In dit toneel/tv.-stuk (King Kong, gevolgd door Wat Nederland niet op de televisie mocht zien, 125 pagina's, De Bezige Bij) over een Hollandse spion/dubbelspion/kollaborateur stelt Willem Frederik Hermans een aantal vragen omtrent de mogelijkheid naar het zoeken en vinden van de waarheid in een dergelijke zaak, naar de wil/onwil tot het zoeken en vinden daarvan en naar de omslachtigheid waarmee zij, die de zaak verduisteren willen, telkens zelf in de eigen soep uitglijden. De houding van enkele mensen uit het bestuur van de nos (Nederlandse Omroepstichting) illustreert geroepen als door de God van de Evangelische Omroep, Hermans' stelling.
Er zijn dus twee gevallen: de zaak King Kong (onderwerp van het toneelstuk) en de zaak rond King Kong (angst voor het toneelstuk). De gegevens rondom King Kong: Engelsen beweerden dat King Kong, in werkelijkheid geheten Christiaan Lindemans, van Prins Bernhard of diens omgeving teveel te weten kwam omtrent de plannen van de Engelse aanvallen op Nederland bij de bevrijding.
King Kong zou hebben gekollaboreerd om zijn broer te redden en één van zijn vriendinnetjes. King Kong zou deze plannen hebben medegedeeld aan de Duitse majoor Kiesewetter; daardoor zouden de Engelsen de slag rond Arnhem hebben verloren. En daardoor heeft de oorlog zeven maanden langer geduurd dan nodig zou zijn geweest, en daardoor heeft de oorlog nog honderdduizenden slachtoffers méér gemaakt.
Iedereen in de zaak werd verhoord en ook Prins Bernhard legde verklaringen af. Iedereen kwam aan het woord behalve die Duitse majoor, Kiesewetter. Uit de verslagen van de Enquêtecommissie Regeringsbeleid blijkt dat de kommissie omtrent King Kong bestond uit een voorzitter en acht leden. Twee van deze leden deden de mond open om vragen te stellen. Alleen de vragen van lid Stokvis zijn relevant. Noch hij noch de voorzitter stelt de vraag of majoor Kiesewetter dood is, gevangen, ondervraagd werd, enz.
Ook King Kong komt niet aan het woord. Hij stierf in een hospitaal; een verpleegstertje, op K.K. verliefd, slikte samen met hem onder meer een overdosis luminal. Zij schreef in een wanhoopsbriefje aan haar ouders dat ‘we’ zelfmoord gingen plegen. Háár wordt de maag leeggepompt. Die van King Kong niet; die wordt met geweerkolven bewerkt in mistige omstandigheden. De verpleegster krijgt het woord niet tijdens de enquête. Hermans toont haar met een prop in de mond. Duidelijk wordt uit Hermans' stuk, dat de voorzitter een schijnondervraging gehouden heeft, dat de belangrijke getuigen niet werden gedagvaard of niets mochten zeggen, dat op kontradikties niet werd ingegaan, dat iedereen blij was met de dood van King Kong en dat er een flink stuk werd gelogen.
Behalve de kommissie en de ondervraagden spelen on-
der meer mee een aantal demonstranten die Protest Aantekenen Tegen De Gang Van Zaken, en een Pa die aan zijn zoontje een en ander probeert duidelijk te maken. Dat kind stelt de meest pertinente vragen, maar Hermans geeft, naast de kritiek op de kommissie ook áán het emotionele karakter van de Demonstrant en het kindse, infantiele verlangen van de vragenstellers die menen dat een dergelijke episode ook met totale logika behandeld zou (had) kunnen worden: één van de knelvragen is die rond een datum, namelijk 23 september, omdat omstreeks die tijd het hoofdkwartier van de Nederlandse troepen in Brussel verhuisd is, maar op welke dag kan niemand achterhalen.
De spanning in het stuk wordt opgebouwd door een ‘waarheid’ binnen het bereik te laten komen en dan weer te weigeren de goede stap te zetten. Omtrent King Kong zelf komt de lezer/kijker nauwelijks iets te weten. Hij is geen persoon, hij is een probleem, dat men ontwijkt onder het mom dat men de waarheid zoekt. De Waarheid alweer! Waar de twee meisjes die op hem verliefd waren en over hem getuigen van hemzelf te horen krijgen: ‘Het vaderland heeft geen gezicht. Maar ik zal nooit het gezicht van mijn moeder vergeten, toen Henk weer vrij was, dankzij mij.’
Nou ja, Holland kan er nog aardig over gaan natuttelen, over hun kommissie, hun Prins, hun oorlog, hun dooien en hun Kong. Waar is-ie, die Kiesewetter? Is hij het misschien die het brein van Jack Kennedy heeft gestolen?
Er zijn slachtingen waarvoor men een schuldige duiden moet, en slachtingen waarvoor men zich niet mag permitteren een schuldige te vinden.
King Kong werd geschreven in opdracht van de gemeente Amsterdam. Hermans zond het manuskript op 22 april 1968 naar het raadhuis; op 28 november berichtte een driekoppige jury bij monde van de Heer Burgemeester dat
de dialogen niet toneelmatig waren. Ondertussen had de nos (heette toen nog nts) aan Hermans om een tv.-stuk verzocht. Hij zond hen King Kong en vernam op 18 september 1968 van de hoofdmedewerker Culturele Zaken, ene Jan Venema, dat hij erg blij was met het uitstekende stuk. Hij ging meteen uitkijken naar een programmeerdatum. Exit na een tijdje Venema, op 11 april 1969, da's al iets later, vervangen inzake korrespondentie met Hermans door ene C. Enkelaar, Hoofd nts-Programma. Deze zendt aan Hermans een copie van kommentaar van dr. L. de Jong omtrent het stuk.
Dr. De Jong is 's lands autoriteit inzake oorlog en kollaboratie, en hij rakelt drie punten op waarover op televisie een boeiend debat zou kunnen gehouden worden aansluitend op het tv.-stuk, en in zijn repliek geeft ook Hermans nog eens wat kritiek op het officiële standpunt. Wanneer Van Tijn de zaak ter sprake brengt in Vrij Nederland zal Enkelaar pas goed beginnen te liegen, waarschijnlijk in de hoop dat Hermans zich boos zou maken op dr. De Jong.
Integendeel: W.F. Hermans en dr. De Jong zijn het omtrent de zaak King Kong niet altijd roerend eens, maar ze hebben wel respect voor elkaar, iets waar Enkelaar, die zowel De Jong als Hermans vuige leugens in de mond legt, blijkbaar weinig benul van heeft. Toen ik haast tien jaar geleden zocht naar literatuur over het verzet in Nederland, schreef Hermans me (16 januari 1963): ‘Over het Verzet in Nederland: de Rapporten van de Parlementaire Enquêtecommissie 1940-'45 zijn de enige zonder blabla, maar wel erg dik. De Bezetting door J. de Jong (Salamanderpockets) is oppervlakkig, maar niet al te onjuist en voor jou bruikbaarder, denk ik. Verder is er niet zo veel, bij mijn weten. Het meeste hagiografie en vaderlandslievend gesnurk.’
En De Jong schrijft aan Enkelaar: ‘Ik heb [King Kong]
met grote belangstelling en in vele opzichten ook met grote waardering gelezen. Ik beschouw Hermans als misschien wel de belangrijkste naoorlogse auteur en ben sinds vele jaren een groot bewonderaar van zijn oeuvre. Intussen meen ik dat ik het door hem geschreven tv.-stuk niet aan artistieke, maar uitsluitend aan historische maatstaven moest toetsen. Geheel ben ik het met de heer Hermans eens dat de Enquêtecommissie de zaak King Kong onvoldoende onderzocht heeft.’
Volgen dan de drie punten, waar Hermans in zijn repliek ook weer zijn kommentaar heeft. Geen reden om het stuk in de doofpot te stoppen, integendeel, alleen maar aanleiding om de kreatie van het stuk te beklemtonen door een debat omtrent de duistere punten. Daar voelde de nos niets voor.