In het Historisches Jahrbuch der Görres-Gesellschaft voor 1912 heeft Dom C. Mohlberg O.S.B. een artikel geschreven, getiteld: Nachrichten von belgischen Sammelkatalogen des 15./16. Jahrhunderts. Ofschoon ik lang niet wil beweerd hebben, dat het stukje zonder verdienste is, durf ik toch zeggen, dat de vlag de lading niet geheel dekt. Het schijnt den schrijver ontgaan te zijn, dat wat men tegenwoordig de ‘Belgische’ wetenschap heet, niet alle wetenschap insluit die in België verkondigd wordt. Het is niet mijn bedoeling, alle leemten, die in dat artikeltje te bespeuren zijn, aan te wijzen, noch minder aan te vullen. Ik wil mij beperken tot eene, omdat ik meen tevens iets nieuws en wetenswaardigs te kunnen mededeelen.
Dom Mohlberg geeft de lijst op van de hem bekende catalogussen uit de 15e en 16e eeuwen, waarin de inhoud van de handschriften uit verscheidene Nederlandsche bibliotheken - ‘Nederlandsch’ in zijn oude, topographische beteekenis - systematisch wordt opgegeven - ‘systematisch’ natuurlijk cum grano salis op te vatten. In die lijst komen verschillende - welbekende - posten voor, waarmede blijkbaar steeds hetzelfde handschrift, respectievelijk hetzelfde werk wordt bedoeld, t.w.
1568 zegt Molanus1 in de voorrede tot zijn uitgave van het Martyrologium Usuardi, dat hij daarvoor zulk een catalogus gebruikt heeft: in indice quodam variarum bibliothecarum, qui ante annos octoginta aut circiter conscriptus est et Lovanii asservatur.
F. Modius2, gestorven in 1597, gewaagt van een uitgave van Paschasius e.a., bezorgd ‘ex mss. libris a Joanne Vlimerio, priore canonicorum ad D. Martinum Lovanii, penes quem est index omnium fere bibliothecarum in Belgio’.
In 1639 spreekt Miraeus3, blz. 57 van zijn Bibliotheca Ecclesiastica,
Pars altera, van den catalogus Carnifex-Bunderius, en voegt daaraan toe: ‘Similis catalogus manuscriptorum librorum per Belgium exstat Lovanii in coenobio S. Martini’.
In 1643 verschijnt het tweede deel van de Bibliotheca Belgica Manuscripta van A. Sanderus*, waarin onder andere opgenomen is de catalogus van Sint-Martensdaal te Leuven, onder den titel: Index codicum mss. adhuc exstantium in bibliotheca Canonicorum regularium S. Augustini in Valle S. Martini. Lovanii, met de dagteekening: 1639. Dezen catalogus was Sanderus verschuldigd aan den toenmaligen bibliothecaris van Sint-Martensdaal, zooals blijkt uit een door hemzelf afgedrukten brief, onderteekend ‘Fr. Petrus à S. Trudone, Can. Regul. S. August. ad. S. Martinum Louanij, Bibliothecarius’, gedateerd: Idibus Junij... M.DC.XXXIX, waarin deze o.a. schrijft: ‘Mitto D.V. Indicem Manuscriptorum Codicum in Bibliotheca nostrâ adhuc exstantium: quem (ut correctior, et emendatior prodiret) iterata, diligentissimaque inspectione, cum singulis Libris contuli: quodque corrigendum aut mutandum existimabam, eo quo eum R.D.V. transmitto, modo, correxi. Titulum quoque, Vitae Sanctorum, mutavi in hunc, Passiones, Vitae, Historiae, seu Legendae Sanctorum, digestis, ordine Alphabetico, singulorum Sanctorum nominibus: ut ita Vitae quorumlibet, quae hinc inde in diversis Codicibus, à materia Historica quandoque maximè discrepantibus, habentur, expeditius reperiri queant’. De door Petrus a S. Trudone aan Sanderus gezonden Index bevat: 1e een lijst van alle aanwezige schrijvers, alphabetisch; 2e Medici; 3e Diversa Diversorum Scripta; 4e Libri Flandrici; 5e Vitae Sanctorum; en in de derde afdeeling: Diversa diversorum scripta wordt o.a. vermeld: Index plurimarum Bibliothecarum Belgii, continens plerosque Manuscriptos Codices1.
Daar komt nu nog bij, dat het oorspronkelijke van den aan Sanderus verstrekten Index codicum mss. adhuc exstantium in bibliotheca... S. Martini Lovanii thans berust onder no 21874 in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, en dat men in dat oorspronkelijke leest, niet: index plurimarum bibliothecarum Belgii, maar Index precipuarum bibliothecarum Belgii enz. gevolgd door een hoofdletter W. Deze letter is de signatuur van het boek in de bibliotheek van Sint-Martensdaal.
In de 17de eeuw werd van deze bibliotheek een nieuwe catalogus opgemaakt, thans hs. II 1164 van onze Koninklijke Bibliotheek, den 23 Aug. 1888 gekocht uit Cheltenham4.
In dezen nieuwen catalogus is de oudere, die der handschriften, bovengenoemd, overgeschreven; daarna komen de gedrukte boeken, beknopt beschreven: alleen maar zeer verkorte titels, zonder adres noch jaartal. Het zou niet moeilijk vallen het jaar waarin deze nieuwe catalogus geschreven werd, wiskundig juist te bepalen, maar dat is de daartoe vereischte moeite en tijd niet waard.
Onder de opgegeven Nederlandsche werken komt ook voor Huygens' Hofwijck. Aangezien dit in 1653 verscheen, is deze catalogus vóór dat jaar niet opgemaakt; dat hij uit de eerste helft der 17de eeuw zou dagteekenen, zooals Dom Mohlberg beweert, is in elk geval onmogelijk; ik zou eer zeggen omstreeks 1660-1670.
De minstens twintig jaar oudere handschriftencatalogus is volkomen nauwkeurig overgeschreven. Het klooster bezat dus ca. 1660 nog al de handschriften, die het in 1639 bezat; ook hier leest men: Index precipuarum bibliothecarum Belgij, continens plerosque manuscriptos codices. W.
In 1761 herhaalt Foppens5 in zijn Bibliotheca Belgica letterlijk wat Miraeus 120 jaar te voren gezegd had.
Dat al deze aanwijzingen op een en denzelfden catalogus van in Belgische kloosters bestaande handschriften slaan, lijdt geen twijfel. Dom Mohlberg maakt het waarschijnlijk, dat nóg een aanwijzing er op slaat. Paquot, Mémoires 12, 53, ao 1768, vermeldt, op gezag van een handschrift van Petrus a S. Trudone, 1o dat Geeraard Roelants, die in 1491 stierf, gemaakt heeft een Catalogus librorum manuscriptorum in diversis
Belgii Bibliothecis exstantium; 2o dat al de geschriften van G. Roelants ‘se conservent en Ms. à S. Martin de Louvain6’.
Aangezien er te Sint-Martensdaal maar één Index precipuarum bibliothecarum Belgii aanwezig was, moet dat dezelfde zijn als de Catalogus librorum manuscriptorum in diversis Belgii bibliothecis exstantium, die Paquot en zijn zegsman, die immers ook de zegsman van Sanderus is, aan G. Roelants toeschrijven.
Dom Mohlberg zegt ten slotte:
‘Was aus dem Index precipuarum bibliothecarum geworden ist, weiss ich nicht. Seine Spur is bis jetzt nirgends zu entdecken.’
Indien het eens anders was?
Laten we nog niet spreken van ‘seine Spur’; maar beginnen met ‘een spoor’, dat aan Dom Mohlberg niet onbekend zou gebleven zijn, dat hem niet onbekend kón gebleven zijn, indien hij er in de verste verte maar eenig besef van had gehad, dat in België de wetenschap nog in een andere taal beoefend wordt dan in het Belgisch - verschooning, dan in het Fransch.
Van den catalogus die in 't Sint-Martensklooster te Leuven bestond, wordt namelijk ook melding gemaakt in een tamelijk uitvoerige aanteekening, geschreven binnen op het vóórberd van het Hadewijchhandschrift C, dat is hs. 941 der Gentsche Bibliotheek. Die aanteekening is reeds driemaal gebruikt en gedrukt, t.w. door Ruelens, Vercoullie en J. Van Mierlo Jr. S.J. Ruelens heeft eene studie geschreven, waarschijnlijk in 18881, die pas in 1905 in 't licht is verschenen in: ‘Werken van Zuster Hadewijch. III. Inleiding, varianten, errata door J. Vercoullie... Gent, 1905’. Die studie, getiteld: Jan van Ruysbroeck en Blommardinne, beslaat blz. xxi-xcvi van genoemd 3e deel; daarin citeert en bespreekt Ruelens de aanteekening die ik op 't oog heb, t.w. blz. li en volgende; Vercoullie citeert ze ook, blz. vi, bij 't beschrijven van 't hs. Sedert heeft Pater J. Van Mierlo Jr. S.J. het eerste en het laatste gedeelte van die aanteekening gedrukt en besproken op verschillende plaatsen van zijn studie: Was Hadewych de ketterin Blomardinne? verschenen in Dietsche
Warande en Belfort, 1908, dl. 2, blzz. 267-2861. Nog afgezien van enkele fouten en foutjes die bij Ruelens en Vercoullie in den tekst geslopen zijn, is geen van deze drie geleerden nauwkeurig, in dezen zin:
1e dat alle drie de aanteekening beschouwen als geheel uit één hand geschreven, wat niet het geval is;
2e dat, zeker voor een deel ten gevolge daarvan, Ruelens en Van Mierlo, elk op zijne wijze, zich vergissen in de chronologie van de aanteekening, respective van haar onderdeelen; terwijl Vercoullie daarover geheel en al zwijgt, doordien hij - als ik hem althans goed versta - zich daarvoor verlaat op Ruelens;
3e dat alle drie minder juist, althans minder duidelijk en allesbehalve ondubbelzinnig, aangeven waar die aanteekening te lezen staat: volgens Ruelens staat ze ‘op het eerste blad’ -, volgens Vercoullie ‘op de binnenzijde van het eerste zijblad’ -, volgens Van Mierlo ‘op het eerste zijblad’ van het handschrift. Van Mierlo heeft blijkbaar de terminologie van Vercoullie overgenomen, welke terminologie echter alleen verstaanbaar is als men weet dat Prof. Vercoullie hier zijblad bezigt in den - bij dat woord zeer zeker ongewonen - zin van: plank, bord, ‘berd’ van een ouden boekband;
4e dat alle drie de oude signatuur, die herhaaldelijk in het handschrift voorkomt, als een integreerend deel van meergemelde aanteekening beschouwen en ze daarenboven verkeerd uitleggen: volgens Ruelens (bij Vercoullie, blz. li, noot), is die signatuur ‘het merkteeken der Boekerij van het huis der Jezuïeten te Antwerpen’; evenzoo volgens Vercoullie (blz. vi, tweede noot en blz. xvii2); Van Mierlo, daarentegen, wil daarvan niet hooren: ‘Ik zie niet waarop men gewoonlijk steunt om dit handschrift C in 't bezit van de Jezuieten te stellen. Het opgeplakte gedrukte boekmerk MS is toch niet, voor zoover ik weet, eigen aan het Antwerpsche Huis dier Paters’ (blz. 19, 1e noot). Deze vrij besliste ontkenning is wat vreemd, daar Pater Van Mierlo zelf daarvóór, (blz. 3, derde noot) reeds geschreven had: ‘de geheele aanteekening met de inhoudsopgave is misschien van den bibliothecaris der Jezuiëten te Antwerpen’.
Het Gentsche Hadewijch-handschrift is geschreven op perkament, naar het mij, na herhaald onderzoek, toeschijnt, omstreeks de jaren 1340-
1350; áls het ouder is, kan het in géén geval veel zijn. De codex is nog voorzien van zijn oorspronkelijken band: eikenhouten borden met (naar middeleeuwsche opvatting) purperen kalfsleer overtrokken. Op elk plat staat, viermaal herhaald, een zeer fraaie rechthoekige stempel, waarover we nu echter niet verder zullen uitweiden. De binnenzijde van beide eikenhouten borden - de ‘eiken berden’, zooals onze oude binders ze noemden -, zijn beplakt met perkament, zoodat binnen in den band, voor- en achteraan, iets kon geschreven worden. Dat is hier dan ook gebeurd. Binnen op het vóórberd (strict genomen dus: op het perkament dat op de binnenzijde van het vóórberd geplakt is) heeft een bezitter, waarschijnlijker een librarius, omstreeks 1470-14801, met een zware hand, en met zeer zwarten inkt, geschreven, op 55 mm. van den bovenrand:
Die visioenen van heilwijck
Omstreeks het midden van de 16de eeuw op zijn vroegst, maar waarschijnlijker wat later, laat ons zeggen, uiterlijk ao 1560-1580, heeft een andere bezitter, die inhoudsopgave aangevuld door er onder te schrijven:
| Brieuen | pag. 19. |
| Rijme | 4[9] |
(waar de 9 stond, is nu een gat in 't perkament).
Het hs. kwam op een niet nader te bepalen tijdstip in de Bibliotheek der Bollandisten2 te Antwerpen: in den rechterbovenhoek binnen in 't zelfde vóórberd staat nl. dezer welbekend3 bibliotheeksmerk (een kruis, gevolgd door de afkorting ms. met het nummer van den codex) een eerste maal uit de hand geschreven: ‘† ms. 91’4; een tweede maal, t.w. vlak daaronder, op een papieren etiketje, 45 X 41 mm., waarop
gedrukt is: ‘† Ms.’ en daaronder uit de hand geschreven: ‘91’ met zeer groote cijfers: 12-13 mm. hoog.
Het lijkt me vooralsnog niet mogelijk te determineeren, of de woorden
| Brieuen | pag. 19 |
| Rijme | 4[9] |
geschreven zijn door dezelfde hand als ‘† ms. 91’.
In het begin van de 17de eeuw op zijn vroegst, veeleer omstreeks 1640 (zeer moeilijk te beslissen!), komt nu een derde man, die doet het volgende:
1e Vóór de alleroudste inhoudsopgave (‘Die visioenen van heilwijck’) schrijft hij het cijfer: ‘XIV.’ en onder die inhoudsopgave zet hij:
De Vol-maeckte ghelyck Seraphinnen.
welke woorden ontleend zijn aan een kapittelopschrift in den tekst, bl. 20d-21a: Dit sijn die volma-// ecte ghecleedt ghelijc minnen. Die hadewich sach elc met sinen seraphinnen1.
2e Vóór ‘Brieuen’ zet hij: ‘XXXI.’.
3e Vóór ‘Rijme’ zet hij ‘XLV.’ en onder ‘Rijme’:
Twee-vormich tractaetken.2
Het tweede Ryme.
4e Wat lager, ongeveer in 't midden van 't berd, schrijft hij:
De B. Hadewige de Antverpia.
Elogium.
‘Gelyckerwys dat een overheylech wyf, die hiet Hadewych, sprac ende sprect in haerre edele godleke leringe. F. Joan. de Leevws ab Affligem. Ord. C. Regul. S. Aug. dictus Bonus Cocus: to. 1. l. 8. de 5plici confratern. c. 24. pag. 471. qui obijt 1377: primus cocus Viridisuallis. Idem to. 2. 1. 2. de 7. signis Zodiaci, c. 27. pag. 60.’
Dat is een stuk van een passage uit de werken van den goeden kok, die door Ruelens en Prof. Vercoullie behoorlijk terecht is gebracht: zie zijn dl. III, p. vi vlg. noot 3 en blz. liv.
5e Als dat alles al geschreven is, wil hij er nóg wat bijvoegen. Ofschoon de geheele onderste helft van 't perkament, dat op 't berd is geplakt, nog ruimte biedt, schrijft de man niet onder -, maar boven 't reeds door hem geschrevene, en naast de bovenvermelde inhoudsopgaven, nóg een aanteekening, die hij wil laten slaan op de Antverpia uit ‘De B. Hadewige de Antverpia’. Met dat doel zet hij tusschen deze beide laatste woorden een starretje; hij zet er nóg een op dezelfde hoogte als - en ongeveer op éen centimeter afstand naast ‘Twee-vormich tractaetken’ en schrijft nu het volgende, het eene starretje aan het andere met een streep verbindende:

* sic cognominatur in Catalogo msstor. variar. Biblioth. Belgij, scripto circa an. 1487. formâ oblongâ: qui seruatur apud Martiniens: Lovanij. qui que testatur eius Visiones etiam Latine et Eplas. Prouerbia (quae hîc desunt) Rythmos et easd. Visiones linguâ Brabanto-Belgicâ exstare in Carthusiâ Zelemensi prope Diestemium.
de *Antverpia.
Wie de schrijver is van deze aanteekening, weet ik voorloopig niet te zeggen. Ruelens beweert: ‘De annotatie: sic cognominatur, enz. is zeer waarschijnlijk opgesteld door den geleerden Heribertus Rosweydus’1; maar dat is niet wel mogelijk, zooals uit een vergelijking met het schrift van Rosweyde7 op het eerste gezicht al blijkt2. Het is ook niet de hand van Molanus, noch die van Miraeus, wier schrift ik nog eens nauwkeurig heb vergeleken; evenmin van Papebrochius8 of Henschenius3. Wie ze ook moge geschreven hebben, ze bevat, voorwaar, belangrijke mededeelingen, belangrijk in meer dan één opzicht.
De kwestie en beteekenis der drie verschillende handen laat ik voorloopig rusten, en beperk mij tot het allerlaatste bijvoegsel van de derde
hand. Wat leeren wij er uit? Dat de H. Hadewijch bijgenaamd was de Antverpia in een catalogus, waarover wij vernemen:
1e dat hij was een catalogus manuscriptorum variarum Bibliothecarum Belgij. Ook Molanus gebruikt dien titel, op de bepaling Belgii na;
2e dat hij geschreven was circa an. 1487. - Van den catalogus waarvan hij gebruik had gemaakt zegt Molanus: ante annos octoginta aut circiter conscriptus. Molanus schrijft in 1568; 80 jaar daarvan afgetrokken, blijft 1488, d.w.z. éen jaar minder dan in onze aanteekening wordt opgegeven. Er zal dus blijkbaar in den bewusten catalogus wel een aanwijzing te vinden geweest zijn, waaruit twee verschillende lezers hetzelfde gevolg hebben getrokken, wat een waarborg is voor de juistheid er van;
3e dat de catalogus was: formâ oblongâ, een onschatbare aanwijzing bij een mogelijke identificatie, tevens bewijzende dat de schrijver der aanteekening den catalogus met eigen oogen gezien heeft, waarborg voor zijn betrouwbaarheid;
4e dat de catalogus servatur apud Martinienses Lovanii. Molanus zegt alleen Lovanii asservatur. De aanteekening stelt opnieuw boven allen twijfel, dat de door Molanus gebruikte catalogus identisch is met dien vermeld door Modius en Miraeus;
5e dat die catalogus testatur eius Visiones etiam Latine et Epistolas Proverbia (quae hîc desunt) Rythmos et easdem visiones linguâ Brabanto-Belgicâ exstare in Carthusiâ Zelemensi prope Diestemium.
Dat is, zoover mij bekend, de eenige vermelding van 't bestaan van een Nederlandsch handschrift in het Karthuizerklooster te Zeelhem, die bestaat, althans bewaard gebleven is. Die mededeeling is daarenboven zoo uitvoerig, dat ze, samen met de opgave van het formaat - forma oblonga - een uitmuntend hulpmiddel zal blijken ter identificatie. Mocht ooit een catalogus van de handschriften in ‘Belgische’ kloosters uit de 15de eeuw, waarin vermeld staat dat Hadewijch's visioenen in het Latijn en haar Brieven, Spreuken, ‘Rime’ en óók nog haar Visioenen in het Dietsch te Zeelhem aanwezig zijn, aan het licht komen, dan zou de oudste catalogus van de handschriften der gezamenlijke Nederlandsche kloosterlibrijen uit de middeleeuwen teruggevonden zijn.
Ziedaar dus wel een belangrijk spoor van den Index precipuarum bibliothecarum die in 1639 bij de reguliere kanunniken te Leuven aanwezig was.
Wil dat alles nu zeggen, dat ook naar het oordeel van den bewerker der Bibliotheca Neerlandica Manuscripta ‘Seine Spur bis jetzt nirgends zu entdecken’ is? Neen, want ik ken een dergelijken catalogus, ten behoeve
van het Rooklooster in 1532 gemaakt door frater Nycholaus Winge, librarius in sancti Martini Cenobio, thans berustende in de keizerlijke Familien-Fideikommiss-Bibliotheek te Weenen, welke catalogus ‘ex multis libris illustrium virorum collectum est videlicet Jheronimi, Ysidori, Gennadii, Johannis Trithemii et aliorum et principaliter ex registro monasterii sancti martini in lovanio’.
Nycholaus Winge heeft dus bij het maken van zijn catalogus gebruik gemaakt van een register monasterii sancti martini in lovanio. Wat voor een register kan dat geweest zijn? Daarmede kán bedoeld zijn niets meer dan een register van de handschriften die Sint-Martensdaal omstreeks 1532 bezat, maar dat is weinig waarschijnlijk: er zou dan geen reden geweest zijn om het te noemen naast Isodorus, Jheronymus, Trithemius9, alle universeele catalogi. Er kan óók mee bedoeld zijn, en dat is heel wat waarschijnlijker, juist vanwege het noemen naast Isidorus, Jheronymus, Trithemius, een register, te Sint-Martensdaal berustende, vermeldende de handschriften aanwezig én daar ter plaatse én in andere kloosterbibliotheken der Nederlanden, en dan kan dát register identisch zijn met den catalogus, die door den steller van de aanteekening in het Gentsche Hadewijch-handschrift, door Molanus enz. genoemd wordt Catalogus manuscriptorum variarum bibliothecarum Belgij uit het jaar 1487; dan zou, ten slotte, die catalogus uit het jaar 1487 overgegaan zijn in dien uit 1532; hij zou dus nog bestaan, alleen (misschien!) niet meer forma oblonga; wij zouden hem nog hebben, zoo niet naar den vorm, dan toch naar den inhoud.
Zou iets natuurlijker zijn? Ligt het niet voor de hand dat een librarius in Sancti Martini Cenobio, die in 1532 een catalogus opmaakt van de handschriften die in de Nederlandsche kloosters aanwezig zijn, daarbij gebruik maakt van een dergelijken catalogus uit vroeger tijd, die in zijn eigen librije bewaard wordt? Het tegenovergestelde zou ónnatuurlijk zijn. Het is dan ook zoo! Want wat leest men in dien catalogus van Nycholaus Winge? Onder andere dit:
| Visiones eius | Z. |
| Epistole proverbia rithmata eius in theutonico | Z. |
Dat wil zeggen: men leest er in, wat de aanteekening in het Gentsche Hadewijch-hs. zegt te staan in den Catalogus manuscriptorum variarum Bibliothecarum Belgii circa annum 1487 scriptus! En Z kan niets anders zijn dan de afkorting van Zeelhem.
Als die ééne post uit dien catalogus door Nycholaus Winge overgenomen is, dan zal dat wel met alle andere het geval zijn. We hebben dus niet alleen één spoor van dien catalogus, we hebben zijn spoor weergevonden. Hij bestaat nog.
Meer kan ik er echter voor het oogenblik niet over zeggen.
De gevolgtrekkingen die ik hier heb medegedeeld, en waartoe ik reeds meer dan vijftien jaren geleden gekomen ben, steunen namelijk niet op eigen onderzoekingen, maar op enkele excerpten uit dien catalogus van Nycholaus Winge, die in 1897 te Weenen gemaakt en onmiddellijk daarna te mijner beschikking werden gesteld door mijn vriend Dr. C.G.N. de Vooys. Toen ik, juist tien jaar later, zelf op de Keizerlijke Fidei-Kommissbibliotheek kon gaan werken, heb ik het geluk niet gehad, dat handschrift op mijn beurt te mogen onderzoeken: toen ik er aan toe was, ontbrak het in de reeks, die dien morgen op mijn werktafel stond, en kreeg ik, op mijn vraag waar het bleef, tot antwoord: dat het dien eigen morgen - d.w.z. nog vóór 9 uur - vanwege de Keizerlijke Hofbibliotheek was ‘abgeholt’. Mijn bescheiden opmerking, dat ik, strict genomen, toch eerste rechthebbende was, aangezien ik het handschrift reeds vóór dien dag ter inzage had gevraagd; noch mijn verzekering, dat het allerminst mijn bedoeling was, iets meer te doen dan het handschrift behoorlijk te beschrijven, zoodat anderer plannen in geen geval door mij zouden gedwarsboomd worden; het een noch het andere mocht iets baten10.
Zóó onttrekt men aan het onderzoek van een ‘Belgisch’ geleerde handschriften, die wederrechtelijk uit ‘Belgische’ kloosters zijn weggevoerd.