Harry Mulisch' meest recente publikaties bestonden uit reportages en ‘geëngageerde’ geschriften, grotendeels over Cuba. Het is hier niet de plaats om mijn malaise omtrent deze teksten te preciseren, maar ik acht de vermelding ervan wel nodig om de bewondering, die ik plots ben gaan voelen na de lectuur van Paralipomena Orphica (127 pagina's, De Bezige Bij), beter in een imaginair lijstje te plaatsen. De novellen en romans van Mulisch, zoals ook zijn geschriften over zijn ego en de vragen daarrond, vertonen in de chronologie een soms haperend gespring van ‘fictie’ naar ‘werkelijkheid’; de geplande roman De ontdekking van Moskou, is niet geschreven geraakt; het leek alsof Mulisch op een dood punt was gekomen, vooral om-
dat ‘Anecdoten rondom de dood’, een in 1966 gepubliceerde reeks soms Borges-achtige opstellen, nog eens duidelijk blijk gaven van groot talent, maar de reeks zelf stond een beetje verloren binnenin de rest van zijn oeuvre. Dat ze nu herdrukt zijn met het nieuwe korte verhaal in een separate bundel, is verheugend, want plots wordt duidelijk hoe het einde van deze anecdotes al preludeerde op dit ogenschijnlijk eenvoudige relaas met zijn latijnse titel, wordt duidelijk hoe de reeks van losse verwijzingen naar de dood in verband staat met de mythologische en anti-freudiaanse preoccupaties van hun auteur in zijn bestaan. In Paralipomena Orphica verhaalt Mulisch een reëel gebeuren (althans, welke details nu waar zouden zijn en andere niet, dat gaat de lezer weinig aan): zijn vriendin, Lola, verlaat hem na een verhouding die dood gelopen is. Hij spreekt niet eens meer tegen haar: ‘Omdat ik de klem op de bek heb... Dat wordt gezegd van een kat als hij een vogel in zijn bek heeft. Die is er alleen met een breekijzer uit te krijgen’. Zelf klem in een verkeersopstopping, neemt Mulisch een boot om op de andere kade te raken. De oude schipper ‘sprak niet met zijn stembanden; hij perste de woorden via een soort kotsgeluid uit zijn slokdarm tevoorschijn’. Mulisch is op tijd voor de afspraak met professor Suringar, die hem toelaat tot een museum (‘voor publiek gesloten’). Uit het museum, althans de stoffige zolder ervan, neemt Mulisch een doodshoofd mee.
Via het naametiket in de schedel, ‘Zeegers Vermeulen. Wegens moord geëxecuteerd op 2 Dec. 1834’, achterhaalt Mulisch de geschiedenis van deze jonge moordenaar: hij heeft op de Groenburgwal zijn meisje vermoord omdat ze hem ontrouw was geweest, en dit op de dag dat zijn moeder eenzaam te sterven lag. Ondertussen haalt Lola haar eigen dingen uit de flat. Mulisch kijkt toe vanuit café
Américain, maar holt niet naar haar toe: dat wil zeggen kijkt niet achter zich, wat Orfeus wèl gedaan had. Hij gaat goed eten bij Dikker & Thys, drinkt er meer dan genoeg bij en loopt, de schedel van Zeegers Vermeulen nog altijd bij zich, naar de plaats waar meer dan een eeuw geleden, het drama zich voltrok. De jonge moordenaar had in een briefje verklaard dat hij zijn Fien doodde opdat dit ‘een leering zijn (zou) voor alle jongelingen en meisjes om elkander trouw te beminnen, en nimmer hun eed te breken, en nimmer vals te verkeeren’, in de straten die nu vol hoerekasten staan, waar zich uiteindelijk de identificatie tussen verteller en zedeprekende moordenaar voltrekt: ‘Zijn broek ophoudend, met één been er in, de doos onder zijn arm, strompelde hij op blote voeten door de donkere gang, keek om, struikelde over de lege broekspijp en zijn schedel rolde over de plavuizen naar de voordeur.’
Het mythologische van het gebeuren is van het begin af heel duidelijk: met de klem op de bek (Orfeus, zanger zonder stem), door een stemloze overgezet naar de gids van de onderwereld (museum, voor publiek gesloten), en ook verderop in het verhaal worden de parallellen strak gehouden; Lola bijvoorbeeld, die graag eet, wordt beschreven als: ‘Ik bén eten, zei zij...’ ‘zij had een rituele overgave tot eten, ook wanneer het spaghetti was of een boterham met kaas,’ en het doodshoofd van Zeegers Vermeulen ‘paste precies in (de doos) van een foodmixer. Ik nam de doos onder mijn arm en ging eten.’
Paralipomena Orphica, hoe kort ook, is een van de beste en boeiendste teksten die de laatste tijd in het Nederlands verschenen. Het verhaal sluit daarenboven prachtig aan bij de zestiende en zeventiende Anecdoten rondom de dood, waarin Mulisch een briljante parallel trekt tussen de ‘wateren des doods’ in het Gilgamesh-epos en die van de inter-
stellaire luchtvaart: teksten waarin leven, literatuur en mythe versmelten in eenzelfde patroon, dat der schepping, alsof deze teksten de reden waren geweest van de latere werkelijke verkeersopstopping en de kennismaking met de ‘veerman’, die trouwens ook weer zelf in de onderwereld van Vermeulen - de hoerenbuurt - blijkt te vertoeven.
In beide teksten is me opgevallen dat de vergelijkingen bij Mulisch steeds gebalder en frappanter zijn dan de beelden: uit eenzelfde stuk, over een stierengevecht, twee citaten, een heel preciese en toch ook zeer polyvalente vergelijking, en een op zijn zachtst gesteld eigenaardig beeld: ‘In Spanje, waar niets op tijd is, de vrijheid het minst, is nog nooit een stierengevecht een minuut te laat of te vroeg begonnen - om dezelfde reden als waarom Goede Vrijdag nog nooit op donderdag of zaterdag is gevierd.’ Door deze vergelijking wordt de oncontroleerbare algemeenheid van de bewering in het eerste lid als het ware te niet gedaan: men staat plots voor een absolute, onbetwijfelbare uitspraak.
Dit is echter niet het geval in de volgende zin, waar twee contradictorische beelden (brandend braambos, zwart als de nacht) zomaar uit een hoed worden gevist en rondom het onderwerp van de zin worden geworpen: ‘Als een brandend braambos stormt [de stier] over het veld, slippend, zigzaggend, zoekend, ziet het paard en stuift er zwart als de nacht en sneller dan een kat op af.’
Het boek bevat ook nog een stuk van vijf pagina's over Hoornik, de dichter van de dood. Het is wel fijn gebracht, maar het staat toch weer te los van de vorige twee stukken om in deze bundel bewaard te moeten blijven: hij was bedoeld om op televisie te worden gelezen en, de Goncourts hebben het al in hun dagboek staan: ‘Il n'y a rien d'aussi mal écrit qu'un bon discours.’