Er is maar één zaak die me werkelijk interesseert: vrouwen. Louise zei me onlangs dat het haar niet schelen kon of ze later lelijk worden zou zolang ze maar over haar brein bleef beschikken. Stravinsky schreef: ‘Inspiratie, kunst, kunstenaars, allemaal op zijn zachtst genomen wollige termen die ons beletten klaar te zien in een gebied waar alles evenwicht is en berekening en waardoorheen de wind waait van de spekulatieve geest. Het is pas daarna, het is echt pas daarna dat die emotionele ontroering ontstaat waaruit de inspiratie voortkomt - een ontroering waarover men schaamteloos praat in een betekenis die ons alleen belemmert en die de term zelf vertroebelt.’ (Igor Stravinsky, Poétique musicale, Janin 1945, pagina 76.)
Domheid uit zich in de kultuur dikwijls door vrijwillige onwetendheid omtrent andere vormen van kunst. Het werk van goede auteurs, van goede komponisten, van goede schilders, heeft te maken met systemen, wetmatigheden, strukturen. Waarnaar deze verwijzen laat ik in het ongewisse. De wiskundige E.T. Bell heeft terecht de vraag gesteld of een wiskundige die een nieuwe stelling ontdekt, iets ‘ontdekt’ van een ‘bestaande wiskunde’ (zoals Columbus een plaats bereikte) of, integendeel, slechts een wijziging aanbrengt in het vorige systeem (en dus veeleer vernietigt).
Wat mij in de kultuur boeit is de vonk van het unieke menselijke brein, een brein dat alle kanten opkan, van Bach's sonore bouwwerken naar Andy Warhol's schijnbare onpersoonlijkheid. Het brein kan zich zelfs openbaren in een naakt lichaam: Rita Renoir (enz.)...
In de afgelopen zeven jaren heb ik bijna wekelijks stukjes gepubliceerd over schrijvers, schilders en soms musici. Mijn eerste gehonoreerde stukje (1956) handelde over jazz. Net zomin als ik literatuur kan beperken tot de matte reeks van geschriften die in het Nederlandse taalgebied verschijnen blijft, wens ik enig boek los te zien van de klanken en de plastische vormen die het omringen.
Dichters willen altijd dat men hun werk zou kopen, schilders wensen hun werk te kunnen verkopen, komponisten willen hun muziek uitgevoerd zien. Terecht. In ons taalgebied zijn er weinig boeiende beeldhouwers, romanciers of musici. Ik heb opgemerkt dat veel schilders geen boeken lezen en geen muziek beluisteren, dat weinig dichters naar musea lopen, dat weinig komponisten zeg maar Joyce ernstig hebben gelezen. Ik zie tussen het een en het ander een kausaal verband.
Men kan zelfs een Samuel Beckett (de ultieme solipsist) niet lezen zonder zich bewust te zijn van de muziekwereld van Berio, de abstrakte bloemen van Wols, de eindeloze lichtgolvingen van Mack. Men leest Kerouac's boeken niet juist zo men niet op zijn minst een beetje houdt van Parker's muziek. Helaas, niemand is in staat alles te weten, te onthouden, te koördineren binnen zijn hersens. Niemand dus is in staat een behoorlijk oordeel te vellen omtrent de meeste verschijnselen van de hedendaagse kunst.
Oordeel ... term uit de rechtspraak, term van vijandschap en geweld. Kunst en kultuur verzachten toch de zeden? Vergeet het maar, voor mijn part. Een kritikus die zijn bewondering betuigt voor een kunstenaar gedraagt zich als een minnaar die om zijn liefde te bewijzen de andere vrou-
wen van de stad uitmoordt, alleen de zijne in leven laat, de zijne.
Maar niemand is konsekwent, niemand bezit de moed om nooit een vriendendienst te bewijzen, niemand weigert liever te publiceren in een krant dan er van tijd tot tijd gekastreerde teksten in te zien verschijnen. Wij allen zijn perfekt in staat twee meesters te dienen, ja drie, ook ik, en ook ik, wij allen, spreken tenslotte liever over verdraagzaamheid, solidariteit en zeden verzachten dan over de eigen korruptie. (Wie merkt er wat van en het loon blijft toch hetzelfde.)
De stukjes die volgen werden meestal geschreven tussen twee katers in of laat in de nacht met meer Black Label in de maag dan in de fles naast de schrijfmachine of, vloekend, met de hand op te kleine velletjes in een hotelkamer tijdens een reis. Hier en daar moet ik een Belgische of een Franse ambassade nog danken omdat ik bij ze ging typen op een azerty; ik kan niet typen op een qzerty evenmin als ik schrijven kan met een ballpoint.
Sommige stukjes werden geschreven om gelezen te worden voor een mikrofoon, wat een paar stijlgrapjes mag verklaren.
Ze vertegenwoordigen weinig, die stukjes. Maar ook mij bekruipt, uit lafheid, ijdelheid en geldzucht wel eens de lust om nog maar eens ‘een boekje’ te maken, en waarom dan niet aan de hand van voorradig materiaal? Dit is zo'n boekje.
Niemand in mijn branche ontsnapt aan het herhaaldelijk teruggrijpen naar bepaalde ideeën die kenmerkend blijken voor denk- en schrijfpatronen. Men wordt zodoende trou-
wens vroeg of laat altijd ‘le réactionnaire de quelqu'un’. Het Tractatus van Wittgenstein, Mythologies van Barthes, Mandarijnen op Zwavelzuur van Hermans en Marchand du Sel van Duchamp zijn lange tijd, vooral rond mijn twintigste, mijn vaste leerboeken geweest en ik lees ze nog met onverminderde eerbied. Er zijn ook toestanden waar ik mee heb gedweept (Pauwels & Bergier, bijvoorbeeld) en waarvan ik me heb losgewerkt; er zijn rages gekomen die me niet hebben geraakt - de geschriften rond Tel Quel, het strukturele marxisme, beatmuziek, de heropbloei van het irrationalisme. Van chansonniers heb ik nooit gehouden.
Wie door te schrijven, te komponeren, te schilderen, te akteren, zelfs door te vrijen niet meent iets te kunnen veranderen aan de hele wereld, begint er beter niet aan. Maar uiteindelijk refereert niets naar ‘de wereld’, literatuur handelt over literatuur, schilders schilderen over schilderkunst, cineasten filmen film, Casanova hield van gevoelens en niet van personen, alles komt neer op het ontdekken van metodes, systemen, en het ermee prutsen omdat men het niet laten kan.
't Blijft toch een bizar tijdverdrijf in een tijd van onstuitbaar toenemend geweld, kultuur. Antwerpen schijnt ver van Vietnam en van Ierland. Ik woon in het tegendeel van een ghetto. Maar het is niet meer geraden om het park waar mijn flat op uitgeeft 's nachts ongewapend door te slenteren. Louise traint in karate. De toekomst, schreef W.F. Hermans, is aan de schizofrenen.
maart 1973