Mijn vriend en collega Eric de Kuyper verdedigt in het tijdschrift K & C-Agenda op tijd en stond niet alleen de pop-muziek, maar ook de ‘revolutie’ die door de pop-generatie wordt nagestreefd. Het is zijn beste recht. Hij heeft gemerkt dat noch Herman Sabbe, noch Willy Roggeman, noch ik veel van diezelfde popkoek lusten, en prijst hen die ‘Berio alleenzaligmakend’ achten, van tijd tot tijd bezinning aan. Ik heb mij nog eens een beetje bezonnen. Tijdens de lectuur bijvoorbeeld van Zwischen Reihe und Pop, van dr. Konrad Boehmer (componist, muziekcriticus in Vrij Nederland, leraar in de muzieksociologie, en radicaal links militant). Boehmer heeft in dat boek (Jugend und Volk, Wenen, 164 pagina's) een briljante analyse gegeven van de problematiek van de ‘geëngageerde muziek’ van tegenwoordig. De theorie van de muzikale avant-garde van de jaren vijftig omschrijft hij met: ‘Auch sie glaubten damals, dass man die musikalische Revolution nur ohne nach rechts oder links zu schauen durchführen müsse, und dass sich dann, beeindruckt durch die gewaltigen Resultate, die Welt schon anpassen werde. Auch sie glaubten dass ein bischen Krawall im Ueberbau der gesellschaftlichen Strukturen, ein wenig Unerbittlichkeit in der Sphäre der Ideologie, die Wirklichkeit schon zur Entwicklung besserer Formen und zur Entfaltung ihrer besseren Möglichkeiten provozieren werde.’ Wie is er nu bedoeld met die ‘auch sie’ waarmee ik het citaat laat aanvangen? Precies. The Mothers of Invention. Frank Zappa, de leider van die moeders, werd door Elly de Waard geïnterviewd voor Vrij Nederland. Hij had het onder meer over enkele leden van de Duitse
Socialistische Studentenbond, die hem vroegen of ze een politieke demonstratie aan zijn concert mochten koppelen. Zappa zei hierover dat enkele ‘young punks’ met ‘rode sjerpen’ hem dit waren komen vragen. Boehmer noteert terecht, dat ‘ausgerechnet [The Mothers of Invention] unter anderem berühmt wurden durch die aussergewönlich schlampigen Kleider, die sie in ihrer Show zu tragen pflegen: wo sie diesen Marktgag irgendwo anders zu finden glauben, reagieren sie so allergisch wie Kleinbürger.’
De term ‘Marktgag’ is hier van kapitaal belang. Géén van de bestaande in Europa bekende beatgroepen heeft zich verzet tegen of onttrokken aan het kapitalistische systeem dat zij met zoveel mislukte keelgeluiden in hun songs naar de duivel wensen. Er bestaat een enorm verschil tussen ‘van een bepaalde muziek houden’ en ‘in die bepaalde muziek zijn eigen optimistische wereldvisie projecteren’. Dit laatste echter is wat in grote mate gebeurt, en het lijkt me ook het geval bij Eric de Kuyper, die ik nu een beetje symbolisch stel voor de in mijn ogen nogal lachwekkende manier van dwepen die het grote deel van de protesterende jeugd en sympathiserende intelligentsia is gaan opbrengen. Muziek, die niet op kritische wijze werd beluisterd, wordt snel gekoppeld aan sentimentele parallel-verschijnselen. Iedereen heeft dat, maar sommigen komen daar nooit van los. Zo zijn er lieden die hun hele leven lang de waarde van de muziek die ze tijdens een periode van hun leven hoorden zullen verwarren met de sentimentele waarde die ze aan die periode hechten. Zo zijn er die blijven hangen bij Johann Strauss, bij Maurice Chevalier, bij een bepaalde periode uit de jazz, noem maar op.
Een tweede soort van analoge verwarring treedt op bij mensen, die een zekere muzikale remming verliezen. Kenschetsend is de generatie van intellectuelen, die de klas-
sieke muziek altijd hebben verafschuwd, maar plots, op iets rijpere leeftijd, de barok-periode zijn gaan appreciëren. Voor een andere generatie, die niet de nodige aandacht heeft willen of kunnen opbrengen voor de verdere ontwikkeling van de jazz, en die zich niet hebben geïnteresseerd voor de groei van de moderne muziek buiten de jazz (Cage, Stockhausen, Henry, Berio, enz.) heeft de pop-muziek, in haar wollige mengeling van hard beat uit de jazz en de rhythm and blues uit de populaire negermuziek èn de goedkope effecten die uit de elektronische muziek werden overgenomen, een mooie uitkomst gebracht. (In dezelfde mate dat de minder pop-minded half-progressieven nu Penderecki hebben binnengehaald.) Voor vele intellectuelen, die plots door de studentenacties, dolleminades, communestichtingen, cheguevarapolitisering en omgeturnde bewustzijnen tot een irreëel geloof in de ‘revolutie’ bekeerd werden, biedt de pop-muziek niet alleen deze hogerbeschreven amuzikale charme, maar symboliseert zij daarenboven een samenzijn met een generatie die tegen de corruptie opstaat, zij het dan met een stereo-koptelefoon over de oren en een psychedelische platenhoes voor de ogen gebonden. Dat iemand met de merkwaardige film-kritische intelligentie van Eric de Kuyper in zo'n put loopt, lijkt me symptomatisch. In K & C nr. 18 schrijft hij dat het boek The Story of Rock diepere ‘kernen aanraakt, frappante beelden oproept, verrassende samenhangen uit ons hedendaags bestaan tekent’. Kurieuzer is, dat de Kuyper niet de verrassende samenhang ziet tussen deze zin uit zijn artikel en een zin uit zijn eigen eerste alinea: ‘Alleen moet men zich de vraag stellen in het geval van de pop-muziek of er wel nog iets bestaat buiten die stereo-platenopname, en of dat niet de enige werkelijkheid is.’ En hier moet ik de Kuyper volmondig gelijk geven. Ja de pop-muziek is
louter conditionering door stereo, en de rest zijn marktgags, ja, de stereo kan alleen worden gebracht door grote platenfirma's die de jeugd wat graag tegen het kapitalisme laten roepen zolang het maar zaad in hun bakje brengt, want zoals Eric de Kuyper best weet zijn ook de ‘witte platen’ een commerciële onderneming. Het essentiële principe van de pop-muziek is precies, wat de revolutionair in deze maatschappij zo tegen de borst stuit: het reïficatie-principe. Pop-muziek is zuivere conditionering van de toehoorder door middel van klankvolume en ritmische pulseringen (een paar pop-musici krijgen het klaar om binnen deze agressie nog goeie solo's weg te geven, maar zelfs in dat geval is het tweedehands-jazz). Dat de popgroepen het wel degelijk menen met die reïficatie van de toehoorder kan men opmaken uit de behandeling van de ‘groupies’ door deze lieden. De ‘groupie’ is een soort vrijwillige prostituée die orkestjes nareist, voor drugs zorgt en steeds bereid staat om in de sexuele noden van dezelfden te voorzien. Het aanvaarden van een dergelijk vrouwelijk gedragspatroon is tegenstrijdig met de revolutionaire opzet die deze groepen zo mooi in interviews met fanbladen verkondigen.
Waar trouwens die revolutie naartoe wil, alleen God zal het weten, want het is tot niemand minder dan Hem dat ze zich richt. Vinkenoog wist het al jaren geleden: Liefde en Geloof, dat zijn de meest efficiënte middelen ter reïficatie van de toehoorder. In de Haagse Post nr. 20 staat een zeer onthullende reportage (Jezus is terug) over de Jezus-viering die plots in de psychedelische revolutie is ontstaan. Hans Verhagen schrijft daarbij een opmerkelijk stukje over de nieuwe mens die hij geworden is dankzij de pot, de pop en nu de paap. ‘[De mens] zal zijn ziel willen zuiveren en zijn geest ontwikkelen in de nieuwe trant.’ Ha! En zo komt
hij tot een nieuwe Jezus (your psychedelic Christ): ‘Het nieuwe beeld van Jezus is de verpersoonlijking van het Christus-bewustzijn in ieder mens, te situeren tussen het alledaags bewustzijn en de Godheid in hem, en als verbinding tussen deze niveau's optredend.’
Zo sluit zich de cirkel. Dankzij een schijnbeeld van muzikale vernieuwing zich de naam van ‘muziek’ verwerven, dankzij het vijgenblad van de revolutie de jeugd onmiddellijk tot een efficiënt-commercieel-manipuleerbare groep degraderen, en alles tenslotte overgieten met de eeuwenoude saus van de vaderfiguur, na Che Guevara, die in Bolivië stierf, en God, die in de armen der theologen overleed, zijn zoon, die lang haar had. Er zit misschien zelfs nog een alternatief concilie in.
(Dit stukje werd geschreven kort voor de kreatie van iets dat heet Jesus Christ Superstar.)