Van Mishima bestaan vier Nederlandse vertalingen: Na het banket en Het gouden paviljoen (beiden bij Meulenhoff) en Vijf Moderne Noh-spelen en Bekentenissen van een gemaskerde (De Bezige Bij). Van de toneelstukken heb ik weinig of niets begrepen; ze spreken me geenszins aan, maar het zal wel aan mij liggen dat ik daar zo'n beetje als een imbeciel zit op aan te gapen, want de romans van
Yukio Mishima zijn zonder meer enorm te noemen. Ik zal me beperken tot Bekentenissen van een gemaskerde, omdat deze autobiografische roman niet alleen de auteur op vrij duidelijke wijze situeert, maar ook omdat het materiaal onmiddellijk parallellen oproept met André Gide en Stig Dagerman. Yukio Mishima vertelt in deze roman hoe hij zijn homo-erotische neigingen eerst (als kind) als een zege, daarna (als volwassene) als een doem beschouwde. Gekoppeld aan dit schuldgevoelen en aan de mengeling van sadisme en fatalisme is een streven naar aseksuele zuiverheid, dat naar het schijnt vooral tot uiting komt in Branding, een roman die Jef Last wel vermeldt, maar die nog niet in vertaling is verschenen, en ook in Het gouden paviljoen.
Eenzelfde spanning is ook terug te vinden in het oeuvre van Gide, en minder verrassend dan de parallel met zulke polen in diens romans als L'immoraliste en La symphonie pastorale is de konstatering dat de Japanse traditie even zware schuldgevoelens naliet als de kristelijke, en dat het werk van Freud zeker even relevant is voor zulk een civilisatie als voor de onze.
Mishima vertelt hoe hij als kind sadistische dromen had, en dat dit verlangen naar macht en wreedheid dikwijls omsloeg in een masochistische identifikatie met martelaren, zoals met de Heilige Sebastiaan. Door het lezen van het werk van Magnus Hirschfeld komt hij later tot inzicht in de relatie tussen zijn homoseksualiteit en deze neigingen. Ondertussen moet hij zich door het leven slaan - hij speelt een rol, draagt een masker. Tegenover zijn schoolkameraden en zijn vriendinnetje moet hij de schijn ophouden, en door het feit dat hij onmiddellijk inziet in hoeverre zijn sociaal gedrag afhangt van en bepaald wordt door zijn ‘masker’, merkt hij al gauw hoezeer ook anderen zich maskeren.
Het beeld dat hij ophangt van zijn jeugd en zijn jongelingsjaren is dan ook niet altijd pessimistisch omwille van de oorlogstijd (Mishima werd in 1925 geboren); de hele gemeenschap tekent hij als een toevallige assemblage van desolate, verloren individuen. De dood lijkt hem een redelijke verlossing uit dit spel waarbij niemand wint: ‘In mijn optimisme geloofde ik, dat na de voorstelling het scherm zou vallen, en dat niemand ooit de akteur zonder zijn masker zou leren kennen. Mijn veronderstelling dat ik jong zou sterven was ook een faktor in dit geloof.’ Niet alleen dat verlangen naar de totaalvernietiging, maar ook de wereldvreemdheid brengt zijn oeuvre heel dicht bij dat van de Zweed Stig Dagerman (die inderdaad na een eindeloos spel met de dood stierf zonder dat men weet of de zelfmoord opzettelijk was). Zo schrijft Mishima: ‘Ik las met grote aandacht een heleboel romans, om er achter te komen hoe jongens van mijn leeftijd spraken en zich gedroegen en zich voelden.’
De hulpeloosheid van de personages uit de roman (Omi in het begin, Sonoko op het einde) leidt hij af uit hun handelingen, niet uit hun woorden. Het hele verband tussen de onmacht tot kommunikatie en de puriteinse opvoeding legt hij vast in korte observaties, zoals op pagina 153: ‘Niet dat krampachtige briefje is het bewijs van haar liefde, maar de manier waarop ze het me heeft toegestopt.’ Achter de gevoelens van schuld die voortspruiten uit a zijn puriteinse opvoeding en b zijn impotentie tegenover vrouwen huist nog een groter angstgevoel, dat van de sociale impotentie: terwijl de tweede wereldoorlog raast en Tokio gebombardeerd wordt blijft hij zich bezighouden met zijn persoonlijke problemen. Hij ontmoet wel mensen die uit de vuurhel komen, maar stelt zich op dat ogenblik geen vragen: ‘Als ik een klein beetje meer zelfkennis had bezeten,
of een klein beetje meer wijsheid, had ik in die ogenblikken mijn reden van bestaan als mens kunnen vinden.’ De vertaling van deze roman door Jef Last verscheen in 1966.