken van het Albertkanaal door de actie van Blok Kanaal Noord. Met de hulp van de verse troepen werden alle bunkers systematisch in de diepte aangevallen. Om 12u30 gaven de verdedigers zich over. Kort daarna brak ook de 7de Infanteriedivisie op chaotische wijze de gevechten af. De snelle val van het fort Eben-Emael was niet alleen een overweldigend tactisch succes voor de Duitsers, maar ook een propagandistische en psychologische troef. Dat succes zou niet mogelijk zijn geweest zonder de aanwending van nieuwe, revolutionaire methodes en technieken. Het fort van Aubin-Neufchâteau, dat kleiner en zwakker was dan dat van Eben-Emael, maar dat door een infanteriedivisie op

[p. 53]

klassieke wijze werd aangevallen, hield stand tot 21 mei! Het was dan ook geen wonder dat de Duitsers verkozen die nieuwe technieken geheim te houden, zelfs voor hun bondgenoten. Toen tijdens de bezetting Italiaanse en Japanse officieren het fort van Eben-Emael bezochten, waren de door de holle ladingen veroorzaakte inslagen veiligheidshalve dichtgestreken en bijgeverfd om vervelende vragen te vermijden.

Over het precieze aantal slachtoffers van de strijd om het Albertkanaal bestaat nog onzekerheid. Er wordt van uitgegaan dat de 7de Infanteriedivisie 900 doden telde, terwijl 700 militairen krijgsgevangen werden gemaakt. De Belgen verloren te Veldwezelt 110 man, te Vroenhoven 147, te Kanne 216, en te Eben-Emael 24. Aan Duitse zijde bedroegen de verliezen hier respectievelijk 7, 7, 22 en 6 man. Uiteraard hadden ook de burgers van de omliggende dorpen erg te lijden van de gevechtsoperaties en bombardementen. Tientallen vonden de dood en de materiële schade was groot.

De terugtocht in de Ardennen

Terwijl ieders aandacht gericht was op de dramatische gebeurtenissen aan het Albertkanaal, rukte legergroep A op door de Ardennen. Zij stond onder het bevel van de 65-jarige kolonelgeneraal Gerd von Rundstedt en was met haar 45 ⅓ divisies de sterkste van de drie legergroepen die aan de invasie van West-Europa deelnamen. Maar de Belgische noch de geallieerde legerstaven beseften op dat ogenblik dat precies in de Ardennen de beslissing zou vallen. Essentieel in het Duitse aanvalsplan was de snelle bezetting van het neutrale en onverdedigde Groothertogdom Luxemburg. Aan de Frans-Luxemburgse grens lag immers het 3de Leger van generaal Condé dat het kleine vorstendom zou binnentrekken zodra Parijs zeker was van de Duitse inval. Op 10 mei omstreeks 1 uur 's morgens deden zich de eerste incidenten voor. Duitse inwoners van het Groothertogdom en leden van de Nazigezinde stootgroep Lützelburg overvielen enkele grenswachters aan de weg naar Trier. Bij het vernemen van deze onrustwekkende berichten sloten de Luxemburgse grensposten definitief de stalen hekkens. De commando's van de Luxemburgse 5de kolonne waren razend en reageerden hun woede af op een aantal militairen en rijkswachters aan de Duits-Luxemburgse grens. De groothertogelijke familie nam de wijk naar Frankrijk. Vanaf half vijf werden 126 Duitse infanteristen met Fieseler Storch-toestellen naar het grensgebied gevlogen. Deze lichte vliegtuigjes vervoerden telkens twee soldaten en waren uiterst geschikt voor landingen op moeilijk terrein. Paradroppingen waren niet mogelijk omdat alle Fallschirmjäger tegen de Vesting Holland en aan het Albertkanaal werden ingezet. In een mum van tijd overmeesterden de Duitse commando's de Luxemburgse grenswachters en stuurden ze naar huis. De Duitsers legden wegversperringen aan op de vijf wegen die Frankrijk met Luxemburg-stad verbonden en waarvan de twee belangrijkste liepen over Thionville-Frisingen en Longwy-Rodingen. Ondertussen bombardeerde de Luftwaffe verscheidene Franse vliegvelden. Maar de geallieerde luchtmacht reageerde onmiddellijk en de schade bleef beperkt tot een dertiental vernielde Morane-jagers die op het vliegveld van Kamerijk stonden opgesteld. Zenuwachtige Duitse piloten bombardeerden zelfs de stad Freiburg im Breisgau waarbij meer dan 60 doden vielen. Propagandaminister Joseph Goebbels greep dit feit aan om de Geallieerden van luchtterrorisme te beschuldigen. Het was slechts een van de vele goed gedirigeerde leugens die Goebbels de wereld instuurde. Maar de Fransen, in hun bezorgdheid om niet als eersten de grens van een neutraal land te schenden, waren voor een fait accompli gesteld.

De cavalerie-eenheden van het 3de Leger die de 10de mei omstreeks 7 u 30 over de Luxemburgse grens trokken, stuitten op fel verzet van de Duitse commando's die zich her en der in hinderlaag hadden gelegd. Ook de verdedigde wegversperringen zorgden voor heel wat moeilijkheden. Daarbij kregen de commando's versterking van de gemotoriseerde voorhoede van het 16de Leger (generaal Ernst Busch) dat sinds 4 u 30 door het Groothertogdom trok. In Eschan-Alzette ontstonden er straatgevechten. Aanvankelijk konden beide tegenstanders het geweervuur niet lokaliseren zodat er even gedacht werd aan Luxemburgse vrijschutters. Gelukkig voor de bevolking bleven represailles uit. Verscheidene detachementen Spahi's (Noordafrikaanse ruiters) slaagden erin tot dicht bij de

[p. 54]

hoofdstad door te stoten. Een eskadron van het 6de Algerijnse Spahi's nam zelfs een generaal gevangen die geheime documenten bij zich had. De generaal zou echter kort nadien door een mitrailleurploeg bevrijd worden zonder dat de Fransen de documenten hadden gevonden. Ondanks die enkele lokale successen besliste het Franse opperbevel 's avonds om zich defensief op te stellen. Op een halve dag tijd was Luxemburg in Duitse handen gevallen!

In Zuid-België werden de Groepering K (1ste Divisie Ardense Jagers en regimenten van de 1ste Cavaleriedivisie) alsook het 3de Legercorps in Luik kort na middernacht op de hoogte gebracht van een nakende Duitse aanval. Rond Gemmenich waarschuwden Duitse soldaten hun Belgische collega's dat het binnen enkele uren oorlog zou zijn. Elders kon de ongewone drukte in het Duitse kamp gehoord worden aan het klaroengeschal, het geluid van rollend materieel en het hoefgetrappel van paarden. Als gevolg van verontrustende berichten uit het Groothertogdom, begonnen onder andere de Ardense jagers vanaf 3 u 45 vernielingen uit te voeren aan de grens met Duitsland en Luxemburg. Er werden bomen omgehakt en alle bruggen - tussen Sankt-Vith en Athus alleen al waren er dat 91 - gingen de lucht in. Enkel in Butgenbach bleven de viaduct en de stuwdam intact. Daar werden de verantwoordelijke officier en zijn manschappen overmeesterd door commando's, alvorens zij het ontstekingsmechanisme in werking hadden kunnen stellen. Het ging om leden van het Heimattreue Front, mannen uit de Oostkantons die in Duitsland een speciale opleiding hadden gekregen en ingelijfd werden bij het Brandenburger-regiment. Over hun Duitse legeruniform droegen zij vaak een burgerjas, om niet onmiddellijk door de Belgen herkend te worden. Ook op verscheidene andere plaatsen voerden dergelijke commando's raids uit, bijvoorbeeld te Sankt-Vith waar twee rijkswachters gedood en zeven andere gewond werden. Voor de andere eenheden was het afwachten ... tot om 5 uur het bericht binnenliep dat Duitse soldaten in de provincie Luxemburg met vliegtuigen aan de grond waren gezet. Het ging om eenheden van het regiment Gross Deutschland die, net als in het Groothertogdom de weg moesten vrijmaken voor het gros van het leger (operatie NIWI). Aanvankelijk hadden de Duitsers problemen met het vinden van de juiste landingszones maar de fout werd snel hersteld en twee uur later bevonden er zich telkens twee pelotons in Witry, Léglise en Nives, achter de Belgische linies. Ondertussen werden ook op verschillende plaatsen pamfletten en ledepoppen afgeworpen. De Lehmänner moesten de indruk geven dat er parachutisten waren ingezet en de Belgen maakten er dan ook ijverig jacht op, wat veel tijd en energie kostte. Van een luchtverdediging was geen sprake en de twee luchtafweerbatterijen die zich in de Ardennen bevonden, moesten zich na het eerste alarm ten noorden van de Maas begeven.

Ondanks de aanvankelijke verwarring slaagde de Groepering K erin zich in goede orde terug te trekken. Die terugtocht werd gemarkeerd door verdere vernielingen. Er waren slechts enkele schermutselingen geweest met de voorhoede van de pantserdivisies, ondermeer te Strainchamps en Martelange. Sommige eenheden van de lste Divisie Ardense Jagers hadden het terugtochtbevel echter niet ontvangen omdat de Duitsers de telefoonlijnen hadden doorgeknipt. Zo bleven 60 Jagers van het lste regiment te Bodange hardnekkig weerstand bieden tegen elementen van de lste Pantserdivisie. Daarbij werden de energieke kapitein-commandant Maurice Bricart en verscheidene van zijn manschappen gedood of gewond. De Duitsers zouden tussen 75 en 100 doden tellen. Door een gebrek aan munitie trokken de overlevenden zich omstreeks 18 uur terug maar ze werden de pas afgesneden door de soldaten die in Witry aan de grond waren gezet. Vele Jagers werden gevangen genomen maar de Duitse pantsers hadden meer dan zes uur vertraging opgelopen. Hetzelfde deed zich voor in Chabrehez waar twee pelotons en een mitrailleursectie de voorhoede van de 7de Pantserdivisie drie uur lang ophielden. De Duitsers zetten ook een viertal pantsers in maar die liepen vast in de moerassige gronden rond het dorp. De tegenstand van de Belgische soldaten was zo hevig dat de Duitsers dachten op een heuse weerstandsstelling te zijn gestoten. Als gevolg van dit oponthoud zou generaal Erwin Rommel de dag nadien een versnelde opmars bevelen, wat hem een vermaning van het OKW opleverde. Een handvol soldaten, die enkel beschikten over hun infanterie-uitrusting, was erin ge-

[p. 55]



illustratie

1




illustratie
2




illustratie
3




illustratie
4




illustratie
5
(1) Duitse tanks in Hotton aan de Ourthe. (2) Rommels soldaten in Dinant. (3) Een antitankkanon beschermt infanteristen die met vlotten de Maas oversteken. (4) Heinz Guderian, de tankspecialist. (5) Bij de gevechten in de Ardennen werden vele Franse soldaten krijgsgevangen gemaakt (op de voorgrond enkele Aziaten, hoogstwaarschijnlijk uit Indochina).


[p. 56]

Het sluipende gevaar
Vijfde-kolonnefobie, spionitis en parachutistenkoorts

In de loop van de jaren dertig bezorgde niet alleen de toenemende bedreiging uit het buitenland de Belgische regering kopzorgen, ook het sluipende gevaar binnen de eigen grenzen was een ernstig probleem. De op buitenlandse ideologieën georiënteerde en vaak staatsvijandige politieke opties van een aantal landgenoten en het groeiende aantal vreemdelingen van uiteenlopende strekkingen werden beschouwd als een voedingsbodem voor een vijfde kolonne, een potentiële bedreiging in de rug van het Belgische leger.
Er bestond vooral wantrouwen tegenover de organisaties van de Nieuwe Orde zoals VNV, Verdinaso en Rex. Die dweepten vaak openlijk met het fascisme, het nationaal-socialisme en Duitsland. De toestand werd nog ingewikkelder toen op 23 augustus 1939 Duitsland en Rusland een niet-aanvalsverdrag sloten. Voortaan moesten daardoor, tot ieders verbazing en ongeloof, communisten en aanhangers van de Nieuwe Orde als elkaars bondgenoten worden beschouwd.
Ook de talrijke buitenlandse vluchtelingen vormden een delicaat probleem. Zij trachtten de zich steeds verder uitbreidende macht van Hitler en Mussolini te ontlopen en werden vooral aangetrokken door neutrale landen zoals België. In de jaren twintig waren er reeds heel wat Italiaanse sociaal-democraten en communisten aangekomen na de machtsovername door Mussolini. In 1938 dreven de Oostenrijkse Anschluss en de Duitse Kristallnacht duizenden joden naar België. Met de ontbinding van de Tsjechische staat en de nederlaag van de Spaanse republikeinen tegen Franco stroomden in 1939 opnieuw duizenden vluchtelingen toe. In 1938 verbleven er 340,000 vreemdelingen in België, dat aantal zou in de daaropvolgende periode nog aanzienlijk stijgen. De staatsveiligheid was ervan overtuigd dat zich onder deze politieke vluchtelingen agenten en spionnen van buitenlandse mogendheden bevonden.
Een andere netellge kwestie werd gevormd door de bewoners van de na de Eerste Wereldoorlog bij België gevoegde Oostkantons. Voor de meesten onder hen bleef België immers een vreemd land dat hen was opgedrongen. Velen waren trouwens lid van het pro-Duitse Heimattreue Front. Het wantrouwen was zodanig groot dat zij in het leger soms zelfs geen wapens mochten dragen.
Een tijdens de Eerste Wereldoorlog tot stand gekomen wetgeving gaf de regering de mogelijkheid om in oorlogstijd de persoonlijke rechten en vrijheden van de burgers op te schorten. De besluitwetten van 11 oktober 1916 en 12 oktober 1918 gaven de regering de bevoegdheid huiszoekingen toe te laten, perscensuur in te stellen, en de aanhouding te bevelen van Belgen en vreemdelingen die voor de vijand werkten. Minister van Landsverdediging generaal Denis werd te zeer in beslag genomen door de militaire aangelegenheden om zich ook nog te bekommeren om de administratieve veiligheidsmaatregelen. Zijn liberale collega, minister van Justitie Paul-Emile Janson werd belast met die verantwoordelijkheid. Janson liet op 22 maart 1940 de ‘Wet betreffende de verdediging van de nationale instellingen’ afkondigen. Die bepaalde dat zolang het Belgische leger niet op vredesvoet werd teruggebracht de krijgsrechtbanken gevangenisstraffen en geldboetes konden uitspreken voor een duidelijk afgebakende reeks misdrijven. De oorlogstoestand was ingegaan vanaf het mobillsatlebevel van. 26 augustus 1939. Als misdrijf werd beschouwd het stichten, lid zijn van, of propaganda voeren voor een organisatie die de vernietiging nastreefde van de Belgische onafhankelijkheid, alsook het samenwerken met een buitenlandse mogendheid of organisatie met de bedoeling de vitale belangen van het land te schaden. Alle delicten tegen de veiligheid van de staat ressorteerden voortaan onder de bevoegdheid van het militaire gerecht. De procureur des Konings Walter Ganshof van der Meersch werd aangesteld als auditeur-generaal op 10 april 1940.
Minister Janson richtte ook een Coördinatie-comité op dat de taken van de burgerlijke en militaire parketten moest bepalen. Dat comité gaf op 16 april 1940, nog geen vier weken vóór de Duitse inval, de opdracht lijsten samen te stellen van Belgen en vreemdelingen die als verdacht werden beschouwd. Die lijsten werden dan ook hals over kop voorbereid en verkeerden op het ogenblik dat het conflict uitbrak in een nog zeer gebrekkige toestand. Toen de Duitse troepen op 10 mei 1940 België binnenvieien gaf Janson, na overleg te hebben gepleegd met premier Pierlot, rond 4u 's morgens de opdracht om onmiddellijk over te gaan tot het aanhouden van alle Belgen en vreemdelingen die op de verdachtenlijsten stonden. Zij dienden te worden opgesloten in strafinrichtingen of andere instellingen die konden bewaakt worden. Zo werden reeds op 10 mei en de daaropvolgende dagen duizenden mensen gearresteerd: communisten, joden, Duitse en Oostenrijkse anti-nazi's, Italiaanse antifascisten, inwoners van de Oostkantons, VNV-ers, rexisten, dinaso's, enz. De situatie was al vlug niet meer onder controle. De verrassing van de inval, de berichten over de ongelooflijke successen van de Duitse aanvallen op de bruggen van het Albertkanaal en het fort van Eben-Emael, en de haveloze stroom vluchtelingen uit het oosten van het land veroorzaakten een immense angstpsychose bij de bevolking. Radioberichten die waarschuwden voor spionnen en parachutisten waren olie op het vuur. Rijkswacht, politie en leger verspilden kostbare tijd en energie met het nagaan van ontelbare berichten over ‘verdachte’ activiteiten. Hier en daar werden zelfs tanks uitgestuurd. In de meeste gevallen ging het echter om goedbedoelde maar valse berichten. In die omstandigheden werden nog meer aanhoudingen verricht, vaak op de meest willekeurige manier. Mensen die een vreemde taal of een onbekend dialect spraken werden er het slachtoffer van, maar ook kloosterlingen, doofstommen en geesteszieken. Sommigen koelden hun wraak op hun persoonlijke vijanden door hen te laten arresteren.
Alsof dat alles nog niet voldoende was gingen ook de Engelsen en vooral de Fransen over tot arrestaties in hun opmarsgebieden door België. Zij beschikten eveneens over lijsten van verdachten. In sommige gevallen schoten

[p. 57]

zij zelfs verdachten neer zonder enige vorm van proces. Het is onmogelijk te weten te komen hoeveel mensen juist in België gearresteerd werden tijdens de meidagen. Schattingen variëren van vierduizend tot twaalfduizend (in Nederland waren het er ongeveer 10.000). In de gevangenis van Brugge alleen al werden van 10 tot 26 mei 552 verdachten opgesloten waaronder 279 buitenlanders. Het lot van de verdachten was beklagenswaardig. Zij hadden geen waarborg inzake ondervraging, rechtsbijstand of aanhoudingsduur. Vaak werden zij uitermate slecht behandeld. Twee tot drieduizend verdachten werden naar Frankrijk gedeporteerd. Daar werden zij zonder instructies door de Belgische overheid overgedragen aan Franse bewakers. Die waren allesbehalve zachtzinnig omdat zij meenden te doen te hebben met gevaarlijke elementen in plaats van eenvoudige verdachten.
In het Franse Abbeville liep de situatie helemaal uit de hand en werd een waar bloedbad aangericht onder 78 uit België weggevoerde personen. Die waren op 15 mei vanuit de gevangenis van Brugge naar Frankrijk getransporteerd. In Abbeville werden ze opgesloten in de kelder van een muziekkiosk. De groep was zeer heterogeen. Zij bestond voor drie vierde uit buitenlanders, waaronder talrijke gevluchte Duitse joden en italiaanse antifascisten. Onder de landgenoten bevonden zich zowel communisten als aanhangers van de Nieuwe Orde. Op 20 mei werden 21 gedeporteerden door Franse militairen doodgeschoten. Eén van de slachtoffers was Joris Van Severen, de leider van het Verdinaso. Onderzoek heeft intussen uitgewezen dat er zich in de groep inderdaad enkele spionnen en agenten van de Duitse Abwehr bevonden. De overgrote meerderheid had zich echter niet schuldig gemaakt aan de staatsgevaarlijke activiteiten die hen ten laste werden gelegd. Sommigen onder hen waren zelfs gewoon vreemdelingen zonder verblijfsvergunning, mensen die per vergissing waren gearresteerd of geesteszieken.
De hysterie van mei '40 had helder en sereen denken onmogelijk gemaakt.

slaagd om twee divisies verscheidene uren in bedwang te houden. Militair gezien een puike prestatie die tevens aantoont welke moeilijkheden de Duitsers zouden ondervonden hebben indien de ganse Groepering K op een dergelijke wijze van de terreinmogelijkheden had gebruik gemaakt. In november 1944 zouden de Duitsers trouwens een gelijkaardige tactiek toepassen in het bos van Hürtgen (ten zuiden van Aken) en de Amerikanen zware verliezen toebrengen.

Met het Franse 2de en 9de Leger die omstreeks 7u30 Zuid-België binnentrokken, was er niet de minste samenwerking. De Waalse bevolking juichte haar redders toe, er werden bloemen gestrooid en de meisjes omhelsden de soldaten, maar bij de Fransen liet het beeld van de terugtrekkende Belgen een wrange smaak na. Eenheden van de lichte cavaleriedivisies, de zogenaamde opsporings- en veiligheidsdetachementen, staken de Maas en de Semois over. De talrijke vernielingen, door de Groepering K uitgevoerd, bezorgden de oprukkende troepen heel wat moeilijkheden. Op verscheidene plaatsen moesten Franse eenheden een omweg maken omdat de bruggen waren opgeblazen of het opruimen van versperringen teveel tijd in beslag nam. En tijd is nu eenmaal een belangrijke factor bij een Blitzkrieg! Enkele malen kwam het tot incidenten, zoals te Laroche waar een majoor van de Ardense Jagers door Franse officieren bedreigd werd nadat hij zijn motorrijdersbataljon het bevel gegeven had zich terug te trekken. Dergelijke incidenten waren soms ook het gevolg van de aanmatigende houding van Franse officieren die de Belgische troepen als een soort vooruitgeschoven hulpleger beschouwden. Toch was de terugtocht niet geïnspireerd door een nationaal egoïsme waarbij men de garanten voor België wilde laten vechten. Het opperbevel vreesde echter dat samenwerking tot een escalatie zou leiden en het Belgische leger buiten de landsgrenzen zou brengen. Was België in 1923 immers niet meegesleurd door Frankrijk om deel te nemen aan de bezetting van het Ruhrgebied? Bovendien gaf niemand er zich op 10 mei rekenschap van dat de Duitse hoofdkrachtinspanning door Zuid-België liep. Aldus primeerde reeds vanaf de eerste dag de doctrine-Galet (generaal Galet zelf was liaisonofficier bij de Fransen). Het was de militaire vertaling van de Onafhankelijkheidspolitiek die tijdens de 18-daagse Veldtocht haar meest eminente verdediger vond in de persoon van koning Leopold.

Terwijl de Belgen zich in noordelijke en noordwestelijke richting terugtrokken, ontplooide de hoofdmacht van het 2de Leger (Huntziger) zich tussen het Groothertogdom en de Maas. Het 9de Leger (Corap) rukte verder op tot de lijn Givet-Namen. Maar de Duitsers kenden de Franse

[p. 58]

plannen door documenten van een krijgsgevangen officier. In de vroege morgen van 11 mei kregen drie lichte cavaleriebrigades van Huntziger contact met het 19de Pantsercorps van generaal Guderian. Er werd een tijdlang gevochten te Neufchâteau, Suxy en Libramont maar de Fransen moesten het afleggen tegen de numeriek sterkere en beter bewapende Duitsers. Deze acties met zwak uitgeruste troepen hadden totaal geen nut en leverden enkel verlies aan manschappen en materieel op. Nog tot 16 mei zouden in de Ardennen Franse cavaleristen gevangen genomen worden, die tevergeefs op zoek waren geweest naar hun regiment! Tegen de avond van 11 mei kwam het bevel tot de algemene terugtocht achter de Maas. Dit veroorzaakte ongenoegen bij het 9de Leger waar de druk van het 15de Pantsercorps (Hermann Hoth) verminderd was. Naast de talrijke verkeersopstoppingen waarmee de Duitsers te kampen hadden, was er immers het formele verbod van het OKW om de Maas te overschrijden. De reden hiervan was dat de Fransen zo lang mogelijk in het ongewisse moesten worden gelaten omtrent de exacte Duitse plannen. En die plannen stelden de Blitzdoorbraak van Guderian in Sedan als prioriteit! In de namiddag van 12 mei was de terugtocht in de Ardennen grotendeels voltooid; hierbij hadden de gemechaniseerde eenheden de ruiterij dekking gegeven. Het 9de Leger hield de lijn Namen-Givet-Donchéry. Het 2de Leger stelde zich op aan de Franse Maas van Donchéry tot Longyon. Hier zouden de volgende 48 uur gevechten geleverd worden die van doorslaggevende betekenis waren voor de rest van de krijgsverrichtingen in België en Noord-Frankrijk.

Onder druk van de omstandigheden kwamen op 12 mei in de namiddag hoge vertegenwoordigers van de Belgische en geallieerde legers samen te Casteau bij Mons. Voor België waren de koning en zijn militaire adviseur, generaal Van Overstraeten, aanwezig. De generaals Georges en Billotte vertegenwoordigden het Franse opperbevel; minister Daladier kwam in naam van de regering Reynaud. Generaal sir Henry Pownall sprak voor lord Gort. Eerst zette Van Overstraeten de situatie van het Belgische leger uiteen, waarbij hij onder andere wees op het belang van de destructiewerken in de provincies Luik en Luxemburg. Vervolgens sprak Billotte over de moeilijkheden die het Cavaleriecorps in Haspengouw ondervond vanwege de grote stromen vluchtelingen en de vijandelijke luchtmacht. Hij drong ook aan op steun van Belgische cavalerie-eenheden om de linkerflank van dit corps te beschermen, dat reeds door de Duitsers was aangeklampt. Bij de Britten bleek alles te verlopen zoals gepland. Allen waren het eens over de uitermate belangrijke rol van de luchtmacht. De succesvolle Blitzacties van de Luftwaffe, ondermeer aan het Albertkanaal, staken schril af tegen het vaak in gebreke blijven van de Geallieerden. Minister Daladier noteerde dan ook dat er snel diende werk gemaakt te worden van de assemblage van nieuwe vliegtuigen in Marokko. Tevens zou hij bij Washington aandringen om de leveringen van Amerikaanse toestellen (vooral Curtiss Hawk-jagers) te versnellen. Maar los van dit kwantitatieve aspect vormde de geallieerde luchttactiek geen punt van discussie en werd er niet aan gedacht om net als de Duitsers geconcentreerde jageren bommenwerperformaties in te zetten. Nadat generaal Georges het woord had genomen werd overeengekomen dat er ‘à fond’ slag zou geleverd worden op de stelling Antwerpen-Namen. En Billotte kreeg de bevoegdheid om net zoals maarschalk Foch in de Eerste Wereldoorlog, alle operaties in België te coördineren. Strikt militair werd het Belgische leger zo een onderdeel van de geallieerde strijdmacht en was Leopold III hiërarchisch ondergeschikt aan de Franse generaal. Maar voor het overige bleef de koning Frankrijk en Engeland beschouwen als ‘garanten’. Daarbij kwam alleen het Belgische 7de Legercorps in Namen onder rechtstreeks Frans bevel. In de praktijk zou de gecoördineerde bevelsstructuur echter vaak te wensen overlaten omdat het ging om een ‘bevelvoering door overreding’ en het hoofdkwartier van Billotte niet tegen zijn enorme taak was opgewassen. Ook werkten de verbindingen slecht, terwijl die zeker in een bliksemoorlog behoorlijk hadden moeten functioneren (reeds in 1815 was de slechte liaison tussen Napoleon en maarschalk Grouchy een van de belangrijkste oorzaken van de nederlaag in Waterloo!). Bij het verlaten van de conferentie deelde de koning aan Van Overstraeten mee dat volgens hem het vertrouwen van de Geallieerden in de overwinning beperkt was.

[p. 59]



illustratie

1




illustratie

2




illustratie

3




illustratie

4




illustratie

5




illustratie

6




illustratie

7
(1-2) Belgische kranten over de Duitse inval. (3-7) De bombardementen richtten zware verwoestingen aan. (6) In lange. slierten trokken de vluchtelingen westwaarts.


[p. 60]

Naar de KW-Stelling

De Duitse doorbraak rond Eben-Emael had de ganse verdediging aan het Albertkanaal ontwricht. Het was tevens een zware psychologische schok voor het Belgische leger. Men had immers gehoopt om net als in 1914 voor langere tijd te kunnen standhouden. Ook de brutaliteit en de snelheid waarmee de Duitsers waren opgetreden, sloeg soldaten en burgers met verbijstering. De 7de Infanteriedivisie had praktisch opgehouden te bestaan. Vele soldaten die van het Albertkanaal terugkeerden hadden een shellshock of waren krankzinnig van angst. De eenheid werd dan ook uit de strijd teruggetrokken en later voor reorganisatie naar Frankrijk gezonden. Voor de andere divisies bepaalde het Algemeen Hoofdkwartier in Breendonk op 11 mei de terugtocht naar de stelling Antwerpen-Namen, beter bekend als de KW-linie, omdat zij slechts behoorlijk was uitgebouwd tussen Koningshooikt en Waver. In Zuidoost-Limburg probeerde de commandant van het 1ste Legercorps nog een verdedigingsstelling op te werpen die liep van Münsterbilzen over Tongeren naar de bovenvallei van de Jeker. Maar het samenraapsel van troepen werd snel uiteengeslagen door de 4de Pantserdivisie die op 11 mei omstreeks 8u30 voor Tongeren opdaagde. Gelukkig voor de Belgen zetten de Duitsers de achtervolging niet in. Hun opdracht was immers niet om de verdediging aan het Albertkanaal verder op te rollen, maar wel om zo snel mogelijk aan te klampen bij het Franse 1ste Leger in de streek van Gembloers. Dit verklaart ook waarom het terugtrekkende Belgische leger tussen 11 en 13 mei meestal weinig hinder zou ondervinden.

In sommige divisies verliep de terugtocht nogal chaotisch, hoewel zij nog niet met de Duitsers in aanraking waren geweest. Zo werd de 4de Infanteriedivisie qua uitrusting gereduceerd tot de sterkte van een regiment. Vele manschappen en sommige officieren raakten onmiddellijk in paniek en sloegen op de vlucht, een groot deel van hun materieel achterlatend. De bevelhebber van het 2de bataljon van het 7de Linie zou zelfs het voorbeeld gegeven hebben door te roepen: ‘Mannen, de Duitsers zijn daar! Alleman op de vlucht en goeie moed!’ De 4de Infanteriedivisie waarvan naast het 7de Linie ook nog het 11de en 15de Linie deel uitmaakten, gaf trouwens reeds tijdens de mobilisatie blijk van een verregaande tuchteloosheid en zou in de loop van de veldtocht herhaaldelijk voor problemen zorgen. Ook bij het 3de Legercorps (2de en 3de Infanteriedivisie) dat ten zuidoosten van de stad Luik lag, ging de terugtocht met veel wanorde gepaard. De 2de Infanteriedivisie verloor zelfs twee derde van haar zware wapens nadat de treinen in Ans, Landen en Tienen door Stuka's waren gebombardeerd. Gelijkaardige gebeurtenissen deden zich voor in de 3de Infanteriedivisie. En de corpsartillerie zat gedeeltelijk geblokkeerd doordat vele stukrijders nog niet uit verlof waren teruggekeerd. Toch slaagden de meeste soldaten erin veilig de KW-stelling te bereiken omdat de Duitsers ten noorden van Luik - en dit was uitzonderlijk - niet in dichte kolonnes maar in waaiervorm oprukten. De talrijke berichten over de snelle Duitse opmars en de vernietiging van een ganse divisie waren zeker niet van aard om de moed erin te houden. Vlaamse nationalisten, leden van Staf De Clercq's Militaire Organisatie (MO), zouden zelfs bewust defaitistische propaganda verspreiden en hun kameraden aanzetten de wapens weg te gooien. Bij het 1ste Karabiniers sloegen soldaten op de vlucht maar zij werden in Klein-Vorst tegengehouden door een vastberaden soldaat van het 2de Gidsen. Sommige karabiniers sleepten zich wenend tot bij kolonel Jules Deboeck, de commandant van het 2de Gidsen, en smeekten hem om terug te mogen vertrekken. Maar in plaats daarvan werden de karabiniers weer verzameld en onder bedreiging van mitrailleurs in een boomgaard opgesteld. Ook bij eenheden van het 1ste Grenadiers, traditioneel het regiment waar de kroonprinsen dienst deden, ontstond paniek. Als gevolg van de snelle aftocht bleef ook de ravitaillering vaak in gebreke; in Halen en Tongerlo gaven Belgische soldaten zich zelfs over aan plunderingen en braspartijen.

Terwijl het grootste deel van het leger westwaarts trok, leverden Belgische en Franse eenheden achterhoedegevechten op de zogenaamde dekkingsstelling en de tussenstelling. De eerste omvatte de Kempische kanalen, de tweede de lijn Genenbos- Lummen die in het zuiden over de Gete en de Mehaigne tot aan de Maas liep. In de Antwerpse Kempen bleef de druk re-

[p. 61]

latief gering, hoewel de posities aan het kanaal Dessel-Kwaadmechelen slechts behouden konden blijven door de tussenkomst van Franse Hotchkiss-tanks. Deze behoorden tot de 1ste Lichte Gemechaniseerde Divisie van het 7de Leger en waren naar het kanaal gezonden - dat vroegtijdig door de Belgen verlaten was - omdat generaal Giraud zijn rechtervleugel wilde ontplooien in het noorden van de provincie Antwerpen. Om die reden was Giraud op 11 mei ook naar Breendonk gegaan, waar hij tijdelijk het bevel over de Belgische 18de Infanteriedivisie kreeg. Deze divisie die slechts vier bataljons, twee wielrijdersgroepen en drie artilleriebatterijen telde, moest standhouden totdat alle Franse eenheden waren toegekomen. Afgezien van enkele schermutselingen, ondermeer rond Retie en Arendonk, werd de 18de Infanteriedivisie ongemoeid gelaten. De 13de mei omstreeks 14 uur kreeg zij het bevel zich naar de KW-stelling te begeven, wat probleemloos verliep, behalve in Turnhout waar een bataljon van het 3de Karabiniers werd aangeklampt. Op dat ogenblik trok het Nederlandse leger zich terug achter de grote rivieren en had de aanwezigheid van het 7de Leger geen nut meer. Tussen Halen en Tienen wisten drie Belgische cavalerieregimenten op 13 mei enkele lokale successen te behalen (1ste Gidsen te Halen, 2de Karabiniers-Wielrijders te Geetbets, 2de Jagers te Paard samen met het Franse 12de Kurassiers te Goetsenhoven). En aan de Winterbeek ten noordoosten van Diest maakte het 2de Gidsen zelfs enkele krijgsgevangenen, waaronder een officier. In de 14de Infanteriedivisie, die de lijn Lummen-Halen hield en deels de vroegere stellingen van de 6de Infanteriedivisie innam, brak er echter paniek uit. Vele manschappen sloegen op de vlucht en grote hoeveelheden wapens en munitie werden achtergelaten zodat de divisie op 13 mei nauwelijks nog enige gevechtswaarde had. De belangrijkste gebeurtenissen speelden zich evenwel af rond Hannuit, waar Franse en Duitse pantsers de eerste tank-tegen-tankslag van de oorlog uitvochten.

Vanaf 12 mei in de voormiddag begon de 4de Pantserdivisie de Franse verdediging in Waals Haspengouw af te tasten. In Crehen stootten de Duitsers op zulk een felle tegenstand dat ze dachten met een echte weerstandstelling te doen te hebben en trokken zich terug. Maar het eskadron dat het dorp verdedigde had wel 11 van zijn 20 Hotchkiss verloren en de bevelvoerende officier was gedood. Ook in Thisnes maakten de pantsers rechtsomkeer, omdat de fuseliers niet snel genoeg volgden. Het voertuig van de regimentscommandant dat Thisnes was binnengedrongen, werd door een Somua vernietigd. De eigenlijke tankslag begon de 13de mei in de vroege ochtend. Twee pantsercorpsen stonden tegenover elkaar. Aan Franse zijde was er het Cavaleriecorps (2de en 3de Lichte Gemechaniseerde Divisie), waarvan de tradities teruggingen tot de Napoleontische periode, uitgerust met 87 lichte Hotchkiss en 87 middelzware Somua per divisie. Daarnaast beschikte elke divisie over een verkenningsregiment en een regiment vervoerde dragonders en had generaal Prioux allerhande versterkingen gekregen van het 1ste Leger. De sterkte van de 3de Divisie werd bovendien nog opgevoerd doordat haar 11de Vervoerde Dragonders met Hotchkiss in plaats van met mitrailleurauto's was uitgerust. Numeriek waren de Duitsers duidelijk in de meerderheid. Zo beschikte het 16de Pantsercorps (3de en 4de Pantserdivisie) van generaal Hoeppner over 324 pantsers per divisie, waaronder 74 zware PzKpfw III en IV. Per divisie waren er ook 3 à 4 bataljons Panzergrenadiere. Omstreeks 5u30 zetten 30 Franse tanks de aanval in maar voor Crehen werden zij onthaald op een geconcentreerd vuur van de geduchte 88 mm luchtafweer. De Fransen drongen niet verder aan en de toestand bleef voorlopig stabiel. Meer westwaarts begonnen de Duitsers omstreeks 11 uur met vrijwel geheel hun pantsermassa de Fransen in Jandrain, Merdorp en Orple-Grand te omsingelen. De Somua en Hotchkiss die goed verdekt stonden opgesteld, beten flink van zich af en kregen voortdurend artilleriesteun. Maar uiteindelijk zwichtten de Fransen voor de machtige geconcentreerde aanvallen. Rond 15 uur gaf generaal Prioux zijn corps het bevel tot de aftocht. Terwijl ze achteruit trokken, kregen de tanks het nog zwaar te verduren van de Luftwaffe die in de late namiddag boven het front was verschenen. Tegen de avond bereikten de Fransen de KW-lijn waar ze stelling namen achter Cointet-versperringen. Daarop verliet de Belgische Groepering K de streek van Perwez die ze het grootste deel van de dag bezet had. Er vielen toen verscheidene

[p. 62]

doden door mijnontploffingen omdat de Senegalese sappeurs de Belgen niet van hun activiteiten op de hoogte hadden gebracht. Een bewijs dat ook na Casteau de coördinatie alles behalve feilloos verliep!

De tankslag in Haspengouw had duidelijk de superioriteit van de Blitzkrieg-tactiek aangetoond. Steeds opereerden de Duitse pantsers en masse en schakelden zo achtereenvolgens de geïsoleerde weerstandnesten en kleine groepjes Franse tanks uit. Anders dan de Fransen beschikten de Duitsers over goede radioverbindingen en kon elke commandant onmiddellijk vuur- en luchtsteun vragen. Zo vormden tanks, luchtmacht, artillerie en infanterie (speciaal getrainde pantsergrenadiers) een vlot samenwerkend geheel. Daarbij hadden vele Duitse tankisten reeds ervaring opgedaan tijdens de Spaanse Burgeroorlog, de geweldloze bezetting van Tsjechoslovakije en Oostenrijk en de veldtocht in Polen. Nochtans waren de Franse tanks kwalitatief gezien zeker niet de mindere. De stevige bepantsering (40 mm) en de uitstekende bewapening (47 mm kanon) maakten van de Somua een geduchte tegenstander. En ook de Hotchkiss, de standaard char d'assaut, moest niet onderdoen voor de Duitse lichte pantsers, die in 1940 het grootste deel van de tien Panzerdivisionen vormden. Belangrijke tekortkomingen waren wel de beperkte actieradius en de eenmanstoren waardoor verschillende taken (bevelvoering, observatie, laden en schieten) door dezelfde persoon moesten uitgevoerd worden. Maar het waren niet deze mankementen die de doorslag gaven, wel de verouderde opvattingen van de Franse legerleiding voor wie de tank een infanterie-steunwapen bleef. Zo was de Duitse overwinning in Haspengouw evenzeer te danken aan de tactische fouten van de tegenstander als aan de inzet van de bemanningen en de ondernemingsgeest van hun aanvoerders. De gevechten van 12 en 13 mei hadden het Cavaleriecorps praktisch uitgeschakeld. Ook de Duitsers leden zware verliezen. Rond Merdorp werden bij de 4de Pantserdivisie meer dan 160 pantservoertuigen buiten gevecht gesteld. Na de slag zouden de resterende tanks van Prioux over verschillende eenheden van het 1ste Leger verspreid worden. Nochtans had de ontbinding van deze twee kostbare divisies kunnen vermeden worden, indien in Haspengouw verkenningseenheden waren ingezet, flink uitgerust met anti-tankkanonnen. En daarvan bezaten de Fransen er meer dan 7.000! Het elitecorps had dan kunnen overgeplaatst worden naar Sedan waar het samen met andere gepantserde eenheden tegen Guderians divisies kon worden ingezet. Paradoxaal genoeg was dit Gamelins aanvankelijke bedoeling maar nog vooraleer een definitieve beslissing genomen werd, waren de Somua en Hotchkiss al urenlang in gevecht. Niettemin hadden de tanks van Prioux het 1ste Leger de nodige tijd gegeven om zijn posities verder uit te bouwen. Anderzijds sterkte deze tankslag generallissimus Gamelin in zijn overtuiging dat de Duitse hoofdkrachtinspanning ten noorden van de Maas lag. Meer bepaald op de waterscheidingslijn, tussen het Scheldebekken en het Maasbekken. En dit speelde dan weer in de kaart van het Duitse opperbevel.

De achterhoedegevechten die Belgische en Franse eenheden leverden, waren over het algemeen bevredigend. Maar het Duitse opdringen ten noorden van de Maas was hoe dan ook meestal niet erg groot. Dit zou trouwens rampzalig geweest zijn omdat verscheidene Belgische divisies hun stellingen aan het Albertkanaal te snel verlaten hadden. Tegen de avond van 13 mei hadden de Belgische en geallieerde legers stevig post gevat op de KW-lijn. Het Belgische leger stond met acht divisies in eerste lijn opgesteld tussen Antwerpen en Leuven. Van Leuven tot Waver zaten de Britten, rechts geflankeerd door het Franse 1ste Leger. De beide ‘sluitstukken’, estuarium van de Schelde en Namen, werden respectievelijk verdedigd door het Franse 7de Leger en de Belgen (7de Legercorps en forten). Waarschijnlijk zouden de Duitse eenheden hun tanden stuk gebeten hebben op deze stevige stelling, ware het niet dat Legergroep A ten zuiden van de Maas begonnen was met de overrompeling van het 2de en 9de Leger.

De doorbraak

Sinds 10 mei trok Legergroep A, met de zeven pantserdivisies op kop, door de Belgische Ardennen. De Duitsers hadden daarbij slechts lichte tegenstand ondervonden van Belgische en Franse eenheden, die meestal reeds na een

[p. 63]

korte gevechtsaanraking de aftocht bliezen. De taak van de Belgen, zoals bepaald vóór de invasie, beperkte zich immers tot het uitvoeren van vernielingswerken; slechts in enkele gevallen werd er een vertragingsslag geleverd. De Fransen hielden het bij gewapende cavalerieverkenningen. De zwakke verdediging deed de Duitsers zelfs een tijdlang denken dat het om een list ging. Met typische deutsche Gründlichkeit ruimde de genie versperringen op en sloeg zij bruggen over de talrijke Ardense riviertjes. Tanks deden vaak dienst als bulldozer. En de generaals gingen ter plekke kijken om hun officieren en manschappen aan te moedigen. Dag en nacht werd er gewerkt. Legergroep B diende zelfs haar geniemiddelen aan von Rundstedt af te staan, wat de opmars ten noorden van de Maas enigszins afremde. De geallieerde luchtmacht liet zich nauwelijks zien waardoor de soldaten onder de blote hemel konden slapen en het materieel niet hoefde gecamoufleerd te worden. Zo baanden 40.000 voertuigen zich in twee dagen tijd een weg door een gebied dat de Fransen als een région isolante beschouwden.

Op 12 mei in de namiddag bereikte de voorhoede van Rommels 7de Pantserdivisie Dinant, dat vrijwel zonder slag of stoot werd ingenomen. Alle bruggen in de omgeving waren echter tot ontploffing gebracht. In Yvoir gebeurde dit zelfs op het allerlaatste moment door toedoen van een jong Belgisch genieofficier, die daarbij het leven inschoot. Omstreeks 16u30 waren bij de brug enkele Duitse pantservoertuigen verschenen. Een verkenningsvlucht met een Henschel 126 had immers uitgewezen dat het kunstwerk nog intact was. Onmiddellijk werden de Duitsers onder vuur genomen door een Belgisch 47 mm kanon. Gebruik makend van de verwarring probeerde een Duitse soldaat de leiding van de springlading door te knippen maar hij werd neergeschoten. Inmiddels waren een pantserwagen en een tank reeds de brug opgereden. Korporaal Desmet schakelde met een 47 mmkanon een SdKfz 231 uit. Daarop haastte reserveluitenant Réné De Wispelaere, oud-student van de Gentse ingenieursfaculteit, zich om het kunstwerk tot ontploffing te brengen. Maar de Duitsers kregen hem in de gaten en terwijl de brug met een enorme knal in de lucht vloog, werd De Wispelaere door een welgemikt schot vanop de rechteroever gedood. Ondertussen verdwenen de twee Duitse voertuigen in het kolkende Maaswater. Voor deze prestatie zou het Belgische 31ste Geniebataljon op de dagorder van het Franse leger vermeld worden. Met het vernietigen van de bruggen beschouwden de Belgen hun taak als beëindigd en trokken zich terug naar de Versterkte Stelling Namen, tot groot ongenoegen van de Fransen. In Temploux, ten noordwesten van Namen, kwamen bijna 80 soldaten van het 3de Ardense Jagers om bij een luchtaanval. Diezelfde namiddag werd ook de. eerste Franse regimentscommandant, kolonel Tachet des Combes, bij een inspectietocht gedood. Gamelin, vanuit zijn ivoren toren in het fort van Vincennes, maakte zich echter weinig zorgen. Het 9de Leger zou de vijand wel in bedwang houden en generaal Corap had voldoende koloniale ervaring om aan eventuele moeilijkheden het hoofd te bieden (zijn bekendheid dankte Corap vooral aan de gevangenneming van de legendarische rebellenleider Abdel Krim in Marokko). Daarbij rekenden de Fransen erop dat hun tegenstanders 4 à 5 dagen zouden nodig hebben om voldoende artillerie naar de Maasoevers te brengen, genoeg tijd dus om versterkingen te laten aanrukken. Maar jammer voor de Fransen redeneerden de Duitse pantsergeneraals totaal anders. Snelheid en verrassing primeerden op grootse troepenontplooiingen en langdurige planningen. En de Stuka's werden ingezet als ‘vliegende artillerie’.

In de nacht van 12 op 13 mei waagde Rommel de overtocht van de Maas in Houx. Langs een niet vernielde loopbrug bezetten Duitse fuseliers, behorende tot Aufklärungsabteilung 8 van de 5de Panzerdivisie die tijdelijk onder Rommels commando was geplaatst, het eilandje dat temidden van de stroom lag. De voetbrug liep over een verlaat dat niet vernietigd was om het peil van het Maaswater voldoende hoog te houden. Tegen 5u30 bereikten de fuseliers de rechteroever. Daarop werden met bootjes versterkingen (o.a. anti-tankkanonnen) aangevoerd, terwijl Rommel een aantal pantsers aan de Maas opstelde. De Franse 18de Infanteriedivisie bood weinig tegenstand. Maar hoe kon het ook anders? Slechts twee van haar negen bataljons stonden opgesteld, en dit over een afstand van 20 km (voor de divisies van het 1ste Leger bedroeg de gemiddelde afstand slechts 5 à 6 km!).

[p. 64]

De overige zeven bataljons kwamen te laat omdat het ravitailleringscentrum te Hirson door Duitse vliegtuigen was vernield. Daarbij had de bevelhebber van de divisie de Duitsers niet zo snel verwacht omdat hij dacht dat de talrijke vernielingen en de vertragingsgevechten voor een dagenlang oponthoud zouden zorgen. Het was die typische fout van zovele Franse generaals die hun ganse strategie baseerden op een verkeerde inschatting en onderschatting van de vijand. Toen dan in de late voormiddag een tegenaanval werd ingezet door de verkenningsgroep van de 5de Gemotoriseerde Divisie en een bataljon van de 18de Infanteriedivisie, had Rommel zijn posities op de linkeroever al behoorlijk versterkt. Hij slaagde er zelfs in om te Bouvignes een tweede bruggehoofd te vormen en tegen de middag van 13 mei had de 7de Pantserdivisie een landstrook bezet van 5 km breed en 5 km diep.

Beter verging het de Fransen in Monthermé, gelegen aan de monding van de Semois. De Maas wordt er diep ingesneden (cuesta's) en beschrijft vele bochten, wat voordelen biedt voor de verdediging. De stroom werd verdedigd door de 102de Vestingdivisie (slechts op halve sterkte!). Enkele uren na de overtocht in Houx, zetten de artillerie en de Luftwaffe een hevig bombardement in, waarna de fuseliers de stroom overstaken. Maar op de linkeroever werden de Duitsers vastgenageld door het hevig vuur van een bataljon mitrailleur-schutters uit Madagaskar, dat zich op de nabijgelegen rotshoogte verscholen had. Het terrein is niet erg geschikt voor pantserwagens en het zou tot 15 mei duren vooraleer de 6de Pantserdivisie vaste voet kreeg op de linker Maasoever. De belangrijkste gebeurtenissen deden zich echter voor rond Sedan waar het 19de Pantsercorps van Guderian opereerde. Op dezelfde plaats waar in 1870 het Deuxième Empire zijn laatste adem had uitgeblazen, zou ook nu weer de meest beslissende veldslag van de campagne worden geleverd.

Sedan werd verdedigd door de 55ste en 71ste Infanteriedivisie, die voor het grootste deel uit oudere reservisten bestonden. De lange mobilisatie en het eentonige garnizoensleven hadden het moreel fel aangetast; tuchtproblemen kwamen dan ook herhaaldelijk voor. Beide divisies beschikten nauwelijks over anti-tankkanonnen. Achteraf mag het verwonderlijk heten dat het Franse opperbevel deze minderwaardige eenheden precies rond Sedan had opgesteld, maar - nogmaals - voor 13 mei vermoedde niemand dat daar precies het Duitse Schwerpunkt zou liggen. Aan luchtverkenningen, die de massale troepenverplaatsing in de Ardennen zouden aangetoond hebben, werd weinig aandacht besteed. De Duitsers daarentegen hadden nauwgezet de luchtfoto's van Sedan bestudeerd. Zo wees het onderzoek van een ‘Oostenrijks’ officier uit dat de position fortifiée te Sedan nog niet voltooid was. Dit stelde een aantal generaals die sceptisch stonden tegenover het Mansteinplan, een beetje gerust.

De slag om Sedan begon toen de Franse artillerie het vuur opende op de gemotoriseerde kolonnes die zich in de vroege ochtend van 13 mei op de rechter Maasoever vertoonden. Aan Duitse zijde ontstond er enige verwarring, maar door het gebrek aan munitie konden de Fransen geen dicht vuurgordijn opwerpen. Ondertussen joeg Guderian zijn troepen verder op naar de Maas, waar de hoofdkrachtinspanning zou liggen op de 2.500 m brede strook tussen Sedan en Saint-Menges. Daar zouden de 1ste Pantserdivisie en het eliteregiment Gross Deutschland, die de Belgische grens waren overgetrokken, weldra tot de aanval overgaan. De hitte was ondraaglijk, de soldaten waren vermoeid, maar allen wilden ze voor hun bevelhebber tot het uiterste gaan. Omstreeks 11 uur verschenen de Stuka's die zich met loeiende sirene op de artilleriestellingen en kazematten stortten. De uitwerking was zo hevig en de luchtverplaatsing zo groot dat zelfs de Duitse soldaten de schrik om het hart sloeg. Uren duurden de luchtaanvallen die steeds door 50 vliegtuigen tegelijk werden onderhouden. Dan, tegen twee uur in de namiddag trad de Duitse artillerie in actie, gevolgd door het snelvuurgeschut. Duizenden soldaten van de 55ste en 71ste Infanteriedivisie sloegen op de vlucht en sleurden in hun paniek andere eenheden met zich mee. Op verschillende plaatsen echter boden nog kazematten dapper weerstand toen omstreeks 15u30 de eerste fuseliers van het regiment Gross Deutschland met vlotten de 70 meter brede Maas overstaken. Kort daarop volgde Guderian met een stormboot om zich van de toestand te vergewissen. Met vlammenwerpers

[p. 65]

en met aan stokken bevestigde springladingen schakelde de infanterie de kazematten uit. Vele kazematten waren bovendien nog niet voorzien van een metalen deur, wat hen erg kwetsbaar maakte. Dat was ondermeer het geval bij bunker Bellevue, die de Duitsers met zijn 7,5 cm kanon bleef bestoken, totdat hij na een raak schot door de schietopening uit elkaar spatte. Nog voor middernacht reden ook de eerste tanks via een noodbrug over de rivier. De Franse luchtmacht kwam nauwelijks tussen. Afgezien van twee patrouilles, die een vijftal toestellen neerhaalden tegen het verlies van een jachtvliegtuig, werd de lucht volledig beheerst door de Luftwaffe. Zo konden de Stuka's, die nochtans langzame en relatief zwak bewapende toestellen waren, ongestoord hun vernietigende werk verderzetten.

De Blitzdoorbraak aan de Maas had het Franse opperbevel voor zware problemen gesteld. Het kwam er nu op aan om zo snel mogelijk de bres te dichten. Daarom werden op 13 mei de 4de Noordafrikaanse Divisie en de 1ste Gepantserde Divisie naar Dinant gezonden. Laatstgenoemde divisie behoorde trouwens aanvankelijk tot het 1ste Leger; het was een machtige eenheid, uitgerust met onder andere 90 Hotchkiss en 66 zware Char B (bepantsering 60 mm). Maar ook ditmaal gaven de Fransen blijk van een gebrek aan organisatie en doortastendheid. In het verzamelpunt Florennes werd uren gewacht op de bevoorradingswagens omdat het benzinepeil behoorlijk geslonken was. Ze zouden nooit opdagen. En de divisiecommandant verloor kostbare tijd met onnodig heen- en weergetelefoneer. Ondertussen ging Rommel verder met de uitbreiding en de versterking van het bruggehoofd. Geheel in de geest van de Panzerdivisionen leidde hij de aanvallen vanuit een tankkoepel (op een bepaald ogenblik reed zijn PzKpfw III zelfs in een ravijn maar de generaal bracht het er met een opengereten wang vanaf). De 18de Infanteriedivisie en de 5de Gemotoriseerde Divisie weken achteruit en meer zuidwaarts sloeg de 22ste Infanteriedivisie, die Givet verdedigde, op de vlucht. Corap werd ontslagen als bevelhebber van het 9de Leger en vervangen door Giraud. Diens 7de Leger werd naar het bedreigde 9de Leger gedirigeerd (behalve het 16de Corps in Zeeland), wat enorme verkeersopstoppingen in Noord-België teweeg bracht. In Eghezée, ten noorden van Namen, eisten Belgische en geallieerde officieren zelfs met de revolver in de hand voorrang op voor hun troepen. Giraud kreeg de 15de mei 's morgens het bevel om zijn divisies te hergroeperen en nieuwe stellingen in te nemen, maar het was te laat. Rommels pantsers waren reeds doorgestoten tot Philippeville. De 1ste Gepantserde Divisie was nog steeds niet tot de actie overgegaan en werd bijna geheel vernietigd door pantsers van de 5de en 7de Pantserdivisie en door Stuka's, die zich net als in Haspengouw op de kleine groepjes stortten. En de divisie beschikte niet over de minste luchtafweer. Vele tanks vielen stil door gebrek aan benzine en waren een weerloze prooi voor de duikbommenwerpers. Het was een tragisch schouwspel. Daarbij kon de 4de Noordafrikaanse Divisie de tanks niet te hulp komen omdat de soldaten doodop waren van het lange marcheren. Na die dag was de rol van het 9de Leger in België uitgespeeld.

In Sedan was het bruggehoofd tegen de morgen van 14 mei uitgegroeid tot een stevige uitvalsbasis, goed voorzien van tanks en artillerie. En inmiddels had de 2de Pantserdivisie, die later was toegekomen, de Maas in Donchéry overschreden. De Fransen waren verbijsterd. André Beaufre, stafofficier te Vincennes, schreef over zijn bezoek aan generaal Joseph Georges, de bevelhebber van het noordoostelijk operatiegebied: ‘In het hoofdkwartier heerste er een echte begrafenissfeer. Georges veerde recht en stapte naar generaal Doumenc toe. Hij zag er erg bleek uit en riep: “Ons front in Sedan is doorbroken! Alles stort in elkaar...” Daarop plofte hij neer op een stoel en barstte in tranen uit. Hij was de eerste man die ik zag wenen tijdens deze campagne. Helaas, er zouden er nog anderen volgen. Ik was er diep van onder de indruk.’ Gamelin beval drie maatregelen. Het 2de Leger moest onmiddellijk in de tegenaanval gaan, aan het Ardennenkanaal en de Bar zou een defensief front worden ingericht en de geallieerde luchtmacht kreeg de opdracht de noodbruggen over de Maas te vernietigen. Het klonk allemaal fraai en Gamelins maatregelen zouden misschien wel effect gehad hebben indien er met dezelfde precisie en overtuiging als de Duitsers gewerkt werd. Maar vele soldaten waren uitgeput en weigerden zich in te zetten;

[p. 66]

hun officieren waren zelf te zeer onder de indruk van de Duitse kracht om de troep te begeesteren of misten de nodige zin voor initiatief. Zo aarzelde de commandant van de 3de Gepantserde Divisie de 14de mei 's morgens om tot de aanval over te gaan, hoewel de 1ste Duitse Pantserdivisie zich toen in een kwetsbare positie bevond. Toen hij dan toch na uren besloot in actie te treden, was de kans verkeken omdat de pantsermassa's op de linkeroever te sterk waren geworden. In de volgende dagen werden de tanks van deze Franse eenheid gedegradeerd tot een soort bunkers ter bewaking van wegen en verbindingslijnen. Nog treuriger verliep het bij de 2de Gepantserde Divisie, die door het 1ste Leger was afgestaan, maar door een gebrek aan organisatie haar brandstofwagens kwijt raakte en immobiel was. Zo bleef de kracht van twee grote gepantserde eenheden, ondermeer uitgerust met Char B, grotendeels onbenut. Anderzijds ontstond aan Duitse zijde een kortstondige crisis omdat Guderian het bevel van generaal Ewald von Kleist om tijdelijk halt te houden naast zich had neergelegd. Guderian werd ontslagen maar na drie uur weer door Hitler in zijn commando hersteld. Bij de Fransen werd de chaos alsmaar groter. Vele eenheden doolden rond in de wirwar van wegen. En de stellingen werden overrompeld alvorens de troepen behoorlijk hadden postgevat. Door de traagheid van de liaison en de snelheid van de tegenstander, waren vele orders al achterhaald nog voor ze konden uitgevoerd worden. Gamelin besefte nauwelijks wat er gaande was. Een Frans stafofficier vergeleek het Grand Quartier Général met een duikboot zonder periscoop. Toch konden de 3de Gemotoriseerde Divisie en de 3de Lichte Gemechaniseerde Divisie de Duitsers een tijdlang ophouden aan de Stonne. En aan de Vence vocht een regiment van de 14de Infanteriedivisie met dezelfde hardnekkigheid als de poilus van weleer. Maar de divisie werd dan ook geleid door een uitzonderlijk officier, met name Jean de Lattre de Tassigny, die later bij de Bevrijding en tijdens de oorlog in Indochina furore zou maken. Het optreden van de geallieerde luchtmacht tenslotte was heftig, maar had geen succes. Verscheidene Franse en Britse escadrilles voerden op 14 mei aanvallen uit tegen de bruggen maar de Duitse verdediging, FLAK en jachtvliegtuigen, maakten elk precisiebombardement onmogelijk. Daarbij waren de Franse Amiot 143 en de Fairey Battle van de RAF trage en kwetsbare toestellen. Meer dan 50 geallieerde vliegtuigen gingen verloren en de bruggen bleven bruikbaar. In Breendonk uitte generaal Billotte tegenover de koning zijn bezorgdheid over het krijgsverloop in Sedan. Volgens generaal Galet zouden de Duitsers weldra in noordelijke richting gaan oprukken.

Tegen de avond van 15 mei was het front in Sedan definitief doorbroken. De Duitsers hadden duizenden krijgsgevangenen gemaakt, waaronder heel wat soldaten uit de Franse kolonies. In de Wochenschau ontlokte dit een schampere commentaar jegens de Fransen, die een beroep deden op deze minderwaardige Hilfsvölker. De resten van het 2de Leger, dat de Duitsers had moeten tegenhouden, werden verder ingezet voor de verdediging van de nutteloze Maginotlinie. Het scenario van het Albertkanaal had zich herhaald. Alleen ging het ditmaal niet om een tactische tegenvaller maar om een beslissende nederlaag die het einde van de legers in België en Noord-Frankrijk inluidde. Een nederlaag ook die wellicht vermeden had kunnen worden indien de Franse generaals beseft hadden dat een moderne oorlog niet meer gevoerd wordt op het ritme van de infanterie...

Een Duitse tegenvaller: het oponthoud aan de KW

Terwijl Legergroep A in het zuiden de Franse troepen voor zich uit joeg, begon Legergroep B vanaf 14 mei de geallieerde en Belgische verdediging aan de KW-linie af te tasten. De Duitsers wilden immers voorkomen dat er al te veel versterkingen naar het bedreigde 9de en 2de Leger werden gezonden. Vooral op twee plaatsen werd er nogal hevig gevochten. Rond Leuven probeerden de Duitsers door te breken op de scheiding tussen de British Expeditionary Force en het Belgische leger. Meer zuidelijk, in de streek van Gembloers, ondernamen zij gelijkaardige pogingen in de sector van het Franse lste Leger. Maar in beide gevallen zouden de Duitsers ondervinden dat de verdedigers het bevel van generaal Gamelin om ‘à fond’ te vechten, ernstig namen ....

Volgens Weisung no11 van het OKW moesten de gemotoriseerde en gepantserde eenheden van

[p. 67]



illustratie

1




illustratie
2




illustratie
3




illustratie
4




illustratie
5




illustratie
6




illustratie
7
(1) Franse Somua in Walhain-Saint-Paul. (2) Achtergelaten materieel van het Franse 1ste Leger in Haspengouw. (3) Marokkaanse krijgsgevangenen in de streek van Tilly. (4) Belgische soldaten bevoorraden zich te velde. (5) Duitsers verwijderen Cointet-versperringen. (6) De staf van de 10de Infanteriedivisie; in het midden generaal Pire (met kepie). (7) Voertuigen van Montgomery's 3de Infanteriedivisie te Leuven.


[p. 68]

Legergroep B zich zo snel mogelijk bij de pantsermassa van von Rundstedt voegen. Daarom zette het Corps Hoeppner op 14 mei de aanval in rond Gembloers. Maar de Fransen hadden door het vertragingsmanoeuvre van generaal Prioux drie legercorpsen (3, 4, 5) in lijn kunnen brengen, die elk beschikten over een flink uitgeruste en goed geëncadreerde Noordafrikaanse en gemotoriseerde divisie. De Fransen stelden zich op aan de spoorweg Brussel-Namen. In de voormiddag drong de 4de Pantserdivisie door tot aan de Cointet-versperringen; een fuseliersregiment slaagde erin, gesteund door Stuka's, Perwez te bereiken. De Fransen reageerden krachtig. In Ernage werd een groep van het 6de Pantserregiment snel door een tankbataljon en een regiment Marokkaanse Tirailleurs (koloniale infanterie) verdreven. Het artillerievuur van de Fransen, en vooral van de 15de Gemotoriseerde Divisie (generaal Alphonse Pierre Juin), was moordend. Op een bepaald ogenblik was de rookconcentratie zelfs zo hevig dat de Duitsers vreesden voor een gifgasaanval en hun maskers opzetten (dit wapen zou echter tijdens de oorlog nooit worden gebruikt). Daarbij konden de Fransen precisiebombardementen uitvoeren omdat hun afluisterdienst via niet-gecodeerde radioberichten de Duitse doelen had kunnen lokaliseren. En ten zuidoosten van Gembloers werden de Duitsers onder vuur genomen door de zware artillerie van de Vesting Namen. Ook de Armée de l'Air onderscheidde zich. Zo bestookten jachtvliegtuigen van het type Morane Saulnier 406 met succes Duitse genisten die trachtten de Cointet-versperringen op te ruimen. De dag tevoren hadden zes Belgische Fiat CR 42 boven Fleurus twee Messerschmitts neergehaald; tegenover het verlies van een toestel (enkele Belgische escadrilles stonden namelijk samen met de Franse 23ste Luchtgroepering in voor de luchtverdediging van het 1ste en 9de Leger). Tegen de avond trokken de Duitsers zich met zware verliezen terug; Hoeppner besloot zijn vermoeide manschappen een dag rust te gunnen en het volgende offensief naar 16 mei te verschuiven. Maar op 15 mei zette Hoeppner, op uitdrukkelijk bevel van generaal von Reichenau, opnieuw de aanval in. Ook nu weer was de Franse tegenstand ongemeen hevig. En de Noordafrikaanse soldaten vochten met dezelfde hardnekkigheid als destijds in Verdun. Zo hield het 22ste Algerijnse Tirailleurs Ottignies na een reeks bloedige straatgevechten. Elders chargeerde de 1ste Marokkaanse Divisie met de bajonet op het geweer tegen tanks en pantsergrenadiers, die bij het zien van die woeste massa rechtsomkeer maakten. Op bepaalde ogenblikken weigerden Duitse fuseliers zelfs hun schutterskuilen te verlaten uit schrik voor de Noordafrikanen, die gesteund werden door een goed gecamoufleerde artillerie. Ook tegenover de verdachten kenden de Arabische soldaten geen genade. Enkele Belgen, die het ongeluk hadden in handen van Noordafrikaanse militairen te vallen, zouden zelfs vermoord worden. Onder hen de Westvlaamse Verdinaso-voorman René Denolf. Toen er dan in de namiddag een gat in de Franse linies was geslagen, exploiteerden de Duitsers dit succes niet. Ze waren te zeer onder de indruk van de Franse verdediging en vreesden voor nieuwe zware verliezen. Pas de dag nadien zouden ze terug offensieve acties ondernemen, maar het 1ste Leger had inmiddels reeds het bevel tot de terugtocht ontvangen.

In Leuven hadden de Britten drie dagen lang ongestoord troepen kunnen aanvoeren. Hun discipline en zelfvertrouwen en de moderne uitrusting maakten indruk op de bevolking. Om nog steeds onduidelijke redenen kwam de Luftwaffe niet tussen; vreesden de Duitsers de talrijke Bofors-kanonnen (120 schoten per minuut) waarmee elke Britse divisie was uitgerust? Al snel constateerden de Britten dat de schietopeningen van de kazematten langs de Dijle niet aangepast waren aan hun materieel. Voor 10 mei was dit immers geen punt van discussie geweest tussen geallieerde en Belgische officieren. De wapens werden dan maar naast de betonnen abris geplaatst. Verder deed zich ook een incident voor tussen generaal Bernard Law Montgomery en de Belgische generaal Jules Pire, de bevelhebber van de 10de Infanteriedivisie (Pire zou in 1944 de laatste commandant worden van het Geheim Leger). Wat was er gebeurd? Volgens de orders van generaal sir Alan Brooke moest Montgomery's 3de Infanteriedivisie zich opstellen in Leuven. Generaal Pire was daar echter niet van op de hoogte gebracht zodat zijn divisie zich op 10 mei in de ‘Britse’ sector bevond. Toen dan de Britten de volgende morgen voor de Dijlestad verschenen, openden

[p. 69]

Belgische soldaten, die dachten met vijandelijke parachutisten te doen te hebben, het vuur. Een Brit raakte gewond. Onmiddellijk trok Brooke naar Breendonk om het vertrek van de 10de Infanteriedivisie te eisen. Maar Van Overstraeten die Pire bevolen had stelling te nemen in Leuven, schoof de verantwoordelijkheid behendig van zich af. De kwestie zou nog twee dagen aanslepen.

Op de Britse linkerflank nam de dynamische generaal Fernand Verstraeten, commandant van het 6de Legercorps een aantal maatregelen om de verdediging in zo goed mogelijke omstandigheden te laten verlopen. Zo kreeg hij zes Renard 36-verkenningsvliegtuigen en twee SV4-trainingsvliegtuigen toegewezen. Deze toestellen van Belgische makelij waren erg traag en kwetsbaar, maar het was de enige manier om inlichtingen over de Duitse troepenbewegingen te krijgen. De ‘ijzeren muur’, zoals de KW-stelling in de volksmond heette, bleef immers hermetisch afgesloten na de terugtocht van het Belgische leger. De officieren die het bevel gaven om verkenningsvluchten uit te voeren, hadden vaak gewetensproblemen omdat de gammele tuigen een weerloze prooi waren voor de Duitse jagers. Toch ging er van de acht toestellen slechts een verloren; de Belgen vlogen namelijk erg laag (50 m) in de hoop elke confrontatie met hun tegenstander te kunnen vermijden. De Luftwaffe-aas Adolf Galland vond het zelfs beneden zijn waardigheid om een Belgische ‘vogel’ neer te halen. Verder drong Verstraeten er bij de koning en Van Overstraeten op aan om snel voor transportmiddelen, een ambulancedienst en administratieve eenheden te zorgen. Ook de luchtafweer diende versterkt te worden. Toch zouden het gevraagde materieel en de manschappen slechts druppelsgewijs toekomen. Misschien wel het belangrijkste was dat de vooruitziende Verstraeten inspanningen deed om zijn troepen moreel voor te bereiden op een mogelijke confrontatie. Op basis van gegevens over de recente gebeurtenisssen aan het Albertkanaal lichtte hij zijn soldaten in over de Duitse tactiek. In een order van 14 mei legde hij bijvoorbeeld uit hoe men zich tegen een Stukaaanval kon beschermen. De soldaten moesten onmiddellijk schuilen wanneer een Stuka naar beneden dook maar het vuur openen zodra het vliegtuig weer optrok. Tegenover elke vreemdeling diende een strikte waakzaamheid in acht te worden genomen. Vooral cafés dienden de soldaten in de gaten te houden. Elke Belgische of geallieerde militair die 's nachts alleen rondliep moest onmiddellijk gearresteerd worden. Verder moesten de bedienaars van het anti-tankgeschut hun 47 mm-kanon verplaatsen in de nacht die volgde op de eerste aanval, zodat de Duitsers ongemerkt vanuit een andere stelling konden beschoten worden. Geen enkele artillerist mocht zijn stuk verlaten; bij een luchtaanval zouden de soldaten moeten schuilen in schutterskuilen vlak naast het kanon of mortier. En de order eindigde als volgt: ‘Het is van het grootste belang dat wij ons snel aanpassen aan totaal nieuwe omstandigheden (de Blitzkrieg). Deze order verbindt eenieder ertoe zijn verantwoordelijkheid op te nemen, welke ook zijn graad zij. Alle middelen moeten worden aangewend en de vereiste inspanningen moeten worden geleverd, indien nodig zelfs tot het alleruiterste. Zo ook is elk initiatief in die zin toegelaten. Maar eenheden die zich terugtrekken en chefs die in gebreke blijven, zullen onverbiddelijk gestraft worden.’ De order getuigde van de wil om de Duitsers aan de KW tot staan te brengen en heeft zeker bijgedragen tot de vastberadenheid waarmee de Jagers te Voet en de artillerie zich teweer zouden stellen. Maar minstens even belangrijk is het feit dat Leuven niet werd aangevallen door de gevreesde Panzerdivisionen maar door gewone infanteriedivisies (die overigens niet meer beschikten over hun geniemiddelen). Bovendien opereerde de Luftwaffe sinds de doorbraak aan de Maas vooral in Zuid-België en Frankrijk.

Op dinsdag 14 mei in de late namiddag viel de Duitse 19de Infanteriedivisie, die vanuit de richting van Diest kwam, Leuven aan. De Britten hadden tijdig de bruggen van Blauwput in Kessel-Lo en aan de Tiensepoort vernietigd, maar dit belette niet dat de Duitsers snel doorstootten tot aan de werkplaatsen bij het station. Ongeveer gelijktijdig braken er ook schermutselingen uit rond de Remy-fabrieken in Wijgmaal, een sector die verdedigd werd door de Belgen. Met een forse tegenaanval dreef de Britse 3de Infanteriedivisie, gesteund door het 6de Jagers te Voet (10de ID), de aanvallers terug. Voortdurend werden de Duitsers bestookt door de Britse (96 stuks) en de Belgische artillerie (180 stuks

[p. 70]

verdeeld over de 15 groepen van het 6de Legercorps), die in Bertem, Veltem en aan de Leuvense Vaart stonden opgesteld. Het Duitse geschut riposteerde vanuit Korbeek-Lo en Bierbeek. Bij het invallen van de duisternis hield het schieten op. Het was echter de stilte voor een nieuwe storm. Inmiddels had de 10de Infanteriedivisie haar oude stellingen volledig overgelaten aan de Britten. De volgende ochtend hernamen de Duitsers onverwacht de aanval. Montgomery's elitedivisie, waaronder de befaamde Grenadiers Guards regiment, werd achteruitgedreven tot Wilsele. Duitse soldaten bereikten de binnenstad; de schrik sloeg de Leuvense bevolking om het hart. De toestand was inderdaad kritiek maar Montgomery hield het hoofd koel en lanceerde een krachtige tegenaanval met zijn infanterie en de lichte Mark VI-tanks van het 5de Inniskilling Dragoons. In korte tijd zuiverden de Britse soldaten de stad; de Duitsers dropen af naar hun plaats van vertrek.

Ook het Belgische vliegwezen legde ondanks zijn erg beperkte middelen enige activiteit aan de dag. Afgezien van de acht toestellen die ter beschikking stonden van generaal Verstraeten, werden er verkenningspatrouilles gevlogen door Fairey Fox en Fairey Firefly tweedekkers. Tragisch genoeg zouden enkele toestellen door de eigen troepen worden neergehaald; de soldaten konden zich immers niet voorstellen dat een Belgisch vliegtuig zich in de lucht zou wagen die volledig beheerst werd door de Luftwaffe. En op 15 mei ging een Fox Hispano verloren die door de Britten onder vuur was genomen. De tommies herkenden namelijk het type niet meer dat aan het begin van de jaren '30 in de RAF had gevlogen. Enkele uren later werd een andere Fox boven Leuven aangevallen door Messerschmitts 109. Van op de grond zagen inwoners van Kessel-Lo en Leuven hoe het Belgische toestel via behendige manoeuvres aan zijn belagers trachtte te ontkomen. Maar uiteindelijk werd de Fox geraakt en stortte hij neer in de buurt van het kasteel van Holsbeek. De piloot en de waarnemer, kapitein-vlieger graaf Guy de Briey, overleefden de crash niet (de boordmitrailleur zou enkele weken later uit het wrak gehaald worden en opnieuw dienst doen... bij de Leuvense Partizanen). Na vijf dagen oorlog beschikte het vliegwezen nauwelijks nog over 60 gevechtsklare toestellen. Moed of durf konden niet opwegen tegen een numerieke en technische superioriteit!

Na de mislukte doorbraakpogingen in Leuven besliste generaal Joachim von Kortzfleisch, de bevelhebber van het 11de Legercorps (14de, 19de en 255ste ID), om de hoofdaanval tot 17 mei uit te stellen. De artillerieduels gingen echter door. Zo vuurden de 15 Belgische artilleriegroepen in de nacht van 15 op 16 mei alle gelijktijdig zes schoten per minuut om de Duitsers de indruk te geven dat er versterkingen waren toegekomen. Ook zouden de Belgen hun zware spoorwegartillerie inzetten die een schootsbereik had van 15 tot 20 km. De machtige artilleriebombardementen gaven de Belgische soldaten hoop; voor het eerst leek het erop dat zij aan de sterkste kant stonden. Duitse infiltratiepogingen rond de Remy-fabrieken werden in de morgen van 16 mei verhinderd door een compagnie Jagers te Voet (5de Infanteriedivisie). En het 11de Artillerie vernietigde in nauwelijks een kwartier tijd een gemotoriseerde kolonne op de weg naar Aarschot. Maar ook de Duitsers lieten zich niet onbetuigd en beschoten met enkele PAK 37 (Panzerabwehrkanone) de Remy-fabrieken, die de scheidingslijn vormden tussen de Britse en de Belgische sector. Drie artilleriewaarnemers, waaronder een Brit, werden gewond. De Duitsers probeerden nogmaals om door te breken maar geraakten ook ditmaal niet door de Belgische verdediging.

Ondanks de zware artilleriebeschietingen en de bombardementen van 10 mei viel de materiële schade in Leuven nogal mee, zeker als men de vergelijking maakt met de ravage van 1914. Ongeveer 67 woningen werden vernield terwijl er zowat 87 werden beschadigd. Ook de universiteitsbibliotheek aan het Ladeuzeplein brandde gedeeltelijk uit, 885.000 van de 900.000 boeken gingen in vlammen op. Wie de schuldigen waren, is nog steeds niet precies geweten. In een bekendmaking voor de Duitse radio schoof een vooraanstaand inwoner van de stad de verantwoordelijkheid op de Britten. Anderen beweerden dat de Duitsers het gebouw met opzet hadden in brand gestoken. Het juiste aantal burgerslachtoffers is evenmin bekend (wel zouden er op 10 mei meer dan 100 mensen zijn omgekomen bij luchtaanvallen). Bovendien was een deel van de bevolking voor de aanvang van de

[p. 71]

gevechten geëvacueerd of gevlucht uit vrees voor de ‘Teutoonse furie’. Ook burgemeester Remi Van der Vaeren en een aantal schepenen hadden de stad verlaten (Van der Vaeren zou trouwens niet meer in zijn ambt hersteld worden door de Duitsers die de voorkeur gaven aan zijn plaatsvervanger, de bacterioloog professor Richard Bruynoghe).

Van de KW naar de Schelde: een onbegrepen terugtocht

De KW-linie schonk het Belgische leger het vertrouwen, dat vele eenheden na de plotse doorbraak aan het Albertkanaal verloren hadden. Geflankeerd door de geallieerde legers en beschermd door machtige artillerieformaties, stonden de troepen op 16 mei 's morgens klaar om een massale Duitse aanval met een stalen vuist te beantwoorden. En de gevechten rond Leuven waren nog maar het begin van wat de vijand te wachten stond. Maar de massale aanval kwam er niet. In plaats daarvan kregen de soldaten te horen dat ze hun stellingen moesten verlaten en westwaarts trekken. Ze begrepen het niet; de KW verlaten betekende immers dat Brussel en Antwerpen zonder slag of stoot in Duitse handen zouden vallen. De enen reageerden verbitterd, de anderen werden apathisch. Voor velen leek het erop dat de Duitsers inderdaad onoverwinnelijk waren. Ook bij de officieren bleven de reacties niet uit. Generaal Olivier Desrousseaux, de onderstafchef en geprezen docent aan de Krijgsschool, schreef later: ‘Het kwam als een donderslag bij heldere hemel en samen met de daarna volgende overgave behoort het tot de droevigste herinneringen aan die strijd. De generale staf was er stomverbaasd over. We moesten onszelf dwingen de nodige voorbereidingen voor de uitvoer van het bevel te treffen.’

Het fameuze bevel ging uit van generaal Billotte en was de 16de om 10 uur 's morgens in Breendonk overhandigd door generaal Nuyten. Meteen werd duidelijk hoezeer de Belgische strategie in functie stond van de geallieerde, in casu de Franse. Sommige rancuneuze Franse auteurs zouden achteraf nochtans beweren dat de koning het bevel gegeven had. Voor Billotte was de terugtocht naar de Schelde en het kanaal Gent-Terneuzen de enige mogelijkheid om aan de omsingeling te ontkomen. Op 15 mei had het Nederlandse leger immers de wapens neergelegd, zodat de verdediging van de Scheldemonding in het gedrang kwam. Een groot deel van het 7de Leger was trouwens reeds vanaf 14 mei zuidwaarts getrokken, nadat de Nederlanders zich achter hun grote rivieren hadden verscholen. Ook zou het Duitse 18de Leger nu vrijkomen voor de operaties in België. Maar de grootste zorg van Billotte was de bliksemsnelle opmars van de Duitse pantsers en de onmogelijkheid om de bres rond Sedan te dichten. Aanvankelijk vreesden de Fransen voor een doorstoot naar Parijs. In Vincennes kreeg het administratief personeel zelfs een versnelde opleiding tot kanonnier en op het ministerie van Buitenlandse Zaken begon men de 16de de archieven te verbranden. De Britse premier Churchill die zich toen in Parijs bevond, was getuige van de defaitistische sfeer die er heerste. Nog diezelfde dag werd er echter ten noorden van Rethel op een zwaargewonde Duitse kolonel een kaart gevonden die aantoonde dat de Panzer zouden oprukken naar de monding van de Somme. Parijs zou dus voorlopig gespaard blijven; de nood om de aansluiting met het bedreigde 9de en 2de Leger te behouden, werd er des te groter om.

Stafofficieren in Breendonk werkten een plan uit om de terugtocht zo snel en efficiënt mogelijk te laten verlopen. Het Belgische leger zou zich in verschillende etappes terugtrekken. De divisies in reserve en de zware legerartillerie vertrokken reeds de 16de in de namiddag om de wegen vrij te maken voor de acht divisies die in eerste lijn lagen aan de KW. Deze laatste waren onderverdeeld in een noordelijke sector en een zuidelijke sector, met als scheidingslijn de Rupel en de Nete. De vier divisies van de zuidelijke sector (2, 5, 6, 11) zouden zich op 17 mei 's morgens achter het kanaal van Willebroek moeten bevinden, de dag nadien achter de Dender, verdedigd door de 1ste Divisie Ardense Jagers. Ten oosten en ten noordoosten van Antwerpen zouden de vier divisies van de noordelijke sector (12, 13, 15, 17) moeten standhouden tot de avond van 17 mei om zich daarna terug te trekken op de linkeroever. Daarbij diende elke divisie voor de bescherming van haar achterhoede te zorgen, zodra zij het contact met de vijand verbrak. Voor de algemene

[p. 72]

rugdekking zorgden in het noorden het Cavaleriecorps, in het zuiden de 1ste Infanteriedivisie samen met enkele bataljons grenswielrijders en rijkswachters. Tegen 20 mei zou het Belgische leger zich dan geheel hebben teruggetrokken aan het kanaal Gent-Terneuzen en aan de Schelde van Gent tot Oudenaarde.

In de zuidsector begon het terugtochtmanoeuvre de 16de 's avonds zonder al te veel problemen. Artillerie-eenheden bleven de Duitsers beschieten om de indruk te geven dat de troepen alert waren. De Duitsers drongen niet aan, ook al bij gebrek aan de nodige geniemiddelen. Sommige burgers werden door paniek bevangen toen ze zagen dat het leger terugtrok en klauterden over de Cointet-versperringen. Er werden waarschuwingsschoten gelost maar na een korte identiteitscontrole - de vrees voor parachutisten was nog steeds niet verdwenen - kregen ze de toelating om mee westwaarts te trekken. De ganse nacht trokken de Belgische soldaten, met pak en zak beladen, over de overvolle wegen. Velen trachtten op een voertuig te klimmen; enkele plantrekkers wisten een oude kinderwagen te bemachtigen om hun geweer en ransel in te leggen. De manschappen waren erg moe, sommige chauffeurs vielen in slaap achter het stuur en veroorzaakten verkeersopstoppingen (in Merchtem werd zelfs een verlaten vrachtwagen, waarvan de bestuurder de cabine had afgesloten, in het midden van de weg aangetroffen!). Ook de talloze vluchtelingen hinderden de troepenverplaatsingen maar de soldaten konden het niet over hun hart krijgen om deze angstige mensen van de wegen te jagen; de Britten daarentegen legden in een aantal gevallen minder scrupules aan de dag. Gelukkig voor de terugtrekkende troepen toonde de Luftwaffe zich weinig actief en verdwenen de vliegtuigen meestal zonder de lange kolonnes soldaten en burgers aan te vallen. De Duitsers leken zich tevreden te stellen met het volgen van de troepenbewegingen; wel kreeg de kust die nacht zware luchtaanvallen te verduren. Zo bereikten onze soldaten, doodop maar ongedeerd, in de voormiddag van 17 mei het kanaal van Willebroek.

Kort na de middag verschenen Duitse gemotoriseerde verkenningseenheden aan de oevers van het kanaal. In Kapelle-op-den-Bos hielden twee Belgische Renault-tanks de Duitsers, die zich in huizen op de rechteroever hadden verscholen, in bedwang. Een Duits anti-tankkanon werd vernietigd; de Belgen verloren een Renault, waarbij de chauffeur om het leven kwam en de schutter gewond raakte. Vijf kilometer meer zuidwaarts, in 't Sas Humbeek, wisten de Duitsers echter de vermoeide soldaten van de 2de Infanteriedivisie te verrassen. Ze lagen namelijk te dicht bij het kanaal en waanden zich voldoende beschermd door de achterhoede. Een twintigtal Belgen werd gedood en de Duitsers slaagden erin een bruggehoofd te vormen. Maar de tussenkomst van eenheden Jagers te Voet, rijkswachters en het 14de Linie, verhinderde elke poging tot uitbreiding. Tijdens de nacht zetten de troepen hun terugtocht verder tot aan de Dender. Ook dit verliep vrijwel zonder problemen, vooral dankzij het moedige optreden van de rijkswachters die ten koste van twaalf doden en tientallen gewonden de aftocht dekten. Onder de gesneuvelden bevond zich ook wachtmeester (sergeant) Bailly, de chef van een mitrailleursectie, die van geen wijken wilde weten en vanop 40 m afstand met een Schmeissermitraillette werd neergekogeld. Verder werden een 75-tal rijkswachters omstreeks 8 uur in de morgen gevangen genomen.

Terwijl de Belgen achteruit trokken, bleven de Britten (en enkele Belgische soldaten die het terugtochtsbevel niet ontvangen hadden) in het Leuvense hardnekkig weerstand bieden. De soldaten van Montgomery namen de vroegere stellingen van de 5de Infanteriedivisie in en vanuit de bunkers en loopgraven aan de Vaart beschoten ze de Duitsers met Brenguns en mortieren. Daarbij wisten de Britten hun flankdekking te verzekeren alvorens de Duitsers de noodbrug in Wijgmaal voltooid hadden. De troepen die de brug overstaken, slaagden er dan ook niet in de Britse stellingen te doorbreken en rukten verder op naar Brussel, waar burgemeester Joseph van de Meulebroeck tot de overgave van zijn stad verplicht werd. Maar in de late namiddag konden infanteristen met rubberen vlotten of liggend op met kurk gevulde zakken de linkerkanaaloever bereiken. De Duitsers werden er onthaald op een regen van mitrailleurkogels en handgranaten. Er vielen verscheidene doden en gewonden maar de Britten werden danig gehinderd door de artilleriebeschietingen en konden niet boven de loop-

[p. 73]



illustratie

1




illustratie
2




illustratie
3
(1) Burgemeester van de Meulebroeck biedt de overgave van Brussel aan. (2) De Duitsers voor het koninklijk paleis. (3) Generaal Daufresne de la Chevalerie, bevelhebber van de 17de Infanteriedivisie. (4) Overtocht van de Schelde in Antwerpen. (5) Zwijndrecht.




illustratie
4




illustratie
5


[p. 74]

graven uitkijken. De Duitsers kwamen langzaam dichterbij en gingen de hinderlijke kazematten met vlammenwerpers te lijf. De uitwerking was vreselijk. De Britten hadden de betonnen verdedigingswerken namelijk hermetisch afgesloten en stro gelegd om op te slapen. Binnenin ontstond op enkele seconden een hel. Verschillende tommies werden levend verbrand, anderen verstikten nog voor ze langs een speciale nooduitgang konden ontsnappen. Maar rond de kazematten hielden de Britse infanteristen nog enkele uren stand en pas bij het invallen van de duisternis trokken de laatste soldaten zich terug. Dagen na het gevecht zouden Duitse bergingsploegen de uiteengerukte en verkoolde resten van tientallen soldaten op het slagveld aantreffen. Op een bepaalde plaats werd een mitrailleursnest dat een voltreffer had gekregen van een Brits mortier, gewoon met aarde dichtgegooid. De Britten in en rondom de kazematten werden afgevoerd naar de kerkhoven van Veltem en Klein- Wilsele (daar werden 31 soldaten van de Cold Stream Guards begraven).

Rond Antwerpen begonnen de vier divisies van de noordelijke sector in de late avond van 17 mei hun stellingen te verlaten. Terwijl verscheidene eenheden de Duitse voorhoede in bedwang hielden (ondermeer op de weg naar Breda), staken genieploegen de petroleuminstallaties van Hoboken in brand. De brandstofvoorraad (600.000 m3) was namelijk niet geheel kunnen getransporteerd worden naar Oostende en Zeebrugge. Onder de helle gloed van de brandende olietanks trok de 13de Infanteriedivisie via een noodbrug op heipalen in Hoboken de Schelde over. Haar aftocht werd gedekt door een compagnie speciale vestingeenheden, onder het bevel van kapitein Henri de la Lindy, die zich pas de 18de om 6 uur 's morgens zou overgeven nadat alle munitie verschoten was. De 12de Infanteriedivisie verliet de rechteroever in Hemiksem, waar de genie met behulp van binnenschepen een noodbrug had aangelegd. De achterhoede, die zich nog aan het Albertkanaal bevond, raakte echter in problemen omdat zenuwachtige geniesoldaten de brug van Wijnegem te vroeg hadden opgeblazen. Langs een niet vernielde sluis kon de infanterie dan toch het Albertkanaal oversteken, maar de 1ste batterij van het 7de Artillerie bleef niets anders over dan haar kanonnen in het water te duwen. Met heel wat moeite konden de paarden over de sluis gebracht worden. In Temse daarentegen zou de spoorwegbrug net als in Yvoir pas op het allerlaatste ogenblik springen, namelijk de 18de mei omstreeks 18u30. De Duitsers hadden het nakijken. Zo kon de 15de Infanteriedivisie, die haar front enkele kilometers ten zuiden van de Nete had uitgebreid, veilig de linkeroever bereiken. Onmiddellijk daarna werd de eenheid naar de Noordzeekust gestuurd om er de zwakke kustverdediging (vijf artilleriebatterijen en vijf infanteriebataljons) te versterken. De 17de Infanteriedivisie tenslotte maakte gebruik van de tunnel onder de Schelde (de eenheid stond onder het bevel van de mondaine reserve-generaal Raoul Daufresne de la Chevalerie, die later nog een rol zou spelen bij het Belgische leger in Engeland). Al snel ontstonden er problemen. Rond half acht 's avonds sprongen de elektrische leidingen, waardoor het licht, de roltrap en de luchtverversingsinstallatie uitvielen. Er werd een beroep gedaan op de Antwerpse stadsdiensten, maar die bleken geen technicus ter beschikking te hebben! Ook was er geen enkele veerboot om manschappen over te zetten. In de grote verkeerstunnel kregen vele soldaten een flauwte als gevolg van de dampen van paarden en voertuigen. Half bewusteloos lieten ze hun ransels en wapens achter; een regiment verloor op die wijze zelfs 57 automatische wapens. De meeste infanteristen staken daarom via de voetgangerstunnel de Schelde over, maar die raakte zo overbevolkt dat de genie niet de tijd kreeg om voldoende springladingen aan te brengen. De tunnel zou dan ook maar gedeeltelijk vernietigd worden zodat de Duitsers er nog gebruik van konden maken. Na de Bevrijding zou deze hele kwestie een politiek staartje krijgen. Officieren legden de schuld bij de toenmalige burgemeester van Antwerpen, de socialist Camille Huysmans, die uit de stad zou gevlucht zijn. Toch schaadde dit voorval Huysmans' carrière niet; in 1946 bracht hij het zelfs tot premier.

Nadat de eerste Duitse infanteristen in de morgen van 18 mei de voetgangerstunnel waren overgestoken, beval stafchef Michiels, die vond dat de achterhoede onvoldoende weerstand had geboden, om de vijand terug de Schelde in te drijven. Het bleek een onmogelijke taak. Met

[p. 75]

veerponten en langs de voetgangerstunnel werden nieuwe troepen aangevoerd. De Duitsers zouden weldra in het offensief gaan. In de Oostvlaamse gemeente Zwijndrecht werden op 19 mei verwoede straatgevechten geleverd tegen Belgische cavalerie-eenheden, maar niets kon nog de doorbraak aan de Schelde ongedaan maken. Ook niet de drie Renault-tanks die naar Zwijndrecht waren gezonden. Een tank kreeg onderweg panne terwijl het voertuig van luitenant Gailly door een PAK 37 in brand werd geschoten. Een Duitse filmploeg maakte daar trouwens een spectaculaire close-up van die het bioscoopjournaal zou halen. De derde Renault bestookte de Duitse infanteristen met mitrailleurvuur en verliet daarna het strijdperk. Rond Hemiksem schoten Belgische kanonnen enkele tankers en petroleuminstallaties in brand, maar in plaats van de overtocht van Duitse troepen te verhinderen, dreven de schepen af naar de sector van het 2de Karabiniers-Wielrijders die moesten wijken voor het inferno. Tegen de avond dan trok het Cavaleriecorps zich terug naar het kanaal Gent-Terneuzen. Meer zuidwaarts, aan de Dender hielden de 1ste Divisie Ardense Jagers en eenheden van het Britse 2de Corps de Duitsers de ganse dag in bedwang. In Dendermonde doken enkele Jagers op een bepaald ogenblik met ontbloot bovenlijf in de rivier en bereikten sluipend over de half gedynamiteerde brug de overkant. Met het G.P.-pistool in de hand en enkele handgranaten aan hun gordel, drongen ze de huizen binnen waardoor er bij de Duitsers verwarring ontstond. Een lichtgewonde Duitser die niet tijdig de benen had kunnen nemen, werd voor ondervraging meegenomen en naar het stadhuis gebracht. Onmiddellijk na dit bravourestukje, dat vriend en vijand verbaasde, werd de brug totaal vernietigd. Verder werden enkele binnenschepen die de Duitsers van nut hadden kunnen zijn, door een T13 tot zinken gebracht. Aalst en Dendermonde kregen zware artilleriebeschietingen te verduren maar de Duitsers slaagden er niet in door te breken. In bezet België waren de Oostkantons op 18 mei ingelijfd bij het GrootDuitse Rijk.

Wat was er intussentijd bij de Fransen gebeurd? In Zeeland hadden de laatste restanten van het 7de Leger en enkele Nederlandse eenheden zich op Walcheren teruggetrokken. Na een hels artilleriebombardement, werden de opgejaagde soldaten op 17 mei in Vlissingen ingescheept en naar Zeeuws-Vlaanderen overgebracht. Slechts enkele Nederlanders gingen mee; voor de anderen was de oorlog nu definitief voorbij. Vele soldaten waren nog erg onder de indruk van de beschietingen toen ze in Terneuzen aan land gingen; een Frans officier schoot in een vlaag van zinsverbijstering zelfs een Belgische collega dood terwijl een Nederlandse officier gewond raakte. De Franse 60ste en 68ste Infanteriedivisie werden gereorganiseerd en zouden weldra worden ingezet voor de flankbescherming van het Belgische leger. Het 1ste Franse leger, dat zich zo kranig verweerd had rond Gembloers, verliet België en stond op 19 mei weer in Frankrijk. De terugtrekkende Noordafrikanen, die de sporen droegen van de dagenlange gevechten en ontberingen, zagen eruit als woeste Middeleeuwse krijgers en boezemden de Henegouwse bevolking angst in. Het Belgische 7de Legercorps verliet Namen; sommige eenheden trokken mee naar Frankrijk maar de meeste eenheden van de 8ste Infanteriedivisie en de 2de Divisie Ardense Jagers begaven zich naar Vlaanderen. De Belgen vorderden fietsen op bij de Naamse bevolking maar die weigerde ze te geven. Een gelijkaardig bevel zou nadien door de Duitsers gegeven worden. Die dreigden ermee de huizen plat te branden en binnen de kortste keren waren heel wat rijwielen bijeengebracht. In Frankrijk werd de situatie dag na dag slechter. Tientallen divisies werden achteruitgedreven terwijl ganse legers aan de Maginotlinie van de zomerzon zaten te genieten (enkel het fort La Ferté bij Longuyon zou op 18 mei worden aangevallen). Wel kreeg de kersverse brigadegeneraal Charles de Gaulle de opdracht om met de pas opgerichte 4de Gepantserde Divisie Guderians opmars te stoppen. De wil was er maar de middelen ontbraken. De Gaulle had namelijk de Franse equivalent van een Panzerdivision willen opbouwen maar hij kreeg het beloofde materieel niet toegezonden. Zo moest hij het stellen zonder verkenningsgroep, het bataljon Char B, de 105 mm gemechaniseerde kanonnen, gepantserde troepentransportvoertuigen en luchtdoelgeschut. Niettemin ging de divisie op 17 mei rond Laon in de aanval. De achterhoede van het 19de Pantsercorps werd volkomen verrast. De Duitsers werden uit Mont-

[p. 76]

cornet verdreven en 120 onthutste soldaten werden krijgsgevangen genomen. Ondanks de Stuka- aanvallen hernam de Gaulle de volgende twee dagen zijn bliksemactie rond Marle en Fismes. Sommige tanks kwamen zelfs vervaarlijk dicht bij Guderians hoofdkwartier. Op 19 mei echter kreeg de divisie het bevel de aanvallen stop te zetten om elders te worden ingezet. Maar intussen had haar dynamische en zelfbewuste commandant wel bewezen dat zijn vooruitstrevende opvattingen over het tankwapen, zoals beschreven in zijn boek Vers l'armée de métier, juist waren. Meer nog, enkele volledig uitgeruste en goed geleide divisions cuirassées hadden wellicht met geconcentreerde aanvallen de Duitse pantsermassa kunnen uiteendrijven. En indien daarbij het Scheldeplan was toegepast, zouden die divisies nog versterkt geweest zijn door een intact 7de Leger, dat dan rond Gent in reserve lag. Eveneens op 19 mei werd generaal Giraud gevangen genomen op het ogenblik dat hij nabij Le Catelet uit zijn mitrailleurauto stapte. En Gamelin, die nochtans stilaan uit zijn letargie leek te ontwaken, werd de laan uitgestuurd en vervangen door de 73-jarige Maxime Weygand, van wie gezegd werd dat hij een bastaardzoon was van koning Leopold II. Na zijn vertrek uit Syrië begaf de energieke en levenslustige Weygand zich de 20ste mei naar Vincennes, vastbesloten de Duitse opmars een halt toe te roepen. Maar net als zijn voorganger begreep de voormalige stafchef van maarschalk Foch niet wat een moderne oorlog was. Had hij voor 1940 immers niet de Gaulles opvattingen tot op het bot afgebroken in het tijdschrift Revue des Deux Mondes? Zijn vurige vaderlandsliefde en oprechte inzet zouden het tij niet kunnen doen keren ....

Het bruggehoofd Gent

De Belgen trokken terug, de Duitsers zetten de achtervolging in en hadden daarbij af te rekenen met een sterke achterhoede. Enkele dagen standhouden, en dan weer op weg. Het leek een vertrouwd scenario te worden. Na tien dagen oorlog had het ons leger achter de Schelde en het kanaal Gent-Terneuzen gebracht. Van de grote Belgische steden waren nu enkel Brugge en Gent nog niet bezet. De Artevelde-stad vormde trouwens vanaf 20 mei het centrum van de Belgische verdediging. De stelling in Oost-Vlaanderen was echter veel minder beschermd dan de KW. Afgezien van de hindernissen van twee waterlopen, lagen er vrijwel enkel tussen Kwatrecht en Astene bij Deinze prikkeldraadversperringen en bunkers (±227). Om een of andere duistere reden waren bovendien de sleutels van die betonnen schuilplaatsen verdwenen! Twaalf divisies (w.o. een cavaleriedivisie) stonden in eerste lijn van Terneuzen tot Oudenaarde, waar de Britse sector begon. Elke divisie had een sector van ongeveer zes km te verdedigen, wat normaal is voor eenheden op volle sterkte. Maar door de herhaalde terugtocht waren heelwat soldaten hun regiment kwijtgeraakt. Ze zwierven rond, tevergeefs op zoek naar hun wapenmakkers, tot ze werden krijgsgevangen genomen of de 28ste mei ergens in Vlaanderen het nieuws van de capitulatie vernamen. Soms werden met die verspreide elementen nieuwe eenheden gevormd en toegevoegd aan een of ander regiment; in enkele gevallen zouden zelfs twee regimenten tot een worden samengesmolten, zoals het 33ste en het 34ste Linie. Ook qua uitrusting ontbrak er veel. Zo was bijvoorbeeld de helft van de infanteriemunitie verloren gegaan, ondermeer omdat de depots aan de KW niet tijdig konden ontruimd worden. Soldaten die hun wapen verloren hadden, werden vaak als arbeidskrachten ingezet. En misschien wel het belangrijkste: de meeste soldaten waren doodmoe. Ze hadden immers sinds hun vertrek de 16de of 17de mei nauwelijks rust gehad en daarbij moesten er bij elke halte schutterskuilen gegraven worden.

Terwijl het aan het kanaal rustig bleef, gingen de Duitsers op 20 mei aan de Schelde in het offensief. Rond Kwatrecht en Gijzenzele vochten de soldaten van de 2de Infanteriedivisie als veteranen. Aanval en tegenaanval volgden elkaar in een moordend tempo op. Zodra de Belgen terrein moesten prijsgeven, kwamen onmiddellijk andere eenheden in actie om de Duitsers te verdrijven. Het 2de Artillerie van kolonel Jacques Terlinden, waarvan de waarnemer in de kerktoren van Kwatrecht zat, schoot elke geconcentreerde aanval uiteen. Paniek maakte zich meester van de Duitse 56ste Infanteriedivisie. Er begonnen allerlei verhalen de ronde te doen. Zo dachten de soldaten dat de Belgische aanvallen geleid werden vanuit een buitgemaakt Duits

[p. 77]

De conferentie van leper (21 mei)
Met de rug tegen de zee

Nadat de geallieerde bevelhebbers op 12 mei te Casteau een conferentie hadden gehouden, werd er op 21 mei een nieuwe vergadering belegd. Het was meteen ook de laatste. Waren te Casteau alle delegatles aangekomen met slechts een half uur vertraging, dan had de verwarring die in de geallieerde staven heerste nu haar weerslag op de bijeenkomst te leper. Die kon nauwelijks een conferentie worden genoemd, ze was eerder een aaneenschakeling van door improvisatie gedomineerde ontmoetingen en besprekingen achter gesloten deuren, van gaan en komen, van onderbrekingen en hernemingen. Niemand maakte verslag op.
Generaal Weygand had reeds op 19 mei besloten tot een onderhoud met de opperbevelhebber van het Belgische leger en van de British Expeditionary Force. De stormloop van de Duitse pantserdivisies in de richting van de zee ten noorden van de Somme, dreigde een wig te drijven tussen de geallieerde legers, met Fransen, Britten en Belgen in het noorden, en Fransen in het zuiden. Die Duitse wig bood echter tegelijkertijd een gedroomde mogelijkheid voor een tegenoffensief. De pantsers waren ver vooruit op de infanterie en lieten een gevaarlijke leegte achter zich. De Duitsers hadden hun nek wel erg ver uitgestoken. Weygand koesterde de hoop er de guillotine op te laten neerkomen. Daarvoor was een gecombineerd offensief nodig vanuit het noorden en het zuiden. Vooral de coördinatie tussen Britten, Fransen en Belgen voor het noordelijke offensief moest zorgvuldig worden afgesproken. Weygand wilde zich onder meer van de steun van het Belgische leger verzekeren. De Belgische ministers Spaak. Pierlot en Denis, die in de nabijheid van de koning waren gebleven, hadden immers de vrees uitgedrukt dat de koning en zijn militaire raadgever generaal Van Overstraeten de voorkeur gaven aan de vorming van een laatste nationaal bolwerk aan de zee, waardoor het contact met de Geallieerden zou verloren gaan.
Daarom had Weygand op 19 mei besloten zich naar het Belgische Algemeen Hoofdkwartier te begeven. De ontmoeting met de koning werd geregeld door generaal Pierre Champon, hoofd van de Franse militaire zending in het Belgische Hoofdkwartier. Zij zou doorgaan op 21 mei. Op 20 mei poogde Weygand eerst nog generaal Billotte, bevelhebber van de 1ste Franse Legergroep, en Lord Gort, opperbevelhebber van de BEF, te ontmoeten in Norrent Fontés. Door de chaotische toestand kwam er van de ontmoeting niets in huis. De dag daarna begaf Weygand zich op weg naar leper, maar ook dat verliep niet zonder moellijkheden. Zijn vliegtuig steeg op van Le Bourget en landde in Béthune. Dat vliegveld bleek al ontruimd te zijn, zodat Weygand en zijn adjudant, kapitein Grasser, niet in staat waren leper op de hoogte te brengen. Om 13 u bereikte zijn vliegtuig dan Calais. Van daaruit kon hij telefoneren en zich met de auto naar leper laten brengen. Intussen had generaal Billotte het verzoek zich naar leper te begeven ontvangen. Met Gort was er nog geen contact.
Eenmaal te leper aangekomen, onderhield Weygand zich in het stadhuis eerst met Spaak, Pierlot en Denis. Die waren tevreden te vernemen dat de generalissimus van mening was dat het Belgische leger de band met de Geallieerden steviger moest aanhalen. Omstreeks 15 u trok Weygand zich met Leopold III terug in de grote raadzaal, terwijl generaal Van Overstraeten een gesprek had met de Belgische ministers in het kantoor van de burgemeester. Daarna werden de generaals Van Overstraeten en Champon verzocht aan de conferentie deel te nemen Van Overstraeten lichtte de situatie van het Belgische leger toe. De troepen bevonden zich aan het kanaal van Terneuzen, in het bruggehoofd van Gent en aan de Schelde tot Oudenaarde. Vervolgens zette Weygand zijn aanvalsplan uiteen. De Belgen hadden hierin de opdracht de noordelijke en noordoostelijke dekking van de BEF te verzekeren, waarvan het gros in zuidelijke richting zou aanvallen. Om zich van die taak te kunnen kwijten bevonden de Belgen zich volgens hem te ver naar het oosten. Hij stelde voor dat zij zich zouden terugplooien op de IJ-zer. Van Overstraeten vond dit onaanvaardbaar. De terugtocht naar de IJzer was teveel voor de oververmoeide troepen. Bovendien blokkeerden massa's vluchtelingen de wegen en kon de aanvoer van levensmiddelen en munitie niet worden gegarandeerd. Zo bevond zich het grote munitiedepot van de artillerie in Houthulst, ten oosten van de IJzer. Nog belangrijker was dat het bevel om terug te trekken naar de IJzer het moreel van de soldaten volledig zou kelderen. Weygand benadrukte nogmaals dat het uitermate belangrijk was de continuïteit van het geallieerde front te verzekeren. Van Overstraeten wees er echter op dat de Duitsers sedert de ochtend Abbeville reeds hadden bezet en dat die continuïteit dus ernstig in het gedrang was gekomen. De Franse opperbevelhebber bleek hiervan niet op de hoogte te zijn en reageerde ontsteld op het nieuws.
Na een onderbreking van een half uur werd de bespreking hervat met de juist aangekomen generaal Billotte, die werd vergezeld door generaal Bertrand Fagalde, de bevelhebber van het 16de Franse Corps. Billotte schetste een somber beeld van de situatie. Het was duidelijk dat de enige offensieve kracht voor het plan van Weygand kon komen van de Britten. Weygand kon echter niet op Gort wachten. Hij had de Franse eerste minister Paul Reynaud beloofd diezelfde avond nog terug te keren naar Parijs. Hij stemde er mee in dat de Belgische troepen hun bestaande posities behielden, zij het met een verlenging ervan naar de Frans-Belgische grens toe, zodat de Britse troepen daar zouden worden afgelost om aan het tegenoffensief te kunnen deelnemen. Dat besluit deelde hij nog vlug mee aan de Belgische ministers alvorens te vertrekken. Die voelden zich trouwens vernederd omdat ze van de koning niet hadden mogen aanwezig zijn bij de gesprekken. Zelfs generaal Denis, de minister van Defensie, was geweerd. De koning oordeelde dat de ministers niets te zoeken hadden op een bespreking van louter militaire aangelegenheden. De ministers voerden aan dat zij dat recht wel hadden omdat er zaken werden besproken die van beslissend belang konden zijn voor het land.

[p. 78]


De koning drong er bij Van Overstraeten en admiraal Roger Keyes, de speciale verbindingsofficier van Churchill bij de koning, op aan zo vlug mogelijk Gort te zoeken. Zij troffen hem niet aan in het Algemeen Hoofdkwartier van de Britten in Hazebrouck, waar totale verwarring heerste. Uiteindelijk wisten zij hem telefonisch te bereiken in Premesques.
Om 19 u kwam Gort in leper aan. Hij werd vergezeld door Pownall, stafchef van de BEF. Zij hadden een onderhoud met Leopold III en generaal Van Overstraeten. Ook de Franse generaals Billotte, Fagalde en Champon namen daaraan deel. Op dat ogenblik waren de Duitsers de Schelde overgestoken bij Oudenaarde. Twee Britse bataljons waren er omsingeld en hij stelde voor het Belgische leger terug te trekken naar de Leie en zijn front uit te breiden tot Menen. De Britse troepen zouden worden teruggetrokken van de Schelde naar de grens, in een gebied van Halluin tot Maulde. Zo zouden op de linkervleugel van de BEF twee divisies worden vrijgemaakt. Tijdens het onderhoud werd ook nog beslist dat de 60ste en 68ste divisie van het 16de Corps van het Franse leger onder Belgisch bevel kwamen. Om 21u30 was de bijeenkomst afgelopen. Gort drukte er voor zijn vertrek op dat de situatie nagenoeg hopeloos was en de kans op slagen van een aanval naar het zuiden zeer gering. De Britten waren in het geheim reeds bezig met de voorbereiding van de inscheping van de BEF.
De koning keerde terug naar Loppem, vergezeld door zijn militaire raadgever. Onderweg oordeelde hij dat het toch beter zou zijn met de terugtocht naar de IJzer te begin nen, zoals Weygand aanvankelijk had voorgesteld. Orders in die zin werden gegeven in de nacht van 21 mei. Weygand werd hiervan op de hoogte gebracht door Champon, en nam de terugtocht op in zijn operatiebevelen na de geallieerde conferentie die op 22 mei in Vincennes in aanwezigheid van Churchill gehouden werd. De volgende morgen zag de koning echter af van de 30 à 60 km lange terugtocht naar de IJzer omdat hij het na nauwkeurige bestudering onuitvoerbaar achtte. Er werd besloten, in overeenkomst met de beslissing van leper, de Belgische troepen strijd te laten leveren aan de Leie en het Afwateringskanaal van deze rivier, dat tot aan de zee liep. Tegen de avond van 22 mei begonnen de verplaatsingen.
De geallieerde situatie verslechterde echter zienderogen. Op de terugweg van leper naar Frankrijk was de wagen van Billotte ingereden op een vrachtwagen. Billotte overleed twee dagen later aan zijn verwondingen. Hij was niet meer bij bewustzijn gekomen en had bijgevolg niemand kunnen inlichten over de op de conferentie genomen beslissingen Zo ging kostbare tijd verloren alvorens generaal Blanchard, commandant van het 1ste Leger, als opvolger werd aangeduid en op de hoogte werd gebracht van het actieplan dat te leper was overeengekomen. Bovendien was met Billotte een figuur verdwenen waarin zowel Gort als Leopold III vertrouwen hadden. In de nacht van 23 op 24 mei besloot Gort de in de raid van Arras betrokken eenheden terug te trekken. In de ochtend van 24 mei begon de slag om de Leie.

observatievliegtuig. Op 21 mei in de namiddag besloot de commandant van de divisie zich defensief op te stellen. De eenheid had zware verliezen geleden; op tien dagen tijd had zij namelijk 65 officieren en zowat 1.000 onderofficieren en manschappen verloren, waarvan een derde aan de Schelde. Verscheidene bataljonscommandanten moesten daarom worden vervangen door jonge luitenants, die geen ervaring hadden in de bevelvoering boven het niveau compagnie. Ten noorden van Oudenaarde ontmoetten de Duitsers een zelfde taaie weerstand vanwege de Jagers te Voet van generaal Pire, gesteund door het 10de Artillerie. Ook de Duitse kanonnen beukten in op de Belgische stellingen maar de infanteristen slaagden er niet in hun tegenstanders achteruit te drijven. Uur na uur steeg het dodental aan beide zijden. Bij de brug van Zingem doodden de Duitsers praktisch een gans peloton waarna ze de Schelde overstaken. Maar na een krachtige tegenaanval werden de aanvallers in de avond van 21 mei weer over de rivier gedreven. In Oudenaarde zelf hadden de Duitsers meer geluk. Daar waren infanteristen reeds in de avond van 20 mei met behulp van aken tot aan de overkant geraakt; 24 uur later hadden de Duitsers er na schermutselingen rond het kasteel van Petegem een stevig bruggehoofd gevormd. Maar de sector werd dan ook verdedigd door een middelmatige divisie, namelijk de 44ste Home Counties. Rond Doornik hielden de Britten echter stand. Op 21 mei werden ook de pogingen om het kanaal Gent-Terneuzen over te steken, bloedig afgeslagen. In Zelzate en Terdonk werden infanteristen die met rubberbootjes de kanaalberm kwamen afgerend door geweer- en mitrailleurvuur weggemaaid. Sommigen die toch op het kanaal geraakten, moesten zwemmen voor hun leven nadat hun bootje was lek geschoten. De eenheden van de 6de en 11de Infanteriedivisie veroorzaakten een zodanige slachtpartij dat de commandant van het 26ste Duitse Legercorps, generaal Woldrig, besloot om de volgende aan-

[p. 79]



illustratie

1




illustratie
2




illustratie
3




illustratie
4




illustratie
5
(1-2) Aalst na de Duitse artilleriebombardementen. (3) Duitse pantserwagen uitgeschakeld door T13. (4) Duitse infanteristen in Terdonk. (5) Britse tankbemanningen in Arras; op de achtergrond enkele lichte Mark VI's.


[p. 80]

val tot 23 mei uit te stellen. Bij de soldaten van de 13de Infanteriedivisie (eenheid van tweede reserve) ontstond echter paniek, omdat zij ten onrechte dachten dat de Duitsers zich reeds op de linkerkanaaloever bevonden. Honderden officieren en manschappen verlieten hun gevechtspost ondanks de pogingen van de commandant van het 33ste Linie, kolonel Léon De Waele, om de vluchters tegen te houden. Gelukkig voor de Belgen vielen de Duitsers niet aan. Maar het was duidelijk dat de vermoeidheid en het defaitisme hun tol begonnen te eisen.

Van het Franse front bleef het slechte nieuws toestromen. Op 20 mei omstreeks negen uur 's avonds waren de Duitse pantsers immers doorgestoten tot Abbeville aan de monding van de Somme. Enkele uren daarvoor hadden dronken Franse soldaten 21 verdachten nabij de stadskiosk afgemaakt. Onder de slachtoffers bevond zich ook Verdinaso-leider Joris van Severen en zijn medewerker Jan Rijckoort, wiens schedel werd ingeslagen. Een 61-jarige vrouw overleed na vijf bajonetsteken (in 1942 zou de verantwoordelijke luitenant door de Duitsers worden terechtgesteld; na de oorlog echter noemden de inwoners van de stad een straat naar deze officier). De inname van Abbeville betekende dat de geallieerde en Belgische legers in de val zaten. En het tragische was dat Weygand als gevolg van de slechte radioverbindingen niet op de hoogte bleek te zijn van dit grandioze Duitse succes. Daarbij verslechterden de relaties tussen de Fransen en de Britten. Churchill had immers geweigerd om nieuwe jager-escadrilles op het vasteland te stationeren; wel zouden de Spitfires en Hurricanes vanuit bases in Engeland opereren, wat echter wel de gevechtsduur beperkte. Ook vreesde de Franse legerleiding dat de BEF zich weldra van het strijdtoneel zou terugtrekken (de Britse premier had op 17 mei inderdaad de opdracht gegeven om een eventuele inscheping te bestuderen). Toch ondernamen de Britten nog een aanval, waarvan de resultaten uiteindelijk veel groter zouden zijn dan de inzet kon doen vermoeden. 74 tanks, waaronder 16 middelzware Matilda's, gesteund door een brigade van de 50ste Northumbrian Infanteriedivisie, stootten vanaf 14 uur door in de richting van Arras. Daar overrompelde deze zogenaamde Frank Force, onder het bevel van generaal sir Giffard Le Q. Martel, de voorhoede van Rommels 7de Pantserdivisie. Het verrassingseffect was enorm. Dit was voor een groot deel te danken aan de Matilda's die voorop reden en met hun zware twee pond kanon onverbiddelijk elke tegenstand uitschakelden terwijl de granaten van de Duitse tanks op hun dikke pantser (70 mm) afketsten. Sommige Matilda's incasseerden zelfs tot 15 voltreffers zonder noemenswaardige schade op te lopen! Vele Duitsers sloegen op de vlucht, waaronder ook de elite van de elite, de SS-brigade Totenkopf. 400 man werd krijgsgevangen genomen. Tegen de avond joegen de Stuka's de aanvallers uiteen maar intussen hadden onheilspellende berichten de hoogste Duitse legerechelons bereikt. Rommel beweerde zelfs door vijf divisies te zijn aangevallen! De generaals moesten terugdenken aan de Britse tankaanval bij Cambrai op 20 en 21 november 1917 die bijna een doorbraak op het Westfront tot gevolg had gehad, en ook Hitler was er niet gerust in. Feit is dat indien de Britten twee volledige Armoured Divisions hadden ingezet, het hele Manstein-plan wellicht in duigen was gevallen.

Maar Hitler en zijn generaals werden nog door andere gebeurtenissen opgeschrikt. Bij Legergroep A meldden von Kleist en von Kluge op 22 mei dat nog slechts 50% van hun tanks onmiddellijk konden worden ingezet. De dag nadien kwam het bericht dat de Stuka's van het VIIIste Fliegerkorps (generaal Freiherr Wolfram von Richthofen) zware verliezen hadden geleden tegen Britse jagers... een voorproefje van wat hen tijdens de Slag om Engeland zou te wachten staan. Daarbij had Arras de vrees doen ontstaan voor een grootscheeps geallieerd tegenoffensief. Een vrees die nog toenam door de melding van Franse troepenontplooiingen ten zuiden van de Somme en de aanvoer van versterkingen uit Groot-Brittannië (de Duitsers wisten echter niet dat de troepen die op 23 mei in Calais en Boulogne waren aan land gezet nauwelijks de sterkte hadden van een divisie). En generaal Halder zag af van het plan om bij Doornik en Condé door te stoten, als gevolg van de hardnekkige Britse tegenstand. Aan Duitse zijde ontstond twijfel en onenigheid over de te volgen strategie, hetgeen de geschiedenis zou ingaan als de Vertrauenkrise.

Op 23 mei namelijk beval von Rundstedt om de geconcentreerde pantseraanvallen voorlopig

[p. 81]

stop te zetten. Niet minder dan vier pantserdivisies zouden bovendien rond Arras moeten blijven; de Duitsers waren als het ware gebiologeerd door die plek, hoewel de geallieerde aanwezigheid daar weinig gevaar inhield. De overige pantserdivisies mochten de lijn Gravelines, Saint-Omer- Béthune niet overschrijden. Dit bevel druiste regelrecht in tegen de orders van von Brauchitsch, de chef van het OKH. Die wilde immers dat Legergroep A en B de strop rond de geallieerde en Belgische legers zo snel mogelijk zouden dichthalen en werd daarin volmondig gesteund door Guderian, wiens leuze was: Klotzen, nicht kleckern (geen gedonder, erop los). Bovendien plaatste von Brauchitsch het 4de Leger van Legergroep A onder het commando van von Bock, wat hem de kritiek opleverde van zijn stafchef Halder. Toen Hitler dit alles vernam, ontstak hij in razernij. Onmiddellijk maakte hij de orders van von Brauchitsch, die zonder zijn Führer te raadplegen had gehandeld, ongedaan (eind 1941 zou de ondertussen tot veldmaarschalk gepromoveerde generaal trouwens ontslagen worden door Hitler die hem als een lafaard en zwakkeling bestempelde na het vastlopen van het Duitse offensief in Rusland). Meer nog, door toedoen van Hitler kregen de pantserdivisies een definitief Haltbefehl. Zo kwam de Führer ruimschoots tegemoet aan von Rundstedt, voor wie hij steeds een stille bewondering had gekoesterd als zijnde een der laatste vertegenwoordigers van de oude Pruisische landadel. Guderian was de wanhoop nabij. Zijn voorhoede stond op 24 mei immers op slechts 15 km van Duinkerke. Ook von Kluge en von Kleist betreurden dat Hitler een unieke kans liet voorbijgaan om voorgoed met de tegenstander af te rekenen. Over dit vermaarde Haltbefehl zouden later vele verhalen de ronde doen. Zo werd gezegd dat Hitler de Engelsen de gelegenheid zou willen gegeven hebben om te ontsnappen, met de bedoeling na de uitschakeling van Frankrijk tot een voordelig vredescompromis te komen. Meer aannemelijk lijkt echter dat de Duitse leider in de eerste plaats een aantal militaire aspecten in overweging nam. De tanks waren inderdaad aan een rustpauze toe (vele motoren waren oververhit geraakt door de lange ritten!). Daarbij kende Hitler als veteraan uit de Eerste Wereldoorlog het terrein in Frans-Vlaanderen, dat bij regenval in een zompig moeras veranderde en ongeschikt was voor zware voertuigen. Wellicht daarom, en ook om zijn vriend Reichsmarschall Göring ter wille te zijn, besliste hij dat de Luftwaffe de genadeslag zou toebrengen.

Terwijl een deel van het Belgische leger zich terugtrok achter de Leie en het Afwateringskanaal, ging het 18de Leger op 23 mei terug in de aanval, over praktisch de ganse lengte van het kanaal Gent-Terneuzen. Ook ditmaal waren de gevechten bloedig en hoorde men aan beide kanaaloevers het gekerm van gewonde en stervende soldaten. Rond de Kuhlmanfabrieken werd de bemanning van een bunker met een artillerievoltreffer uitgeschakeld. De obus onthoofdde een jonge sergeant, terwijl zijn pelotonscommandant vreselijke brandwonden opliep; een derde militair verloor beide voeten door rondvliegende scherven en overleed later in het ziekenhuis van Brugge. Deze keer slaagden de Duitsers er wel in na zware lucht- en artilleriebombardementen de linkerkanaaloever te bereiken. Maar tegen de avond voerden de Belgen (o.a. het ‘Limburgse’ 14de Linie) zulke krachtige tegenaanvallen uit dat de infanteristen hals over kop het kanaal indoken en zich met hun rubberbootjes of al zwemmend probeerden in veiligheid te brengen. Bij een aantal Duitse eenheden zat de schrik er diep in en ze waren niet meer geneigd om nogmaals de helse oversteek te wagen. In Gent echter stelden de Duitsers tot hun grote verbazing vast dat duizenden soldaten zich onverwijld overgaven, hoewel er nauwelijks een schot gelost was. Wat was er gebeurd? Toen de stedelijke autoriteiten zagen dat de soldaten van de 16de en 18de Infanteriedivisie zich voorbereidden op een Duitse aanval, verklaarden ze Gent tot open stad. Politieagenten werden uitgezonden om deze beslissing aan de troepen mee te delen en de soldaten te vragen hun wapens neer te leggen. Een vrouwelijke schepen begaf zich met een witte vlag naar de Duitse linies. Er ontstond grote beroering; Gent wilde de soldaten weg maar die durfden daar geen gehoor aan te geven zonder bevel van hogerhand. Burgers scholden de officieren en manschappen uit en hinderden de inplaatsstelling van het materieel. Zij vreesden immers hetzelfde lot te ondergaan als Warschau of Rotterdam, steden die zwaar waren getroffen. Die vrees werd nog groter toen een Duits officier, een zekere luitenant

[p. 82]

Schönenberger, vergezeld van een inwoner van Ledeberg zich als onderhandelaar aandiende. Hij dreigde ermee dat indien de stad zich niet overgaf zij zou vernietigd worden door honderd batterijen en twee legers. In feite had Schönenberger van geen enkele generaal de bevoegdheid gekregen om onderhandelingen te voeren en lag er helemaal niet zo een grote strijdmacht rond de stad. Daarbij wisten de Gentenaars ook niet dat von Brauchitsch de 22ste mei uitdrukkelijk het bevel had gegeven om de Vlaamse steden te sparen (enkel de kust zou nog gebombardeerd worden). Maar het dreigement van Schönenberger had effect. Het moreel van de bevolking bereikte een dieptepunt. En toen een Duitse verkennersgroep via een half vernielde brug over de Schelde de stad binnentrok, was er ook bij de soldaten geen houden meer aan. Op korte tijd gaven bijna 10.000 Belgen zich over. Sommige officieren probeerden de soldaten nog tot vechten aan te zetten maar het was allemaal tevergeefs. De bevelhebber van het 41ste Linie, kolonel Edmond Van Loocke, zou zelfs met zijn pistool naar Belgische soldaten geschoten hebben, vooraleer hij en de luitenant die hem verwittigd had, door een mitraillette geveld werden. Of er bij dit alles sprake was van bewuste pro-Duitse agitatie blijft onduidelijk maar zeker is wel dat door de afwezigheid van Belgische tegenstand op 23 mei 's avonds de hakenkruisvlag aan het Gentse stadhuis hing. De overgave van Gent betekende ook het verlies van een belangrijke olieraffinaderij en miljoenen liters brandstof.

De ultieme krachtinspanning: de gevechten aan de Leie en het afwateringskanaal

Vanaf de inval van 10 mei tot en met de gevechten aan de Schelde en het kanaal Gent-Terneuzen, was het steeds een beperkt deel van het Belgische leger dat contact had met de Duitsers. De rest trok zich terug. Maar na precies 14 dagen oorlog was van terugtrekken geen sprake meer. Het grootste deel van het land was bezet en de koning had steeds geweigerd om zijn hoofdmacht buiten het Belgische grondgebied te ontplooien. Zoals beslist na Ieper zou er aan de Leie en het Afwateringskanaal slag geleverd worden. Het zou een bloedige slag worden, met duizenden doden en gewonden aan beide zijden. Daarbij werd het leger nu en masse ingezet. Of althans wat er van overbleef, want door de wervelende krijgsverrichtingen en het terugtrekken, waren 22 Belgische divisies herleid tot de sterkte van 15. Veel materieel ontbrak en de munitievoorraad liet geen wekenlange gevechtshandelingen meer toe. Het tekort aan brood, sinds het verlies van de Gentse legerbakkerijen, werd slechts gedeeltelijk gecompenseerd door de aanvoer uit Engeland en Frankrijk en de medewerking van burgerdistributiediensten. Dag na dag werd het bevoorradingsprobleem acuter. Ook de medische diensten functioneerden niet meer behoorlijk; een aantal gewonden had al dagenlang geen verzorging gekregen en liep infecties op. Burgers en geestelijken probeerden hulp te bieden maar misten vaak de nodige deskundigheid.

Ondanks al deze tekortkomingen bleef het moreel in vele eenheden relatief goed. In sommige echter was de bereidheid om weerstand te bieden praktisch totaal verdwenen. Deserties kwamen veelvuldig voor en de rijkswacht diende zelfs een drietal verzamelcentra in te richten om die soldaten op te vangen... en terug naar het front te sturen. Van de dood met de kogel waarmee elke rekruut (tot 1967!) werd afgeschrikt was geen sprake, hoewel verscheidene officieren daarmee herhaaldelijk gedreigd hadden. Elke soldaat was nodig en daarbij verliepen de gebeurtenissen veel te snel om een krijgsraad te organiseren. De Duitsers die de knepen van de psychologische oorlogvoering kenden, trachtten bovendien het moreel te ondermijnen door duizenden pamfletten met situatieschetsen boven het front af te werpen. In de 2de Infanteriedivisie werden er echter tegenmaatregelen genomen door het verspreiden van bladen die wezen op het leugenachtige karakter van de Duitse pamfletten. Ook de aanwezigheid van tienduizenden vluchtelingen in het gebied tastte de weerbaarheid van de manschappen aan. De afgematte soldaten hadden al dagenlang niets meer gehoord van hun familieleden. Geruchten waren dan ook vaak voldoende om de wapens neer te gooien en naar hen op zoek te gaan. Toch waren er regimenten die zich tot het uiterste zouden verdedigen en in verbitterde gevechten hun tegenstanders de zwaarste verliezen van de ganse veldtocht toebrachten. De zenuwachtige Duitse soldaten, wier aanvallen

[p. 83]



illustratie

1




illustratie
2




illustratie
3




illustratie
4




illustratie
5
(1) Met opgeëist materieel zetten Duitse infanteristen hun tocht naar het Afwateringskanaal verder. (2) Het 4de Karabiniers-Wielrijders in de aanval te Knesselare (tekening door James Thiriar). (3) Duitsers aan de Leie. (4-5) Overtocht van het Afwateringskanaal ten noorden van Deinze.


[p. 84]

telkens bloedig werden afgeslaan, zouden in een aantal gevallen zelfs ‘oorlogsmisdaden’ begaan.

Het terrein waar de gevechten zich afspeelden hield vele nadelen in voor de verdediging en was allerminst te vergelijken met de stellingen die de Belgen tot dan toe hadden ingenomen. De natuurlijke hindernis van de Leie en het Afwateringskanaal was slechts een 20-tal meter breed. Beide waterlopen hadden een geringe diepte en de Leie vertoonde vele bochten, wat het omsingelen en afsnijden van de verdedigende soldaten vergemakkelijkte. Bovendien maakten de dichte plantengroei en de bewoonde agglomeraties vijandelijke infiltraties tot vlak bij de oevers mogelijk. Nergens was het graan weggemaaid zodat infanteristen sluipend door de 50 cm hoge gewassen praktisch onzichtbaar werden voor de Belgische soldaten. Bunkers, prikkeldraadversperringen, mijnenvelden of andere obstakels waren er niet (aan de oostelijke zijde van het Afwateringskanaal lagen wel een aantal loopgraven die dateerden uit de mobilisatietijd maar die zouden enkel de Duitsers van nut zijn!). Het ging dan ook duidelijk om een geïmproviseerde, zwakke verdedigingslijn. De Duitsers zetten twee legers in. Het 18de opereerde aan het Afwateringskanaal en was met zijn vier divisies numeriek in de minderheid. Het 6de daarentegen wierp acht divisies in de strijd tegenover slechts vier Belgische. De overige Belgische divisies werden in reserve gehouden terwijl vier instonden voor de verdediging naar het westen.

De slag begon in de vroege morgen van 24 mei toen de Duitse artillerie en de Luftwaffe hevige bombardementen uitvoerden in de streek van Kortrijk en Menen. Na de mislukte offensieven rond Doornik hoopten de Duitsers daar immers door te breken. De sector had slechts een dunne verdediging en lag aan het uiterste einde van het Belgische front dat op vraag van de Britten was uitgebreid. Ondanks het geconcentreerde vuur van de Belgische artillerie, wisten de Duitse infanteristen met heel wat verliezen de Leie over te steken. De soldaten van de 1ste en 3de Infanteriedivisie beten flink van zich af; majoors en kolonels stonden op de vuurlijn zoals ze dat destijds als jong officier aan de IJzer hadden gedaan. In Bissegem raakte kapitein-commandant Charles Claser, die tijdens de bezetting het Belgische Legioen zou oprichten, gewond bij het leiden van een tegenaanval. In Kuurne onderscheidde het 12de Linie van kolonel Yvan Gérard, de latere bevelhebber van het Geheim Leger, zich. Onder een regen van granaten bleef het regiment aanvallen uitvoeren, gesteund door het 3de Artillerie. Een peloton chargeerde zelfs met de bajonet in de stijl van '14-'18 en joeg een groep Duitsers op de vlucht. Maar de prijs die het 12de moest betalen, was hoog. Van de 2.000 man sneuvelden er 131 en raakten er meer dan 500 gewond. Het vinnige optreden van de infanteristen kon echter niet verhinderen dat de Duitsers tegen de avond enkele bruggehoofden hadden veroverd. De uitgeputte divisies trokken zich terug en werden vervangen door andere, zodat na korte tijd bijna een derde van het Belgische leger zich in de bedreigde sector bevond. Ook aan het Afwateringskanaal probeerden de Duitsers een doorbraak te forceren. In Ronsele staken soldaten van de 208ste Infanteriedivisie 's avonds via een loopbruggetje de waterloop over en veroverden in de sector van het 23ste Linie een strook van 600 meter breed. De soldaten waren aangeslagen. Het 22ste Linie kreeg daarop het bevel om de Duitsers weer over het kanaal te drijven en gesteund door het 7de Artillerie en een escadron cyclisten, trok het 1ste bataljon van majoor Robert Feyerick ten aanval. Ook een bataljon van het 2de Linie zou in actie komen, zodat uiteindelijk de drie regimenten van de 12de Infanteriedivisie bij de strijd betrokken waren. Maar de Duitsers klampten zich vast aan elke vierkante meter en de gevechten duurden de ganse nacht. Pas tegen de morgen van 25 mei slaagden de Belgen erin de kanaaloever te bereiken. Een T13 schakelde verscheidene Duitse mitrailleursnesten uit en vernietigde de voetbrug met zijn 47mm-kanon. De Duitsers zaten gevangen. 235 man, waaronder 5 officieren gaven zich over (het ironische was dat een van die officieren het nonchalante gedrag van de Belgische soldaten niet meer kon aanzien en met enkele ‘Pruisische’ bevelen zijn manschappen in het gelid bracht). Die lokale overwinning kostte het leven aan 43 manschappen en 5 officieren, waaronder majoor Feyerick.

Vanaf 25 mei zou het Belgische front over praktisch de gehele lijn worden aangevallen. De koning die wist dat er zich een uitputtingsslag

[p. 85]

De conferentie van Wijnendale (25 mei)
De kiemen van de Koningskwestie

Door de mislukking van het te leper geplande tegenoffensief zag de toestand er voor België hachelijker uit dan ooit. Op hulp van Frankrijk moest niet meer worden gerekend, want de verwarring was er totaal. De band met de zich naar Duinkerke terugtrekkende Britse troepen werd steeds zwakker. De mogelijkheid van een Belgische capitulatie leek met de dag reëler. In die omstandigheden drong de cruciale vraag zich op. Zou de koning zijn ministers vervoegen en met hen in ballingschap treden in het buitenland? Of zou hij als opperbevelhebber tot het bittere einde bij zijn leger blijven en met zijn soldaten in gevangenschap gaan? Deze netelige kwestie had al vroeg in de campagne geleid tot een gespannen verhouding tussen koning en ministers. De discussie zou uiteindelijk uitmonden in een breuk tijdens de ontmoeting te Wijnendale op 25 mei.
Eerste minister Pierlot werd zich voor het eerst bewust van een ernstig meningsverschil met de koning op 14 mei, de dag na de doorbraak bij Sedan. Pierlot had die dag een onderhoud met Leopold III en drong er op aan de Belgische troepen terug te trekken in zuidwestelijke richting, naar Frankrijk. De koning weigerde dit. Pierlot werd getroffen door de defaitistische sfeer die heerste in het hoofdkwartier en was bang dat de vorst van plan was zijn troepen terug te trekken in een bastion rond Zeebrugge, los van de Geallieerden. De vrees van de regering werd twee dagen later nog vergroot. Op 16 mei werden Pierlot, Spaak en Denis door Leopold III ontvangen in het Algemene Hoofdkwartier te Breendonk. Zij stelden er onthutst vast dat hij de juistheid van de beslissing van de Nederlandse koningin Wilhelmina om naar Londen uit te wijken scheen in vraag te stellen. Wat Leopold III niet wist, was dat Wilhelmina helemaal niet van plan was geweest naar Engeland te gaan. Zij had op 13 mei haar residentie verlaten en was met een escorte naar Zeeuws-Vlaanderen vertrokken met de bedoeling de strijd van daaruit verder te lelden, naar het voorbeeld van wat de Belgisohe koning Albert achter de IJzer had gedaan. Tijdens de tocht bleken de gevaren echter zodanig groot dat beslist werd de koningin, noodgedwongen en zeer tegen haar zln, in Engeland in veiligheid te brengen. Na de ontmoeting schreef Pierlot een brief naar de koning om het standpunt van de ministers duidelijk te maken: de regering wou dat het Belgische leger zich niet liet scheiden van de Geallieerden en dat de koning zich niet liet gevangen nemen. Het voortbestaan van het land moest worden verzekerd door de vrijwaring van zijn essentiële organen. Op 18 mei vertrok het merendeel van de ministers naar Frankrijk. Enkel Pierlot, Spaak, Denis en Arthur Vanderpoorten bleven op verzoek van de koning in zijn onmiddellijke omgeving. Het kwam bijna dagelijks tot discussies tussen de vorst en deze vier ministers. Al die tijd was de voltallige regering eensgezind in haar standpunt tegenover de koning, zowel de ministers die bij Leopold III waren gebleven, als zij die naar Frankrijk waren uitgeweken of in Engeland verbleven (zoals minister van Financiën Camille Gutt). De onenigheid bleef draaien rond wat de koning te doen stond indien het leger gedwongen werd de strijd te staken. De ministers bleven bij hun standpunt dat de koning op de eerste plaats staatshoofd was en dus bij de regering moest blijven. De koning zag zich vooral als opperbevelhebber en vond dat hij het lot van het leger moest delen. Twee andere problemen waren onafscheidelijk met die kernvraag verbonden: de internationale verplichtingen van België en de verderzetting van de oorlog na de capitulatie. Vermits België Groot-Brittannië en Frankrijk te hulp had geroepen, was de regering van mening dat het een morele plicht was met hen de strijd verder te zetten tot aan de uiteindelijke overwinning. Leopold III deelde die mening niet; België had volgens hem geen andere verplichtingen dan naar best vermogen het nationale grondgebied te verdedigen. Hij werd in die overtuiging gesterkt door zijn moeder, koningin. Elisabeth, en door Hendrik De Man, één van zijn invloedrijkste raadgevers. Ook het voorbeeld van zijn vader oefende een grote invloed uit. Had koning Albert niet tijdens de Grote Oorlog eveneens zijn leger op het Belgische grondgebied gehouden? De ministers waren ervan overtuigd dat zelfs na de bezetting van het grondgebied de strijd nog zou kunnen worden verdergezet. In Frankrijk kon een nieuw leger worden samengesteld uit de eenheden die er zich reeds bevonden en uit de tienduizenden CRAB's die toestroomden. Bovendien was er de grondstofrijkdom van de kolonie. De koning dacht daar heel anders over. Hij achtte de vorming van een nieuw leger bij gebrek aan kaders onmogelijk, en zag niet in hoe België de Geallieerden nog zou kunnen steunen na de capitulatie.
Intussen rukten de Duitsers steeds verder op naar de Belgische kust. De vier ministers, die in Brugge hun intrek hadden genomen, werden ongerust. Op 24 mei 's avonds beide Spaak de generale staf om te informeren naar de toestand. Hij leidde uit dit gesprek af dat de Duitsers Brugge gevaarlijk dicht waren genaderd en werd bevangen door de vrees dat ze wel eens in vijandelijke handen konden vallen indien ze België niet snel verlieten. Daarop besloten zij hals over kop nog vlug een laatste ontmoeting te regelen met de koning. Die verbleef sedert 's middags in het door 600 na bos omgeven kasteel van Wijnendale, 30 km ten westen van de Leie en iets ten noordoosten van Torhout. De eigenaar bevond zich onder de wapens. Ook koningin Elisabeth, prins Karel en admiraal Keyes hadden er onderdak gevonden. In de loop van de avond had de koning in overleg met De Man een brief opgesteld voor de Engelse koning met een uiteenzetting van de omstandigheden die mogelijk tot een capitulatie zouden leiden. De brief werd nog dezelfde dag verzonden door Keyes. Omstreeks 21u30 was generaal Van Overstraeten aangekomen om de koning op de hoogte te brengen van de meest recente militaire ontwikkelingen. De nacht werd onafgebroken verstoord door het geluid van zwaar geschut.
In de vroege morgen, omstreeks 4u30, meldden de eerste minister en zijn drie collega's zich aan in het kasteel van Wijnendale. De koning ontving hen enkele ogenblikken later ledereen was oververmoeid, er heerste onzekerheid en de sfeer was gespannen. De ministers maakten de koning duidelijk dat dit hun laatste ontmoeting zou zijn, en vroegen hem met aandrang zijn mening alsnog te herzien en zich met hen naar het buitenland te begeven alvorens het onherroepelijk te laat zou zijn. Tijdens het druk heen en weer gepraat werden de gangbare protocolaire regels nauwelijks in acht genomen. Koning en ministers verdedigden hun zienswijzen openhartig en passioneel, soms zelfs agressief, en er vielen woorden als oneer, desertie en verraad. Alle argumenten van de voorbije dagen passeerden nog eens de revue. Maar iedereen bleef koppig bij zijn standpunt. De koning liet er

[p. 86]

geen twijfel meer over bestaan hij zou als gevangene in België blijven. Hij las hen de argumenten voor van de naar de Engelse koning gestuurde brief. Leopold III was in zijn beslissing vooral beïnvloed door zijn rotsvaste overtuiging dat de oorlog verloren was, niet alleen voor België, maar zelfs voor Frankrijk, en daarmee op heel het westelijke continent. Hierin verschilde hij fundamenteel van mening met de ministers, die niet inzagen dat Frankrijk er heel anders voorstond dan tijdens de Grote Oorlog, vermits ze hadden besloten zich daar terug te trekken. Geen van hen had op dat ogenblik het vermoeden dat zij de oorlog in Londen zouden doorbrengen.
Nu duidelijk was geworden dat Leopold III in België zou blijven, stelden de ministers zich onmiddellijk een aantal andere verontrustende vragen. Welke rol dacht de vorst in België te spelen?
Hij gaf toe dat hij helemaal geen vermoeden had van wat mogelijk zou zijn. Maar hij was in elk geval van plan zijn volk te beschermen tegen de gevaren van een bezetting, zoals bevoorradingsproblemen, verplichte tewerkstelling en deportaties. Dat betekende echter dat hij op een of andere manier hoopte te regeren onder de bezetter, waarop Spaak hem gespannen vroeg of er dan ook een regering zou werkzaam zijn in Brussel. De koning achtte dit vanzelfsprekend vermits hij geen dictator wilde zijn. Spaak kon niet anders dan de vraag stellen die hem nu op de lippen brandde: als de koning de wapens liet neerleggen, terwijl de regering vanuit Frankrijk de strijd zou verderzet ten, zou hij die regering dan nog als de zijne beschouwen? De vorst antwoordde ontkennend. De breuk was een feit. Eerste minister Pierlot verduidelijkte dat in dat geval de regering zichzelf als de grondwettelijke macht bleef beschouwen en zich voortaan openlijk van de koning zou distantiëren. De koning antwoordde dat hij zijn standpunt begreep. Daarop gaf hij zijn ministers koel de hand en wandelde hij de kamer uit. Rond 6u30 verlieten de ministers Wijnendale en haastten zich via Oostduinkerke en De Panne richting Duinkerke. Alvorens het grondgebied te verlaten, schreef de eerste minister nog vlug een kort briefje naar de koning met de mededeling dat zij het hun plicht achtten zich bij de regering in Frankrijk te vervoegen. Dat bericht bereikte de vorst via een koerier om 13 u. Vanuit Duinkerke werden de vier ministers nog dezelfde dag door een Britse torpedoboot naar Dover gebracht. Van daaruit reisden ze naar Londen, waar ze werden opgewacht door minister Gutt. De dag daarna vlogen zij naar Parijs. In de Belgische ambassade werd op een ministerraad verslag uitgebracht van de ontmoeting te Wijnendale. Heel wat ministers waren ervan overtuigd dat Leopold III van plan was een door het Derde Rijk goedgekeurd koninklijk en autoritair regime te installeren. Op 28 mei verklaarde eerste minister Pierlot tijdens een radiorede in Parijs dat de koning ondanks het advies van de regering was overgegaan tot onderhandelingen met de vijand en dat hij bijgevolg voortaan niet meer kon regeren.

aankondigde, richtte 's morgens een proclamatie tot zijn soldaten waarin hij hen moed insprak en zei dat hij bij hen bleef ‘wat er ook moge gebeuren’. Die woorden staken de erg beproefde manschappen een hart onder de riem maar zouden later door de regering Pierlot tegen de vorst gebruikt worden. In het kasteel van Wijnendale was het immers de vorige nacht tot een breuk gekomen tussen Leopold III en zijn ministers.

In de streek van Deinze zouden de gevechten het hevigst zijn. Duitse infanteristen konden in Nevele namelijk het Afwateringskanaal oversteken, omdat soldaten van het 15de Linie onmiddellijk de witte vlag hadden gehesen. Sommigen liepen zelfs vol enthousiasme naar een Duitse kapitein toen die riep: ‘Pour vous la guerre est finie!’ Hier en daar grabbelden officieren nog een wapen op maar al snel volgden ze het voorbeeld van hun manschappen die zich bij bosjes overgaven. Voor de anciens van '14-'18 was het een pijnlijke ervaring. Van het 15de Linie zou enkel de Mechelse reserveluitenant Gaston Mutsaerts sneuvelen. Terwijl hij zijn manschappen voor lafaards uitschold, dook Mutsaerts naar een mitrailleur maar werd langs achteren getroffen nog voor hij een schot had kunnen lossen (er bestaan vermoedens dat hij met opzet door een Belgische soldaat zou zijn omgebracht). De Duitse infanteristen konden verder oprukken en ontmoetten slechts lichte tegenstand. Meestal kwamen de soldaten van het 15de en 7de Linie al na enkele schoten uit hun loopgraven; sommigen zouden zelfs met Duitse soldaten een glas gaan drinken. In de dichtbewoonde streek liepen ook heelwat burgers rond waarvan er verscheidene door rondvliegende kogels getroffen werden, zoals de burgemeester van Poesele, Raymond De Boever, wiens lichaam in een kruiwagen terug naar huis werd gebracht. Oorlogsmoeheid, pro-Duitse propaganda en het besef tegen een superieure vijand te strijden (het psychologisch effect van de mitraillette was enorm!) vormden wellicht samen de reden voor de snelle overgave van de beide regimenten. Het ‘Limburgse’ 11de Linie probeerde nog een tegenaanval uit te voeren maar de soldaten durfden niet schieten omdat de Duitsers een scherm van krijgsgevangenen voor zich uitdreven. Zo konden de Duitsers gemakkelijk vorderen op de as Meigem-Vinkt, tot grote ongerustheid van het opperbevel in St-Andries bij Brugge.

[p. 87]

De commandant van het 7de Legercorps, generaal Verstraeten, stuurde daarop de 1ste Divisie Ardense Jagers en artillerie-eenheden om de bres te dichten (om het moreel van zijn manschappen op te krikken zou Verstraete hen Duitse krijgsgevangenen laten zien die er helemaal niet uitzagen als de supermannen uit hun verbeelding). Aan de weg Deinze-Tielt, die rond Vinkt verdedigd werd door de 7de compagnie van het 1ste Ardense Jagers, zou zich een drama afspelen. Toen een groep Duitsers de Belgische verdedigingsposten naderden, schreeuwde een van de krijgsgevangenen die als levend schild waren vooropgezonden, om niet te schieten. De bevelhebber van de Ardense Jagers, kapitein-commandant Pierre-Jean Dhuren, stond voor een vreselijk dilemma. De Duitsers laten begaan, betekende dat er een gevaarlijk diepe wig zou gedreven worden in de Belgische linies, maar anderzijds was de kans om eigen soldaten te doden erg groot. Plots zou Dhuren dan in Waals dialect geroepen hebben naar de schutter van een T13: ‘Godefroid, fâ tirer!’ Maar die antwoordde: ‘Min, commandant... C'est des Belges.’ Waarop Dhuren: ‘Rin n'a fé, Godefroid, fâ tirer!’ Daarop openden de T13 en alle aanwezige Jagers het vuur. De aanvallers sloegen in volle paniek op de vlucht maar tien Belgische krijgsgevangenen hadden het leven verloren, gedood door de kogels van hun eigen strijdmakkers. Kort nadien zou ook Dhuren zwaar gewond raken en in Brugge overlijden. Op andere plaatsen werden de Duitse infanteristen eveneens op het moorddadige vuur van de Ardense Jagers onthaald, terwijl de goed gecamoufleerde artillerie elke geconcentreerde aanval uiteenschoot (in hun velddagboeken zouden vele Duitse officieren toegeven dat de hoge verliescijfers voor een belangrijk deel te wijten waren aan het precisievuur van het Belgische geschut). In Deinze verplichtten de Duitsers zelfs burgers om onder het hevige Belgische artillerievuur de gewonden te gaan ophalen. Daarnaast moesten 150 mensen op straat blijven om de Belgen te ontraden de stad verder te beschieten. Maar de bombardementen duurden voort en tientallen inwoners werden gedood of gewond. Nogmaals was aangetoond dat in de oorlog andere wetten gelden!

Aan de Leie werd de druk echter onhoudbaar, zodat de divisies op de rechterflank zich terugtrokken op het kanaal van Roeselare en de Mandel. Maar daardoor ontstond er tussen Ieper en Zonnebeke een 8 km brede opening in de Belgische verdediging en was de verbinding met de Britten definitief verbroken. Van Overstraeten had immers uitdrukkelijk bevolen dat de Belgische rechterflank niet verder mocht reiken dan laatstgenoemde gemeente. Wel waren de 26ste mei op voorstel van kapitein baron Tony del Marmol 2.000 wagons als anti-tankversperring aangebracht op de spoorweg Ieper-Roeselare. Een initiatief dat getuigde van vindingrijkheid maar dat weinig aan de situatie kon veranderen, ook al omdat de hindernis niet over de volledige lengte verdedigd was. Bovendien gaf Churchill die dag het bevel om de inscheping van de BEF te beginnen (operatie Dynamo), zodat de Britten alsmaar meer in noordelijke richting trokken en het Duitse opdringen in Vlaanderen toenam. Het verzoek van koning Leopold aan de Britse onderstafchef, sir John Dill, om in de richting van Kortrijk aan te vallen was kort voordien afgewezen. Het was duidelijk dat nu ook het door Weygand te leper voorgestelde tegenoffensief, dat voornamelijk op de Britten steunde, niet zou kunnen doorgaan. Ook konden de Britten voor wie de veilige terugkeer van hun troepen nu first priority was, geen luchtsteun geven, zodat het Belgische leger vrijwel machteloos stond tegenover de Luftwaffe. Toch zouden de Belgen in deze erg moeilijke omstandigheden nog bijna twee dagen standhouden.

Overal in het front werden diepe bressen geslagen. Met een verbetenheid die niet in verhouding stond tot hun weinig benijdenswaardige positie, probeerden sommige eenheden de aanvallers terug te drijven. In Oostrozebeke zette een bataljon van het 21ste Linie alle beschikbare krachten in, ook de koks en het administratief personeel. Kanonniers vernietigden hun stukken in het zicht van de Duitsers en trokken zich daarna terug om als infanteristen de strijd verder te zetten. Zo werd het Duitse 455ste Infanterieregiment tegen de avond van 26 mei teruggedreven naar de samenvloeiing van de Leie en het kanaal van Roeselare. In totaal verloor de Belgische eenheid 10 officieren, 12 onderofficieren en 123 soldaten en korporaals (daarin zijn ook begrepen de verliezen bij de verdediging van lord Gorts hoofdkwartier in

[p. 88]

de Franse gemeente Hazebrouck op 21 mei). Ook aan het Afwateringskanaal waren de Duitsers in de Belgische linies doorgedrongen maar bij enkele vinnige tegenaanvallen rond Knesselare op 27 mei maakten het 1ste en 4de Karabiniers-Wielrijders (cyclisten) respectievelijk 50 en 118 Duitse krijgsgevangenen. In Vinkt slaagden de Duitsers er maar niet in door te breken en werd elke aanval bloedig afgeslagen door de Ardense Jagers, die door de zusters van een lokaal bejaardentehuis rijkelijk van voedsel waren voorzien. Nadat de Jagers zich hadden teruggetrokken, zouden de Duitse soldaten die op twee dagen tijd zoveel kameraden hadden verloren, hun woede koelen op de bevolking. Toen namelijk een kleine Belgische achterhoede de Duitsers beschoot, werd er van verschillende kanten geroepen: ‘Zivilisten haben geschossen’. Onmiddellijk werden tientallen burgers door de in paniek geslagen soldaten opgepakt. De angst voor francs-tireurs bij de Duitsers was immers even groot als de spionnenpsychose bij de burgerbevolking en had zich sinds de ervaringen tijdens de Frans-Duitse oorlog (1870) diep ingeworteld in het collectief geheugen van de soldaten (de Heckenschutzenpsychose). Daarbij had de 225ste Infanteriedivisie die rond Vinkt lag nauwelijks gevechtservaring. Zowat 86 burgers, waaronder kinderen en bejaarden, werden op brutale wijze gedood. 11 mannen zouden zelfs na zware mishandelingen met de bajonet worden afgemaakt. Minder bekend is het feit dat ook een zestal Jagers om het leven werden gebracht (waarvan er een de keel zou zijn overgesneden door een legerarts!). Het cynische was dat de Duitsers foto's namen van hun slachtoffers (wat na de oorlog als bewijsmateriaal zou dienen). Maar voor de Duitsers waren deze ‘executies’ geen misdaden omdat het volgens hen ging om spionnen in burger, die volgens de Haagse conventie van 1899 en 1907 mochten terechtgesteld worden. Een argument dat later ook door Amerikaanse militairen in Viëtnam zou worden ingeroepen! Na de oorlog zouden de twee hoofdschuldigen van het bloedbad, majoor Kühner en luitenant Lohmann aan het Belgische gerecht worden uitgeleverd en tot 20 jaar dwangarbeid worden veroordeeld. Ook in Olsene, Oeselgem en Zulte zouden burgers op verdachte wijze om het leven komen. In de kerk van Meigem werden 27 burgers, die daar door de Duitsers waren bijeengedreven, gedood na het inslaan van een Belgische 75 mm-granaat. Toch bleef een dergelijke houding van de Duitsers tijdens de meicampagne eerder uitzonderlijk.

Een onvoorwaardelijke capitulatie

Op 27 mei, terwijl de Geallieerden in Kassel en Dover confereerden in verband met de aan de gang zijnde inschepingen, besliste Leopold III om een militair onderhandelaar naar de Duitsers te sturen. Tegen vijf uur 's namiddags vertrok de onderstafchef, generaal Desrousseaux als ‘parlementair’ naar de Duitse linies (onderweg werd zijn wagen nog beschoten door opgeschrikte Belgische soldaten) en werd in het kasteel de Lannoy te Anvaing ontvangen door von Reichenau. Die deelde hem mee dat de Führer de onvoorwaardelijke overgave eiste. Met dit noodlottige bericht kwam de diepbedroefde Desrousseaux terug in Brugge aan. Van Overstraeten geloofde nog steeds in een deus ex machina (had het leger in 1914 ook niet aan de rand van de afgrond gestaan?), maar zijn invloed op de koning begon duidelijk af te nemen. Leopold III werd daarentegen steeds gevoeliger voor de adviezen van de germanofiele socialistische politicus Hendrik De Man. Die raadde hem aan om de wapens onmiddellijk neer te leggen; een voorstel om het algemeen hoofdkwartier naar Middelkerke te verhuizen was reeds eerder door de vorst afgewezen. De slinkende munitievoorraden en de dreigende omsingeling vormden al dagenlang een hoofdbekommernis van de koning en de generale staf. Daarbij waren de soldaten volkomen uitgeput en was hun geloof in een voorspoedige afloop van de strijd fel aangetast door het besef dat ze alleen vochten en opgeofferd werden om de aftocht van de Geallieerden te dekken. De koning voelde zich ook verantwoordelijk voor de tienduizenden weerloze vluchtelingen die in West-Vlaanderen ronddoolden, sinds de Franse grens was afgesloten. Op sommige plaatsen waren zelfs gevallen van tyfus gesignaleerd. Het waren voldoende argumenten om de vorst te doen besluiten de onvoorwaardelijke capitulatie te aanvaarden. Ze ging van kracht op dinsdag 28 mei om vier uur in de ochtend; sommige eenheden hadden het bericht echter niet ontvangen en zouden nog verscheidene uren

[p. 89]



illustratie

1




illustratie
2




illustratie
3




illustratie
4




illustratie
5




illustratie
6




illustratie
7
(1) Met telefoondraden worden de handen van burgers vastgebonden. (2-3) Slachtoffers van de Duitse gewelddaden in Vinkt. (4-5) Luitenant Lohmann en majoor Kühner, die na de oorlog verantwoordelijk werden gesteld voor het bloedbad. (6) Op het kerkhof van Vinkt werden zowel Belgische militairen als burgers begraven. (7) Duitse gesneuvelden na de bloedige confrontatie met de Ardense Jagers.


[p. 90]

doorvechten. De beslissing van de vorst zette kwaad bloed bij de regering Pierlot die niet was geraadpleegd. Leopold III zou zich echter juridisch indekken door de hulp in te roepen van enkele autoriteiten, de magistraat Raoul Hayoit de Termicourt en de politici Albert Devèze en Joseph Pholien, de latere CVP-premier.

Ook van Franse zijde werd bitsig gereageerd. De rede die premier Reynaud de 28ste mei 's morgens voor de radio uitsprak, lokte overal in het land een anti-Belgische stemming uit. Vluchtelingen werden voor sales boches du nord uitgescholden en in sommige gevallen zelfs gemolesteerd. Een houding die evenzeer te verklaren valt door het onvermogen van de Fransen om de Duitse vloedgolf in te dijken. De minister van propaganda, Frossart, had eveneens geen goed woord over voor de koning. Zijn Britse collega Duff Cooper daarentegen reageerde gematigder en bracht langs de BBC een eresaluut aan het Belgische leger, net trouwens als Churchill. Maar over de koning sprak de Britse premier in neutrale bewoordingen (de 4de juni zou de toon negatiever zijn). Lord Keyes tenslotte bleef tot aan zijn dood een vurige verdediger van zijn vriend Leopold III. Anders dan achteraf zou beweerd worden, waren de Geallieerden wel ingelicht over het voornemen tot capitulatie. Hun militaire missies in Brugge werden namelijk de 27ste om 17u30 op de hoogte gesteld, dus een half uur na het vertrek van Desrousseaux en ruim tien uur voor de officiële overgave. Een wellicht terechte kritiek was dat de overgave te ordelijk verliep en het hoofdkwartier niet het bevel gegeven had zoveel mogelijk materieel te vernietigen.

De Achttiendaagse Veldtocht had aan 12.000 Belgen het leven gekost, waarvan iets meer dan de helft burgers. 2.500 soldaten sneuvelden tijdens de laatste vier dagen. Van de officieren sneuvelden er 300 à 350; twee derden van hen behoorden tot het reservekader. Aan Duitse zijde lopen de cijfers nogal uiteen. Zo vertelden Duitse militaire autoriteiten op 1 juni aan de Amerikaanse journalist William Shirer dat er voor de ganse veldtocht in het Westen 35.000 à 40.000 doden waren en 150.000 tot 160.000 gewonden. Het officieel legercommuniqué daarentegen sprak op 3 juni van 10.252 doden, 42.523 gewonden en 8.467 vermisten. Bij de Fransen zouden 3.282 militairen gesneuveld zijn, bij de Britten 8.958, waarvan het grootste deel kort voor of tijdens de inschepingen.

De Belgische bevolking en de soldaten waren blij dat de koning hen voor verdere ellende behoed had. Zijn populariteit en prestige stegen enorm, in tegenstelling tot de regering die nu in de ogen van velen bewezen had dat ze niet meer was dan een stel opportunisten. Het lot van de krijgsgevangenen was echter onduidelijk en ook de Duitsers wisten aanvankelijk niet precies wat ze met die massa soldaten moesten aanvangen. Sommige eenheden waren zelfs drie dagen na de capitulatie nog niet ontwapend. Er waren ook heelwat militairen die er op een of andere manier wisten van onder te trekken. In het geval van majoor Raoul Defraiteur, de latere minister van Defensie, gebeurde dit onder protest van zijn medeofficieren die hem voor deserteur uitscholden. Van Overstraeten had immers bevolen dat de officieren bij hun manschappen moesten blijven. Toch zou zowat de helft van de officieren niet in krijgsgevangenschap belanden. Vanaf eind mei begonnen de transporten naar Duitsland, per trein of per schip. Tijdens een van die reizen deed zich een tragisch ongeval voor toen het schip Rhenanus 127 in het Hollands Diep nabij Willemstad op een mijn was gelopen. 134 Belgische militairen kwamen daarbij om, waaronder de Limburgse Salesiaan Hubert Vandersteegen, wiens lijk samen met 17 andere pas op 6 juni aanspoelde en in de Nederlandse gemeente Achthuizen werden begraven. Uiteindelijk belandden ongeveer 225.000 Belgen in krijgsgevangenschap. De officieren werden geïnterneerd in zogenaamde Oflags (Offizierslager), voornamelijk Prenzlau, Tibor en Luckenwalde. Alle andere militairen werden naar Stalags (Soldatenlager) gevoerd, Görlitz, Altengrabow e.a.. Vele soldaten zouden er tijdens de stralende zomer tewerk gesteld worden als hulp in de landbouw, onder andere bij de druivenpluk in de Moezelstreek. In het kader van de Flamenpolitik besliste Hitler dat de Vlaamse dienstplichtigen, soldaten zowel als officieren en onderofficieren, zouden vrijgelaten worden zodat velen reeds in de loop van 1940 naar België terugkeerden. Ook vrij veel Franstalige militairen wisten via een nogal dubieuze taaltest een Entlassungsschein te bekomen. In totaal zouden ongeveer 70.000 Belgische militairen tot het einde van de oorlog gevangen blijven. Zowat 2.500 waren Vlamingen,

[p. 91]



illustratie

1




illustratie
2




illustratie
3




illustratie
4




illustratie
5




illustratie
6
(1) Een teneergeslagen Desrousseaux wordt in Anvaing begroet door generaal Friedrich Paulus, stafchef van het 6de Leger. Nog geen drie jaar later zou Paulus zelf, als commandant van het 6de Leger, moeten capituleren in Stalingrad. (2) Generaal von Reichenau telefoneert met Hitler om richtlijnen te vragen inzake de Belgische capitulatie. (3) Desrousseaux bij het verlaten van het kasteel van Anvaing. Een Duits verbindingsofficier vergezelt hem. (4) Belgische krijgsgevangenen. (5) Het 11de Linie door de lens van een Amerikaans reporter (Time-Life). (6) Reacties van de Franse pers op de capitulatie.


[p. 92]

waaronder niet enkel beroepsmilitairen maar ook dienstplichtigen die om een of andere reden niet naar België konden terugkeren.

Toen het Belgische leger de wapens neerlegde, was de strijd nog niet gedaan. In de zogenaamde perimeter van Duinkerke zouden Britse en Franse troepen (w.o. de 60ste Infanteriedivisie die in de nacht van 27 op 28 mei met Belgische vrachtwagens achter de IJzer was gebracht) blijven doorvechten om de inscheping van de geallieerde troepen mogelijk te maken. Onder de onophoudelijke aanvallen van de Luftwaffe namen de scheepsbemanningen van de Franse en Britse marine, de Merchant Navy en honderden privé-vaartuigen de geallieerde militairen aan boord. Toen de 4de juni 's morgens Duinkerke werd ingenomen, waren 200.000 Britten en 140.000 Fransen via de stranden van Duinkerke en De Panne veilig in Engeland aangekomen. Ook Belgische schepen hadden hun steentje bijgedragen. Vooral het aandeel van de vissers uit Heist, Zeebrugge, Oostende en Nieuwpoort was opvallend. Zowat 50 vissersschepen met klinkende namen als ‘Getuigt voor Christus’ en ‘Hoop op de Toekomst’ namen aan de reddingsactie deel, evenals een zestal vaartuigen van de marine. In totaal brachten de Belgen ongeveer 10.000 militairen over, de sterkte van een divisie. Vooral voor de Britten was operatie Dynamo een eclatant succes. Het goedgetrainde kader van beroepsmilitairen dat weldra een miljoenenleger zou opleiden, was gered. Een factor die veel zwaarder doorwoog dan de enorme verliezen aan materieel, dat volledig op het vasteland achterbleef (1.200 kanonnen, 1.250 stuks luchtafweer en anti-tankgeschut, 75.000 voertuigen, 17.500 automatische wapens). Het ‘wonder van Duinkerke’ gaf de Britten bovendien de moed om de strijd verder te zetten en zich als één natie achter eerste minister Churchill te plaatsen. Zo vormden de verlaten stranden van Duinkerke en De Panne de eerste zware hypotheek op een totale Duitse overwinning (vier jaar later zou Montgomery zijn belofte waarmaken en naar het vasteland terugkeren, ditmaal niet aan het hoofd van een divisie maar als bevelhebber van een machtige, gecombineerde Brits-Amerikaanse strijdmacht!).

Belgische auteurs zouden later het succes van operatie Dynamo toeschrijven aan de taaie volharding van Leopold III en zijn leger aan de Leie. Dit is echter een te beperkte en al te nationalistische interpretatie. Immers, zonder het vermaarde Haltbefehl als gevolg van ondermeer de Britse raid bij Arras, zouden de Duitsers wellicht nog voor de Belgische capitulatie in Duinkerke gestaan hebben (pas op 27 mei zetten de pantsers zich weer in beweging!). Hetzelfde zou gebeurd zijn indien de perimeter niet op zulk een voortreffelijke wijze georganiseerd en verdedigd was. Franse en Britse opperofficieren gingen net als hun manschappen tot het uiterste om de operatie tot een goed einde te brengen. Admiraal Bertram Ramsay die de inschepingen leidde, de generaals Harold Alexander en Bernard Montgomery die tot het allerlaatste ogenblik hun divisies ter plaatse bleven aanvoeren, de Franse generaal Pierre Dame die in de perimeter zwaar gewond werd, en voor wie generaal von Reichenau het ‘presenteert geweer’ beval... het zijn maar enkele namen van hen die aan de nederlaag een minder bittere smaak hebben gegeven. Tenslotte was het welslagen van de hele onderneming ook te danken aan de piloten van de Royal Air Force en de Fleet Air Arm die het de Luftwaffe onmogelijk maakten om geconcentreerde aanvallen uit te voeren.

Op 28 mei was het Belgische leger niet geheel op non-actief gezet. In het fort van Tancrémont hield het Waalse garnizoen onder het bevel van de Ieperse kapitein Abel Devos nog korte tijd stand. De stevige vesting die was gebouwd in de rotsachtige bodem langs de Vesder had sinds 12 mei verscheidene artillerieaanvallen afgeweerd dankzij haar goede waarnemingsposten en beschikte nog over voldoende munitie en proviand om een twee weken lang beleg te doorstaan. Devos achtte zich niet gebonden aan het capitulatieprotocol omdat dit volgens hem enkel het veldleger betrof en niet het vestingleger. Daarbij had het fort de opdracht gekregen tot het uiterste stand te houden en was de oproep tot het algemeen hoofdkwartier (demande attitude à tenir) ontwijkend beantwoord. Toen Duitse militairen zonder helm en geweer voor het fort opdaagden en riepen dat de strijd voorbij was, werden ze op mitrailleurvuur onthaald, waarna ze snel het hazepad kozen. Uiteindelijk begon de commandant van Tancrémont de 29ste mei in de voormiddag te onderhandelen met de belegeraars. Pas nadat generaal Spang uitdrukkelijk op papier gezet had dat de capitulatie het leger in zijn

[p. 93]



illustratie

1




illustratie
2




illustratie
3




illustratie
4




illustratie
5




illustratie
6




illustratie
7
Na de capitulatie van het Belgische leger. (1) Duitse infanteristen bij de Menense poort te leper. (2) Overtocht van de IJzer in Sint-Joris. (3-4) De Duitsers in Nieuwpoort. (5-7) Achtergelaten Brits materieel in De Panne en Duinkerke.


[p. 94]

totaliteit betrof, riep kapitein Devos de verdedigingsraad van het fort bijeen (waartoe hij juridisch verplicht was) en gaf zich over. Omstreeks drie uur in de namiddag verlieten de verdedigers van Tancrémont het fort. Een haag van Duitse officieren bracht het eresaluut. Ook andere Belgische militairen legden zich niet zomaar bij de nederlaag neer. Zo was er het geval van genieluitenant Richard Smekens die zich in de voormiddag van 28 mei naar de perimeter van Duinkerke begaf samen met een twintigtal manschappen. De dag nadien werd de kleine eenheid toegevoegd aan het geniebataljon van de 2de Noordafrikaanse Divisie. Nog een dag later gingen de Belgen in Duinkerke aan boord van het Franse schip ‘Saint Hellier’, richting Folkestone. Dit kleine groepje zou de kern worden van wat na twee moeizame jaren uitgroeide tot de Belgische strijdkrachten in Engeland. Maar buiten Smekens en zijn mannen waren er nog militairen die op eigen initiatief vertrokken. Bijvoorbeeld de kapiteins Léo-Frans De Soomer en Emile Grossman en majoor Léon Renson die op 30 mei de Britse linies in Veurne bereikten en eveneens naar Engeland vertrokken (Renson zou in 1943 als kolonel-vlieger bij een luchtgevecht om het leven komen). Tenslotte bevond er zich in Frankrijk een Belgisch reserveleger dat bestond uit de gereorganiseerde 7de Infanteriedivisie, de opleidingseenheden, tal van verspreide elementen en de zogenaamde CRAB's (Centre de Recrutement de l'Armée Belge). Dit waren de mannen tussen 16 en 35 jaar die gehoor hadden gegeven aan de oproep van de regering bij het begin van de inval om zich via de verzamelcentra van Roeselare, Ieper en Poperinge naar Frankrijk te begeven. Door gebrek aan leiding vanwege de Belgische regering, bleef de ganse reserve van 150.000 à 200.000 man grotendeels onbenut. Er werden wel enkele arbeidersbataljons opgericht maar voor de meesten betekende het verblijf in Frankrijk een eindeloos afwachten. Vooral de CRAB's voelden zich aan hun lot overgelaten. Ze hadden een moeizame tocht per fiets en daarna per trein afgelegd om ergens in een militair verzamelkamp te eindigen, waar de hygiënische omstandigheden vaak te wensen overlieten. Velen onder hen waren overigens scholieren, die voor de eerste maal alleen van huis wegtrokken. Toen dan op 25 juni ook Frankrijk de wapens had neergelegd, dachten de mannen in Frankrijk nog maar aan een ding ... zo snel mogelijk naar huis terugkeren. Duizenden vluchtelingen deden hetzelfde. Zo ging de laatste kans verloren om een belangrijk effectief aan de geallieerde strijdmacht toe te voegen. De passieve houding van de regering Pierlot toonde aan dat ook zij niet meer geloofde in de eindoverwinning.

[p. 95]



illustratie

1




illustratie

2




illustratie

3




illustratie

4




illustratie

5
Geïsoleerd van het veldleger bleven de forten van Luik en Namen weerstand bieden. Battice (1-2) viel op 22 mei. De laatste forten van Namen gaven zich de dag nadien over. (3) In Tancrémont (Pépinster) weigerde kapitein Devos (foto in krijgsgevangenschap: eerste rij, vierde van links) zelfs op 28 mei de vlag te strijken. (4) Pas op 29 mei gaf Tancrémont zich over aan generaal Spang (vierde van rechts). (5) De gesneuvelde Duitse pioniers die sinds 12 mei tevergeefs getracht hadden springladingen aan te brengen, werden naast het fort begraven.