terug  begin  verderprepost
[p. 71]

Een catalogus der handschriften in Nederlandsche kloosters uit het jaar 1487 (1913)

In het Historisches Jahrbuch der Görres-Gesellschaft voor 1912 heeft Dom C. Mohlberg O.S.B. een artikel geschreven, getiteld: Nachrichten von belgischen Sammelkatalogen des 15./16. Jahrhunderts. Ofschoon ik lang niet wil beweerd hebben, dat het stukje zonder verdienste is, durf ik toch zeggen, dat de vlag de lading niet geheel dekt. Het schijnt den schrijver ontgaan te zijn, dat wat men tegenwoordig de ‘Belgische’ wetenschap heet, niet alle wetenschap insluit die in België verkondigd wordt. Het is niet mijn bedoeling, alle leemten, die in dat artikeltje te bespeuren zijn, aan te wijzen, noch minder aan te vullen. Ik wil mij beperken tot eene, omdat ik meen tevens iets nieuws en wetenswaardigs te kunnen mededeelen.

Dom Mohlberg geeft de lijst op van de hem bekende catalogussen uit de 15e en 16e eeuwen, waarin de inhoud van de handschriften uit verscheidene Nederlandsche bibliotheken - ‘Nederlandsch’ in zijn oude, topographische beteekenis - systematisch wordt opgegeven - ‘systematisch’ natuurlijk cum grano salis op te vatten. In die lijst komen verschillende - welbekende - posten voor, waarmede blijkbaar steeds hetzelfde handschrift, respectievelijk hetzelfde werk wordt bedoeld, t.w.

1568 zegt Molanus1 in de voorrede tot zijn uitgave van het Martyrologium Usuardi, dat hij daarvoor zulk een catalogus gebruikt heeft: in indice quodam variarum bibliothecarum, qui ante annos octoginta aut circiter conscriptus est et Lovanii asservatur.

F. Modius2, gestorven in 1597, gewaagt van een uitgave van Paschasius e.a., bezorgd ‘ex mss. libris a Joanne Vlimerio, priore canonicorum ad D. Martinum Lovanii, penes quem est index omnium fere bibliothecarum in Belgio’.

In 1639 spreekt Miraeus3, blz. 57 van zijn Bibliotheca Ecclesiastica,

[p. 72]

Pars altera, van den catalogus Carnifex-Bunderius, en voegt daaraan toe: ‘Similis catalogus manuscriptorum librorum per Belgium exstat Lovanii in coenobio S. Martini’.

In 1643 verschijnt het tweede deel van de Bibliotheca Belgica Manuscripta van A. Sanderus*, waarin onder andere opgenomen is de catalogus van Sint-Martensdaal te Leuven, onder den titel: Index codicum mss. adhuc exstantium in bibliotheca Canonicorum regularium S. Augustini in Valle S. Martini. Lovanii, met de dagteekening: 1639. Dezen catalogus was Sanderus verschuldigd aan den toenmaligen bibliothecaris van Sint-Martensdaal, zooals blijkt uit een door hemzelf afgedrukten brief, onderteekend ‘Fr. Petrus à S. Trudone, Can. Regul. S. August. ad. S. Martinum Louanij, Bibliothecarius’, gedateerd: Idibus Junij... M.DC.XXXIX, waarin deze o.a. schrijft: ‘Mitto D.V. Indicem Manuscriptorum Codicum in Bibliotheca nostrâ adhuc exstantium: quem (ut correctior, et emendatior prodiret) iterata, diligentissimaque inspectione, cum singulis Libris contuli: quodque corrigendum aut mutandum existimabam, eo quo eum R.D.V. transmitto, modo, correxi. Titulum quoque, Vitae Sanctorum, mutavi in hunc, Passiones, Vitae, Historiae, seu Legendae Sanctorum, digestis, ordine Alphabetico, singulorum Sanctorum nominibus: ut ita Vitae quorumlibet, quae hinc inde in diversis Codicibus, à materia Historica quandoque maximè discrepantibus, habentur, expeditius reperiri queant’. De door Petrus a S. Trudone aan Sanderus gezonden Index bevat: 1e een lijst van alle aanwezige schrijvers, alphabetisch; 2e Medici; 3e Diversa Diversorum Scripta; 4e Libri Flandrici; 5e Vitae Sanctorum; en in de derde afdeeling: Diversa diversorum scripta wordt o.a. vermeld: Index plurimarum Bibliothecarum Belgii, continens plerosque Manuscriptos Codices1.

[p. 73]

Daar komt nu nog bij, dat het oorspronkelijke van den aan Sanderus verstrekten Index codicum mss. adhuc exstantium in bibliotheca... S. Martini Lovanii thans berust onder no 21874 in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, en dat men in dat oorspronkelijke leest, niet: index plurimarum bibliothecarum Belgii, maar Index precipuarum bibliothecarum Belgii enz. gevolgd door een hoofdletter W. Deze letter is de signatuur van het boek in de bibliotheek van Sint-Martensdaal.

In de 17de eeuw werd van deze bibliotheek een nieuwe catalogus opgemaakt, thans hs. II 1164 van onze Koninklijke Bibliotheek, den 23 Aug. 1888 gekocht uit Cheltenham4.

In dezen nieuwen catalogus is de oudere, die der handschriften, bovengenoemd, overgeschreven; daarna komen de gedrukte boeken, beknopt beschreven: alleen maar zeer verkorte titels, zonder adres noch jaartal. Het zou niet moeilijk vallen het jaar waarin deze nieuwe catalogus geschreven werd, wiskundig juist te bepalen, maar dat is de daartoe vereischte moeite en tijd niet waard.

Onder de opgegeven Nederlandsche werken komt ook voor Huygens' Hofwijck. Aangezien dit in 1653 verscheen, is deze catalogus vóór dat jaar niet opgemaakt; dat hij uit de eerste helft der 17de eeuw zou dagteekenen, zooals Dom Mohlberg beweert, is in elk geval onmogelijk; ik zou eer zeggen omstreeks 1660-1670.

De minstens twintig jaar oudere handschriftencatalogus is volkomen nauwkeurig overgeschreven. Het klooster bezat dus ca. 1660 nog al de handschriften, die het in 1639 bezat; ook hier leest men: Index precipuarum bibliothecarum Belgij, continens plerosque manuscriptos codices. W.

In 1761 herhaalt Foppens5 in zijn Bibliotheca Belgica letterlijk wat Miraeus 120 jaar te voren gezegd had.

 

Dat al deze aanwijzingen op een en denzelfden catalogus van in Belgische kloosters bestaande handschriften slaan, lijdt geen twijfel. Dom Mohlberg maakt het waarschijnlijk, dat nóg een aanwijzing er op slaat. Paquot, Mémoires 12, 53, ao 1768, vermeldt, op gezag van een handschrift van Petrus a S. Trudone, 1o dat Geeraard Roelants, die in 1491 stierf, gemaakt heeft een Catalogus librorum manuscriptorum in diversis

[p. 74]

Belgii Bibliothecis exstantium; 2o dat al de geschriften van G. Roelants ‘se conservent en Ms. à S. Martin de Louvain6’.

Aangezien er te Sint-Martensdaal maar één Index precipuarum bibliothecarum Belgii aanwezig was, moet dat dezelfde zijn als de Catalogus librorum manuscriptorum in diversis Belgii bibliothecis exstantium, die Paquot en zijn zegsman, die immers ook de zegsman van Sanderus is, aan G. Roelants toeschrijven.

 

Dom Mohlberg zegt ten slotte:

‘Was aus dem Index precipuarum bibliothecarum geworden ist, weiss ich nicht. Seine Spur is bis jetzt nirgends zu entdecken.’

Indien het eens anders was?

Laten we nog niet spreken van ‘seine Spur’; maar beginnen met ‘een spoor’, dat aan Dom Mohlberg niet onbekend zou gebleven zijn, dat hem niet onbekend kón gebleven zijn, indien hij er in de verste verte maar eenig besef van had gehad, dat in België de wetenschap nog in een andere taal beoefend wordt dan in het Belgisch - verschooning, dan in het Fransch.

Van den catalogus die in 't Sint-Martensklooster te Leuven bestond, wordt namelijk ook melding gemaakt in een tamelijk uitvoerige aanteekening, geschreven binnen op het vóórberd van het Hadewijchhandschrift C, dat is hs. 941 der Gentsche Bibliotheek. Die aanteekening is reeds driemaal gebruikt en gedrukt, t.w. door Ruelens, Vercoullie en J. Van Mierlo Jr. S.J. Ruelens heeft eene studie geschreven, waarschijnlijk in 18881, die pas in 1905 in 't licht is verschenen in: ‘Werken van Zuster Hadewijch. III. Inleiding, varianten, errata door J. Vercoullie... Gent, 1905’. Die studie, getiteld: Jan van Ruysbroeck en Blommardinne, beslaat blz. xxi-xcvi van genoemd 3e deel; daarin citeert en bespreekt Ruelens de aanteekening die ik op 't oog heb, t.w. blz. li en volgende; Vercoullie citeert ze ook, blz. vi, bij 't beschrijven van 't hs. Sedert heeft Pater J. Van Mierlo Jr. S.J. het eerste en het laatste gedeelte van die aanteekening gedrukt en besproken op verschillende plaatsen van zijn studie: Was Hadewych de ketterin Blomardinne? verschenen in Dietsche

[p. 75]

Warande en Belfort, 1908, dl. 2, blzz. 267-2861. Nog afgezien van enkele fouten en foutjes die bij Ruelens en Vercoullie in den tekst geslopen zijn, is geen van deze drie geleerden nauwkeurig, in dezen zin:

1e dat alle drie de aanteekening beschouwen als geheel uit één hand geschreven, wat niet het geval is;

2e dat, zeker voor een deel ten gevolge daarvan, Ruelens en Van Mierlo, elk op zijne wijze, zich vergissen in de chronologie van de aanteekening, respective van haar onderdeelen; terwijl Vercoullie daarover geheel en al zwijgt, doordien hij - als ik hem althans goed versta - zich daarvoor verlaat op Ruelens;

3e dat alle drie minder juist, althans minder duidelijk en allesbehalve ondubbelzinnig, aangeven waar die aanteekening te lezen staat: volgens Ruelens staat ze ‘op het eerste blad’ -, volgens Vercoullie ‘op de binnenzijde van het eerste zijblad’ -, volgens Van Mierlo ‘op het eerste zijblad’ van het handschrift. Van Mierlo heeft blijkbaar de terminologie van Vercoullie overgenomen, welke terminologie echter alleen verstaanbaar is als men weet dat Prof. Vercoullie hier zijblad bezigt in den - bij dat woord zeer zeker ongewonen - zin van: plank, bord, ‘berd’ van een ouden boekband;

4e dat alle drie de oude signatuur, die herhaaldelijk in het handschrift voorkomt, als een integreerend deel van meergemelde aanteekening beschouwen en ze daarenboven verkeerd uitleggen: volgens Ruelens (bij Vercoullie, blz. li, noot), is die signatuur ‘het merkteeken der Boekerij van het huis der Jezuïeten te Antwerpen’; evenzoo volgens Vercoullie (blz. vi, tweede noot en blz. xvii2); Van Mierlo, daarentegen, wil daarvan niet hooren: ‘Ik zie niet waarop men gewoonlijk steunt om dit handschrift C in 't bezit van de Jezuieten te stellen. Het opgeplakte gedrukte boekmerk MS is toch niet, voor zoover ik weet, eigen aan het Antwerpsche Huis dier Paters’ (blz. 19, 1e noot). Deze vrij besliste ontkenning is wat vreemd, daar Pater Van Mierlo zelf daarvóór, (blz. 3, derde noot) reeds geschreven had: ‘de geheele aanteekening met de inhoudsopgave is misschien van den bibliothecaris der Jezuiëten te Antwerpen’.

 

Het Gentsche Hadewijch-handschrift is geschreven op perkament, naar het mij, na herhaald onderzoek, toeschijnt, omstreeks de jaren 1340-

[p. 76]

1350; áls het ouder is, kan het in géén geval veel zijn. De codex is nog voorzien van zijn oorspronkelijken band: eikenhouten borden met (naar middeleeuwsche opvatting) purperen kalfsleer overtrokken. Op elk plat staat, viermaal herhaald, een zeer fraaie rechthoekige stempel, waarover we nu echter niet verder zullen uitweiden. De binnenzijde van beide eikenhouten borden - de ‘eiken berden’, zooals onze oude binders ze noemden -, zijn beplakt met perkament, zoodat binnen in den band, voor- en achteraan, iets kon geschreven worden. Dat is hier dan ook gebeurd. Binnen op het vóórberd (strict genomen dus: op het perkament dat op de binnenzijde van het vóórberd geplakt is) heeft een bezitter, waarschijnlijker een librarius, omstreeks 1470-14801, met een zware hand, en met zeer zwarten inkt, geschreven, op 55 mm. van den bovenrand:

Die visioenen van heilwijck

Omstreeks het midden van de 16de eeuw op zijn vroegst, maar waarschijnlijker wat later, laat ons zeggen, uiterlijk ao 1560-1580, heeft een andere bezitter, die inhoudsopgave aangevuld door er onder te schrijven:

Brieuen pag. 19.
Rijme 4[9]

(waar de 9 stond, is nu een gat in 't perkament).

Het hs. kwam op een niet nader te bepalen tijdstip in de Bibliotheek der Bollandisten2 te Antwerpen: in den rechterbovenhoek binnen in 't zelfde vóórberd staat nl. dezer welbekend3 bibliotheeksmerk (een kruis, gevolgd door de afkorting ms. met het nummer van den codex) een eerste maal uit de hand geschreven: ‘† ms. 91’4; een tweede maal, t.w. vlak daaronder, op een papieren etiketje, 45 X 41 mm., waarop

[p. 77]

gedrukt is: ‘† Ms.’ en daaronder uit de hand geschreven: ‘91’ met zeer groote cijfers: 12-13 mm. hoog.

Het lijkt me vooralsnog niet mogelijk te determineeren, of de woorden

Brieuen pag. 19
Rijme 4[9]

geschreven zijn door dezelfde hand als ‘† ms. 91’.

 

In het begin van de 17de eeuw op zijn vroegst, veeleer omstreeks 1640 (zeer moeilijk te beslissen!), komt nu een derde man, die doet het volgende:

1e Vóór de alleroudste inhoudsopgave (‘Die visioenen van heilwijck’) schrijft hij het cijfer: ‘XIV.’ en onder die inhoudsopgave zet hij:

De Vol-maeckte ghelyck Seraphinnen.

welke woorden ontleend zijn aan een kapittelopschrift in den tekst, bl. 20d-21a: Dit sijn die volma-// ecte ghecleedt ghelijc minnen. Die hadewich sach elc met sinen seraphinnen1.

2e Vóór ‘Brieuen’ zet hij: ‘XXXI.’.

3e Vóór ‘Rijme’ zet hij ‘XLV.’ en onder ‘Rijme’:

Twee-vormich tractaetken.2
Het tweede Ryme.

4e Wat lager, ongeveer in 't midden van 't berd, schrijft hij:

De B. Hadewige de Antverpia.

Elogium.

‘Gelyckerwys dat een overheylech wyf, die hiet Hadewych, sprac ende sprect in haerre edele godleke leringe. F. Joan. de Leevws ab Affligem. Ord. C. Regul. S. Aug. dictus Bonus Cocus: to. 1. l. 8. de 5plici confratern. c. 24. pag. 471. qui obijt 1377: primus cocus Viridisuallis. Idem to. 2. 1. 2. de 7. signis Zodiaci, c. 27. pag. 60.’

Dat is een stuk van een passage uit de werken van den goeden kok, die door Ruelens en Prof. Vercoullie behoorlijk terecht is gebracht: zie zijn dl. III, p. vi vlg. noot 3 en blz. liv.

[p. 78]

5e Als dat alles al geschreven is, wil hij er nóg wat bijvoegen. Ofschoon de geheele onderste helft van 't perkament, dat op 't berd is geplakt, nog ruimte biedt, schrijft de man niet onder -, maar boven 't reeds door hem geschrevene, en naast de bovenvermelde inhoudsopgaven, nóg een aanteekening, die hij wil laten slaan op de Antverpia uit ‘De B. Hadewige de Antverpia’. Met dat doel zet hij tusschen deze beide laatste woorden een starretje; hij zet er nóg een op dezelfde hoogte als - en ongeveer op éen centimeter afstand naast ‘Twee-vormich tractaetken’ en schrijft nu het volgende, het eene starretje aan het andere met een streep verbindende:



illustratie

* sic cognominatur in Catalogo msstor. variar. Biblioth. Belgij, scripto circa an. 1487. formâ oblongâ: qui seruatur apud Martiniens: Lovanij. qui que testatur eius Visiones etiam Latine et Eplas. Prouerbia (quae hîc desunt) Rythmos et easd. Visiones linguâ Brabanto-Belgicâ exstare in Carthusiâ Zelemensi prope Diestemium.

de *Antverpia.

Wie de schrijver is van deze aanteekening, weet ik voorloopig niet te zeggen. Ruelens beweert: ‘De annotatie: sic cognominatur, enz. is zeer waarschijnlijk opgesteld door den geleerden Heribertus Rosweydus1; maar dat is niet wel mogelijk, zooals uit een vergelijking met het schrift van Rosweyde7 op het eerste gezicht al blijkt2. Het is ook niet de hand van Molanus, noch die van Miraeus, wier schrift ik nog eens nauwkeurig heb vergeleken; evenmin van Papebrochius8 of Henschenius3. Wie ze ook moge geschreven hebben, ze bevat, voorwaar, belangrijke mededeelingen, belangrijk in meer dan één opzicht.

De kwestie en beteekenis der drie verschillende handen laat ik voorloopig rusten, en beperk mij tot het allerlaatste bijvoegsel van de derde

[p. 79]

hand. Wat leeren wij er uit? Dat de H. Hadewijch bijgenaamd was de Antverpia in een catalogus, waarover wij vernemen:

1e dat hij was een catalogus manuscriptorum variarum Bibliothecarum Belgij. Ook Molanus gebruikt dien titel, op de bepaling Belgii na;

2e dat hij geschreven was circa an. 1487. - Van den catalogus waarvan hij gebruik had gemaakt zegt Molanus: ante annos octoginta aut circiter conscriptus. Molanus schrijft in 1568; 80 jaar daarvan afgetrokken, blijft 1488, d.w.z. éen jaar minder dan in onze aanteekening wordt opgegeven. Er zal dus blijkbaar in den bewusten catalogus wel een aanwijzing te vinden geweest zijn, waaruit twee verschillende lezers hetzelfde gevolg hebben getrokken, wat een waarborg is voor de juistheid er van;

3e dat de catalogus was: formâ oblongâ, een onschatbare aanwijzing bij een mogelijke identificatie, tevens bewijzende dat de schrijver der aanteekening den catalogus met eigen oogen gezien heeft, waarborg voor zijn betrouwbaarheid;

4e dat de catalogus servatur apud Martinienses Lovanii. Molanus zegt alleen Lovanii asservatur. De aanteekening stelt opnieuw boven allen twijfel, dat de door Molanus gebruikte catalogus identisch is met dien vermeld door Modius en Miraeus;

5e dat die catalogus testatur eius Visiones etiam Latine et Epistolas Proverbia (quae hîc desunt) Rythmos et easdem visiones linguâ Brabanto-Belgicâ exstare in Carthusiâ Zelemensi prope Diestemium.

Dat is, zoover mij bekend, de eenige vermelding van 't bestaan van een Nederlandsch handschrift in het Karthuizerklooster te Zeelhem, die bestaat, althans bewaard gebleven is. Die mededeeling is daarenboven zoo uitvoerig, dat ze, samen met de opgave van het formaat - forma oblonga - een uitmuntend hulpmiddel zal blijken ter identificatie. Mocht ooit een catalogus van de handschriften in ‘Belgische’ kloosters uit de 15de eeuw, waarin vermeld staat dat Hadewijch's visioenen in het Latijn en haar Brieven, Spreuken, ‘Rime’ en óók nog haar Visioenen in het Dietsch te Zeelhem aanwezig zijn, aan het licht komen, dan zou de oudste catalogus van de handschriften der gezamenlijke Nederlandsche kloosterlibrijen uit de middeleeuwen teruggevonden zijn.

 

Ziedaar dus wel een belangrijk spoor van den Index precipuarum bibliothecarum die in 1639 bij de reguliere kanunniken te Leuven aanwezig was.

Wil dat alles nu zeggen, dat ook naar het oordeel van den bewerker der Bibliotheca Neerlandica Manuscripta ‘Seine Spur bis jetzt nirgends zu entdecken’ is? Neen, want ik ken een dergelijken catalogus, ten behoeve

[p. 80]

van het Rooklooster in 1532 gemaakt door frater Nycholaus Winge, librarius in sancti Martini Cenobio, thans berustende in de keizerlijke Familien-Fideikommiss-Bibliotheek te Weenen, welke catalogus ‘ex multis libris illustrium virorum collectum est videlicet Jheronimi, Ysidori, Gennadii, Johannis Trithemii et aliorum et principaliter ex registro monasterii sancti martini in lovanio’.

Nycholaus Winge heeft dus bij het maken van zijn catalogus gebruik gemaakt van een register monasterii sancti martini in lovanio. Wat voor een register kan dat geweest zijn? Daarmede kán bedoeld zijn niets meer dan een register van de handschriften die Sint-Martensdaal omstreeks 1532 bezat, maar dat is weinig waarschijnlijk: er zou dan geen reden geweest zijn om het te noemen naast Isodorus, Jheronymus, Trithemius9, alle universeele catalogi. Er kan óók mee bedoeld zijn, en dat is heel wat waarschijnlijker, juist vanwege het noemen naast Isidorus, Jheronymus, Trithemius, een register, te Sint-Martensdaal berustende, vermeldende de handschriften aanwezig én daar ter plaatse én in andere kloosterbibliotheken der Nederlanden, en dan kan dát register identisch zijn met den catalogus, die door den steller van de aanteekening in het Gentsche Hadewijch-handschrift, door Molanus enz. genoemd wordt Catalogus manuscriptorum variarum bibliothecarum Belgij uit het jaar 1487; dan zou, ten slotte, die catalogus uit het jaar 1487 overgegaan zijn in dien uit 1532; hij zou dus nog bestaan, alleen (misschien!) niet meer forma oblonga; wij zouden hem nog hebben, zoo niet naar den vorm, dan toch naar den inhoud.

Zou iets natuurlijker zijn? Ligt het niet voor de hand dat een librarius in Sancti Martini Cenobio, die in 1532 een catalogus opmaakt van de handschriften die in de Nederlandsche kloosters aanwezig zijn, daarbij gebruik maakt van een dergelijken catalogus uit vroeger tijd, die in zijn eigen librije bewaard wordt? Het tegenovergestelde zou ónnatuurlijk zijn. Het is dan ook zoo! Want wat leest men in dien catalogus van Nycholaus Winge? Onder andere dit:

Hadewigis de Antwerpia.

Visiones eius Z.
Epistole proverbia rithmata eius in theutonico Z.

Dat wil zeggen: men leest er in, wat de aanteekening in het Gentsche Hadewijch-hs. zegt te staan in den Catalogus manuscriptorum variarum Bibliothecarum Belgii circa annum 1487 scriptus! En Z kan niets anders zijn dan de afkorting van Zeelhem.

[p. 81]

Als die ééne post uit dien catalogus door Nycholaus Winge overgenomen is, dan zal dat wel met alle andere het geval zijn. We hebben dus niet alleen één spoor van dien catalogus, we hebben zijn spoor weergevonden. Hij bestaat nog.

 

Meer kan ik er echter voor het oogenblik niet over zeggen.

De gevolgtrekkingen die ik hier heb medegedeeld, en waartoe ik reeds meer dan vijftien jaren geleden gekomen ben, steunen namelijk niet op eigen onderzoekingen, maar op enkele excerpten uit dien catalogus van Nycholaus Winge, die in 1897 te Weenen gemaakt en onmiddellijk daarna te mijner beschikking werden gesteld door mijn vriend Dr. C.G.N. de Vooys. Toen ik, juist tien jaar later, zelf op de Keizerlijke Fidei-Kommissbibliotheek kon gaan werken, heb ik het geluk niet gehad, dat handschrift op mijn beurt te mogen onderzoeken: toen ik er aan toe was, ontbrak het in de reeks, die dien morgen op mijn werktafel stond, en kreeg ik, op mijn vraag waar het bleef, tot antwoord: dat het dien eigen morgen - d.w.z. nog vóór 9 uur - vanwege de Keizerlijke Hofbibliotheek was ‘abgeholt’. Mijn bescheiden opmerking, dat ik, strict genomen, toch eerste rechthebbende was, aangezien ik het handschrift reeds vóór dien dag ter inzage had gevraagd; noch mijn verzekering, dat het allerminst mijn bedoeling was, iets meer te doen dan het handschrift behoorlijk te beschrijven, zoodat anderer plannen in geen geval door mij zouden gedwarsboomd worden; het een noch het andere mocht iets baten10.

Zóó onttrekt men aan het onderzoek van een ‘Belgisch’ geleerde handschriften, die wederrechtelijk uit ‘Belgische’ kloosters zijn weggevoerd.

1Molanus, Jan. (1533-1585). Zuidnederlands kerkelijk schrijver; hoogleraar te Leuven; boekencensor. Auteur van talrijke werken. De Vreese doelt hier op zijn editie van het Martyrologium van Usuardus (Leuven, 1568), waar de aangehaalde plaats voorkomt op blad A VI recto van de Praefatio.
2Modius, Franciscus (1556-1597). Humanist, filoloog en vermaard handschriftenkenner, gelijk vooral tot uiting komt in zijn Novantiquae lectiones (Frankfurt, 1584). De door De Vreese aangehaalde tekst is ontleend aan dagboeknotities, door Ant. Ruland in een reeks artikelen over Modius, afgedrukt in Serapeum XIV (1853) 116. De editie waarop hier gezinspeeld wordt is de door J. Vlimmerius bezorgde uitgave van Radbertus Paschasius' De Corpore et Sanguinè Domini liber, ad multorum veterum exemplarium fidem, emendatus (Leuven, 1561), waarin ook verhandelingen van anderen opgenomen zijn. - Radbertus Paschasius (785-860), heilige, benedictijn te Corbie. Groot kenner van de klassieken en de kerkvaders. Het zojuist genoemde De Corpore et Sanguine Domini is zijn voornaamste werk.
3Miraeus, Aubertus (1573-1640). Zuidnederlands theoloog en geschiedschrijver; bibliothecaris van Aartshertog Albert. Auteur van talrijke, over het algemeen onkritische werken. De Vreese doelt hier op zijn tweedelige Bibliotheca Ecclesiastica (Antwerpen, 1639-1649). - De catalogus Carnifex-Bunderius is het werk van twee Zuidnederlandse geleerden. De grondslag werd gelegd door de onder de naam Carnifex vermaarde in het begin der zestiende eeuw werkzame humanist en theoloog Willem Vleeschouwer, die als predikheer te Gent een catalogus aanlegde van door hem in West- Europa geziene codices. Van zijn aantekeningen werd gebruik gemaakt door zijn geleerde confrater Bunderius (Jan van den Bundere, kerkelijk schrijver en theoloog, 1481-1557), die een catalogus samenstelde van de rond 1500 in de bibliotheken van de Zuidelijke Nederlanden en de nabuurlanden voorkomende codices. Miraeus heeft op zijn beurt daarvan gebruik gemaakt. Men zie over de catalogus Carnifex-Bunderius in het bijzonder het belangrijke stuk van Paul Lehmann: Quellen zur Feststellung und Geschichte mittelalterlicher Bibliotheken, Handschriften und Schriftsteller in diens Erforschung des Mittelalters Band I2; Stuttgart, 1959; 306 vlgg. (vooral pag. 317 vlgg.).
1Dom Mohlberg stelt de zaak eenigszins anders voor - hij zegt immers: ‘1639 berichtet A. Sanderus, dass im Kloster S. Martin zu Löwen ein Index plurimarum bibliothecarum Belgii, continens plerosque manuscriptos codices gestanden sei. - A. Sanderus, Bibliotheca belgica manuscripta. Bd. II, S. 227, Lille, 1641’ -, maar de hoofdzaak blijft dezelfde.
Erger is, dat Dom Mohlberg dezelfde foutieve verwijzing plaatst achter de volgende bewering: ‘1641 edierte A. Sanderus den zweiten Band seiner Bibliotheca Belgica. Trotz seiner Abhängigkeit von Miraeus notierte er für den Index codicum manuscriptorum per Belgium, er sei bei OPUERIUS in Brüssel gewesen’.
Wat mij betreft, ik vermag die mededeeling op blz. 227 van Sanderus' tweede deel, dat in 1643 verscheen, niet te vinden. In 1641 was verschenen het eerste deel, en daarin leest men, niet blz. 227, maar blz. 24: ‘Joannem (lees: Joannes) Bunderius... manuscriptorum in Belgio vicinisque Provinciis codicum Indicem concinnavit, quem Bruxellis ms. adservat LUCAS OPMERUS I.C.’. Deze mededeeling komt niet uit den koker van Sanderus, maar uit dien van Miraeus! ze komt namelijk voor in den Elenchus Historicorum Belgii nondum anno Christi MDCVI typis editorum... ex Bibliotheca Belgica Auberti Miraei, welke Elenchus blz. 21 tot en met 27 van Sanderus' eerste deel beslaat. Ten overvloede heeft Sanderus zelf boven aan blz. 21 van een exemplaar, dat thans op de Universiteits-bibliotheek te Gent berust, geschreven: Elenchus Historicorum mss. Belgii per Aubertum Miraeum (zie over dit exemplaar de Bibliotheca Belgica, 1e serie, S 196, 12 vlgg.). Er kan hier dus geen sprake zijn van een tegenstrijdigheid tusschen Sanderus en Miraeus. - Uit deze en verscheidene andere dergelijke onnauwkeurigheden blijkt maar al te duidelijk, dat Dom Mohlberg bouwstoffen uit de tweede hand heeft gebruikt.
4Cheltenham. Engelse badplaats waar Sir Thomas Phillipps (1792-1872), vermaard handschriftenverzamelaar, sedert 1862 zijn enorme bibliotheek in het buitengoed Thirlestane House had ondergebracht. In 1888/89 en 1891 kochten de Belgische en Nederlandse regeringen een aanzienlijk getal codices en archivalia uit deze collectie terug, die uit Nederlandse kloosters, archieven en andere verzamelingen (o.a. Meerman te 's-Gravenhage) afkomstig waren, en door Sir Thomas voor het overgrote deel tegen spotprijzen op een in 1825 op het continent ondernomen reis verworven waren.
5Foppens, Jean François (1689-1761). Zuidnederlands kerkelijk geschiedschrijver. In samenhang met het hier behandelde vooral van belang voor zijn Bibliotheca Belgica (Brussel, 1739; 2 dln), te beschouwen als uitbreiding en voortzetting van vroegere soortgelijke werken van Zuidnederlandse geleerden, met name: Aubertus Miraeus, François Swertius en Valerius Andreas.
6Paquot, Joannes Natalis (1722-1803). Zuidnederlands biograaf, theoloog en historicus. Historiograaf van Maria Theresia en bibliothecaris der Universiteit van Leuven. Schrijver der hier door De Vreese aangehaalde Mémoires.
1Volgens den heer N. de Pauw, Leven en Werken der Zuidnederlandsche schrijvers, blz. 110b, zou die verhandeling van Ruelens uit het jaar 1871 dagteekenen, maar dat is niet wel mogelijk. Ruelens volgt op den voet en herhaalt de redeneering der Bollandisten* over de levensbeschrijving van Ruusbroec, die Jan van Schoonhoven zou gemaakt hebben; zijn verhandeling moet dus op zijn vroegst ná 1885 afgewerkt zijn. Prof. J. Vercoullie, Werken van Zuster Hadewijch, III, xvi, noot, meent ‘te mogen verzekeren, dat ze pas afgewerkt was, toen (hij) ze in 1888 kreeg’.
1In 't vervolg dezer mededeeling wordt het artikel van Pater Van Mierlo aangehaald naar het overdrukje.
2Dáár staat: ‘C was in de 14de eeuw bij de Jezuïeten te Antwerpen’, en Pater Van Mierlo is daarover gevallen; dat 14de niet anders zijn kan dan een drukfout, spreekt toch vanzelf.
1Pater Van Mierlo zegt, blz. 3: ‘een lange aanteekening in zeventiende-eeuwsch geschrift’; blz. 14 spreekt hij inzonderheid van wat hij, minder juist, noemt ‘het opschrift in handschrift C.: Die Visioenen van Heilwyck’, en zegt er van, dat het ‘dagteekent uit de 17de eeuw’. Maar dat is beslist onmogelijk.
2Ik zeg dus niet, zooals Ruelens en Vercoullie: ‘van het Jezuietenhuis’. De bibliotheek der Bollandisten* bevond zich wél in het Jezuïetenhuis, maar was, zooals Pater Delehaye mij op mijn vraag nog eens uitdrukkelijk verzekerd heeft, verscheiden van die van het huis.
3Inderdaad, in weerwil van den twijfel van Pater Van Mierlo. Men vindt een dergelijke signatuur in een aantal handschriften op de Koninklijke Bibliotheek te Brussel - van andere bibliotheken gezwegen. Men zie b.v. inzonderheid de codices, door Pater Van Den Gheyn beschreven (Catalogue des Manuscrits de la Bibliothèque royale de Belgique, t. 5, pp. 406-676) onder het opschrift: Collectanea Bollandiana.
4Welke signatuur overigens nog eens voorkomt bovenaan op het recto van bl. 3.
1Verg. J. van Mierlo Jr.'s uitgave, blz. 113; Vercoullie's uitgave, blz. 180.
2Zie dit tractaat in Vercoullie's uitgave, blz. 189 vlgg.; het staat tusschen de twee reeksen gedichten in; vandaar dat: Het tweede Ryme.
1Zie K. Ruelens, Jan van Ruysbroek en Blommardinne, blz. 53, bij J. Vercoullie, Werken van Zuster Hadewijch, III, blz. lii.
7Rosweyde, Heribertus (1569-1629). Zuidnederlands jezuïet, hagiograaf, vruchtbaar auteur. Opsteller van een plan voor wetenschappelijke bewerking der heiligenlevens (de Acta Sanctorum), waarvan hij de tenuitvoerlegging met Joannes Bollandus ter hand nam. Ook uitgever van een belangrijke editie der Navolging van Christus, waarin hij met kracht het auteurschap van Thomas a Kempis verdedigde.
2De Zeer Eerw. Pater H. Delehaye S.J. heeft de goedheid gehad, de door Rosweyde eigenhandig geschreven stukken, die in de boekerij der Bollandisten* berusten, te mijner beschikking te stellen. Pater Van Mierlo had ook reeds een dergelijk onderzoek ingesteld, en was tot hetzelfde besluit gekomen: zie zijn artikel, blz. 3, noot 3.
8Papenbroek, Daniel van (1628-1714). Zuidnederlands jezuïet, Bollandist. Met Joannes Bollandus en Godefridus Henschenius een der voornaamste medewerkers aan de Acta Sanctorum, voor welker voortzetting hij zich bijzonder verdienstelijk maakte. Zijn hyperkritiek op oorkonden leidde tot een polemiek met de Franse benedictijn J. Mabillon, die in zijn klassiek werk De re diplomatica (Parijs, 1681; grondslag van de wetenschap der diplomatiek en paleografie) Papenbroeks meningen bestreed. Deze gaf daarop zijn ongelijk toe.
Henschenius, Godefridus (1600-1681). Zuidnederlands jezuïet, Bollandist. Om zijn buitengewone talenkennis aangewezen als medehelper bij de door Johannes Bollandus ondernomen Acta Sanctorum, aan welker bewerking hij een meer wetenschappelijke richting gaf.
3Volgens een vriendelijke mededeeling van Pater H. Deleheye. Het is mij een aangename plicht den beroemden Bollandist ook openlijk mijn dank te betuigen voor de groote welwillendheid, waarmede hij al mijn vragen heeft beantwoord.
9Isidorus van Sevilla (570-636). Spaans geleerde,theoloog en aartsbisschop van Sevilla, vooral bekend om zijn encyclopaedisch werk Etymologiae en zijn omvattend biobibliografisch opus De viris illustribus.
Hieronymus (± 349-419). Heilige, kerkvader en kerkleraar, wiens voornaamste verdienste voor de kerkelijke wetenschap op schriftuurgebied ligt. Schreef op historisch terrein De viris illustribus een Christelijke literatuurgeschiedenis met bio- en bibliografieën, later o.a. voortgezet door Isidorus van Sevilla.
Trithemius, Joannes (1462-1516). Duits geleerde, historicus en theoloog; abt van de benedictijnenkloosters in Sponheim en Würzburg. Vermaard door vele naslagwerken waarvan zijn De scriptoribus ecclesiasticis de eerste bibliografie genoemd moet worden. De editio princeps van dit werk verscheen in 1494 bij Johann Amerbach te Bazel.
Men vgl. voor de hier genoemde auteurs en opera het werk van Theodore Besterman, Les débuts de la bibliographie methodique3. Paris, 1950.

10Zes jaar nadien - in 1913 - overkwam een ander Vlaams geleerde - J. van Mierlo S.J. - hetzelfde. Toen hij in 1913 de Fidei-Kommissbibliotheek bezocht, verlangde hij natuurlijk eveneens die Rooklooster-catalogus (genaamd: Registrum scriptorum illustrium; toenmalige signatuur 9373; thans Series nova 12694 der Oostenrijkse Nationale Bibliotheek; door De Vreese ten onrechte aan Winge toegeschreven) in te zien. Maar ook hem werd medegedeeld, dat het handschrift door de Hofbibliotheek in bruikleen was gevraagd ten behoeve van een hoogleraar, die er een studie over in voorbereiding had. Naar mij bij onderzoek gebleken is, was deze professor niemand minder dan Theodor Gottlieb; een der vermaardste kenners van het middeleeuwse boekwezen. Er valt niet aan te twijfelen dat Gottlieb zich ernstig met de Rookloostercatalogus heeft beziggehouden. Maar tot een publikatie is het niet gekomen, terwijl zijn aantekeningen onbereikbaar blijken.
Wat daar ook van zij: Van Mierlo was onder één opzicht gelukkiger dan De Vreese; professor Gottlieb liet hem vanuit de verte de Rooklooster-catalogus tenminste zién; een echt doekje voor het bloeden voor iemand die er graag in gebladerd had!
Sedertdien is bijna een halve, uiterst turbulente eeuw verlopen, waarin - ook op het door ons hier bestreken terrein - bijzonder vele en ingrijpende veranderingen hebben plaatsgevonden. Keizerlijke Fidei-Kommissbibliotheek en Keizerlijke, Koninklijke Hofbibliotheek gingen bij de aanvang der twintiger jaren te Wenen op in de Nationale Bibliotheek, die overigens in de oude gebouwen gevestigd bleef en na 1945 herdoopt werd tot Oostenrijkse Nationale Bibliotheek.
In de laatste vier decennia is van Belgische zijde bijzonder veel aandacht aan de Centrale catalogus uit Rooklooster geschonken, gelijk uit het volgende blijken kan:
1. Het Ruusbroecgenootschap te Antwerpen nam als eerste in de twintiger jaren het onderzoek ter hand en beschikte daartoe over een volledige negatieve fotocopie, die tot in onze dagen dienst heeft gedaan. Zij lag ook ten grondslag aan de publikaties van J. van Mierlo S.J. over de Rooklooster-catalogus in Ons geestelijk erf II (1928) 275 vlgg., en IV (1930) 84 vlgg. en 316 vlgg.
2. De Universiteit van Leuven kon na de jongste wereldoorlog zes jaar lang (1949- 1954) over de codex zelf beschikken, zulks ten behoeve van onderzoekingen onder leiding van de hoogleraar J.M. de Smet, die tevens zorgde voor een volledige verfilming.
3. Nog is in 1957 een volledige verfilming ondernomen ten behoeve van het te Brussel gevestigde ‘Fonds national de recherche scientifique’.
Men kan zich dus over belangstelling van Belgische zijde zeker niet beklagen. Nog worde daarbij opgemerkt, dat ruim twintig jaar geleden Paul Lehmann - de voetstappen van Theodor Gottlieb drukkend - aan de Rooklooster-catalogus in breder verband aandacht heeft gewijd in zijn Alte Vorläufer des Gesamtkatalogs (Festschrift Georg Leyh. Leipzig, 1937; 69 vlgg.). Nog vroeger (1920) had hij erover gehandeld in zijn Quellen zur Feststellung und Geschichte mittelalterlicher Bibliotheken, Handschriften und Schriftsteller (Erforschung des Mittelalters I2. Stuttgart, 1959; 306 vlgg.).
Het is hier ten slotte zaak op te merken dat De Vreese's verhandelingen IV en V in nauwe samenhang bestudeerd moeten worden. De schrijver dezer regels bereidt daarover een publikatie voor.
prepostterug  begin  verder