In 1961 las ik van J.P. Donleavy het in 1955 verschenen boek The Ginger Man, sindsdien vertaald als De Rosse Bietser. The Ginger Man verscheen bij Olympia Press te Parijs, het was de toenmalige Angelsaksische censuur te schunnig. Donleavy zelf maakte een gekuiste versie en liet deze in Amerika en Engeland verschijnen. Dit soort automutilatie kwam me toen al verdacht voor; het lijkt me erg genoeg dat de regeringen aan censuur doen. Wie daar als auteur, al is het in eigen werk, aan meewerkt, zie ik me verplicht te wantrouwen. The Ginger Man was een agressief, destruktief en toch teder werk; het was een opmerkelijk, maar ietwat irriterend debuut. Donleavy's stijl is in schijn heel persoonlijk. Joyce vermengd met Rabelais, werd toen verteld en Hugo Raes die The Ginger Man destijds ‘het origineelste, meeslependste boek dat ik in jaren las’ noemde nam de Joyce-Rabelais vergelijking over en introduceerde ze in onze kontreien. De sfeer van Donleavy's werk is zo Rabelaisiaans als die in One flew over the Cuckoo's Nest van Ken Kesey: het is plezierig, grof, onbeschaamd, nietsontziend - maar het mist toch de ondertonen van eruditie en spot-om-die-eruditie die bij Rabelais,
en ook bij Jarry zo duidelijk aanwezig is. Wat de vermelding van Joyce betreft vrees ik dat er alleen van stijlplagiaat kan gesproken worden. Joyce gebruikte in het Meerminnenhoofdstuk van Ulysses, na de lange zinnen die door Gerty MacDowell's hoofd vliegen, een reeks gehakte zinsfragmenten, zo bijvoorbeeld: ‘Thought something was wrong by the cut of her jib. Jilted beauty. A defect is ten times worse in a woman. But makes them polite. Glad I didn't know it when she was on show. Hot little devil all the same. Wouldn't mind.’ (Ulysses, pagina 479). Donleavy hanteert duizenden pagina's lang in zijn romans dezelfde techniek; zo op een willekeurige bladzijde in The Onioneaters (Eyre & Spottiswoode): ‘Clementine turning as the door behind squeaks open. A head peering in. Of a strange female face. A lady of riper years in a thick white wool sweater over a flowered shirt of a dress. Her smooth skin and wet lips.’ (pagina 99) of nog: ‘Bloodmourn digging out a hole in a cock of hay. Both of us crawling in to lie there. Listening. To a cry called out again and again in the distant night’ (pagina 277).
Niet alleen de lengte van de zinnen is opgevallen, hoop ik, ook dat onophoudelijke bezigen van het tegenwoordig deelwoord; daarvan merkt men niets meer in de Nederlandse vertaling (De Uieneters, Nederlandse vertaling M. en L. Coutinho, 338 pagina's, De Bezige Bij), waar, met welk recht? onverbiddelijk de vervoegde persoonsvorm gehanteerd wordt. Zodoende de hele vertaling fausserend. Als Donleavy's stijl mijns inziens dus maar gestolen goed is, en ons van dat goed veel te veel wordt aangeboden, dan is de lektuur van één Donleavy per tien jaar toch nog wel haalbaar - en elf jaar na de lektuur van The Ginger Man heb ik The Onioneaters, in originele en Nederlandse versie dan toch nog met plezier gelezen. De in de tussen-
periode verschenen produkten van Donleavy, The Beastly Beatitudes of Balthazar B, of The Saddest Summer of Samuel S, of Meet My Maker the Mad Molecule had ik telkens, geïrriteerd door het stijltje, na enige pagina's weggeworpen. Held van The Onioneaters is Clayton Clementine of The Three Glands - anders gezegd, C.C. met de drie ballen, want hij heeft er drie. Hij erft een kasteel en het omringende landgoed, een hond, die door vier kruiers versleept moet worden zo zwaar is-ie en, ontdekt hij, binnen dat kasteel een stelletje rare en zelfs normale bedienden, maar het kasteel wordt weldra overrompeld door gasten die zelfs met ontploffingen niet te verjagen zijn. Er wordt gevochten, heteroseksueel gesekst en uitvoerig gegeten en gedronken - wat dan ook zijn gevolgen blijkt te hebben voor de vloeibare en vastere vormen van ontlasting. De gasten (die verstokte uieneters zijn) kweken vergiftige slangen, boren in de grond midden in de gangen van het kasteel, doen metingen en proeven op en met de geslachtsdelen - de gonaden - van wie ze ook ontmoeten (en zijn erg tuk op het onderzoeken van Clementine's trio), en ze maken stimulerende middelen en ook laxativa: ‘Indien ge moeilijkheden hebt met uw persoonlijke cyclus, wij beschikken over een hoogst werkzame remedie. Een aftreksel van kruiden met daarin een colloïdale suspensie van uitgelezen fijngewreven zeewier. Twee lepels van dit mengsel, goed geschud, doen het afval uit de darmen schieten als een uit volle borst geblazen trompetsolo. Wij bevelen in feite dit muzikale accompagnement erbij aan’ (pagina 43).
Het is een dol en leuk verhaal, maar ik kan het niet oorspronkelijk vinden van stijl (cfr supra) of van verbeeldingssfeer. Een ontploffing van diverse lichamen tegen de muren van het kasteel wordt tot: ‘Een dergelijke zinloze botsing zal slechts resulteren in het festonneren met inge-
wanden der etruskische transepten en veel overbodig gespat van verse klodders op het zeldzame roze glas der ruiten’ (pagina 148).
Dit is maar een flauw afschijnsel van Vader Ubu's beschrijving van wat zijn gade te wachten staat: ‘Torsion du nez, arrachement des cheveux, pénétration du petit bout de bois dans les oreilles, extraction de la cervelle par les talons, lacération du postérieur, suppression partielle ou même totale de la moelle épinière, sans oublier l'ouverture de la vessie natatoire et finalement la grande décollation renouvelée de saint Jean-Baptiste, le tout tiré des très saintes Ecritures, tant de l'Ancien que du Nouveau Testament, mis en ordre, corrigé et perfectionné par l'ici présent Maître des Finances. Ça te va-t-il, andouille?’ (Ubu Roi, V, 1). En wanneer de firbolg beschreven wordt (pagina's 200-202, Nederlandse vertaling) dan roept deze onmiskenbaar leuke scène toch onmiddellijk de onmiskenbaar meer betekenisvolle gruwelspelen op die Boris Vian in zijn romans inlaste. Kortom, The Onioneaters is doorlopend onderhoudend, amusant, het zit vol fantasie en het is in een duidelijk herkenbare stijl geschreven, maar al deze elementen zijn redelijk tweedehands. Van beide versies moet ongetwijfeld de originele worden aanbevolen. De Nederlandse vertalers hebben onbegrijpelijke inkonsekwenties in hun versie geschoven: zo worden sommige namen (Sudden Suck) vertaald (Plots Zuig), en anders (Lead Kindly Light, Bottomless Diddle Blameworthy en Dawn) niet. Dat is vrijwel belachelijk. Van de vele details, de accentverschuivingen en de lyrische eenvoud in Donleavy's proza laten ze veel weg: een extatische kus ‘Of mouth over other mouths and over anything’ wordt botweg veranderd in ‘Van monden op monden en op alles’ (pagina 203) en, elders: waar Donleavy schrijft: ‘Ah there in your eyes. I see soft things.’
dan wordt dat heel plat vertaald als ‘Zie ik heerlijke dingen’ (pagina 306). Eieren die zwemmen in ‘a sweet jelly of fat’ moeten nu zwemmen in... ‘heerlijk gestold vet’ (pagina 287), wat me nogal onmogelijk toeschijnt, dat bewegen in een gestolde vloeistof. Ook een goed deel van het charmante absurdisme van het origineel (zo bijvoorbeeld de aanspreekvorm: Good person) verdwijnt in meer normale uitdrukkingen (Goede heer).
De titel van het boek heb ik niet begrepen. Clementine voert drie ballen in zijn wapen, en die uien verwijzen ook wel naar zijn gonaden, maar de diepere zin van deze subtiliteit ontgaat me volkomen.
Van beide versies is de originele niet alleen beter, ze is ook goedkoper.