In het septembernummer 1971 van het Nieuw Vlaams Tijschrift staan twee opstellen over a-rationele onderwerpen. Het eerste is van Hubert Lampo; een opstel over Gustav Meyrink, uit het boek De Zwanen van Stonehenge dat bij het verschijnen van dit nummer op de markt zou moeten zijn. Ik ben het tegendeel van een bewonderaar van Lampo's geschriften, maar dit essay is rustig geschreven en ondanks de gezwollen stijl vrij interessant. Met ‘rustig’ bedoel ik dat Lampo uitgaat van de evidentie dat er vreemde dingen gebeuren in en om de mens; dat over deze vreemde zaken en toestanden bepaalde theorieën bestaan, zoals uiteengezet door magiërs, kabbalisten enz., en ook door auteurs. De realiteit bestaat voor Lampo niet zonder een dosis magie. Dat is zijn geloof. Ik erger me aan zulk geloof wanneer het verkondigd wordt als de enige waarheid, niet wanneer het gewoon als uitgangspunt wordt genomen voor een opstel als dat over Meyrink.
Ik erger me wel enorm aan het tweede artikel: ‘Jacques Monod versus het geestelijke’, door Erik van Ruysbeek. Monod is een fysioloog die in Le hasard et la nécessité beschrijft hoe de ontdekkingen in de biologie aantonen dat ‘leven’, en dus ook het leven van de mens, zoals Van Ruysbeek schrijft ‘louter materieel mechanisch toeval is en niets meer’. Van Ruysbeek is het niet eens met Monod en hij haalt een aantal schijnargumenten aan waar ik hier niet wil op ingaan; Van Ruysbeek zou het gros van zijn
opwerpingen waarschijnlijk niet op papier hebben gezet, had hij de drie debatten beluisterd die de r.t.b. uitzond; zowel specialisten als leken mochten Monod, zowel per telefoon als in de studio in de val trachten te lokken. Het feit dat Monod in 1965 de Nobelprijs voor fysiologie in ontvangst mocht nemen ontneemt zijn tegenstanders vanzelfsprekend de mogelijkheid om de ‘kwaliteit’ van de informatie van Monod te ridiculiseren, en daarom valt men hem aan in zijn ‘aard’: in het feit dat hij wetenschap bedrijft.
Van Ruysbeek valt Monod dan ook aan op valse gronden. Hij zet zijn stuk in met een leugen en laat die leugen op de achtergrond doorspelen opdat zijn aanval tenminste op de sympathie van de lezer moge rekenen. De leugen is de volgende. Ik citeer: ‘“Le hasard et la nécessité” [...] door Jacques Monod [...] is een boek dat vandaag ontegensprekelijk de toon aangeeft in onze beschaving.’ Het grondbezwaar van Van Ruysbeek tegen Monod is diens rationalisme, m.a.w. het hanteren van het postulaat van de objectiviteit van de natuur. Als we nu de leugenachtige eerste zin van Van Ruysbeek eens ‘vertalen’, dan lezen we: ‘het rationalisme geeft vandaag ontegensprekelijk de toon aan in onze beschaving’. Grotesker kan het niet, maar het groteske is waarschijnlijk alleen duidelijk voor een rationalist; Van Ruysbeek is zich er misschien niet eens van bewust dat hij liegt wanneer hij vooropstelt dat wij in een door het rationele geregeerde (en oordeelt hij, bedreigde) wereld leven. De wetenschap (i.e. de logica) bestrijkt een beperkt terrein; uit geduldige observatie vloeit een reeks voort van ‘wetten’ die niet méér zijn dan beschrijvingen van een proces. De vooruitgang van de wetenschap bestaat uit het veranderen en detailleren van deze beschrijvingen.
De rationalist tracht zich op de hoogte te houden van deze beschrijvingen omdat zulke kennis hem in staat stelt zich schrap te zetten tegenover onkontroleerbare uitspraken en stelsels. Het is niet het rationalisme, maar wel de totale som van al de niet-rationele stelsels die ‘vandaag ontegensprekelijk de toon aangeven in onze beschaving’. Dat was vroeger ook altijd zo.
Ook al leven de meeste rationalisten niet volgens de gegevens van de rede (zelfs een behaviorist wordt oprecht verliefd), zij worden altijd en overal vervolgd zoals Monod door Van Ruysbeek, onder het motto dat zij de wereld beheersen.
De volgende typering is misschien niet de beste, maar ze is wel duidelijk: de rationalist is als iemand die in staat is een motor uit elkaar te halen en in elkaar te steken en hem desgevallend te herstellen of de fout te ontdekken; de irrationalist meent dat een motor door een okkulte kracht (element x) wordt aangedreven. De rationalist-mecanicien is alleen in staat om technische details te geven (maar hij doet ook uitspraken zoals: het is in strijd met de logica om te beweren dat men andere dan technische details kan geven); de irrationalist vindt dat technische uitspraken onvoldoende recht doen aan de motor in zijn motor-zijn.
Wat Van Ruysbeek van Monod eist, is dat hij de wetenschap zou opgeven, en dit onder het motto dat wetenschap nog wetenschap zou kunnen blijven indien ze een ‘breder’ terrein bestreek: ‘Alle interiorisatiefenomenen, alle fenomenen van communicatie met kosmische krachten... zouden object van wetenschap moeten worden.’ (Van Ruysbeek, pagina 705). Een stapje verder glijdt Van Ruysbeek uit in eigen obscurantisme als hij schrijft: ‘Van een wetenschap, die misschien andere metodes zou moeten gebrui-
ken dan de traditionele van Galileï en Descartes, “de enige die onze wetenschapsmensen aanvaarden”.’
Van Ruysbeek zal waarschijnlijk genoegen beleven aan de lektuur van The Occult van Colin Wilson, een lijvig, erudiet en tegelijkertijd stupied boek (Hodder & Stoughton, 601 pagina's). The Occult komt goed in mijn kraam te pas omdat het, zoals alle anti-wetenschappelijke werken zonder uitzondering beweert het éérste te zijn dat ‘werkelijk wetenschappelijk’ is. Het rationalisme is te eng, de mens moet niet alleen denken, maar ook gebruik maken van ‘faculteit x’. Colin Wilson heeft een wetenschappelijk bewijs gevonden van een diepere zin van ons bestaan: hij citeert uit een lezing, gedateerd 1969, van dr. David Forster, die de dna-struktuur vergelijkt met een ponskaart. Terwijl Monod uitgaat van de vaststelling dat de dna-struktuur zich heeft voorgedaan en zichzelf heeft voortgeplant, beweert Colin Wilson dat ‘als de dna-struktuur kan worden vergeleken met een computerprogramma, er ook iets ‘moet’ bestaan dat dit programma heeft opgesteld: kosmische stralen hebben de dna-molekulen geprogrammeerd. Wilson is zo geëxciteerd dat hij in die zin niet ‘probably’ maar ‘propably’ laat staan in een boek dat verder weinig zetfouten telt. En waartoe leidt dit alles? Juist. Tot de overbekende slogan: ‘And all this means that for the first time in Western history a book on the occult can be something more than a collection of marvels and absurdities.’
Drie pagina's later poneert hij zijn eerste absurditeit: duizend jaar geleden waren de mensen kleurenblind (Die gegevens ontleent hij aan Max Müller, die dit in 1887 afleidde uit het aantal kleurentermen die voorkomen bij de klassieke Griekse auteurs. Het gaat me niet om deze stelling, die mogelijk te adstrueren is, maar om de konklusie van Wilson.), nu zien de meeste mensen het verschil tussen
groen en blauw, ‘dus’, aldus Wilson, ‘no doubt, in another thousand years, human beings will see a dazzling universe with a dozen colours that do not exist for us.’ Zulke uitspraken, druipend van de anti-wetenschappelijkheid, willen de irrationalisten dus ingelijfd zien in de rationalistische logica! Rationalisme is voor Wilson niets anders dan ‘dogmatic nineteenth-century science’ (pagina 161); hijzelf, meer dan een jaar na de maanlanding, laat nog drukken: ‘Het zal interessant zijn om te zien hoe de Hoerbiger-cultus na de maanlandingen zal overleven; Hoerbiger verklaarde dat de maan bedekt is met een ijslaag van verschillende kilometers dikte’ (pagina 159). Rationele argumenten worden door Wilson verworpen met de opmerking ‘type van argument’ en hier spreekt hij hand in hand met Van Ruysbeek: de wetenschap zou haar domein moeten uitbreiden, dat wil zeggen zichzelf opheffen. Het is alsof men aan een atheïst verwijt dat hij pas werkelijk atheïst kan zijn als hij in God gelooft.
Het soort verklaringen dat Wilson geeft, als hij er geeft, roepen bij mij akelige associaties op. ‘I cannot explain why Mr. Martin's charms work, or why those of dozens, perhaps hundreds, of other Cornish wart-charmers work, “except by saying that” the Cornish are Celts, and Celts seem to possess a higher degree of natural “powers” than Anglo-Saxons.’ Mooie rassentheorie. Kosmischer geprogrammeerd, zeker.
Maar nu even terug naar Van Ruysbeek, die pleit voor integratie van het ‘geestelijke’ in de wetenschap. Van Ruysbeek illustreert perfekt de blindheid van de doorsnee-mens waar hij aanneemt dat de rede ons bestaan overheerst.
Toch bestaat er geen enkel land op de hele wereld waar de mogelijkheid bestaat om een rationele opvoeding te verkrijgen; er bestaat geen enkele wetgeving die steunt op de
gegevens door de wetenschap verstrekt. Om een konkreet voorbeeld te geven: het is in België niet mogelijk om je kind rationeel op te voeden. Zo het geen lessen in een of andere godsdienst volgt, wordt het verplicht onderwezen te worden in ‘zedenleer’, terwijl niets de ouders waarborgt dat deze ‘zedenleer’ het kind niet een of andere metafysica of op zijn minst een aantal onbewijsbare stellingen opdringt. Maar niet de religie of het geloof in het okkulte zijn de grootste dreigingen tegen het rationalisme. De ergste gevaren zijn de gemaskeerde irrationalismen zoals de regels van het seksuele, het communautaire en het politieke leven, de manipulatie door reklame en massamedia, de leugens van de diverse vormen van bijgeloof die het hebben klaargespeeld om zich met een aura van ‘wetenschappelijkheid’ te omgeven. Daardoor komt het, geloof ik, dat de zeldzame rationalisten die uiting geven aan hun mening daarbij zeer agressief te werk gaan: de Sade, Hume, Wittgenstein, Skinner, of dat, wanneer ze zich nog heel beleefd (en zoals Monod ‘humanistisch’) uitdrukken, ze toch nog voor agressief worden versleten.
Onze maatschappijen in al hun diverse stelsels laten het rationalisme enkel toe inzoverre het zich bezighoudt met ‘voorwerpen’; zodra het gaat om ‘diepere dingen’ worden de rationalisten verzocht hun bek te houden of metterdaad van kant gemaakt. We leven in een wereld van schijnrationalisme: zijn niet de universiteiten de torens der wijsheid van de Westerse beschaving? En toch zijn het gros van de professoren die er doceren gelovigen: katolieken, protestanten, marxisten, noem maar op. Het geloof teert even welig in de toren der wijsheid als de horoscoop in de zogenaamde niet-confessionele dagbladen.
Waarover maakt Van Ruysbeek zich dan druk? Hij heeft, helaas, de hele mensheid achter zich.