Springer die door de Duitse radikale studenten wordt aangevallen als een reaktionair zoals ze niet meer gefabriceerd worden, heeft in zijn concern een sensationele reeks binnengehaald: de volledige uitgave van de ‘Library of Exact Philosophy’. Als eerste delen zijn hierin verschenen drie werken van Rudolf Carnap, twee herdrukken: Einführung in die symbolische Logik en Logische Syntax der Sprache. Voor Induktive Logik und Wahrscheinligkeit heeft Wolfgang Stegmüller de eindredaktie op zich genomen.
Carnap, die verleden jaar overleed, is met Wittgenstein en Quine op één lijn te stellen in het zoeken naar de afbakening tussen zegbaarheid en onzegbare. Wittgenstein zocht vooral naar het elimineren van verkeerde verbale patronen; Carnap en Quine trachtten de taal om te zetten in diverse exacte wetenschappelijke analoge modellen, die aan de wetenschap zelf getest moeten worden. In zijn prachtige autobiografie (afgedrukt in: The Philosophy of Rudolf Carnap, redaktie P.A. Schilpp, Cambridge University Press - een tekst die wel eens apart mocht worden herdrukt, het boek van Schilpp kost 1 280 fr.), beschrijft Carnap met een totaal gebrek aan egoïsme en een onvoorstelbare openheid zijn evolutie, zijn vergissingen en gissingen. In: Carnap and Goodman, two formalists, onderzoekt Fred Wilson The Notion of Logical Necessity in the Later Philosophy of Carnap (Iowa Publications in Philosophy; uitg. Martinus Nijhoff), en bij het Springer Verlag verscheen een meer algemene inleiding: Die Philosophie Carnaps, door Lothar Krauth. Het is een, in het genre, vrij eenvoudig werk dat heel precies de gedachtengang van
Carnap zelf tracht te volgen en van buitenaf weer te geven. In het boek van Schilpp werden een heleboel (vrij moeilijk leesbare) opstellen met kritiek op Carnap opgenomen, en in het derde deel van dit lijvige boek gaat Carnap zelf uitvoerig op al deze kritieken in. Krauth heeft van deze diskussies een goed gebruik gemaakt om aan te tonen, hoe in 1962, bij de publikatie van The Aim of Inductive Logic, Carnap nieuwe axioma's bezigde binnen zijn streven naar een empiristisch filosofisch systeem: ‘The reasons for our choice of the axioms are not purely logical’ beklemtoont Carnap zelf, en hij grijpt terug naar a priori's en naar intuïtieve oordelen: in feite staan we hier tot op grote hoogte voor een zelfde breuk in zijn oeuvre als bij Wittgenstein nadat deze de door de Tractatus ingeslagen weg verliet.
Van heel andere aard is de reeks hermetische boeken die in de Bibliotheca Hermetica (redaktie René Alleau van wie bij de Editions de Minuit het boek over Alchemie herdrukt werd - voorzien van een weinig terzake doende voorwoord van Canseliet) nu wordt herdrukt. De reeks wordt uitgegeven door Denoël, en het sukses is, geloof ik, gegarandeerd. De teksten zijn stuk voor stuk meesterwerken uit het genre: tegen een billijke prijs van circa 350 fr. per deel krijgt u de volledige werken van Nicolas Flamel, het klassieke boek van Louis Figuier over de alchemie en de alchemisten, een dito klassieker van Alfred Maury over astrologie en magie, de heruitgave van het Astronomicon van Manilius, het lyrische L'entrée ouverte au palais fermé du roi van Philathelos en een facsimile van het manuskript dat aan de graaf van Saint-Germain wordt toegeschreven.
Pierre Belfond heeft in een andere reeks van soortgelijke prijs ook een reeks van Sciences Secrètes op de markt geworpen. Elie Charles-Flamand, auteur van een trilogie (uitgave Rencontre; er schijnt ook een Nederlandse uitgave
te bestaan) over de schilders van de Renaissance, is erin vertegenwoordigd met een kurieus en slecht boek getiteld Erotique de l'Alchimie, minder een boek dan een anthologie van korte geschriften, extra ontsierd door een belachelijk voorwoord van, nog eens, Canseliet, die een zoveelste verschil tussen de termen erotiek en pornografie wil aangeven.
Het boek ontgoochelt meer naarmate men weet wat Elie Charles-Flamand als auteur, erudiet en kritikus eigenlijk in zijn mars heeft. Zijn studies over de Renaissance behoren tot de duidelijkste in hun soort; hij beperkt zich niet tot interpretatie van de schilderijen, maar schetst ook de evolutie van de sociale integratie van de schilders in de toenmalige maatschappij. Helaas worden driekwart van de doeken die hij bespreekt niet gereproduceerd, en hebben de uitgevers het zelfs zover gedreven om bepaalde doeken die wel afgebeeld staan te voorzien van andere titels dan die welke de auteur bezigt.
Wel het kopen waard in de reeks van Belfond is de heruitgave van de Grand et Petit Albert, met een voortreffelijk voorwoord van Bernard Husson. De Alberts zijn grimoires, in het algemeen populaire recepten van soms medische, soms magische aard. Gerben Hellinga, de auteur van de toneelversie van Kees de Jongen, heeft eens een dergelijke formule voor het doven van vuur, naar hij beweert met sukses, toegepast. In Mémoires van een erotische boekverkoper, Nederlandse uitgave pagina 22, vertelt Armand Coppens een zelfde verhaal; misschien was de held van Coppens, die ooit te Amsterdam een boekwinkel had, wel dezelfde Hellinga.
Wat de eerste reeks, die van Denoël, betreft, moet ik opmerken dat zowel Alleau als Canseliet zich keurig van hun redaktionele taak hebben gekweten. Deze heren wor-
den pas vervelend wanneer zij gaan moraliseren, of wanneer zij, steevast op de vage wijze van kermiskwakzalvers, elke inmenging van rationele benadering in de zalige alchemie veroordelen. De alchemie is de irrationele wetenschap om goud te produceren: precieze chemische manipulaties, hoewel om niet nader aangegeven redenen meestal irrationeel dikwijls in de diverse stadia onderbroken en vanaf het bittere begin herhaald, leiden bij de alchemist - zeggen zij - tot de fabrikatie van reëel goud. Alleau, die tenminste niet beweert dat hij het ooit zelf deed, geeft als argument op dat er teveel verhalen over geslaagde transmutaties bestaan opdat niet één ooit werkelijk zou hebben plaatsgevonden. Het is uiteraard een belachelijke uitspraak. In ruimere zin is de alchemie een vorm van ascetisme, en in haar literaire verschijning is de alchemistische literatuur een waar labyrint van soms prachtige symboliek. De surrealisten hebben uit deze symboliek geput om analogieën aan te geven tussen hun lyriek en de idealen van de alchemisten; Jung voelde er zich al evenzeer toe aangetrokken, en het is opvallend dat zijn kommentaren en die van de hedendaagse literatoren over de alchemie in de regel meer boeien dan recente werken over het onderwerp zelf. Het is thans moeilijk om de alchemie nog anders te benaderen dan als een bijzonder merkwaardige vorm van Westers bijgeloof dat wel enkele ingrediënten bezit van de mystiek maar door een te grote liefde voor kwakzalverij nooit helemaal de intensieve kwaliteit van de mystieke geschriften behaalt: ondanks alles kan de alchemistische literatuur niet bogen op iets dat het peil haalt van de teksten van Ruusbroec, bijvoorbeeld.