Beste Yukio Mishima, de kranten schrijven op de eerste pagina dat je dood bent en je door je vriend onthoofde lijk lag enkele seconden lang in de kleine beeldbuis van de Sony naast mijn bed, dus is het gebeurd. Toen ik over je schreef in het speciale Japanse nummer van K & C, wist ik van het bestaan van je privémilitie niet af. De eerste foto's daarvan zag ik in Time, ter gelegenheid van de tentoonstelling te Osaka. Je stond er mooi militair en krachtig, bijzonder belachelijk, maar niet belachelijker dan een aantal schrijvers die zich met dezelfde angst in hun merg vermengd met inkt als strijders van links aankondigen. Vroeger vermoordde men elkaar nog omwille van verschillen in geloof, althans dat was het voorwendsel, en nu gebeurt dat in de naam van de politiek, hoewel het gelijk tussen de theorie van links en de theorie van rechts op hetzelfde vlak ligt als het gelijk van de geniale schrijver: in woorden zonder definitie.
Je hebt, in de beste macabere traditie van de happening, je kop van je lijf laten hakken, en alleen al de mise-en-scène van je dood bevestigt de twijfel die je nooit uit je hersens hebt kunnen bannen. Je hebt gedacht dat je door je leven te geven een grein van oprechtheid kon injecteren in je komedie, je dacht dat je kon geloven in iets waarin je niet geloofde door ervoor te sterven. Je dacht dat je, door het laten afhakken van je hoofd, het verschil kon opheffen
tussen masker en gelaat. Het is je niet gelukt, maar je bent een mooie dood gestorven, als een ledepop vallend in een fontein van bloed, en het bloed dat uit je spoot, bevatte dezelfde ontzetting als die welke overkwam uit de inkt die je als schrijver uit je darmen pompte. Beste Yukio Mishima, omdat je rechts was, zullen minder auteurs je publiek willen eren dan andere idioten die zich in brand steken als protest tegen Vietnam. Je was een van de grootste schrijvers van deze eeuw, vergeef me dat ik mijn briefje opstel in dezelfde stijl als die van je finale toneelstuk.