terug  begin  prepost

William Seward Burroughs

De roman Naked Lunch van William Seward Burroughs verscheen in 1959 bij Olympia Press, de Engelstalige Parijse uitgeverij van Maurice Girodias die zich, zoals voor hem zijn vader, bezighield met het uitgeven van pornografie naast strikt literaire auteurs zoals Vladimir Nabokov, Samuel Beckett, J.P. Donleavy, Paul Ableman, die geen Engelse of Amerikaanse uitgevers konden vinden voor hun werk, hetzij om redenen van vormelijke aard hetzij om redenen van morele angst.

De naam van William S. Burroughs hing toen al een tijd in de lucht; auteurs als Allen Ginsberg en Jack Kerouac citeerden hem, beschreven zijn persoon in hun geschriften, huldigden hem als de ondergrondse geestelijke (en totaal onvindbare, onzichtbare) leider van de beweging die in de schoolboeken de beat generation werd genoemd. William Burroughs treedt inderdaad op onder de naam Bull Lee in Kerouac's On the road, nadat Kerouac hem als model had gebruikt voor Bull Balloon in Dr Sax en voor de Dennison

[p. 140]

in zijn eerste roman The town and the city.

De beschrijving die Kerouac van Burroughs geeft in On the road heeft veel weg van het soort proza dat gebezigd wordt door de auteurs van heiligenlevens en deze beschrijving is waarschijnlijk bepalend geweest voor de mythologie die rondom Burroughs werd opgebouwd.

William Seward Burroughs werd geboren in 1914 in St Louis, Missouri. Hij voelde zichzelf gedomineerd door de matriarchale maatschappij, vergroot beeld van zijn moeder. Zijn grootvader was de uitvinder van de bekende Burroughs-optelmachine. Zijn vader was een suksesvol zakenman.

In het voorwoord van zijn eerste roman, Junkie, schrijft hij dat hij zijn kinderjaren op twee manieren zou kunnen herdenken. Een eerste scenario zou bestaan uit nostalgische beelden: de straatverlichting met gaslantarens, de enorme Lincoln waarin hij 's zondags door het park gereden werd, de oude Duitse dokter die hun buurman was, zijn geliefde schildpad naast de visvijver.

Een andere versie bestaat uit de herinnering aan de angst: angst voor nachtmerries, angst om alleen te worden gelaten, angst voor het duister, angst voor de slaap omdat er griezel in de dromen groeit.

 

Als kind onthield Burroughs een zinnetje uitgesproken door een meid, omtrent opium: opium brengt zoete dromen - en als kind nam hij zich voor later opium te zullen roken. Burroughs als kind was timide, teruggetrokken en hij had een heilige afkeer voor fysiek geweld. Hij bezocht de beste scholen en groeide op naast hen die nu advokaten, geneesheren en geëerbiedigde zakenlui zijn in de staat Missouri. Toen zijn ouders zich buiten de stad hadden gevestigd verloor hij zijn interesse voor de schoolse vakken.

[p. 141]

Hij gaf de voorkeur aan vissen, jagen en uitstapjes maken. Hij las voor de periode en streek ongewone lektuur: Oscar Wilde, Anatole France, Baudelaire en André Gide. Hij kwam erg onder de indruk van het boek You can't win, de autobiografie van een dief die het overgrote deel van zijn leven in de gevangenis had doorgebracht. Burroughs schrijft: ‘de gevangenis, dat leek een fijne plek in vergelijking met de verveling van een voorstadje in de Midwest waar geen kontakt was te krijgen met het volle leven.’ Met een vriendje breekt Bill Burroughs in in een verlaten fabriek. Ze breken er een paar ramen en ontvreemden een beitel. Het misdadig kinderduo wordt betrapt, hun papa's betalen de schade en het vriendje zegt Bill vaarwel. Deze begint op zijn eentje in te breken. Hij doolt dan rond in de huizen zonder iets te ontvreemden. Geld noch bezittingen lokten hem aan, wel het gevaar - de exhilaratie, de opwinding of, in drugterminologie, de kick.

In Harvard, waar hij Engelse literatuur studeert, verveelt hij zich dood en ergert hij zich aan het grijze, flepse en pompeuze van het stadje en zijn bewoners. ‘The University was a fake English set-up taken over by the graduates of fake English public schools.’

In Harvard maakt hij kennis met de internationale jetset van homoseksuelen, konstant op reis van travestietenbars in New York naar die van Caïro. In den beginne gefascineerd door hun bravoure, hun vocabularium, hun symbolen, doorziet Burroughs ze weldra als een ander soort van onoprechte pompeuze lullen, waarvan men de afspiegeling weervindt in zijn roman The wild boys.

In het midden van de jaren dertig behaalt hij zijn diploma met voldoening (‘without honors’) en trekt de wereld in. Hij heeft geen zin om te werken, daarenboven biedt de Depressie geen jobs en grootvaders patent op de optel-

[p. 142]

machine zorgt toch voor een vast maandinkomen van honderdvijftig dollars, geld genoeg om in de naweeën van de Weimarrepubliek een behoorlijk percentage te kopen van de Oostenrijkse bevolking (mannen zowel als vrouwen, pas een vijftiental jaren later wordt de oriëntatie van Burroughs zo uitgesproken homoseksueel).

Burroughs ziet de opkomst van het nazisme met treurnis aan en keert terug naar Amerika waar hij psychologie studeert, Jiu Jitsu leert en in psychoanalyse gaat. Zijn psychiater omschreef hem als een doortrapte huichelaar - een uitdrukking die Burroughs met veel plezier aanhoorde en kwoteerde.

Fysiek niet geschikt gevonden om officier te worden in het leger is Burroughs toch ook niet van plan in het leger op het laagste échelon te beginnen en hij roept ten behoeve van de selekterende dokter waanzin in, zich beroepend op het feit dat hij voorheen een mootje van zijn vinger had afgehakt om iemand te imponeren in pure Van Gogh-stijl. De dokter bleek nooit te hebben gehoord van Van Gogh.

Toch raakt Burroughs ontslagen en hij begint te werken als o.m. detektieve, insektenverdelger, barman, fabrieksarbeider, kantoorbediende en hij gaat verder met misdadigers te frekwenteren omwille van de misdaad. Na de tweede Wereldoorlog ontdekt hij dat hij verslaafd is aan drugs.

 

Onder de benaming drugs of verdovende middelen vallen twee soorten: die, waarvan het verslavende karakter nooit bewezen is en die bij de gebruiker gevoelens van zachte euforie, of bij gebruik in redelijk optimistische konditie, visioenen en flatterende hallucinaties teweegbrengen - gaande van natuurprodukten als marihuana tot lsd 25. Toen ik in 1963 voor het eerst op zoek ging naar Bur-

[p. 143]

roughs en Gysin die elk vaste kamers betrokken in het sindsdien verbouwde ‘beathotel’ van de Rue Monsieur-le-Prince te Parijs (maar ook in Tangiers vaste kwartieren hadden), logeerden de minst gefortuneerde beats in de commune boven het Mistral-boekhandeltje op de kaai. In elke kamer stond een soort soepterrine vol tabak waarin marihuana was gemengd; er was toen nog geen sprake van de paranoia die latere rokers zou bevangen. De politie was wel lastig met mensen als Chet Baker, Miles Davis en Bud Powell die in de ‘Chat-qui-pêche’ en de (ondertussen van naam veranderde) ‘Blue Note’ van de Rue St. Benoît wel eens met morfine werden betrapt. Maar dat literatoren zich met zulke zaken inlieten vermoedde de politie toen niet.

De tweede soort drugs, morfine, cocaïne, heroïne maken zich na langdurig gebruik meester van een aantal cellen in het lichaam, cellen die ziekteverschijnselen opleveren wanneer de toevoer stopt, zodat de enige oplossing om pijnloos verder te leven bestaat in verdere opname van het verdovend produkt. Stopzetting van drugs aan een verslaafde brengt zogenoemde onthoudingssymptomen als afwisselende hitte en koude in het lichaam teweeg, naast hallucinaties en meer koerante ziekteverschijnselen. Een verslaafde is pas genezen wanneer de door drugs besmette cellen afgestorven zijn - wanneer Kerouac Burroughs beschrijft in On the road is Burroughs (tegen het eind van de jaren veertig) aan de rand van een leefbaar stadium van druggebruik. Hij is op dat ogenblik nog met zijn vrouw, die een overmatig gebruik maakt van benzedrine (een stimulant), destijds nog vrij te koop. (Wij waren allen gekant tegen het regime van Franco, in het begin van de jaren zestig, maar de potten van vijfhonderd pillen benzedrine die in Spanje voor een prikje te koop waren bleken sterker dan politieke overtuigingen.)

[p. 144]

Jack Kerouac beschrijft Burroughs - Bull Lee - als een leraar, een guru: ‘Let's just say now, he was a teacher, and it may be said that he had every right to teach because he spent all his time learning’ - wat een afschuwelijk taaltje schreef Kerouac toch - en dan volgt de aanbiddende litanie van Bull Lee op tocht door Europa, Amerika, zwervend door Noord-Afrika - zijn huwelijk met een uitgeweken Russische gravin in Joegoslavië om haar uit de klauwen te redden van de Nazi's - Lee temidden van homo's en snobs met lange haren, Lee in de droge hete straten van Algiers - insektenverdelger in Chicago, barman in New York, dagvaarder in Newark, onbewogen observant aan een café-tafeltje in Parijs, ouzodrinker in Athene starend naar wat hij noemde de lelijkste mensen op aarde - Lee in Istanboel, zijn weg banend door een massa tapijt- en opiumsjacheraars, Lee in een Engels hotel verzonken in de lektuur van Oswald Spengler en van de markies de Sade, Lee studerend in boeken over de codex van de Maya's.

Over Burroughs' huwelijk schrijft Kerouac dat hij het bizar vond - het bestond vooral uit gepraat - Bull sprak almaardoor verder in zijn vervelende effen stem, Jane trachtte er een woord tussen te krijgen maar het lukte haar nooit - tegen de ochtend werd Lee moe en dan begon Jane te praten en Lee luisterde, snuivend en thumpf blazend doorheen zijn neus. ‘Jane was krankzinnig verliefd op deze man, maar in een soort van uitzinnigheid dan - je zag ze nooit vrijen of grabbelen, je zag alleen maar dat gepraat en de evidentie van een heel intens samenzijn, van een diepte die geen van ons in staat was om te peilen. Iets eigenaardigs, onsympathiek en ijskoud tussen hen beide was in feite een soort van eigengereide humor door middel waarvan ze hun eigen kommunikatiesysteem overbrachten. Liefde is alles. Jane was nooit meer dan drie meter afstand

[p. 145]

verwijderd van Bull en haar ontging geen woord van wat hij vertelde, al sprak hij altijd erg zacht.’

Ook wat betreft de beschrijving van Bull Lee's druggebruik blijft Kerouac aan de optimistische kant en hij meldt wel dat de sukkel zoveel drugs opspoot dat hij het overgrote deel van de dag in zijn stoel moest doorbrengen en alleen in de ochtend tekenen van energie vertoonde.

Bull Lee had diverse katten. Zoals Raymond Chandler was hij dol op deze dieren en zoals Chandler had hij een afkeer voor honden omdat die altijd om attentie schooien. Een van zijn katten heette Kafka. In zijn tuin stond een orgone-akkumulator.

De wijze waarop dit soort gegevens omtrent Burroughs werden verspreid, de idealizering van zijn experimenten met drugs, met misdaad, zijn voorkeur voor paraweten-schappelijke teorieën hebben waarschijnlijk de latere interpretaties in de hand gewerkt volgens welke Burroughs het gebruik van drugs aanprees, openstond voor alle krank-joreme teorieën en de misdaad ophemelde. Het tegendeel is waar. Maar vooraleer zijn eerste boek verschijnt schept Burroughs weer een misverstand. In Mexico demonstreert hij zijn vaardigheid als scherpschutter door in zijn tuin te mikken naar een champagneglas dat op het hoofd van zijn vrouw staat. De kogel treft haar midden in het voorhoofd.

 

Kort daarna begint William Burroughs te schrijven.

‘Wanneer besefte je dat je wou schrijven?’

‘Al toen ik nog heel jong was, acht of negen jaar.’

‘Maar eerst experimenteerde je met te leven?’

‘Ja. Daarover heb ik geschreven in mijn essay over Kerouac, ik oefende eerst een aantal jobs uit, nooit goed hoor, nooit serieus, maar later bleek dat die me bij het schrijven goed van pas kwamen. Ik stond daar echt niet als

[p. 146]

een barman of een detektieve of een insektenverdelger maar wel als een schrijver, alhoewel ik dat op het moment zelf misschien niet eens besefte. Jack Kerouac die wist het wel; hij beschouwde zichzelf nooit als iets anders dàn een schrijver. Ik wel, ik had me voor literatuur geïnteresseerd als kind maar was die interesse later verloren. Het was op zekere hoogte Kerouac's invloed die me opnieuw belangstelling deed krijgen voor het schrijven als beroep.’

‘Wanneer ontmoette je Kerouac?’

‘In 1945.’

‘Wat deed je toen?’

‘Ik was in New York, ik deed van alles, allerlei klusjes, verdelger, nee, niet als verdelger, dat was in Chicago, ik was barman, en privédetektieve, ik werkte op kantoortjes, je kon de jobs krijgen die je wou tijdens de oorlog, er waren overal handen tekort. En al die ervaring, hoe kort ook, twee weken achter de bar, een week als detektieve, dat kwam allemaal mooi van pas, later, toen ik schreef.’

‘Je bekeek de andere mensen vanuit je jobs.’

‘Reken maar.’

‘En welk verschil is er zoal, word je als detektieve meer paranoiede dan als barman?’

‘Wel, nee. Nee! Het meest paranoiede dat was precies barman spelen. Daar was ik nou echt niet voor in de wieg gelegd.’

‘Wou men dat je lachte en naar hun zorgen luisterde?’

‘Ja, de mensen kwamen binnen en klaagden dan dat de barman eruitzag als een opgewarmd lijk, altijd met zijn kop bij zijn eigen dingen, terwijl, in die andere jobs, als verdelger werkte ik een paar uur per dag, ik vond dat een redelijk aangename job, ik heb dat ook 't langst volgehouden.’

‘Na New York, Mexico? En daar begon je met je expe-

[p. 147]

rimenten waarover je schrijft in The yage Letters?’

‘Dat was niet in Mexico. Wel, ik ging naar Mexico, ja, daar leefde ik twee jaar, daarna ging ik naar Zuid-Amerika. Yage nam ik in Zuid-Amerika. In Mexico had ik peyote genomen.’

 

Het eerste boek van William Burroughs heet Junkie. Het verscheen in 1953 bij Ace Books onder het pseudoniem William Lee. De publikatie ging onopgemerkt voorbij. Zoals James Joyce's Dubliners en Beckett's Mercier et Camier bevat Junkie de kern van een universum dat pas later de dimensies en allures van een nieuw prototype zou aannemen.

Junkie is niet geschreven met literaire bedoelingen, het is dokumentatie geformuleerd door een luciede reporter met een verwonderlijk talent. Ik citeer een fragment dat kenschetsend is voor Burroughs' later werk maar dat in Junkie alleen maar wordt medegedeeld, niet als typerend of symbolisch gehanteerd.

 

‘Terwijl ze sprak bewoog ze rond in de kamer, wierp zich neer op deze stoel dan op gene, kruiste en herkruiste haar benen, snokte aan haar onderjurk, zodat ze me een duidelijk uitzicht kon verschaffen op haar anatomie; in afleveringen.

Ze ging verder om me te vertellen hoe een zeldzame ziekte ervoor zorgde dat haar dagen geteld waren.

“Nauwelijks zesentwintig gevallen bekend. Binnen een paar jaar zal ik niet meer kunnen bewegen. Zie je, mijn systeem is niet in staat om kalk op te nemen en de beenderen lossen langzaamaan op. Mijn benen zullen ze moeten afzetten, en later mijn armen.”

D'r was inderdaad iets beenderloos aan haar, zoals aan

[p. 148]

een diepzeekreatuur. Haar ogen waren koude ogen als van een vis en ze keek naar je door een soort viskeus medium dat zich met haar mee verplaatste. Ik kon me dit soort ogen voor de geest halen gezet in een vormeloze proto-plasmische massa die op de duistere zeebodem wemelt.’

 

Uitzonderlijk in Junkie is deze Mary nog wel, uitzonderlijk als figuur in een boek waarin de auteur als volgt een van zijn dromen beschrijft.

 

‘Ik raakte dronken op de vijftig pesos. Rond negen uur 's avonds was ik door mijn centen heen en trok ik naar mijn flat. Ik ging liggen en trachtte te slapen.

Als ik de ogen sloot zag ik het gelaat voor me van een oosterling, lippen en neus weggevreten door een kwaal. De kwaal spreidde zich uit, deed het gelaat smelten tot een amoeboiede massa waarin de ogen rondzwalpten, expressieloze ogen van schaaldieren. Traag vormde zich een nieuw gelaat rond de ogen. Een hele reeks van gezichten, hiërogliefen, vervormd, ze leidden je naar de finale plaats waar de menselijke weg ophoudt, waar de menselijke vorm niet langer in staat is om de schaaldierachtige gruwel te bevatten die binnen haar gegroeid is.’

 

In Naked Lunch zullen figuren als de beenderloze Mary en de gedroomde oosterling versmelten om in een kaleidoskopische opeenvolging van prozagedichten het niet meer dokumentaire, maar wel literaire universum van William S. Burroughs te bevolken.

In Junkie legt Burroughs nog een andere konstante vast die determinerend zal blijken voor zijn later werk, en voor de burgerij aanleiding tot beschuldiging van immoraliteit, zedenbederf, korruptie en mensenhaterij. De onderliggende

[p. 149]

stellingen van Junkie kunnen worden vastgelegd in twee étappes.

1 Verslavende drugs worden doorgaans gebruikt door mensen die moeilijkheden ervaren met het gewone leven - het bestaan, het werk, de familie, het verleden, de toekomst. Zo bijvoorbeeld een paranoied individu - in zijn paranoia zal hij misschien iemand doden...

...raakt deze paranoiede figuur verslaafd aan drugs, dan zal hij misschien iemand doden om aan drugs te komen maar zeker niet meer uit paranoia - dat wil zeggen de psychologische motivering wordt een bijverschijnsel, een randnota, een fiorituur, een kanten kraag in een staatsieportret.

Burroughs zal, ook in zijn later werk, altijd schrijven over de relatie tussen verslaafde en verslaving - Buyer & Junk, de algebra van de behoefte - zonder enig ander dan anekdotisch belang te hechten aan de psychologische motieven waarnaar burgerlijke moralisten (en psychiaters) zozeer snakken. Dit verklaart het gevoel van kilte, amoraliteit, wetenschappelijkheid, klinische observatie en gebrek aan menselijke warmte dat uitgaat van Burroughs' werk.

2 Onafhankelijk van vorige opmerking omtrent de klassieke beschrijving van psychopathologische motiveringen aan de hand van vaste, vastgelegde patronen volgens de bestaande psychoanalytische normen (denk aan patronen van paranoia, van schizofrenie, seksuele gedragskonstanten via opvoedings- en/of familie-invloeden, enzovoort) kan men expliciet de uitspraak beamen van Rudolf Carnap, in 1956, dat ‘psychologische uitspraken, zowel in de wetenschap als in het leven van alledag op de lichamelijke toestand van de betrokken persoon betrekking hebben’.

Men kan hieruit afleiden dat overmatig druggebruik - terminale verslaving, zoals Burroughs het noemt - een be-

[p. 150]

paalde uniforme psychologische konditionering met zich meebrengt, en zodoende een aanleiding wordt tot de observatie van een antropologie die, afgezien van interferenties met teorieën over reëel sociaal gedrag, voor een romancier tot uitgangspunt worden voor een heel persoonlijk universum waarin de fungerende marionetten gedreven worden door de noodzaak van voorziening in de behoefte aan cocaïne, morfine en heroïne - of in het slechtste geval een downer ter remming van de onthoudingsverschijnselen. Het is in die zin dat Naked lunch een uitgangspunt wordt om alle geschriften van Burroughs te lezen niet zozeer als een dokumentaire omtrent junk dan wel als een visie op de mensheid - net zoals we dat gedaan hebben met de onthutsende teksten van Dante, Donne, Swift, de Sade, Lautréamont, Rimbaud of Genêt.

In die zin verschilt Burroughs heel erg van de koerante beatnik die hem tot guru uitriep. De beatnik bezigt weliswaar lichte drugs, zoals Norman Mailer schrijft, om zijn geest op te jagen naar een hogere staat van beschouwing van het universum en zijn geheimen, een lijdzame, onanistische daad; men houdt meer van de roes dan van het verlangen deze later in een kunstwerk om te zetten.

Nou, dat krijg je bij de echte junkie al lang niet meer. Junkies gebruiken junk enkel en alleen om te kunnen opstaan, in de spiegel kijken, om te leven - een vegetaal soort leven dat kan uitlopen in het staren, zestien uren per dag, naar het paar schoenen voor de voeten op de grond, vier voet lager dan de expressieloze ogen. Dit vegetale bestaan los van alle emotionele bindingen, deze zekerheid dat elke verslaafde in volslagen eenzaamheid zijn agonie doormaakt kwamen overeen met het gedragspatroon van een ander soort modieuze figuur uit de beatnik-wereld, namelijk de hipster, maar dan een in standbeeld veranderde, immobiele,

[p. 151]

hipster.

In het voorwoord tot Junkie schrijft Burroughs iets wat als motto mag gelden voor de achtergronden van de gruwel, de griezel, het hanteren van sex en drugs als zuiver fysiologische behoeften zonder enige emotionele of morele motieven.

 

‘Junk is een cellulaire equatie waaruit de gebruiker feiten van meer algemene geldigheid leren kan. Ik heb veel geleerd uit het gebruik van junk. Ik heb leven zien uitdelen in de vorm van druppels morfineoplossing. Ik heb aan de dodelijke ziekte geleden van verstoken te zijn van junk, en het genot ervaren van de leniging toen de naar junk hunkerende cellen van de naald dronken. Wellicht komt alle genot wel neer op leniging.

Ik heb het cellulaire stoïcisme geleerd dat junk aan de verbruiker oplegt. Ik heb een gevangeniscel gezien gevuld met zieke junkies, alle zwijgzaam en onbeweeglijk gevat in eigen separate miserie. Ze wisten hoe onzinnig het was om te klagen of te bewegen. Ze wisten dat in de grond niemand in staat is om iemand anders te helpen. Er bestaat geen sleutel, er is geen geheim dat iemand anders bezit en dat hij jou zou kunnen meedelen.’

 

Naked lunch is een ontstellend boek. Het wekt bij velen een grote weerstand op, de haat tegen het boek sloeg bij sommigen zelfs om in een campagne tegen de persoon van de auteur; bepaalde essayisten vonden er niets in behalve banaliteiten gehuld in quasi-wartaal, en Henk Romijn Meijer valt Burroughs' boek hevig aan in het titelopstel van zijn bundel Naakt twaalfuurtje. Meijer vindt het boek banaal, pompeus en het irriteert hem, door ‘de suggestie dat het de Waarheid vertegenwoordigt’.

[p. 152]

‘Burroughs' werkelijkheid’, zo vervolgt Meijer, ‘is er een van angst en opgejaagdheid. De beste stukken zijn die waarin niets dan de persoonlijke angst wordt verbeeld. Maar verder gaat dit niet [...] Het boek is verontrustend omdat Burroughs naar absoluut niets zoekt, en dat lijkt me voor Burroughs kwalijker dan voor de lezer die uitgenodigd wordt om geschokt te zijn door zijn werkelijkheid.’

Anthony Burgess daarentegen huldigde William Burroughs als de grootste levende auteur en de eerste volkomen originele schrijver sinds Joyce; Norman Mailer sprak van ‘de enige levende Amerikaanse romancier die mogelijkerwijze behept is met genialiteit’. De kritiek van Romijn Meijer is op sommige punten irrelevant omdat ze alleen op het peilen naar intenties berust, maar ze is tenminste in leesbare en gematigde taal gesteld - de overtreffende trappen van Burgess en Mailer daarentegen vormen mooie slogans voor de uitgever maar situeren geenszins de auteur anders dan op publicitaire wijze.

Ik vind het een groot boek. Wie Naked lunch net gelezen heeft kijkt met andere ogen om zich heen dan voordien. Het is mogelijk dat hij zijn vrienden niet meer herkent of twijfelt aan het belang van de wanden van zijn kamer. Naked lunch is een verzameling van prozagedichten vol gruwel die herinnert aan de kelders van het arsenaal van Mario Praz' Romantic agony, afgewisseld met harde, brutale, absurde sketches waarin de maatschappelijke strukturen en in het bijzonder de afdelingen narcotica van de politionele recherche en ontwenning van de psychiatrische en andere geneeskundige instituten over de kling gaan.

We denken aan Mary terug uit Junkie als Burroughs de Volledige van angst ontdane man voorstelt en zien hoe hij verandert in een van Burrough's vaste monsters, een beenderloze, kwalachtige mens met vluchtige huid en vlees die

[p. 153]

een monsterlijk grote duizendpoot blijkt te bevatten. Stinkend, verdampend vlees dat in klodden groene mist opwaait van de duizendpoot is ook het vlees van de terminaal verslaafde, wiens lichaam zijn eigen drug begint af te geven zodat hij in zijn hunker naar verdere verslaving niet meer junk opspuit maar mensenlichamen begint te assimileren - de symboliek is niet moeilijk te doorgronden.

‘De Koper verspreidt paniek overal in de handel. Junkies en agenten verdwijnen. Als een vampier scheidt hij een verdovende wasem uit, een vochtige groene mist die zijn slachtoffers narcotiseert en ze hulpeloos maakt in zijn omhullende aanwezigheid. En als hij eenmaal zijn slag geslagen heeft, verbergt hij zich verscheidene dagen als een volgepropte boa constrictor. Tenslotte wordt hij op heterdaad betrapt bij het verteren van de Narcotica-Commissaris en vernietigd met een vlammenwerper - op grond van een uitspraak van het behandelend gerechtshof dat zulke middelen waren gerechtvaardigd omdat de Koper zijn menselijk burgerschap had verloren en bijgevolg een soortloos schepsel was en een bedreiging voor de narcoticahandel op alle niveaus.’

Uitvoerig citeren is nodeloos, en ik verwijs de lezer naar de vertaling die Joyce & Co maakte van Naakte lunch, naar bijvoorbeeld de beschrijving van de Matroos, een personage met dode onderwaterogen, met een aureool van ongekende ervaringen, verzonken in doods geprevel, geassocieerd met versteende goden, vergeelde en chaotisch gestolde was, met rauwe afgepelde zenuwtics - de Matroos loopt niet, hij zweeft, hij verplaatst zich in een zwarte mist die hem tot voedsel dient. Dit is dezelfde wereld als die van de waanzinnige maagd van Rimbaud, die haar laat verklaren:

 
Je suis esclave de l'Espoux infernal,
 
Celui qui a perdu les vierges folles.
[p. 154]
 
C'est bien ce démon-là. Ce n'est pas un spectre,
 
Ce n'est pas un fantôme.

Als een wandelende jood evolueert de Matroos in een wereld van grijze gaas, van verschimmeld verband om het afbrokkelend standbeeld van de wanhoop. In de schaduw ervan zitten de ‘drinkers van het Zwaar Water verzegeld in het doorschijnend barnsteen van hun dromen’.

 

De fiktie van William Burroughs, gesteld in ruwe, humoristische en allesuitdagende zogenaamde obscene termen, valt hevig de myten en de ritussen aan van deze maatschappij. In het vijfde nummer van het tijdschrift KAF T, begin 1959, vertelde Geert Hofman een anti-parabel na die zeer typerend is voor Burroughs en de wijze waarop hij zich, toen al, distantieerde van de voorliefde voor Oosterse vaagheden en meditatieve toestanden die de hippies en andere hoogleraren in hallucinatoire onzin à la Timothy Leary later zouden huldigen en nastreven. Het bewuste nummer van dit gestencilde tijdschrift is nagenoeg onvindbaar. Laurens Vancrevel typte het verhaal en Hofmans inleiding destijds voor me over. Hofman trok later naar Noord- en Centraal-Afrika, waar hij in 1970 stierf. (Tot de medewerkers van KAF T behoorden Ben d'Armagnac, Peter Berger, Alex van Caspel, Rob Cassuto, Rudi Fuchs, Wim Hazeu, John Leefmans, Tromp Meesters, Laurens Vancrevel, Stanley Brouwn e.a.) Burroughs beschrijft de toespraak van een Oosterse heilige, een Mahatma, die na minstens zeven jaren stilzwijgen eindelijk het woord richt tot zijn discipels en hen lachend meedeelt dat dieper inzicht in de eigen navel hem uiteindelijk gebracht heeft tot de wijsheid die erin bestaat iemand anders te huren om in zijn plaats te mediteren. Het verhaal eindigt met de schampere opmerking dat de disciepelen in paniek wegrennen en dat alleen de twee neofie-

[p. 155]

ten de Mahatma volgden naar het schamele bordeel aan de andere zijde van het dorp.

 

De volgende romans van Burroughs, The soft machine, The ticket that exploded, Nova Express maar in mindere mate The wild boys, zijn ontginningen van hetzelfde universum van mensen met week vlees rond het beendergestel van spoken, allen gevangen in een wedloop naar de verzadiging (leniging) van sexuele behoeften, geweldimpulsen en een of ander verdovend middel - een verdoving die bij de auteur inmiddels is gaan fungeren als de hunker naar een, ook geestelijk, houvast. Het was niet Burroughs, maar Willem Frederik Hermans, die schreef: ‘De mens is een wezen dat verdoofd moet worden en verblind. Als zijn ogen werkelijk open gaan, ziet hij geen reden meer te leven. Voor wie niet aan een hiernamaals gelooft en alleen leeft wegens de ingeschapen doodsangst die op zichzelf evenmin naar iets verwijst als de blinde darm, maar bestaat, is alles wat erop aankomt: zich er zo goed mogelijk doorheenslaan.’ Maar zich heenslaan ook door de verslaving zelf, zich verlossen van de behoefte aan vrouwen in een universum dat vanaf de tweede roman exklusief mannelijk wordt, zich verlossen van de behoefte aan woorden door te zwijgen, Silence to say goodbye. Behalve zwijgen: zich losmaken van bijvoorbeeld morfine dankzij het middel apomorfine, waaraan Burroughs zijn definitieve genezing beweert te danken te hebben; een middel dat volgens hem door de officiële geneeskunde, op last van de narcotica-agenten, in de donkere hoek wordt gedreven:

 

‘Apomorfine is niet woord en niet beeld - Het is vanzelfsprekend misleidend te spreken van een stilte-virus of een apomorfinevirus vermits apomorfine anti-virus is - De, euh,

[p. 156]

apomorfinepreparaten moeten worden gekultiveerd in een milieu dat net niet dodelijke cyclotronkoncentraten bevat voor pijn en plezier - De sub-virus stimuleert de speciale groep van de anti-virus - [...] - Woord krijgt beeld en beeld is virus...’ (Nova Express).

 

Zoals de apomorfine als geneesmiddel misprezen of verdrongen wordt, zo zijn er nog vele gebieden van filosofie en wetenschap die niet worden aanvaard door de officiële beoefenaars. Het treurige gevolg is uiteraard, dat de niet onverdienstelijke neventeorieën in de zogenaamde ondergrond van de kultuur daarentegen een totaal kritiekloze en vrij hysterische bijval gaan genieten. Zoiets was in recente jaren het geval met de teorieën en stellingen van lieden als Pauwels & Bergier, L. Ron Hubbard, Timothy Leary, Gurdieff, Marshall MacLuhan.

 

‘Zie je duidelijke voorbeelden van wetenschappelijke systemen die worden genegeerd?’

‘Er bestaan redelijk veel van die gevallen. Korzybski omdat hij het woord zelf aanviel, het woord dat de basis is van alle akademische machtsstrukturen. Hij maakte zich hierdoor erg onpopulair in akademische middens. Een ander voorbeeld is dat van Wilhelm Reich, die een boel belangrijke ontdekkingen gedaan heeft en wiens orgoneteorie mijns inziens een ernstig onderzoek waard is.’

 

Graaf Alfred Korzybski publiceerde in 1933, op eigen kosten en in opdracht van het door hem gestichte Non-Aristotelian Library een kanjer getiteld Science and sanity, een moeilijk leesbaar, ongeloofwaardig boek waarin Korzybski poneert dat Aristoteles uitging van een logika die in overeenstemming was met de hele wetenschap van zijn tijd - een wetenschap die (twintig eeuwen later) redelijk gemakkelijk

[p. 157]

te bevatten valt. Onze eigen logika, stelt Korzybski voorop, is blijven vasthangen aan de taal van twintig eeuwen geleden, terwijl de wetenschap zelf verder is geëvolueerd.

Het is de taak van de filosoof van nu om een taalsysteem te ontwerpen dat in overeenstemming is met alle gegevens uit de diverse wetenschappen van de tijd van nu. Het is eigenlijk het programma van de Wiener Kreis en Korzybski mag zo'n beetje worden gezien als de ontdekker en promotor van de geschriften van de Weense school en zijn filosofie loopt parallel aan die van Tarski, Carnap, Popper en later Quine.

Waarom moet de filosoof zijn taalsysteem richten naar processen die op wetenschappelijke wijze kunnen worden nagegaan? Omdat een verkeerd taalgebruik leidt tot gissingen, vergissingen, verkeerde interpretaties, tot frustratie, tot neurose, tot waanzin en aliënatie. Op de zogenaamde Frans-Duitse filiatie van denkers na is iedereen het eens over dit uitgangspunt, maar Korzybski's geniale inval, dat alles om één werkwoordsvorm draait, wordt wel erg skeptisch bekeken. Korzybski zag in de Griekse basiswetenschappen een stelsel waarin het identiteitsteken een hoofdrol speelde. Ook de Aristoteliaanse logika (denk aan het syllogisme) draait rond de identiteit: a = b, b = c, dus a = c.

In de moderne wetenschap is a niet b, a is zelfs niet eens meer a en het woord stoel daar kun je niet op gaan zitten. De kaart is het grondgebied niet was een van de slogans van Korzybski (die daardoor zijn militair verleden aangeeft). Valéry zei dat je niet dronken werd van de etiketten op de flessen.

Men treft soortgelijke ideeën aan bij Benjamin Lee Whorf en bij Stéphane Lupasco. Gaston Bachelard stond er, zoals Hans Hörmann, positief tegenover maar hij beklemtoonde

[p. 158]

dat ook Korzybski's attitude aan verouderen onderhevig was. ‘Mais tout vieillit vite en notre temps. Il faut s'instruire dans la science d'aujourd'hui, dans la logique d'aujourd'hui’, schreef hij me in een brief van 23 januari van 1962, het jaar waarin hij stierf, achtenzeventig jaar oud.

Korzybski's diagnose, dat wie de struktuur van de taal verwart met de struktuur van de buitenwereld, gek wordt, veronderstelt vanzelfsprekend dat spraak uiteindelijk alleen handelt over spraak, oordelen over oordelen zoals waarden over waarden, en literatuur over literatuur.

Wilhelm Reich was ook de man van één oplossing. Hij reduceerde veel van 's werelds ellende tot één algemene faktor, de beschadiging namelijk van de bio-energie bij kinderen en adolescenten zodat een emotionele stoornis optreedt die hen op emotioneel gebied tot slaven reduceert. Terwijl Korzybski's diagnose van alle-onheil-in-het-woord Burroughs aansprak als schrijver, voelde hij zich in zijn pijnlijke herinneringen aan zijn jeugd en de figuur van zijn moeder aangetrokken door de stelling van Reich dat het leven een kooi is, een val, een gevangenis - een kooi die, orgasmische energie akkumulerend, toch nog haar goede kanten kan hebben. ‘A theory that is well worth an investigation and experimentation by the medical profession.’

Een korps dat zich ook richt tegen het gebruik van apomorfine.

 

Orgoneteorie en orgonepraktijk zouden moeten worde uitgetest. Dat gebeurt niet, zoals er meer dingen niet gebeuren op dit terrein. Maar deze gebieden waarvan de ontginning niet, zeg maar toegestaan wordt door de konventionele ortodokse wetenschap, dit soort ontginning, deze ontdekkingen die gebeuren toch opnieuw onder andere vormen. Iemand heeft net (februari '73) omtrent kanker een teorie

[p. 159]

ontworpen die haast identiek is als die van Reich, zonder dat de goede man, een ortodoxe dokter, in zijn thesis naar Reich verwijst. En apormorfine, het medisch korps staat daar heel afkerig tegenover. Dr. Dent die mij ermee behandelde en die helemaal geen aanleg heeft tot paranoia voelde dat zelf duidelijk aan. Hij konstateerde een welbewuste verwaarlozing ten opzichte van dit middel. Het lijkt trouwens alsof de (vooral Amerikaanse) narkotika-agenten ook niets willen weten over een reële ontwenningsmetode of een andere oplossing voor druggebruik, want zij hebben er alle voordeel bij dat het probleem blijft bestaan.

 

Burroughs is van mening dat het onzinnig is om alleen de verkopers van drugs te vervolgen. Ontwenning van verslaafden en afschaffing van de drugkopende klasse is de enige aanvaardbare oplossing. Maar er zijn teveel ekonomische belangen verbonden met de verkoop en haar halfzachte vervolging, stelt hij. Het gaat alweer, net zoals in het geval van het verbod van teorieën, als die van Reich, om macht:

 

‘Altijd, denk ik, altijd is de aard van de ontdekking zelf een soort van aanval tegen een of andere belangrijke belangengroep. We hebben voorbeelden gezien op kleinere schaal zoals dat van de Tuckerauto. Hij probeerde een wagen op de markt te brengen met een turbinemotor. En wat is er nu net op de markt gekomen? Maar in zijn tijd betekende dit dat de grote autofabrieken met hun verbrandingsmotoren alle gietvormen hadden moeten vervangen en dat kost uiteraard een boel centen en vermits ze er toch in gelukten om het soort wagens te verkopen die ze op de markt brachten hebben ze samengespand en Tucker tot faillissement gedreven.’

[p. 160]

‘De reden is nog altijd macht?’

‘Juist. Juist. Het is enkel een kwestie van machtstrukturen en belangengroepen.’

‘Maar in je verzet tegen de gevestigde macht deel jij toch niet het optimisme van de anarchisten? Je hebt eens gezegd geloof ik dat zoals filosofen met Korzybski niet tot de kern van het probleem (het woord) komen, de anarchisten niet tot de kern van het probleem komen, de grenzen, de nationalisme?’

‘Ja dat, dat is nu precies de kern van het probleem, de kern van het probleem is voortgekomen uit die totaal artificiële eenheden die samengeworpen zijn, die men naties heeft genoemd en die dan hun eigen politie moeten hebben, hun eigen leger, enzovoort.’

‘Beschouw jij jezelf als een linkse?’

‘Wel ik zie toch niets komen, op artistiek gebied, nu, van rechts. Het is niet noodzakelijk dat artiesten een politieke belangstelling tonen maar ik vind dat het duidelijk is dat de belangen die zij nastreven in het linkse of desnoods liberale kamp liggen. Artiesten zijn grosso modo gekant tegen de oorlogsvoering in Vietnam, zij komen op voor sexuele vrijheid en voor het afschaffen van de censuur - dit alles druist natuurlijk in tegen al wat we hebben gezien wat reaktionaire regeringen of bewegingen gepresteerd hebben. Ik zie in het rechtse kamp op dit ogenblik absoluut geen tekens van vitaliteit. Ik kan de naam niet bedenken van een rechtse schrijver of teoretikus die op intellektueel niveau iets waard is.’

‘Beschouw jij sexuele onderdrukking als een dekmantel voor een ander soort onderdrukking?’

‘Ik ben van mening dat elke censuur in wezen altijd een politieke censuur is. Sexuele censuur hoort daar zeker bij. We weten dat de sexuele censuur in Rusland veel strikter

[p. 161]

is dan in de Westerse landen. In Amerika, zeker in New York, in Skandinavië en in West-Duitsland is de censuurinstelling bijna totaal verbrokkeld. Er bestaat weliswaar de kans van een ommezwaai en van een reaktionaire heropbloei. Voor 't ogenblik gaat het wel.’

‘Die vervolging van Reich gebeurde om dezelfde redenen door de federale agenten...’

‘Nee, dat was de Care, Food & Drug Administration.’

‘Maar dat was een dekmantel.’

‘Oh natuurlijk zij kregen hun bevelen toch van Washington. Dat spreekt vanzelf. Kijk eens, ken je dit boek, het verslag van de presidentiële kommissie over pornografie... alles staat erin... het is een goeie bestseller en je kan het kopen in tabakswinkels die vier-vijf jaar geleden weigerden om ondergrond-bladen op te slaan of zelfs zoiets als Rolling Stone. Alles staat erin, en dit is een staatsuitgave. En hoewel president Nixon zich ervan heeft gedistantieerd heeft het toch zijn uitwerking. De censuur in New York werd haast totaal afgeschaft. Je kan nu alles tonen op het scherm, in kleuren en in close-up. Elke sexuele handeling denkbaar.’

 

Burroughs' boeken zitten vol met, naast sex, geweld. Oorlog is niet zozeer een ekonomische als wel psychologische noodzaak, zegt hij. En de revolutie moet al evenmin zoet en zacht zijn. Het is toegelaten bloemen te schenken aan een politieagent, maar dan bloemen in een pot en met precisie tegen zijn hoofd gekeild.

 

‘Ja ik zie het toch zo dat de vrijheden die we hebben bekomen werden door protest. Ook nu, het homoseksuele bevrijdingsfront (Gay Liberation) en het losser worden van de censuur dat is het gevolg van mensen die de straat op-

[p. 162]

gestapt zijn om te protesteren. De autoriteiten zullen nooit toegevingen doen tenzij ze daartoe gedwongen worden.’

‘Mentale aberraties, die komen voort uit het misbruiken van woorden?’

‘Ja, ik ben van mening dat zo goed als alle mentale aberraties voortkomen uit het verkeerde gebruik of begrip van woorden, dat wil zeggen woorden die men letterlijk opvatten gaat in de onbewuste geest en die zodoende onoplosbare konflikten kreëert die in feite zuiver verbale konflikten zijn omtrent abstrakte verbale koncepten als juist en verkeerd, enzovoort, allemaal zinloze vragen omdat het, zoals Korzybski opmerkte, zuiver verbale problemen zijn.

‘Carnap en Wittgenstein hebben ook wel soortgelijke dingen beweerd.’

‘Ja natuurlijk. Ik heb me altijd in een soort van onmogelijkheid bevonden tegenover het lezen van filosofen. Veel te veel geeft me de indruk dat er over absoluut niets gepraat wordt. Ze zouden allemaal Korzybski moeten lezen om het onderscheid te leren tussen feitelijke en verbale problemen.’

‘Carnap stelt dat een waardebepaling niets anders is dan een bevel in een misleidende grammaticale vorm...’

‘Ja daar heeft hij perfekt gelijk mee. Een woord zoals juist of verkeerd heeft betrekking op een bepaalde situatie maar leidt meestal naar een soort krachtproef. Een agent met een knuppel is juist. Hij is zo juist als zijn knuppel.’

 

L. Ron Hubbard heeft na de ontwikkeling van de engramteorie (de nefaste invloed van woorden gehoord tijdens periodes van onbewustzijn zoals tijdens de groei van de foetus, onder narcose, enzovoort) een ontwenningskuur bedacht voor negatieve engrams. Burroughs, eertijds sterk

[p. 163]

geïnteresseerd in Hubbard's Scientology, toont zich in zijn boek Electronic revolution uitermate skeptisch tegenover Hubbard's recente gedragingen en geschriften.

 

‘Ja ik sta heel skeptisch tegenover de heleboel. Ia feite geloof ik dat hij toch wel iets belangrijks ontdekt heeft met zijn engram-teorie en wat nu door ortodoks medisch onderzoek gekorroboreerd wordt. Dokters geven toe dat de patiënten inderdaad onthouden wat er tijdens een operatie gezegd wordt en het is dan ook belangrijk dat dokters en verpleegsters zoveel mogelijk vermijden te spreken omdat deze woorden door het onbewuste opgeslagen worden als letterlijk in de zin van Korzybski. Iemand opensnijden en uitroepen: God wat een smeerboel! dat kan heel slechte gevolgen hebben voor de patiënt. Men heeft via hypnose kunnen nagaan dat de patiënt tijdens de narcose wel degelijk hoort wat er gezegd wordt. Maar ja, zo groot is die ontdekking van Hubbard nu ook weer niet, Freud zei grosso modo hetzelfde in zijn traumateorie alleen vernoemde hij de situatie van de operatietafel niet op zichzelf.’

‘Schrijf je daarom steeds in je boeken bevelen als “Silence. Go back to silence. Silence to say goodbye”?’

‘Jazeker. Als je die woorden uitwissen kon... pak maar de woorden die we hoorden tijdens een operatie... men heeft het trouwens geprobeerd nu door encefalogrammen te nemen tijdens operaties. Telkens als er een negatief woord viel, soms werd de patiënt fysiek onwel, maar altijd kwam er een sterke reaktie van de hersenen. Met herhaling verminderde die reaktie. Mischien krijgt men ze helemaal weg.’

 

Woorden uitwissen-maar ook zinsverbanden verstoren, zoals Burroughs deed met zijn boeken waarin hij wille-

[p. 164]

keurige brokken hakte in zijn romans en de fragmenten naast elkaar legde om zo tot nieuwe beelden, nieuwe standpunten te komen. Deze metode, de cut-up (in die periode, naar mij werd verteld, ook gebezigd door Claude Simon die op verschillend gekleurde papieren tikte en de teksten later naar de kleuren ordende) leerde Burroughs van Brion Gysin, schilder en dichter. In twee teoretische geschriften, The invisible generation en Electronic revolution, beveelt Burroughs het gebruik aan van opnameapparatuur, band en ook video.

Ja, ik vind dat je door het bezigen van bandopnamen en videokamera iets kunt leren omtrent woord en beeld in operatie: het hele associatieve proces bekijken en je kan door manipulatie de ortodokse associatieve systemen doorbreken. Het eenvoudigste wat ik deed was de klankband van één tv.-programma afdraaien bij het beeld van een ander programma en veel mensen geloven niet dat de tapes geswitcht zijn omdat dat wat zij horen ook bepaalt wat zij zien. Neem het beeld van mensen die achter een autobus lopen en je zegt dat is Petrograd 1917 en wees gerust dat een paar toeschouwers mitrailletten op het scherm zullen zien. Filmexperimenten hebben dat uitgewezen, dat de mensen op het scherm toch slechts waarnemen wat zij wensen te zien.

‘Je kan zo Hamlet's monoloog uitzenden, de akteur veranderen, en niemand zal het merken.’

‘Absoluut.’

‘Vertel eens wat over die scramble-technieken.’

‘Wel een spraakscrambler die verdeelt spraak over kleine intervallen-ik geloof zowat één-vierentwintigste sekonde -en geeft dit weer in een andere volgorde. Je kan het makkelijk zelf doen door tape te snijden en weer aan elkaar te kleven. Nu is mijn vraag hoe kan het menselijk oor zo-

[p. 165]

iets ont-scramblen? Experimenten op dit gebied ontbreken. Wat ik wil weten is: Maak een opname van een scrambled bericht. Laat het aan iemand horen. Heeft hij het gehoord?

Normaal gesproken wordt het bericht ont-scrambled door een machine; maar is het menselijk zenuwstelsel tot hetzelfde in staat? Kan het het onthouden? Dit zou men kunnen nagaan door een scrambled bericht te laten horen en het door hypnose terug op te vissen.’

‘Je cut-up metode was in feite ook zoiets?’

‘Ja ik sneed in de bladzijden en mengde de fragmenten tekst op zoek naar nieuwe beelden maar uiteraard was het ene bruikbaar en het andere niet. Het is zoals schilders doen met het mengen van kleuren.’

‘Het was trouwens een schilder, Brion Gysin, die jou die cut-up techniek suggereerde, nietwaar?’

‘Ja, Brion Gysin, die zelf permutatieve poëzie schrijft.’

 

Er hangen een groot en twee kleine doekjes van Gysin aan de wanden in de werk- en slaapkamer van Burroughs in de kleine flat in een exklusieve buurt in het hartje van Londen.

 

‘Van welke schrijvers hou je 't meest?’

‘Baudelaire, Rimbaud, Conrad, Genêt, Beckett, Joyce, Ginsberg, Corso, Kerouac.’

‘In The wild boys geef je de cut-up op voor meer vlakke schriftuur.’

‘Ja, heel duidelijk. Het is heel konventioneel geschreven.’

 

Een voorbeeld van dit konventionele: ‘Ik herinner het me niet. Misschien liep het niet zo. Eens zijn we aan het zwemmen naakt in de vijver en later zitten we op de dijk. Achter de dijk is een holle plaats waar je je bal verliest en ik

[p. 166]

leun achterover en zie er een doorheen de takken. Ik toon hem met de hand en we gaan naar beneden. Hij is eerst en raapt de bal op. Veya otra pelota. Hij had een tweede gevonden. Glimlachend neerhurkend daar naar mij gekeerd met in elke hand een golfbal. Het ballenvinden heeft hem opgehitst en zijn ogen schitteren als bij een beest. We zijn verborgen in een bokaal van blaren en takken. Er hangt een geur van modder en mos en brak water. We hurken daar in de zachte modder onze knieën raken elkaar. Hij kijkt omlaag tussen zijn benen hoe hij stijf wordt. Hij kijkt op en glimlacht. Buen lugar para follar, Johnny. De hemel strekte zich tussen mijn benen vallen slap als hij hem binnenschoof binnen een namiddag ik bevond me in de schuur jongen had geen hemd aan benen tegen elkaar gekneld zat op de bank hij wreef hij raakte mijn kaak aan en boerde een stank van sinaasappels recht tussen zijn benen wreef zijn gezicht tegen het mijne in de vijver naakt zwemmend en rechtop wadend door water omhelst hij me met een arm en drukt me tegen zich aan “Bailar Johnny?” en ik voel hem stijf worden tegen mij aan.’ (The wild boys, pp. 107-108.)

 

The wild boys is een boek waarin iedereen dood is en waarin iedereen jong is, waarin iedereen in de tijd reist. Het jaar van dit dodenfeest is 1920.

 

‘Bevat het veel autobiografische elementen?’

‘Jazeker. Het gaat over de tijd toen ik een kind was in een voorstad in St Louis, in Missouri. Zoals alle schrijvers gebruik ik de bronnen uit mijn vroegste ervaringen.’

‘Hoe was jouw jeugd?’

‘Nou dat lees je wel in The wild boys. Het was de typische jeugd van een schrijver of iemand althans die weet dat

[p. 167]

hij een schrijver worden zal en die opgroeit in een provinciestadje en die ervan droomt naar New York te trekken, naar Parijs.’

‘En Tangiers. Daar ontmoette je Brion Gysin?’

‘Ik ontmoette Brion Gysin eerst in Tangiers in 1953, ja, maar we werden pas vrienden in 1958 toen ik hem weerzag in Parijs.’

‘Tangiers in 1953, dat was nog Internationale Zone?’

‘Juist. Ja, dat was fantastisch, dat was zoiets, een stad met evenveel mensen op straat om drie uur 's morgens als om vijf uur in de namiddag. Er waren zestig verschillende banken, iedereen was betrokken in intriges, in smokkel. Het was een levendige en boeiende plek.’

‘Had jij dan veel aktief kontakt of zat je in de morfine?’

‘Wel het was niet avontuurlijk in de zin van zelf echt smokkelen en dit soort dingen maar ik onderhield kontakten, ik sprak met al die lui.’

‘Je schreef hoe je zestien uur naar je schoenen zat te staren.’

‘Da's waar. Ik was zwaar verslaafd van 1953 tot 1958 en zodoende merkte ik toch minder dingen en zag ik minder mensen dan nodig had geweest.’

‘Je zat meer in jezelf te zoeken.’

‘Ik heb het daar redelijk ernstig over gehad in mijn boeken. De hele ervaring van verslaafdheid is heel essentieel zoals in het gevang zitten, of een oorlog meemaken. Het is een essentiële fysiologische ervaring en ik heb er veel uit geleerd. Maar ik zou Naked lunch of de volgende boeken niet geschreven hebben als ik niet van de morfine af was geraakt.’

‘Wat denk je van de boeken van Castaneda?’

‘Ik vond vooral het derde boek interessant. Vooral waar hij het heeft over iets heel essentieels, heel dieps, die idee

[p. 168]

van de separate realiteit.’

‘Zie jij een verband tussen drugs en religieuze ervaringen?’

‘Oh ja. Jazeker. Ik denk niet dat iemand die lsd of zoiets neemt plots bovennatuurlijke krachten of inzichten verkrijgt hoor, maar drugs verschaffen zeker en vast bepaalde inzichten, ze leveren een beter begrip van vele dingen op.’

‘Wat, waar, zit voor jou het ego van de mens? Vind je 't denkbaar dat we voortleven als bewuste machines?’

‘Ik geloof niet dat iemand er al in geslaagd is om het ego te lokalizeren, het Ik, waar zit het, zit het in de hersens, waar zit het, waar zit het met het oog op ons zenuwstelsel? Zijn er raakpunten? Ja, waarschijnlijk zelfs meer dan één, in het middenste brein misschien. Men heeft dat probleem nog niet voldoende bestudeerd.’

‘Maar mutaties zijn mogelijk?’

‘Ja, ze zijn mogelijk, nu, op dit ogenblik, althans in termen van technieken ontwikkeld binnen de biochemie. Ik weet niet of men reële experimenten aan het uitvoeren is. Rattray Taylor in The biological time bomb stelt dat de uitvindingen die voor de deur staan niet kunnen geassimileerd worden door onze vermolmde sociale strukturen. Kijk, als we nu het leven kunnen verlengen, wat niet zo moeilijk is: we verlengen het leven tot honderdvijfendertig jaar en dan? Er zijn nu al te veel mensen op aarde. Als die allemaal honderdvijfendertig moeten worden zal 't een mooi gezicht zijn, sardienen in blikjes. Wat moet je dus nu met zo'n uitvinding?

Interessanter is dat genetische planning menselijke wezens kan voortbrengen die intelligenter zijn en efficiënter, mutanten - maar wie moeten we dan het eerst gaan behandelen?’

[p. 169]

Genezing, genezing. Genezing ook van de vrouw. In The wild boys stelt Burroughs een generatie voor die nooit het gelaat van een vrouw heeft gezien, in andere romans worden jongens opgevoed door mannen, meisjes door vrouwen.

 

‘Ja, da's waar, ik meen dat dit heel interessant kon worden. We hebben behoefte aan meer afwisseling. Ik wil het niet naar voor schuiven als een norm, enkel als een mogelijkheid voor mensen die erin geïnteresseerd zijn. Co-edukatie is geen edukatie, vind ik.’

‘Je bezigt wel eens uitdrukkingen als “The drug of female illusion”.’

‘Ja, ik ben tegen de vrouw als geprivilegieerd wezen. Women's Lib zegt nu dat ook zij dit hele idee uit de wereld willen helpen en dat vind ik natuurlijk geweldig.’

‘Heeft het te maken met je jeugd?’

‘'t Zal wel, voor een goed deel. De vrouw die stond op een sokkel.’

‘The Southern Belle?’

‘Het Zuiders koncept van Southern Belle, ja. De mysterieuze White Goddess, de Blanke Prinses. Alhoewel St. Louis maar aan de rand lag van de Civil War toch voelde ik dat allemaal heel sterk aan in mijn kinderjaren. Dat gevoelen dat de vrouwen, die St. Louis in feite op hun eentje bestuurden, ook de hele sociale sfeer bepaalden.’

‘Rimbaud en Baudelaire wisten ook van hun moeders.’

‘Ja maar die waren katoliek.’

‘Is dat zo'n verschil?’

‘Reken maar. Het Zuiden zat vol met in hoofdzaak Blanke Protestantse Angelsaksers. Herinner je je dan niet dat de Ku Klux Klan gericht was tegen negers, katolieken en joden? Maar het protestantisme als godsdienst sterft gelukkig uit.’

[p. 170]

A dying religion; maar Burroughs, altijd bezig in zijn boeken met doden en junkies, met geweld en stervenden, heeft een goed deel van zijn literatuur gericht op berichten rondom de dood. In zijn filmscenario over Dutch Schultz gaat Burroughs uit van de zowat twaalfhonderd woorden die deze gangster sprak op zijn doodsbed.

‘De laatste woorden van Dutch Schultz vormen een opmerkelijk dokument, geïnspireerd delirium dat de Dutchman kentekent als een potentiële kunstenaar. Zelden werd het aanvoelen van de dood zo levendig gekommuniceerd. De geheimen van leven en dood zweven boven deze woorden.’

Zoals in het filmscenario en in The Dead star gebruikt Burroughs onderbrekingen (scramblings) in het relaas van het doodschieten van Dutch Schultz. In Valentine Day reading wordt de tekst verstoord door pistoolschoten, zinswisselingen, vrijwillige dubbelzinnigheden - de waanzin van het geweld, verwijzend naar de moordpartij in Chicago op 14 februari 1929 toen al Capone zeven leden van de Bugs Morangang liet neerschieten door doders in politie-uniformen. Zes van de zeven stierven ter plaatse. De zevende, Frank Gusenberg, had veertien kogels uit een machinegeweer in zijn lijf. Hij kon nog worden ondervraagd.

Sergeant Clarence vroeg: Who shot you?

En Frank Gusenberg antwoordde: Nobody shot me.

 

William Burroughs, je hebt jezelf wel eens een moralist genoemd.’

‘Wel, ik weet niet precies wat dat woord betekent hoor.’

 

In afwachting van het verschijnen van een bibliografie van Burroughs vernoem ik enkel zijn belangrijkste werken: Naked lunch, The soft machine, The ticket that exploded,

[p. 171]

Nova Express en The wild boys, alle in diverse Engelse uitgaven: Olympia Press, Calder & Boyars, Grove Press.

Electronic revolution en Valentine Day reading, beide bij Henri Chopin, Ingatestone, Essex.

In het Nederlands: Naakte lunch (vertaling Keith Snell & Edwin Gaden) en Junkie (vertaling Riekus Waskowsky), beide bij Meulenhoff Nederland, Amsterdam. Alle citaten behalve die uit Naakte lunch heb ik zelf vertaald.

Naakt twaalfuurtje van Henk Romijn Meijer verscheen bij de Arbeiderspers.

Kritische behandeling van de teorieën van Reich, Korzybski en Ron Hubbard vindt men in Fads, fakes & fallacies (In the name of science) van Martin Gardner (Dover Publications).

prepostterug  begin