Het palindromische Ak-Ka uit Flak-Catchers dat het ritme van de titel op zo unieke wijze verbreekt is typerend voor de schijnbaar waanzinnige stijl van Tom Wolfe. Tom Wolfe bevestigt met dit vierde boek niet alleen een reputatie, niet alleen de kwaliteit achter een snobistisch sukses, maar fundeert sterker dan voorheen zijn positie als een van de drie belangrijkste beschrijvers van het Amerikaanse leven; de andere twee zijn dan I.F. Stone en Paul Krassner.
Stone en Krassner halen het, in een wereld van verwrongen en gecensureerde informatie respektievelijk door onthullingen of door de eigen toon. Wolfe veegt alle konkur-renten netjes onder de mat dankzij zijn stijl. Die stijl is zeer persoonlijk, maar zeer kompleks. Wolfe is de tegenpool van Becket, al vertrekken beiden vanuit de wereld van de klank. Waar alles bij Beckett naar versobering streeft, is voor Wolfe elk woord slechts een onderdeel uit de meest barokke copywriterkataloog die men zich kan voorstellen. Tom Wolfes pseudo-delirante beurtelings oneindig lange en bruusk afgebroken zinnen en zinsstrukturen zijn ondenkbaar zonder de taalexperimenten van James Joyce, de logorrhee van Gertrude Stein, de ritmische injekties die Dave Lambert en Jon Hendricks in de jazz-zangtaal aanbrachten, en de opsomming tot in het absurde van
verbruiksgoederen, alle trouwens gecodeerd met voldoende codices om de meest maniakale klassifikatiehobbyïst tot ongehoorde geneugten te voeren.
Achter de woordstromen van Tom Wolfe, achter deze waanzin, gaat een ontledingssysteem schuil dat in geen enkel opzicht onderdoet voor de droge scherpzinnigheid van een boek als Mythologies van Roland Barthes. Een opstel als Mau-Mauing the Flak-Catchers is zeer duidelijk gebaseerd op dezelfde metode als bijvoorbeeld de (slechts drie pagina's lange) artikels van Barthes getiteld Iconographie de l'abbé Pierre. Wolfe grijpt, zoals Barthes, naar de truuk van de geniale cabarettier: de reduktie van een complex fenomeen tot één eenvoudig feit, en de blootlegging van dit ene feit. De cabarettier werkt met analogieën, Barthes geeft het revelerende feit als teken aan (‘la neutra-lité finit par fonctionner comme signe de la neutralité’), Wolfe gaat op het feit, of teken, talloze kwasi-identieke feiten en tekens akkumuleren.
Mau-Mauing the Flak-Catchers is bedoeld als beschrijving van de manier waarop pooiers, drugverkopers, gangsters, leiders van radikale groepen, enz. zich meester maken van de gelden bestemd voor de armen in de getto's. De eindscène, een van de dolste ooit uit zijn schrijfmachine gewipt, is de weergave van het bezoek van zo een Mau-mauer aan burgemeester Aliotto van San Francisco om te protesteren tegen het halveren van de fondsen aan zijn zogenaamde jeugdgroep, The Youth of the Future. De situatie is dat de Mau-mauer (zo genoemd omwille van het intimiderend karakter van soortgelijke vertoningen) zestig gettokinderen, voorzien van drankjes en roomijs, achter zich aanzeult in de hall van het Stadhuis, een hall die rijkelijk voorzien is van marmer en goudverf.
Wolfe beschrijft de overdaad aan goud en marmer via
de dagdromen van de bedienden van het stadhuis: in een wereld van rust, verzekerd pensioen, overheersing van de wereld via bureaukratie hebben alle bedienden, van de geringste tot de belangrijkste, de zekerheid dat de wereld die van goud en marmer is, van goud en marmer, van goud en marmer, altijd zal blijven bestaan (of tenminste zolang ze leven, wat precies is wat zij met het woordje altijd bedoelen). Worden ze nu toch wel overvallen door een andere overdaad, een overdaad aan - nee, niet kinderen alleen, maar kinderen met drankjes en ijsjes.
Deze tweede soort overdaad beschrijft Wolfe via de reine akkumulatie, faktueel zoals in de publiciteitswereld: ‘Sixty strong, sixty loud, sixty wild, they come swinging into the great plush gold-and-marble lobby of the San Francisco City Hall with their hot dogs, tacos, Whammies, Frostees, Fudgsicles, french fries, Eskimo Pies, Awful-Awfuls, Sugar-Daddies, Sugar-Mommies, Sugar-Babies, chocolate-covered frozen bananas, malted milks, Yoo-hoos, berry pies, bubble gums, cotton candy, Space Food sticks, Frescas, Baskin-Robbins, boysenberry-cheesecake, ice-cream cones, Milky-Ways, M&Ms, Tootsie-Pops, Slurpees, Drumsticks, jelly doughnuts, taffy apples, buttered Karamel Korn, Rootbeer floats, Hi-C punches, large Cokes, 7-ups, Three Musketeer Bars, frozen Kool-Aids.’
Nou, tot zover één detail uit dit opstel. Geïsoleerd, uit de kontekst gehaald, weet ik niet of het erg duidelijk is: de bedoeling van Wolfe is echter wel om de paniek van de bewakers van het Stadhuis bij de konfrontatie met zestig kinderen uit het getto weer te geven, niet via psychologische algemeenheden van ze zijn te jong om te slaan, wat moet dat tuig hier, d'er zijn geen blanken bij, en dies meer.
Wolfe reduceert twee universums: die van de blanke
bediende die droomt van de valse status gesymboliseerd door goud en marmer en bureaukratische orde, en die van de kinderen uit de armenbuurt geobsedeerd door de valse luxe van al het kalorieloze luxevreetvoer dat in advertenties, op tv, in de transistorradio's, langs de straten en in de bioskopen op ze wordt afgevuurd.
Wolfe reduceert de konfrontatie tussen Stadhuis en getto tot een schijnbaar absurd schrikbeeld: er kon wel eens van die kleverige roomijs op de marmeren trap naar het bureau van de burgemeester druppen. De joyeuze, ridikule, klowneske pseudo-nachtmerrie dekt echter een ander, niet uitgesproken, niet verwoord, beeld: nog een stap, klein zwart kreng, en ik sla je hersens tot moes en dan druipt er vies bloed over de mooie marmeren trap.
Joyeuze, ridikule, klowneske toon van een opstel, waarin Wolfe (en de lezer met hem) zich vrolijk maakt over de paniek van de blanken, die gelden beheren door een of andere Stichting via Washington toegekend Ter Heropvoeding en Verbetering Der Kinderen Der Getto's, wanneer deze blanken worden gekonfronteerd met de inwoners uit die getto's. Tom Wolfes centrale argument (en hij verlaat als een gladde aal zijn klownspak om in enkele alinea's de noodlottige werking van het bureaukratisch pseudo-demokratisch systeem aan te tonen) is dat de blanken die deze gelden beheren niet weten wat een getto is, niet weten hoe het funktioneert en, ondanks alles, overleeft, parallel aan de bureaukratie en onafhankelijk van de individu's die het bevolken.
De gelden die worden uitbesteed aan de scholing van gettokinderen hebben geen enkele positieve uitwerking. Zogenaamd ‘geschoolde’ jongeren worden gedurende enkele maanden, terwille van de statistieken, tewerk gesteld in een bedrijf waar ze niets doen dan rond de Xeroxmachine
hangen; daarna worden ze afgedankt en terug het getto ingedreven waar een spuit heroïne of een fles harde alkohol, naast het vooruitzicht van overleving via roof, moord en kleurentelevisie hen wachten.
Terwille van de statistieken, want die statistieken rechtvaardigen de gelden, en het geld moet worden uitgegeven opdat het kapitalisme zou kunnen pronken met een onbaat-zuchtig gettoprogramma.
De Mau-mauers hebben dit het eerst begrepen. Ze overvallen dan ook de bureaus waar deze gelden worden beheerd, niet met geweld, maar met de indruk van geweld: met de macht, die de gettokoning bezit over de welgevoede blanke man, die aan ‘sociaal werk’ doet. Gangleiders vallen het bureau binnen, gooien een zak met vuurwapens op tafel en beweren dat ze die hebben afgenomen van jonge delinkwenten en als er nu vlug geld uit Washington te voorschijn komt, zullen deze delinkwenten niet meer delinkweren; pushers brengen lege spuiten en halve dosissen drugs aan; anderen, de Panthers, de Young Lords, de Third World Liberators, de Chicanos, de Samoanen tonen alleen hun gezicht en strijken het geld op.
Miljoenen gaan zo weg. De blanken die de beslissingen moeten nemen - de Flak Catchers - werken dit in de hand. Liever worden ze gekonfronteerd en geaffronteerd in hun eigen bureau dan dat ze zélf een kijkje zouden moeten gaan nemen in de getto's: ‘So the poverty program not only encouraged mau-mauing it, it practically demanded it.’ Omdat de zwarten de eersten waren die de voordelen van het mau-mauen inzagen, en de Flak Catchers geen benul hadden van de bevolking in de buurt waar ze gelden voor uittrokken kon het gebeuren dat er, citeert Wolfe, haast honderdduizend dollar werd uitgeschreven voor een imaginaire jeugdbeweging, de Ethnic Catering Service, alhoewel:
‘There wasn't one of them that looked much under thirty, and nobody had ever heard of any black youth in that area before, but they could mau-mau as if trained by the great Chaser himself.’
Het andere titelstuk, Radical Chic, is de beschrijving van een soirée, gegeven door toondichter-dirigent Leonard Bernstein ten voordele van het fonds van de Black Panther Party. Radical Chic is een spotterm voor de miljonairs die sympatizeren met revolutionaire bewegingen. In het Sunday Times Magazine van 7 november 1972 geeft John Kenneth Galbraith, die niet als leugenaar bekend staat, volgende cijfers voor korrekt op: Amerika zou meer dan 100 000 miljonairs in dollars tellen; in New York telt de financiële en artistieke elite met sympathieën voor avant-garde kunst, liberale en linkse politiek ongeveer 3 000 zielen (of porte-feuilles). Galbraith schrijft letterlijk: ‘These number perhaps 3 000, and achieve their distinction by their patronage of the arts, liberal politicians and the currently fashionable panaceas. Of late some caution has developed over association with anything that might be considered too radical. There has been criticism of what is called Radical Chic.’
Tom Wolfe, altijd aanwezig waar de bizarre voetnota's bij de geschiedschrijving van het kapitalisme tijdens de opkomst van de subkulturen kunnen worden gedetekteerd, Wolfe was aanwezig op het hoogtepunt van het seizoen van Radical Chic - een hoogtepunt dat meteen het einde inluidde: een verbatim verslag van de verrukte ooh's en aah's van de Jet Set bij het gezicht van échte Black Panthers, in echt leer, met echte ondoorzichtige zonnebrillen, vers uit de gevangenis, in een duplex-penthouse waarvan de dekoratie alleen een slordige honderdduizend dollar heeft gekost - een verbatim verslag van deze bijeenkomst lag geen vierentwintig uur later op het bureau van Richard Nixon.
Wolfe beschrijft op zijn heel eigen manier, barok, droog, exuberant, didaktisch, in ellenlange, in korte onaffe zinnen, de mengeling van marxistisch en zwart-nationalistisch revolutionair getto-Amerika en snob, dom, sympathiek, welwillend, geïrriteerd, maar schatrijk Jet Set-Amerika. Giften aan de Flak Catchers kun je van je belastbaar inkomen aftrekken, maar giften aan de Black Panther Party niet. Hoe delicieus! De duizenden dollars stromen in de handen van de Molotov cocktail-mengers.
De avond bij Bernstein was het hoogtepunt van het grote seizoen van Radical Chic. Helaas, de jood Bernstein kwam daarna onder alle vuren te staan - hij bleef een schatrijk man, hij werd plots voor de kapitalisten een kapitalist die de revolutie betaalde, hij werd voor de joden een jood die de Amerikaanse vertegenwoordigers van de Arabische Staten van fondsen voorzag, hij werd: de ultieme tragische kapitalistische klown, Radical Chic: revolutionair, noch chic: een vulgaire sukkel.
Van The Electric Kool-Aid Acid Test (1968) verscheen bij Bert Bakker onder de titel De Trip een Nederlandse vertaling. Artikels van Tom Wolfe verschijnen regelmatig in de tijdschriften New York en Esquire.
Tom Wolfe, Radical Chic & Mau-mauing the Flak Catchers. Michael Joseph, Londen. 153 blz. 1.80 pond.