terug  begin  verderprepost

Stig Dagerman

Het zijn twee Nederlanders, de heren Minnemaa (ofte Sybren Polet) en Henk Marsman (ofte J. Bernlef) die resp. in Het Warme Noorden en de vertaling van een roman en novellen van Stig Dagerman, het kleine Zweedse taalgebied in ons al even ditto geïntroduceerd hebben. Van Stig Dagerman vertaalde Bernlef achtereenvolgens Bränt Barn (Het verschroeide kind) en verhalen uit Nattens lekar (Spelen van de nacht) en Vart behov av tröst (Onze behoefte

[p. 65]

aan troost).

Het verbrande kind, zoals Bernlef de titel letterlijk overnam, is een roman van meer dan ongewone waarde. Dagerman, die in zijn eerste werken, De Slang en Het eiland der verdoemden invloed onderging van Kafka en, naar de Fransen gretig beweren, (maar ik weet niet of Dagerman Sartre las) Sartre, brak in Kind met de existentialistische traditie om zijn eigen tematiek, het misnoegen van te bestaan, te koppelen aan persoonlijke obsessies. In Kind vindt men vooral de obsessie van de hond, van de kleur rood, van de schoen terug.

Het verhaal: Bengt blijft, na de begrafenis van zijn moeder, achter met zijn vader. Bengt, die verloofd is met Brit, wordt achtervolgd door de herinnering aan zijn moeder, en geeft haar op voor Gun, de (in het begin) door hem gehate maîtresse van zijn vader. Met Gun beleeft hij de liefde, en het incest, want hij identificeert Gun met zijn moeder. Hij huwt Brit, maar verhangt zich. De tak van de boom breekt. Hij schrijft een afscheidsbrief en snijdt zijn pols door. Maar de brief wordt nooit gelezen, en Bengt geneest.

De auteur integendeel heeft zijn zelfmoord niet gemist. Geboren op 25 oktober 1923, pleegt hij zelfmoord op 3 november 1954 in de garage, al is het niet zeker, zegt Bernlef, ‘of hij de dood heeft gekozen of de deur niet meer op tijd kon openkrijgen’. Dagerman speelde inderdaad met de dood, althans tijdens de laatste maanden van zijn leven: van september tot november gaat hij in de garage, zet hij de auto aan, maar kan hij niet beslissen.

Wie zijn werk leest vindt de doodsobsessie echter overal terug, niet als een fataal einde, maar in de vorm van een eindelijk verworven rust.

In het verhaal De vreemde man bijvoorbeeld, uit De spelen van de nacht, ziet men 'n gehuwd paar: de man be-

[p. 66]

kijkt een aantal foto's. Hij herkent ze niet. Hij herkent niet eens zichzelf op de foto's. Hij is vervreemd van zichzelf en ook van zijn vrouw. Beiden gaan slapen; de vrouw ontwaakt, merkt naast zich een vreemde man in bed op, en slaat hem het hoofd in met een hamer.

Maar het verhaal is niet zo oppervlakkig als zijn gegevens; de stijl van Dagerman is uniek in de Europese letterkunde, en misschien te vergelijken met die van Willem Frederik Hermans, maar zonder haat en zonder humor: ‘Als de kamer vervuld wordt door een verschrikkelijk licht van een onzichtbare lamp, ramt zij de hamer met een ontzettend gevoel van bevrijding recht in de van zweet glanzende slaap van de vreemde man.’

Dagerman mengelt een nogal surreële sfeerschepping met een uiterst minutieuze detaillering, vandaar dat zijn werk bijna steeds de dreigende stilte en traagheid bezit van de Skandinavische film (denk aan Ordet), de mysterieuze desolatie van Chirico en Gracq, maar ook het onmiskenbaar aksent van Dagermans melankolie en moedeloosheid.

Stig Dagerman debuteerde in 1944 als journalist in het syndikalistische dagblad Arbetaren. Militant en schrijver, verwierf hij op korte tijd de naam van wonderkind. Zijn onthutsende aktiviteit als dichter, romancier, novelist, journalist, bezorgden hem een publiciteit, die hem niet kon troosten. ‘Troost’ is, zoals Bernlef opmerkt, zijn uiteindelijk doel. Ongelovig, was Dagerman religieus, en zijn talent was ‘niet meer dan de troost voor (zijn) eenzaamheid’. De schizofrenie haalde het op zijn luciditeit. Hij was als het ware verlamd, schreef nog slechts fragmenten, begon met de dood te ‘spelen’, en stierf.

Het overlijden van Stig Dagerman was één van de allerzwaarste verliezen voor de Europese literatuur. Dat klinkt vrij gek, want voor ons is de Europese literatuur zowat van

[p. 67]

alles, maar niet Zweeds. Daarom juist zijn de vertalingen van Bernlef zo belangrijk. Zowel Het verbrande kind als Natte Sneeuw zijn pareltjes van zin voor realiteit, van verbeelding, en vooral van taalbeheersing. Zegt Bernlef: ‘Er zijn maar weinig schrijvers die de illusie weten te wekken dat ieder woord op zijn juiste plaats staat.’ Dagerman, die soms uit de realiteit vluchtte, wist het ‘irreële’ zo nauwkeurig te beschrijven, dat men dikwijls als aan zijn stoel vastgevroren zit, zonder benul van tijd of eeuw: Flaubert, Oedipus of Robbe-Grillet? Bij Dagerman is inderdaad elk woord juist, elke handeling verantwoord, elke anekdote hallucinerend.

Revelerend zijn Mémoires van een kind, waarin het onwettig kind Dagerman in zijn ijskoude taal de mogelijke drijfveren opsomt die hem tot zijn uitgesproken emotionele literatuur leidden. Ze parafrazeren, zelfs door citaten weergegeven, roept spijtig genoeg steeds het beeld op van een onbeholpen, droevige, romantische jongen, die nooit volwassen kon worden. Toch is dat met Dagerman niet het geval, zoals Flaubert beheerst hij zijn romantisme door middel van zijn feilloze stijl, zijn ongelooflijke trefzekerheid bij het suggereren van de weerloosheid. Onwettig kind, zag hij zijn moeder zelden: ‘Iedereen in de wereld heeft ouders. Ik heb alleen grootouders.’

Schrijven is nutteloos, maar obsessioneel: ‘Nu denk ik vaak dat grootvader (de boer) een dichter geweest moet zijn in die tijd, bezig onmogelijk moeilijk materiaal te bedwingen, misschien onbewust van het feit dat het er op zich eigenlijk niet zoveel toe deed maar dat het toch noodzakelijk was, ter wille van het werk, van het gedicht.’ Dagerman studeerde in Stockholm toen zijn grootvader vermoord werd; zijn grootmoeder stierf een paar weken later van de shock. Onmachtig, schreef Stig een slecht gedicht:

[p. 68]

‘Maar uit die schaamte, uit die onmacht en dat verdriet werd iets geboren, iets dat geloof ik de wens was om schrijver te worden: dat wil zeggen in staat te zijn te vertellen hoe het is om te rouwen, geliefd te zijn geweest, alleen over te blijven.’ Hij werkte om te kunnen studeren. Zijn gedichten brachten geen geld op. Eindelijk won hij met een schoolwedstrijd een week vakantie in de bergen, maar de reis eindigde in een tragedie. ‘Ik verloor een heel goede vriend en kamergenoot in een lawine. Toen ik terugkwam wist ik onherroepelijk wat ik worden moest. Ik moest schrijver worden en ik wist wat ik moest schrijven: het boek van mijn doden.’

prepostterug  begin  verder