terug  begin  verderprepost

Kritisch Akkoord 1971

Circa 150 pagina's voor 195 frank, het zou wel inderdaad een mooie keuze mogen zijn uit de essayistiek van Noord en Zuid die uitgeverij Paris - Manteau ons biedt. Eilaas, driewerf hetzelfde aan de knikker! Martien J.G. de Jong, Ludo Simons, Adriaan van der Veen en Paul de Wispelaere verzamelden alleen maar vrij slordig geschreven, half uitgedachte en niet-controversiële opstellen uit de diverse Nederlandstalige tijdschriften.

Het begint weer met Kees Fens, met algemene algemeenheden over wie nog poëzie schrijft, leest, koopt. Fens is weinig entoeziast. Wij danken hem voor het diepere inzicht. En dan Ivo Michiels, met een gelegenheidstekstje, gelicht uit het huldenummer van Heibel, en gewijd aan de achterlijkheid van Vlaanderen. Ik neem aan dat Ivo zelf het stuk liever niet herleest; en ik moet hem toch eens vragen waarom ook hij weer moet refereren naar Herman

[p. 62]

Teirlinck. Citaat: ‘[Teirlinck] zei ze in het Frans en hij heeft me nooit verboden ze te gebruiken. Nu liggen ze mij op de tong en ik weet dat Teirlinck niemand heeft willen kwetsen. Maar hij wist meer dan zijn vrienden wisten dat hij wist.’ Enzomeer, hoe is 't mogelijk.

Dan een stukje van Bert Brouwers over Lenin en de literatuurwetenschap en een van Timmer over de Gorkiuitgaven. Deze artikels werden opgenomen, neem ik aan, omdat zij enige informatie bevatten die niet tot iedereens bagage behoort; hetzelfde geldt voor het kommentaar van Leo Ross over de slechte Nederlandse versie van de Mauthausensongs. Nou, we zijn Ross dankbaar voor het feit dat hij Grieks kent, Timmer voor zijn Russisch, en Brouwers voor zijn Leninisme. Zeker in het geval van Ross' opstelletje vult deze dure pocket nog niet voor zowat één duizendste de leemte gelaten door de dagbladen. Ross' kommentaar bij de verbastering van de Mauthausensongs had door alle kranten moeten zijn overgenomen, vertaler Lennaert Nijgh zou door het publiek moeten worden uitgefloten en op de straat nagewezen als een verprutser van Theodoraki's chansons... nietwaar? Nee, bijlange niet. Theodoraki's halfbakken politiek koffiekoekkabaret is niemands reële attentie waard en hij krijgt dan ook de vertalers en vertolkers die hij verdient. Een serieus tijdschrift - en a fortiori een selektie van opstellen - kan zich met dit soort prullen niet inlaten. Kortom: Ross' opstel wordt herdrukt omdat alleen hij Grieks kent, tegenover haast alle lezers, die van dat taaltje geen barst begrijpen. Waarom nu wel Ross in de anthologie opduikt, en niet Professor Toetemans van de Universiteit van Lokeren die zo perfekt het dorps-Bantoe beheerst? Omdat Ross drie dichtbundels publiceerde, vrees ik. Het is allemaal nog niet zo erg. Wacht maar. Hier komt Jan H. Cartens, die doceert - sma-

[p. 63]

kelijk, allemaal - ‘literaire tekstinterpretaties aan het Theologisch Studiecentrum te Breda’. Hij schrijft zinnen van het soort ‘Het wordt lente in zijn hart als hij ze verneemt en hij tracht de melodieën mee te zingen op de hoogste toppen van zijn stem.’ Dat is bij de baard van Marnix niet voldoende voor de dappere tekstontginner; hij moet ook zo nodig een dosis theologisch racisme uit zijn denkapparatuur persen en in prozavorm tegen het blanco blad smijten: ‘een eeuwig, de mensheid ingeschapen heimwee: het verlangen naar die schuldeloosheid en die harmonie der schoonheid, naar de Schoonheid-zelve, dat de toppunten van onze beschaving heeft bezield en dat wij niet kunnen ontkennen zonder ons onherstelbaar te verminken tot gladde en kleurloze Amerikanen.’ Astablieft!

Op dit soort proza kon enkel een bedenksel neergeschreven door niemand minder dan Corn. Verhoeven volgen. Het enige boeiende aan dit figuur is de wijze waarop hij zijn voornaam afkort: Corn. In het in dit boekje opgenomen soortement meditatie keert hij zich tegen Rietdijk en Hermans, omdat deze laatsten de bêta-kultuur voorstaan ten nadele van de alfa-kultuur, die onze Corn. Verhoeven zo nauw aan het hart ligt. De bij de samenstellers van dit boekje zo populaire auteur van studies zoals Rondom de leegte en Bijna niets verzet zich tegen de idee dat de alfa-kultuur ten dode opgeschreven is op zulke wijze dat elke rationeel georiënteerde lezer gaat hopen dat de dolste voorspellingen van de bêta-supporters omtrent de ondergang van het hele alfadom zo spoedig mogelijk mogen uitkomen.

De parel op de essayistische kroon komt uit de oester genaamd Eugène van Itterbeek, die een vlijtige parodie levert op het bekende chanson: ‘is schele Johan blind’? Is Walravens een existentialist? Is hij een existentialistische

[p. 64]

schrijver? Ik heb het artikel niet totaal ademloos uitgelezen. Maar afgezien van het absurde van de hele onderneming: Van Itterbeek heeft niet het recht zomaar op de kosten van uitgeverij Paris-Manteau met 's publieks voeten te spelen. Op pagina 68 citeert hij een zin van Walravens die eindigt met: ‘Hier wordt voor de eerste maal in de Vlaamse literatuur voor een schrijverschap opgekomen dat stelling kiest in de problemen van de tijd.’ Wat leidt de Gène daaruit af, aldus twintig konijnen uit de lege hoed van de aflijvige toverend? Hij leidt daaruit af: ‘Met die zin maakt Walravens ook het onderscheid tussen poëzie en proza duidelijk: het proza verwijst naar de tijd, het is niet autonoom, met andere woorden het is geëngageerd.’ Jawadde.

Ach, en zo gaat dat maar verder in dit treurige boek. Waarom De Jong, Simons, Van der Veen en De Wispelaere ten slotte ook nog een zinnig opstel (van Kaleis over Hermans) moesten opnemen, is door mij niet te achterhalen.

195 frank! En dan maar klagen dat het brood in prijs stijgt!

prepostterug  begin  verder