Guillaume Apollinaire tekende zijn brieven aan Lou met Gui of Guil, dat is ongeveer het bijzonderste wat Lettres à Lou (Gallimard, 528 pagina's) ons leert. Over de verhouding tussen Apollinaire en Lou (Geneviève-Marguerite-Marie-Louise de Pillot de Colligny-Châtillon, ontmoet tijdens een opiumfuif bij Borie) was tot op heden vrij weinig bekend. De meeste gedichten die Apollinaire over haar schreef werden gebundeld onder de titel Poèmes à Lou, en die teksten zijn nu ook in de Lettres herdrukt, maar omdat ze temidden van die liefdesbrieven staan, krijgen ze een vrij kurieuze isolatie. Door die afzondering temidden van proza blijkt duidelijker hoe snel Apollinaire poëzie produceerde, en hoe relatief de waarde is die men als lezer gaat hechten aan zinnen die in een bepaalde typo-
grafische vorm worden gegoten. Mijns inziens zit er veel meer ‘poëzie’ in het directe van de brieven dan in de verzen zelf. Apollinaire had in het begin weinig succes bij Lou. Daarom engageerde hij zich als vrijwilliger in het leger, en zodra Lou dit vernam, snelde ze naar hem toe en dook ze in zijn armen. Maar tussen de schaarse ontmoetingen met Lou liggen lange periodes van kazerneleven en gevechten aan het front, en die periodes liggen er als brakke verwoeste grond, waardoor Apollinaire doolt als een verloren kind, die in vertwijfeling de liefde bedrijft niet met de vrouw Lou, maar met de taal. En hierdoor krijgen de brieven iets ontzettend treurigs: ‘Voilà mon amour adoré, je te prends toute dans un grand spasme. Je t'embrasse, je baise tes chers petits seins roses et insolents qui semblent des brebis broutant des lys et des violettes et j'embrasse éperdument les douces et infiniment précieuses toisons d'or pâle qui sont celles qu'Argonaute sans vaisseau et devenu équestre je veux conquérir à jamais pour notre bonheur sans fin, ma chérie.’
De verhouding liep dood. Lou hield het niet bij Apollinaire en de dichter, ver weg, onmachtig, liet haar vrij. De laatste brief (1916) bestaat niet meer uit lange, barokke zinnen, maar uit korte, losse zinnen waartussen men de stilte en het verdriet raadt: ‘Je suis content que tu sois contente. Embrasse Toutou [haar nieuwe minnaar] de ma part. Il fait assez beau temps. Ecris-moi de tes nouvelles. [Etc.].’ Dit, nadat Apollinaire in zijn eerste brieven van Lou een totale en onvoorwaardelijke onderwerping eiste. Hij voelde zich de meester en Lou moest zijn slavin zijn. Op dat punt komen er trouwens ook nogal penibele details uit de bus over de sexuele fantasieën van Apollinaire, deze zachte dikke dromerige man, die men zich moeilijk met de zweep in de hand voorstelt. Maar ja, zo was het nu een-
maal, en het heeft weinig zin om dit detail te verbloemen, detail dat trouwens op een andere wijze zijn doorlopende échecs in de liefde belicht. Apollinaire was vierendertig toen hij Lou ontmoette, en uit de brieven blijkt hoezeer hij op het sexuele punt totdantoe geremd was geweest in zijn vroegere liaisons, kortom blijkt hoe fundamenteel eenzaam hij geweest was, en welke tragiek er schuil ging achter de speelse verzen die hij schijnbaar onachtzaam uit de mouw schudde, verzen die de hele latere poëtica zouden beïnvloeden. In meer dan één opzicht is Lettres à Lou dus zowel een literair, een menselijk als een historisch document.