terug  begin  verderprepost
[p. 11]

Rita Renoir

In 1953 begon Rita Renoir te werken in het vak waarmee ze beroemdheid verwierf: de strip-tease. Meer dan vijftien jaar lang, en haar reputatie deed die verwelken van Dodo van Hamburg, Rita Cadillac en hoe ze ook nog mogen heten. Een paar van haar zelfbedachte nummers stootten op protest van direktie, toeschouwers of collega's. In een interview met Patrik Lindermohr (Nederlandse vertaling in Randstad nr. 7) praat ze vrijuit over de noodzaak aan exhibitionisme bij de stripteaseuse, aan het noodzakelijke kontakt met het publiek (een golf van warmte), over de gelijkenis tussen strip en teater, over haar verlangen naar een uitgebreider, gekompliceerder soort van optreden. In ‘La main’, een van haar eerste experimenten, gebruikte ze muziek van Bach, maar ook van Pierre Schaeffer. Het is alsof ze toen al die mengeling scheen te vertonen van een drang naar experimenten (en daarin goede smaak: Schaeffer), en een terugvallen in de kitsch. Striptease, zegt ze in dat interview, is méér dan teater: ‘het gaat op een bepaald plan verder, omdat het zich op een puur lichamelijk vlak afspeelt, en minder ver op het plan van de uitdrukking, want het is altijd hetzelfde, enfin het is altijd hetzelfde verhaal, enfin het is géén verhaal ... Het is eigenlijk bijna een beetje een heidens offer.’

Ik geloof dat ze voor het eerst ‘serieus’ optrad in de happenings en mise-en-scènes van Jean-Jacques Lebel (Picasso's Le désir attrapé par la queue), en voor het eerst een groot actrice-sukses kende met Les immortelles, van Bourgeade, een afschuwelijke reeks van absurde zinnen en situaties. Daarna volgde het de lezer misschien bekende schan-

[p. 12]

daal, toen ze samen met Michel Simon in een boulevardstuk optrad en ‘ernstige’ actrices op de eerste rijen kwamen zitten om ‘cette strip-teaseuse’ met tomaten te bekogelen en uit te lachen. Michel Simon verbrak toen zijn kontrakt, en daarover loopt, geloof ik, nog steeds een proces.

Rita Renoir leefde geruime tijd samen met een van de zwaarste jongens uit de Parijse onderwereld. Gangstermeisje, stripper uit de Crazy Horse ... nu vertolkster en schrijfster van twee éénakters, Et moi qui dirait tout en Le diable. Elke avond om half negen, in het kleine Théâtre de Plaisance, anderhalf uur spektakel, waarvan het laatste half uur integraal naakt. Zoiets wordt voortverteld en het zaaltje zit ook konstant stampvol, maar het publiek dat komt voor een kijkje stelt het spektakel niet op prijs...

Het begint als een grapje: Rita in een kleedje waar haar enorme borsten over het balkon van het décolleté vallen, gezeten op een stoeltje, haar witte slipje vertonend aan de toeschouwers-gluurders. Deze komedie duurt te lang, de tekst is te zwak, en als Rita niet zo mooi was zou iedereen na tien minuten huilend onder de stoelen liggen.

Pauze.

Dan haar tour de force: een twintigtal minuten beweegt ze zich, op haar gezicht na volledig in het zwart gehuld, over een duister podium zonder décor. Haar mond, haar fabuleuze haren, het hijgen van haar onzichtbaar lijf onder het gewaad, tussen God, onzichtbaar aan zijn kruis of in de hemel, en de Duivel, onzichtbaar op de grond, op aarde. Dan, plots, een moment van onvoorstelbare verrassing, ontploffen haar handen in de zwarte ruimte, en nu zijn het haar handen, niet de armen, zelfs niet de polsen, let wel, alleen de handen, twee witte vogeltjes nooit ver van haar gloeiende haren, het zijn haar handen die een ballet opvoeren, en in dit ballet wordt God duidelijker afgewezen,

[p. 13]

het aardse meer en meer aanvaard - maar het is geen integrale vreugde, het is het heks-worden van de vrouw die, volgens de begeleidende tekst van Rita Renoir, protesteert tegen ‘sa sexualité et sa feminité maudites’, en zij citeert Georges Bataille: ‘De l'érotisme, il est possible de dire qu'il est l'approbation de la vie jusqu'à la mort.’

Om te beschrijven wat volgt, zou ik erg rauwe termen moeten gebruiken, maar die zijn in recente seksliteratuur zo afgesleten dat ze veeleer de lachlust zouden opwekken dan het mengsel van onbeschaamdheid, uitgekiende viezigheid en schaamtegevoel die Rita Renoir tracht over te brengen van het ogenblik dat ze tenslotte helemaal naakt is. Haar, mond, oksel, tiet, kut, kont. En nu begint ze, in een delirium van iets meer dan twintig minuten, rochelend, huilend, zich wentelend in krampen, zich opengooiend, proestend, terwijl kwijl, en speeksel, en een begin van braaksel over haar lijf beginnen te lopen vanuit een verwrongen mond.

Rita Renoir plaatst Le diable resoluut in de rij van de werken die door de idee van het teater van de wreedheid van Artaud beinvloed zijn, en met dit soort stukken heeft het hare gemeen dat het een slecht toneelstuk is. Maar in de mislukking toch zeer boeiend, want gênant. Dit is noch opwindende seks, noch verbale kommunikatie, het is de explosie van een lichaam door een lichaam, maar het druist in tegen de idee van de verheerlijking van de geneugten van datzelfde corpus. Tussen de pis en de stront in worden we geboren, schreef Augustinus, een heilige; en zoals wel meer martelaren voor de erotiek tracht Rita Renoir uit te stijgen boven dat lichaam, zodat het zelfs niet helemaal duidelijk is of ze die God aan het kruis of in de hemel eigenlijk wel afwijst. Haar wroetend, zwetend, opensplijtend lijf is dat van een vrouw die boete doet om haar eigen verschijning.

[p. 14]

Als het voorbij is (het spektakel eindigt niet; de vertoning houdt niet op; het is voorbij), als het voorbij is, zijn er maar weinig mensen die applaudisseren, en van zij die dat wel doen is het percentage entoeziasten heel klein.

Maar daaraan is Rita Renoir gewend. In het interview met Lindermohr maakte ze al een onderscheid tussen een seksnummer en iets wat de toeschouwer irriteert omdat het verwijst naar iets onduidelijks, niet bevredigend of opwindend: ‘Dit soort toeschouwers wil op het terrein van de seksualiteit blijven. De Hand (het Bach & Schaeffer stukje) dat herinnerde ze plotseling ergens aan. Als ze zondagsmorgens naar de mis zijn geweest, dan zouden ze daar zondagsavonds niet moeten zijn, begrijpt u ... Een paar toeschouwers hebben geroepen dat het wonderbaarlijk was, anderen, burgers natuurlijk, hebben gezegd: “Dat is verschrikkelijk”.’

Ik had bij de vertoning in het klein teater in de rue du Château (Parijs) de indruk dat voor veel toeschouwers Rita Renoir's vertoning aankwam als iets verschrikkelijks, want onverwacht. Ik hoop dat ze nog altijd spijt hebben van het geld.

prepostterug  begin  verder