Nog niet eens 19 hoofdstukken van de 37 van een vertaling van het Soliloquium, in 1890 uitgegeven door Moltzer in de Bibliotheek van Middelnederlandsche Letterkunde, 44ste aflevering, blz. 41-70, met de uitdrukkelijke verzekering, dat hem ‘geen andere mnl. vertolking bekend (was)’; een vertaling van den Regel, met een 6-tal bladzijden van de ‘expositie’ van Hugo de Sancto Victore, door schrijver dezes uitgegeven in Het Belfort, 9de jaarg. (Gent, 1894), 2de halfjaar; een paar auctoritates in de Dietsce Rime van K. de Gheldere (Brugge, 1896); ten slotte: een uitgave van Die bedudinghe na den sinne van Sunte Augustijns Regule, door Karel de Flou (Gent, 1901); - ziedaar alles wat de Nederlandsche philologie aan vertalingen van Sint Augustinus' werken aan haar beoefenaren te bieden heeft. Wel heeft een hunner nu reeds een kwart eeuws geleden getracht te betoogen, dat de Middelnederlandsche vertalingen der Roomsch-Katholieke kerkvaders, talrijk en verspreid als ze geweest zijn, op geest en gemoed van het Dietsche Volk grooten invloed hebben gehad en dus in de geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde ten onrechte stilzwijgend worden voorbijgegaan1; - verder dan tot het bloote vermelden van de bovenbedoelde vertaling van het Soliloquium heeft de Nederlandsche litteratuurgeschiedenis het nog niet gebracht1.
Het zal dus wel geen overdadige weelde zijn, in dit boek, dat zeker niet alleen een herdenking, maar ook een opwekking bedoelt te zijn, een overzicht te geven van wat van S. Augustinus' werken in het Middelnederlandsch bestaan heeft. Zoowel uit noodzakelijkheid des gebods
als uit noodzakelijkheid des middels, tijd en ruimte beide evenzeer beperkt zijnde, moeten we ons daarbij bepalen tot een dorre opgave van de bestaande handschriften, de plaats waar ze bewaard worden en den tijd waarop ze geschreven werden; maar dat zal toch niet te weinig zijn om de beteekenis van den grootsten aller kerkvaders voor het Nederlandsch lezend publiek van de 14e tot en met de 16e eeuw, met een groote mate van zekerheid te schatten.
In hoeverre de op naam van St. Augustinus gaande en staande geschriften tot zijn authentieke werken of tot de zoogenaamde spuria behooren, blijft hier natuurlijk buiten beschouwing: non est locus; dergelijke twijfelstukken bestonden daarenboven voor den Dietschen lezer niet.
In de onderstaande lijsten worden nu in de eerste plaats genoemd de handschriften uit vroeger eeuwen, die vertalingen van St. Augustinus bevatten, telkens in de alfabetische volgorde der steden en plaatsen, waar de openbare of particuliere verzamelingen waartoe ze behooren, gevestigd zijn. Daarop volgt onmiddellijk het nummer, respective de signatuur van het handschrift1; waar een dezer beide ontbreekt, is dat een aanwijzing dat ter vermelde plaatse slechts één handschrift aanwezig is. Op een enkele uitzondering na, worden daarna de bladen, respective de bladzijden, opgegeven, welke de betrokken tekst beslaat; ten slotte volgt nog de dateering; - waar het circa dit of dat jaar heet, beteekent dat een speling van ten hoogste een 10-tal jaren bij het genoemde jaartal: 5 jaren er vóór en 5 jaren er nà. Bijwijze van toegiftje is hier nog bijgevoegd een lijst der handschriften, waarin het leven van St. Augustinus en zijn H. Moeder Monica of episodes daaruit, voorkomen, en ten slotte een kleine bijdrage tot de iconografie van den Heilige.
| 1. | Hier beghint dat boeck der ynnigher bedinghe des bisscops augustinus tot profijt ende orbaer des scou[wen]den levens.
Rotterdam, Gemeentebibl. Z 175, bl. 1a-46a. - Einde 15de eeuw (de dateering ‘1482’ op bl. 162a is apocrief). Een ander hs. op perkament is in 't bezit geweest van S. Emtinck: zie den auctiecatalogus zijner bibliotheek, 1753, blz. 172, hs. octavo 48. Reeds als incunabel gedrukt ‘Buten Scoenhoven in den Hem’, 1500, Oct. 24 (zie Campbell 208; Gesamtkatalog der Wiegendrucke 3, 2976). |
||||||
| 2. | Belijdenissen. - Sunte Augustinus inden boeke sijnre biecht een exempel... Het waeren twee ionghe rijdders die mitten keyser reden....
Amsterdam, Univ. Bibl. I G 47 (n.c. 564), bl. 6a-17b. - Einde 15de eeuw. 's-Gravenhage, Kon. Bibl. 71 H 24 (n.c. 705), bl. 156b. - ca. 1480. |
||||||
| 3. | Sunte Augustinus van bewaringe der kuyscheit.
Hs. Utrecht, Univ. Bibl. 3 L 6, bl. Clv b-Clvi d. - ao 1445. |
||||||
| 4. | Dit is vander mynliker passien ons heren Jhesu Cristi een devote ynnighe dancbaerheit welke die waerdighe Augustinus bescrivet.
Rotterdam, Coll. Willem de Vreese 1, bl. 105b-107b. - ca. 1500. |
||||||
| 5. | Dicta en andere korte uittreksels.
Bij deze lijst van dicta worden, gemakshalve, enkele korte uittreksels gevoegd, die niet het uitgesproken karakter van auctoritates hebben; ze bevat, daarenboven, slechts een klein getal van het groote aantal die bestaan: niet alle verzamelingen konden voor deze gelegenheid opzettelijk worden doorzocht - bij de rapiaria kon daarvan zelfs heelemaal geen sprake zijn -, en vele zijn niet dadelijk herkenbaar, daar ze den aanhef Augustinus seit missen òf deze vervangen is door een leerre seit of iets dergelijks. In hoeverre dèze (en in 't algemeen dé) dicta aan een reeds bestaande vertaling van een bepaald werk ontleend, of wel opzettelijk, om hun zelfs wil, vertaald zijn (hetzij dan naar het oorspronkelijke werk van S. Augustinus, hetzij naar Latijnsche dicta), is vooralsnog niet uit te maken.
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 6. | Die epistole van S. Augustinus aen S. Cyrillus vander groetheit des heilighen Jheronimi (= Epistola ad Cyrillum Jerosolymitanum episcopum, de magnificis admirandisque sancti Hieronymi virtutibus [P L 33, 1120]). - |
Haast in alle handschriften gaat deze brief aan Cyrillus vergezeld van diens antwoord aan S. Augustinus en van den brief van Eusebius aan Damasus en Theodosius.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 7. | Een epistel de sinte Augustinus screef an enen greve daer hij hem in radet als sijnen lieven vrient te peynsen om die weldaden gods.
Velp, Bibl. PP. Capucijnen 3, bl. 150b-151b. - ca. 1500. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 8. | Gebeden. - Tot een juist begrip van de mindere of meerdere volledigheid der volgende opgaven is het noodig te weten, dat van de ruim 2500 getijden- en gebedenboeken, die voor de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta behandeld zijn, slechts uit een goede paar honderd alle gebeden zonder onderscheid werden geindiceerd.
|
|
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 9. | S. Augustinus gedachten.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 10. | S. Augustinus hantboec (= Manuale, PL 40, 951). - Verg., ter aanvulling, Willem de Vreese, De Handschriften van Jan van Ruusbroec's werken, bl. 527, noot 4.
|
|
|||||||||||||||||||||||||
| 11. | Tractaat over de zeven hoofdzonden. Incipit: Augustinus sprect dat hoverde is begeerte verkeerder hoecheit...
Weenen, Nationalbibl. 311-146, olim Fideikommissbibl. 7957, bl. 52a-57b. - ca. 1410. |
||||||||||||||||||||||||
| 12. | Boec vander joncfrouscap (of: vander reinicheit). Vertaling van de virginitate (PL 40, 395).
|
||||||||||||||||||||||||
| 13. | Contemplacie vander passien ons Heren Jhesu Cristi.
|
|
|||||
| 14. | Die leeder des paradijs dat sunte Austijn ghemaect heeft. Vertaling van de Scala paradisi (PL 40, 998).
olim Leuven, Univ. Bibl. 180, bl. 84a vlgg. - ao 1530. |
||||
| 15. | Vander kerstenliker lere of vanden kerstenliken leven = de vita christiana (P L 40, 1044).
|
||||
| 16. | S. Augustinus meditatien = Liber meditationum, PL 40, 901 vlgg. Het 40ste hoofdstuk was als afzonderlijk gebed zeer verspreid: zie boven 8, C.
|
| 17. | Van der groter mynnen gods ende hoe god te mynnen is bescrivet die eerwaerdige Augustijn.
|
||||
| 18. | Een groot myrakel dat St. Augustinus vertellende van S. Steven, den heiligen Martelaar.
Brussel, Kon. Bibl. 19408-'9 (n.c. 5, 3389), bl. 77b-78b. Ontleend aan de miraculis SS. protomartyris S. Stephani libri duo (PL 41, 833). - 15de eeuw. |
||||
| 19. | Sinte Augustijns oeffenisse onder die misse, seer devoet.
's-Gravenhage, Kon. Bibl. 133 F 20 (n.c. 337a), bl. 107a-112b. - ca. 1450. |
||||
| 20. | Vander oetmoedicheit ons heren ihesu cristi ende bescriuet die mynlike leerre augustinus.
Rotterdam, Coll. Willem de Vreese 1, bl. 114a-116b. - ca. 1500. |
||||
| 21. | S. Augustinus overpeinsinge vander passien ons heren jhesu cristi.
|
||||
| 22. | Vanden quade des achterclappes Augustinus.
|
||||
| 23. | Sinte Austijn vraghede onsen here ene questie.
Brugge, Bibl. bisschopp. Seminarie, hs. 72/175, bl. 40a-b. - ca. 1470. Uitgegeven in de Dietsce Rime door K. de Gheldere (Brugge, 1896), bl.45. |
||||
| 24. | S. Augustijns Regule = Regula ad servos Dei (PL 32, 1377 en 1449). - In de meeste handschriften gaat de Regel vergezeld van den commentaar van Hugo de Sancto Victore (metter glose, bedudinghe, bediedenesse, expositie, utdelinghe), hetzij beide stukken, elk in zijn geheel, aan elkander voorafgaan, hetzij elk artikel van den regel, bijwijze van ‘tekst’, en dan ook door grooter en zwaarder schrift onderscheiden, onmiddellijk door den commentaar op dat artikel wordt gevolgd. Sommige handschriften geven het een én het andere. Statuten, die op den Regel gebaseerd zijn, en waarin deze minder of meer woordelijk verwerkt is, blijven hier buiten beschouwing. Kort uittreksel zie onder Dicta. |
|
|
|
|||||||||||||||||||
| 25. | Sente augustijns waerde vanden scouwene ons heren ihesus christus, ofte vanden waerde gods dat men den gods sone heeten mach (uit het Hantboec?).
Parijs, Bibl. Nat. ms. néerl. 32, bl. 79a-100a. - 15de eeuw. |
||||||||||||||||||
| 26. | Uth deme boke van der samwitticheyt dat sunte Augustinus ghemaket hefft.
's-Gravenhage, Kon. Bibl. 73 E 23 (n.c. 644), bl. IIIa-Vc. - ca. 1460. Sterk Middelnederduitsch gekleurd. |
||||||||||||||||||
| 27. | Sermoenen. - Een Middelnederlandsche vertaling van de verzamelde sermoenen en homelieën van S. Augustinus (P L 38, 39, 40) is nog niet gevonden, en zal ook wel niet bestaan. In het grootste aantal tegelijk komen ze voor in sommige homiliaria de tempore en de sanctis, alsook in een verzameling die gewoonlijk betiteld is sermoenen of homilien der heilighen vaders. De sermoenen vander gehoersamheit, vander kercwijngen, die tot sinen broeders inder woestinen komen herhaaldelijk afzonderlijk voor, en worden daarom hier afzonderlijk behandeld. Aangezien honderden Middelnederlandsche sermoenen en ‘sermoenboeken’ bestaan, zijn er van deze drie waarschijnlijk meer handschriften, dan hier vermeld wordt. Ten slotte volgen de codices, die elk één sermoen van S. Augustinus bevatten.
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||
| 28. | Een jongher vraghede sinte augustijn vader wat is een ziele... Naar het eerste der hier genoemde handschriften uitgegeven bij K. de Gheldere, Dietsce Rime (Brugge, 1896), blz. 47-48.
|
||||||||||||||||||||||||||||
| 29. | Souter. - Sint Augustinus psalter, gewoonlijk voorafgegaan door een proloog vanden love der psalmen, die tweeërlei is: A. Die sanc der psalmen heilicht dat lichame enz., uitgegeven bij Lelong, Boek-zaal der Nederduitsche Bijbels, 2de uitg. (1764), blz. 264-267, en bij Ebbinge Wubben, |
Middelnederlandsche vertalingen, van het Oude Testament (Den Haag, 1903), blz. 161-163. Volgens hs. Haarlem, Bisschopp. Mus. 104. (nr. 12 hieronder) zou deze lof ontleend zijn aan dat boec vanden gheest ende vander sielen van S. Augustinus; edoch, zooals ook Pater Bonaventura Kruitwagen in zijn Catalogus van de handschriften en boeken van dat Museum, blz. 91, reeds heeft medegedeeld, is in het werk de spiritu et anima ‘niets van dien aard te vinden’. - B. O heer almachtige god coninck der ewiger uren is de vertaling van het stuk dat te vinden is P L 40, 1135 en steeds vóór de incunabels staat. Zie verder Kruitwagen en Ebbinge Wubben t.a.p.
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||
| 30. | Dat boec vander enigher (var. eenliker) sprake sente Augustijns. Vertaling van den Soliloquiorum animae ad deum liber unus (PL 40, 863). Verg. Willem de Vreese, De Handschriften van Jan van Ruusbroec's werken, bl. 307, noot 1 en bl. 489, noot 3.
|
|
|||||||
| 31. | Dat boec van der stat ons heeren = de Civitate Dei (PL 41, 13.)
|
||||||
| 32. | S. Augustinus suchtinge.
|
||||||
| 33. | Vander sueticheit gods.
Rotterdam, Coll. Willem de Vreese 1, bl. 109a-113a. - ca. 1500. |
||||||
| 34. | Sunte augustinus van drien tabernakelen.
|
||||||
| 35. | Sinte Augustijns vermanen tot synder moeder vanden pryse de caritaten godlikere ende bruederliker minne.
Brussel, Kon. Bibl. 2813 (n.c. 2, 1169), bl. 166a-185a. - ao 1512. |
||||||
| 36. | Een vertroestinghe voer een cleynmoedich mensche die de doot te seer vreest getogen wt sinte Augustinus scriften.
Haarlem, Bibl. Bisschopp. Museum 98, bl. 97a-101a. - Einde 15de eeuw. |
||||||
| 37. | Hondert versen van onser liever vrouwen.
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
| 38. | Dit is die leringe der waerheit van sente augustijn. Gent, Univ. bibl. 1353, bl. 86b vlgg. - ao 1394, half mey. | ||||||||||||||||||||||||||||||||
| 39. | Het boec van den heyligen Augustinus van de gratie ende vrien wille = de libero arbitrio (PL 44, 88).
Brussel, Kon. Bibl. 4515-'17 (n.c. 3, 2463). bl. 46a-100a. - 17de eeuw. |
||||||||||||||||||||||||||||||||
| 40. | Levensbeschrijvingen, overvoering, translatie, mirakelen, exempelen, ‘insettinghe der heremyten’ van Sint Augustinus, sermoenen tot zijn gedachtenis en verheerlijking.
|
| 41. | Leven van de H. Monica. Zie de Bibliotheca hagiographica latina, nr. 6000.
|
||||||||||||||||
| 42. | Bijdrage tot de iconographie van S. Augustinus.
In de hieronder genoemde handschriften komen miniaturen, penteekeningen, houtsneden enz. voor, die S. Augustinus voorstellen, hetzij met staf en boek, hetzij met staf en meestal vlammend, al of niet met een pijl doorboord, hart als attributen: de meest gewone voorstelling in Noord-Europa. Eénmaal (zie nr. 10), een andere, in de miniaturen zeer zelden voorkomende voorstelling.
|
|
|
Op den band van hs. Brussel, Kon. Bibl. 275 (n.c. 3, 1581), herkomstig uit en tegen het eind der 15de eeuw gebonden in de abdij van Korsendonk, staat een stempel met den naam augustin9; en op dien van hs. Antwerpen, Plantijnsch Museum 68, een Ovidius, staan onder- en bovenaan drie rechthoekige stempels: augustin9 maria agnes, wat onwillekeurig aan de reguliere kanunniken op den Agnietenberg doet denken.
Het Plantijnsch Museum bezit een missale uit het jaar 1721, gebonden in rood fluweel met zilveren beslag en sloten. Op het middenstuk van het voorplat: S. Barbara en S. Augustinus, gegraveerd door Hendrik Verbert.
ca. 1350: 27, 42.
ca. 1360: 5, 15.
1394, half mei: 38.
einde 14de eeuw: 24, 32 (na 1374).
Begin 15de eeuw: 9, 1; 10, 8; 24, 13; 1409: 24, 2; vóór 1410: 5, 65; 1410: 5, 54; 8, K, 6; ca. 1410: 12.
Eerste helft 15de eeuw: 8, C, 2; F, 3; 15, 2; 1422: 24, 25; ca. 1425: 22, 1; 27, 38; 34, 1; 1427: 29, 8.
1428: 6, 13; 1430: 5, 6; 45; ca. 1430: 28, 1; 1435: 5, 58; 24, 24; ca. 1440: 6, 15; 8 K 3; 27, 4; 28; 1443: 6, 12; 1445: 3; 5, 56; 9, 2; 22, 2;
27, 40; 27, 41; 34, 2; 1450: 5, 57; 24, 33.
ca. 1450: 8 L 4; L 10; 12, 1; 19; 29, 7; 9; 10; 20;
1457: 24, 23; 1459: 27, 29; 1460: 6, 9;
midden 15de eeuw: 24, 17; 30, 4.
Tweede helft 15de eeuw: 5, 47; 8 C, 3; L, 11; 27<