Edmund Wilson is gestorven in de leeftijd van zevenenzeventig jaar; naar schatting een meter vijftig hoog, honderdenzoveel kilogram - een onverstoorbaar monument van rust, intelligentie en scherpzinnigheid. Zoals de grotere tijdschriften kaartjes hebben klaarliggen met de vermelding ‘Uw tekst kan niet aanvaard worden omdat a, b, c, enz.’, zo had Edmund Wilson zijn eigen verdedigingskenteken: Mr. Wilson regrets that it is impossible for him to... write introductions... make speeches... judge literary contests... give interviews... autograph books for strangers... donate copies of his books to librairies... contribute to symposiums of any kind... supply personal information about himself.
Ik zie hem nog stappen door de duinen van Cape Cod, waar één van zijn huizen staat, pal naar de zee gebouwd, elke nacht continu verlicht achter alle ramen. Zijn buren Tom Wesselman, Dwight Mac Donald, Saarinen Jr, en zeker Jan Cremer waren minder afkerig van interviews. Wilson, een van de weinige Amerikanen die nooit het woord ‘movie’ gebezigd heeft (althans na uitvinding van het genre), Wilson, kontinentaler opgevoed dan het gros van Janson de Sailly en Eton gekombineerd, Wilson, auteur van een dertigtal boeken (ik schat maar in het vage), schrijdt voort - hij stapt niet, hij loopt niet. In Upstate vertelt hij hoe hij naar een paar nozems toestapte en vroeg waarom ze nu echt niet op de weg konden rijden. In A piece of my mind schrijft hij dat hij wel onder de indruk
is gekomen van de mooie kathedralen in Frankrijk, maar dat een goeie badkamer de mens toch heel wat meer helpt bij het verschaffen van klaarheid, inzicht en levensmoed. Deze uitspraak is typerend voor Wilson's positivisme; nooit heeft hij een uitspraak gedaan over iets wat niet tot het onmiddelijk onder de neus liggende onderwerp behoorde: in het voortreffelijke opstel dat (uiteraard anoniem) op 19 mei, dus nog wel echt voor zijn overlijden, verscheen in het Times Literary Supplement, leest men terecht: ‘De moeilijkste stunt van Houdini was dat hij zich losmaakte uit een nat laken, maar hij moest dit opgeven omdat hij aan de kost kwam door schijnbaar moeilijke dingen te doen en dit was te gemakkelijk in de ogen van het publiek. Wat Wilson volbracht was nooit gemakkelijk, maar hij bracht daarbij nog de gentillesse op om het er wel makkelijk te doen uitzien. Ach, had-ie maar een of andere objektieve correlatief bedacht, of een paar types van dubbelzinnigheid, en oh, had hij zich toch maar even opgehouden met het beklagen van de organische maatschappij en haar huidige ondergang, Wilson ware nu wel in de mode.’ Edmund Wilson functioneerde niet binnen een systeem - daarvoor was hij te Europees; hij geloofde niet in de experimentele ontginning van formele problemen, daarvoor was hij te Amerikaans. Joyce's Finnegans Wake, waarbij hij als eerste een intelligent, lucied en nog steeds exemplarisch kommentaar publiceerde, betekende voor hem een eindpunt. Hij beweerde geen hedendaagse auteurs van na W.O. II te lezen. Hij schreef er althans niet over (men zal meer dan één parallel met Willem Frederik Hermans al wel gemerkt hebben).
Wilson funktioneert als een geheugen. Een boek dat hij heeft gelezen, is een boek dat hij zich herinnert - hij zet die herinnering om in schrift, en zo ontstaan korte, preg-
nante opstellen die iets schoolmeesterachtigs hebben in de wijze waarop Wilson ons sommige zaken aantoont (meester wijst met stok het moeilijke woord aan), maar ook iets heel rebellerends in zijn manier van, schijnbaar terloops, in een heel kort zinnetje een of andere opgeblazen reputatie te doorprikken. Hij kende zijn Samuel Johnson verdomd goed.
Dezelfde koele intelligentie als die welke hij als kriticus hanteerde vindt men terug in zijn beste roman (of lange novelle), Princess with the Golden hair. Destijds als pornografisch gedoemd en verboden in de staat New York, soms verklaard als een voorbeeld van integratie van psychiatrische gegevens in een romantisch genre, kan Princess misschien eenvoudiger worden omschreven als een pijnlijke, stille, timiede, maar ook zeer afstandelijke benadering van zijn eigen hopeloos romantisme en zijn afschuw voor deze neiging. Hij huwde vier keer (o.m. met Mary Mac Carthy), maar schijnt tegenover teorie en bedrijf van de liefde eenzelfde ontgoocheling te hebben overgehouden als t.o.v. het marxisme (zie To the Finland Station). In zijn boeken viel hij niet alleen de belastingontvangers aan (The Cold War and the Income Tax, wat ik alleen van titel ken) maar ook de wijze van landinpalming door de Amerikaanse ‘ontginners’ (zie Apologies to the Iroquois).
Zijn belangrijkste bijdragen over Europese avant-garde literatuur en literaire problemen vindt men in Axel's Castle en The Triple Thinkers. Zijn opstellen over overwegend Amerikaanse boeken werden gebundeld in Classics and Commercials, The Shores of Light, The Bit between my Teeth. Zijn boek over de Dead Sea Scrolls is wellicht zijn meest bekende geworden, ik heb het niet gelezen.
Onvergetelijk is Wilson's korte opstel ‘What became of Louis Bromfield’, waarin hij het jargon van de dames-
bladen en ‘ergo’ van de koerante literaire kritiek hanteert om Bromfield's toen nieuwste roman te loven.
Amerika zowel als Engeland zitten al klaar met vishaken om Wilson's literaire lichaam in de eigen schuit te hijsen. Maar deze Sainte-Beuve van onze eeuw laat zich niet vangen; niet door enge nationalisten. Hij geloofde trouwens in één enkele taal voor de schrijvers: die van de kritiek.