Het tijdschrift Vlaanderen wijdt zijn 111de nummer aan de vraag ‘Blijft Kunst Kunst?’, een enquête in negen vragen, waar een aantal kunstenaars en verwante figuren een al dan niet spitsvondig antwoord trachten op te geven. Enkele van de antwoorders geven in hun teksten blijk van sterk onbehagen in de moderne cultuur. Wie op het punt van de letterkunde vooral malcontent is, is Gaston Claes. Zo schrijft deze: ‘Terugkeer naar de grote traditie van het verleden in de literatuur? Laat ons het eenvoudiger stellen. Gewoon maar rondom zich kijken. De mensen observeren. Het leven van elke dag. En dan een verhaal schrijven, wortelend zowel in wat mogelijk en actueel is, als in de eigen fantasie. Maar om Godswil, zonder geforceerde problematiek en zonder effectjagerij [...]. Maar dan alsjeblieft niet met wonderzalfjes, die “hermetisme” of “experimentele literatuur” heten. Die zullen het niet en nooit doen.’ De arme Gaston Claes moet niet zo erg tevreden zijn met wat het jaar 1970 aan literaire prijzen oprakelde. Voorstander van het ‘verhaal’ in de trant van Walschap, ziet hij een volgeling van Walschap bekronen, met name Jef Geeraerts, maar dat noemde Claes ‘een staatsprijs voor drekliteratuur’. De Constantijn-Huygensprijs ging naar Maurice Gilliams, in mijn ogen een belangrijker schrijver dan Paul van Ostaijen, iemand die in België alleen maar provinciale prijzen kreeg (een groot dichter, essayist en romancier: nooit een staatsprijs!), maar dat zal Gaston Claes geen plezier doen, want zei Gilliams niet in een interview met De Ceulaer dat de roman als feitenverhaal ‘worstenvullerij’ was, aldus Walschap de beenhouwerij binnenschop-
pend? En de Vijverbergprijs, arme Gaston Claes, ging naar Ivo Michiels, voor Orchis Militaris, een boek dat door Marcel Janssens, Clara Haesaert en Lieve Scheer inferieur werd gevonden aan het proza van Geeraerts; Orchis Militaris waarover Samuel Beckett in een brief aan uitgeverij Suhrkamp schreef dat dit het beste boek was dat hij in 1969 gelezen had. Experiment en hermetisme die het nooit zullen doen... maar wie anders dan de hermetische experimenteel en zwartkijker, de macabere Ier Samuel Beckett, behaalde de Nobelprijs?
Dergelijke bekroningen, iedereen weet dat, betekenen weinig, omdat haast elke prijs gecontamineerd is door onverdiende toekenningen (kreeg Pearl Buck niet ooit de Nobelprijs?). Maar de bekroning van Beckett, Michiels en Gilliams, drie prijzen die zeker niet wegens extra-literaire redenen kunnen worden weggecijferd, zouden toch moeten doen nadenken bij het gebruik van termen als ‘experimenteel’ of ‘hermetisch’. Het is waarschijnlijk aan een of andere gril van Beckett te danken dat hij toestemming heeft gegeven aan de Editions de Minuit om twee vroege werken, Premier Amour (novelle, 56 pagina's) en Mercier et Camier (roman, 212 pagina's) te laten verschijnen. In Premier Amour voelt men nog hoe Beckett moeite heeft om in het Frans zijn kille toon te handhaven. De novelle aarzelt voortdurend tussen de zwarte klucht en het creëren van het typische Beckett-personage voor wie humor en wanhoop onafscheidbaar zijn. In de ik-persoon geeft hij een relaas van hoe een soort clochard in zijn eenzaamheid wordt gestoord door een vrouw (Lulu, later Anne geheten), met wie hij, uit ‘liefde’ meegaat. Eenmaal thuis, ‘elle enleva tout, avec une lenteur à agacer un éléphant, sauf les bas, destinés sans doute à porter au comble mon excitation. C'est alors que je vis qu'elle louchait’. Deze ik-per-
soon heeft nog teveel van het cynisme van Murphy (roman van Beckett, 1938) om al thuis te horen in die reeks van personages die ‘spreken zonder iets te zeggen te hebben, alleen maar omdat ze het niet kunnen laten’. Mercier et Camier daarentegen zijn al personages die veel meer van het wereldse en de daaraan verbonden sentimenten hebben afgelegd. Mercier en Camier is een duo dat op tocht gaat, een tocht die nergens heen leidt, die confereren en het resultaat van hun conferentie wordt dan samengevat als volgt:
| 5 | Ce qu'ils cherchaient existait-il? |
| 6 | Que cherchaient-ils? |
| 7 | Rien ne pressait. |
| 8 | Tous leurs jugements relatifs à cette expédition étaient à revoir, à tête reposée. |
| 9 | Une seule chose comptait: partir. |
| 10 | Et puis merde. |
Om de twee hoofdstukken volgt een hoofdstuk waarin het schema van de voorafgaande afgedrukt staat. In het vierde hoofdstuk ontmoeten ze een pathologische alleenspreker, Madden, die onder meer zegt: ‘Je survivais en parlant, tous les jours un peu plus, tous les jours un peu mieux.’
Beiden dwalen rond, zoals Mercier over zichzelf opmerkt: ‘Seul, dans le froid, dans l'humidité, vieux, à moitié fou, empêtré dans une histoire sans issue’; waarop Camier enkele pagina's verder aanhaakt met: ‘Nous ne voyageons pas pour le plaisir de voyager, que je sache, dit Camier. Nous sommes cons, mais pas à ce point.’
Mercier en Camier hebben, alles goed beschouwd, nog vrij veel plezier aan hun reis. Ze zijn nog niet, zoals Pim en Pom in Comment c'est, verplicht als enige communicatiemiddel foltering toe te passen en kreten te uiten. Mer-
cier et Camier is een roman waarin de humor van Beckett duidelijk versmelt met de uitzichtloosheid van de handelingen en van de dialogen.
Dat het aandeel van die humor groter is dan vele essayisten menen, die in Beckett boren naar Diepere Trieste Waarheden, blijkt niet zo erg uit ‘Twentieth Century Interpretations of Endgame’, samengesteld door Bell Chevigny (Spectrum Books, 120 pagina's). Hugo Claus, die Fin de Partie zag opvoeren in de typisch treurige Parijse stijl, vertelde me hoe hij als enige in een lach schoot bij de dialoog:
‘Que vois-tu?’
(tuurt in de zaal) ‘Une foule en délire.’
Waarbij de hele zaal hem kwaad aankeek. Met Beckett lacht men niet. (In Mercier et Camier sterft een zekere Patrice. Zijn laatste woorden: ‘A boire, Jésus, à boire’).