‘Georges Bataille se rattache à cette famille de littérateurs qui ne paraissent écrire que pour mériter le silence’, staat te lezen in het Dictionnaire Illustré des auteurs français, uitgave Seghers, 1961.
Het aantal tijdschriften, thesis-makers, linguïstische en strukturalistische kommentatoren dat zich sinds zijn dood op zijn geschriften (en het volumineuze pak onuitgegeven werk, circa 5 000 pagina's) heeft gestort, valt niet meer te
overzien.
Bataille is van een obskure pornograaf-onder-bekend-pseudoniem en essayist over masochistische mystiek, Nietzscheaanse en Hegeliaanse tema's en erotiek als levensbeschouwing, postuum gegroeid tot een held die nu zowat de opvolger van Antonin Artaud heten mag: een door paroxysmen verscheurd leven, een gefolterde denkwereld, en bovenal een taalgebruik dat meteen een denkmetode insluit, een metode die parallel loopt met enkele tema's die opduiken in zo diverse werkgroepen als die van ‘Tel Quel’ of ‘Change’, kortom een nieuw mysterie van taal als onophoudelijke bron van levensproblemen op de grens van ervaring en droom: een grensgebied dat de dubieuze term oproept van ‘zoeken naar waarheid’.
In het nawoord dat ik schreef voor de vertaling van Bataille's roman Mijn moeder (De Bezige Bij) heb ik Bataille's streven besproken vanuit een (afkeurende) positivistische hoek. Hoe meer varianten en onuitgegeven teksten van Bataille er verschijnen, hoe duidelijker het wordt dat ik toen minder het werk van Bataille besprak dan wel aanviel, ondanks mijn bewondering voor de schrijver. Ik leef vanuit een antropologie die rationalistisch is, positief staat tegenover cybernetische en technologische vooruitgang, en die thuishoort in de Westers-Amerikaanse traditie van teorie en bewijs, met de daarbijhorende negatie van alle gegevens die zich niet tot deze apriorismen lenen.
Bepaalde primitieve kulturen (en het zou te gek zijn om te veronderstellen dat die mensen dommer waren dan die uit ‘mijn’ kamp) hebben een totaal omgekeerde evolutie meegemaakt: hun ‘filosofie’ is die van het buitenlichamelijke, dat irrationele (individuele, onkontroleerbare) ‘bewijzen’ trekt uit de ervaringen met hallucinogenen, waarvan
de gevolgen overeenkomen met de (door de Westerse kultuur steeds genegeerde en veroordeelde) ervaringen beschreven door ‘heksen en tovenaars’: levitatie, buitenlichamelijke fysische ervaringen, die ook nu nog worden beleefd door hen die ontvankelijk blijken (de primitieve interpretatie hanteert een andere term: het is de drug die ontvankelijk is voor de geest van de gebruiker) voor bv. peyotl, atropine, datura.
Bataille's werkwijze is gekompliceerder, ‘viezer’, tragischer; zijn metode raakt op vele punten die van de masochistische mystici uit de diverse godsdiensten. Opgegroeid in een Westers taalsysteem, ontgint Bataille daarvan de kontradikties veeleer dan de logische mogelijkheden. Zijn denkmetode is die van een metafoor die niet ontstaat als eenvoudige associatie, maar een metafoor die ontstaat tussen de positieve en de negatieve polen van zijn taalspel. ‘Ik denk zoals een meisje dat zich uitkleedt’: waarbij hij de filosofie ziet als iets waar diepe schaamte, overwinning van de schaamte, en genot dank zij deze overwinning (maar dank zij de instandhouding van het taboe, dat de schaamte injekteert) samengaan. Het is een daad die niet zomaar iets toont (een lichaam), maar waarbij de ‘aktie’ van het tonen (en het tonen gebeurt ten koste van de kleren) essentieel is. Niet de geschreven woorden van Bataille ‘tonen’ zijn ideeën, maar zijn ideeën zijn onvermijdelijk verbonden met het ‘proces’ van de uiteenzetting zelf. Geen woord, geen zin, kan worden losgemaakt uit de taalaktiviteit.
‘En moi-même ce mouvement emporté qui m'oblige d'écrire est dans la trajectoire d'une chance appartenant à l'homme en général.’ Maar zijn schrift is niet als statisch te ontcijferen, het schrift van Bataille zelf is een ‘mouvement emporté’ binnenin de taal (het gecodificeerde schrift) van
Jan en alleman in de Westerse denkwereld. Een dief die vlucht, die holt door een massa wandelaars, opzij duikt, zigzagt, gedreven door ‘angst’ maar misschien in ‘extase’, zoekt zijn ‘heil’ op dezelfde wijze als Bataille die zich in de literatuur beweegt: met dezelfde woorden in eenzelfde systeem zoals de vluchteling met hetzelfde soort benen in eenzelfde straat loopt als de slenterende burger.
In de delen 3 en 4 van Bataille's Oeuvres Complètes staan zijn literaire fikties, zowel de reeds bekende werken als Mme Edwarda, L'abbé C en Le bleu du ciel als, in deel 4, de nagelaten teksten, gedichten, en Le mort, Divinus Deus waarvan Ma Mère deel uitmaakt, en het intrigerende Julie, met nog vele andere teksten, alle heel gedetailleerd geannoteerd met varianten en bijvoegsels. Kommentator en redakteur voor deze twee delen was Thadée Klossowski; het is alleen spijtig dat Gallimard, in zijn vervelend pseudo-chic systeem van typografie dat inhoudt dat het begin van een nieuwe tekst op een ongenummerde bladzijde afgedrukt wordt, het nagaan van de notities en varianten ten zeerste bemoeilijkt. Om een willekeurig voorbeeld te geven: de titel ‘Je me jette chez les morts’ zowel als de eerste pagina van deze tekst zijn niet genummerd; wel verwijst de opmerking achteraan naar pagina 209 en pagina 211. Je moet dus van pagina 212 naar voor, of van 207 naar achter tellen om de referentie te vinden.
Het tijdschrift Change, no. 7, gewijd aan de surrealistische groep en de mensen die met de surrealisten een liefde/haat verhouding hadden (Artaud en Bataille als bijzondersten), brengt een welkome aanvulling bij de gedichten van Bataille, nl. enkele korte teksten van ‘Laure’, tante van Jérôme Peignot en destijds de vriendin van Bataille. De familie Peignot was niet gebrand op de uitgave van haar ‘obsceniteiten’ (uitgave die verzorgd werd door
Bataille en Leiris); dat de teksten weer opduiken mag ons misschien doen hopen op een volledige uitgave van haar geschriften, die nauw aansluiten bij die van Bataille. Laure, die minder ‘talent’ had, kan misschien een vergelijkingspunt bieden tussen de graad van ‘literatuur’ die Bataille's teksten nog overlaadden met een sekundair bemoeilijkingsproces bij de ontcijfering.
| Mijn moeder, De Bezige Bij. |
| Het blauw van de hemel, De Bezige Bij. |
| Ecrits de Laure, 314 pagina's, verscheen ondertussen bij Jean-Jacques Pauvert. |
| Oeuvres complètes, 1-4, Gallimard. |
| Tijdschrift Change, no. 7, ‘La groupe, la rupture’, 225 pagina's. |