terug  begin  verderprepost
[p. 116]

De verstrooiing onzer handschriften en oude boeken over den aardbodem (1931)

Wie iets meer dan ‘matige belangstelling’ voor onze middeleeuwsche letteren gevoelt, leert al spoedig, hetzij uit de inleidingen der moderne tekstuitgaven, hetzij uit de geleerde noten en mededeelingen van Jonckbloet, Jan te Winkel of Jan ten Brink, hetzij uit Petit's Bibliographie der Middelnederlandsche Taal- en Letterkunde, of uit Mone's Übersicht der niederländischen Volks-Literatur älterer Zeit, die geheel onverdiend op den achtergrond is geraakt; of zelfs uit Hoffmann von Fallersleben's Übersicht der mittelniederländischen Dichtung, die haar dergelijk lot beter heeft verdiend, naar welke handschriften, incunabels en postincunabels onze ‘Middelnederlandsche’ geschriften, gedichten èn prozawerken, zijn uitgegeven1.

De namen van de meest bekende steden, bibliotheken en archieven der Nederlanden - Noord èn Zuid - komen daarbij telkens en vaak genoeg onder onze oogen: Brussel, Den Haag, Leiden, Amsterdam, Gent, Utrecht, Groningen, Luik; verder, ongeveer in de orde van hun wederzijdsch belang: Brugge, Leuven, Leeuwarden, Middelburg, Maastricht, Antwerpen, Assen, Deventer, Oudenaarde, Haarlem, Dordrecht, Breda, Hoeven; Doornik, Bergen en Namen in 't Walenland; tot zelfs Sluis, St.-Anna-ter-Muiden en Arnemuiden toe, en zelfs nóg kleinere dorpjes als b.v. Geervliet, waar een exemplaar van de Rechten van Putten en Geervliet berust, genaaid in een omslag, dat naderhand een fragment van den Spiegel der Sonden bleek te zijn; Reckheim, waar de Minderbroeders het éénig bekende handschrift van Dirc Potter's Bloeme der Doghede bezitten; Aardenburg, welks archief verschillende fragmenten bewaart.

Maar daarbij blijft het niet. Ook een aantal buitenlandsche bibliotheken

[p. 117]

blijken in 't bezit van gewichtige documenten onzer Middelnederlandsche taal en letteren te zijn, b.v.:

Atrecht: Karel ende Elegast; Borchgrave van Couchy.

Berlijn: Maerlants Natueren Bloeme; Seghelijn; Parthonopeus: de voornaamste fragmenten van Valentijn en Nameloos; twee liederboeken; Pyramus en Thisbe; het volksboek van Carel ende Elegast, nog een groot getal fragmenten en Ruusbroec-hss.

Bern: het zoogenaamd Glossarium Bernense, het oudste glossarium, en meteen een der oudste Nederlandsche handschriften die we nog bezitten.

Burg-Steinfurt: het handschrift van Maerlant's Merlijn, dat niet uit het jaar 1326, maar uit de eerste jaren der 15de eeuw dagteekent.

Slot Dyck bei Neuss: Reinaert-hs. F.

Giessen: Naturen Bloeme; fragmenten der Lorreinen.

Gotha: Psalmvertaling.

Göttingen: fragmenten van dboec vanden Houte, van den Lekenspiegel; handschrift van Jan Mandeville.

Hamburg: Melibeus; Sydrac; Naturen Bloeme; Scaecspel.

Heidelberg: de Martijns; gedicht van O.H. Passie.

Karlsruhe: Lijden ende passie ons Heren.

Kopenhagen: Leven van S. Lutgardis in octosyllaben; Kaetsspel; volksboek van Uilenspiegel; Vlaamsche getijden, vertaling vóór die van Geert Groote.

Leipzig: de oudste fragmenten van het leven van Sint Servatius; die Rose.

Londen: de eenige fragmenten van het Nevelingenlied en van den Bere Wisselau, die nog bekend zijn; Rijmbijbel; Sydrac, Lucidarius, volksboeken en Ruusbroec-hss.

München: Alexanders Geesten; andere fragmenten van het leven van Sint Servatius, van hetzelfde handschrift als te Leipzig; verschillende Ruusbroec-hss.

Münster: Getijden van Geert Groote.

Oxford: Jans Teesteye - Melibeus - Maskaroen, Saladijn, Boec vander Wraken; Sydrac; Ruusbroec.

Parijs: Apocalyps en psalmvertaling; Augustinus Regel, verschillende volksboeken, Le livre des métiers; geestelijke liederen; Conincs Summe; Ruusbroec.

Stuttgart: het bekende Comburgsche handschrift met Reinaert I, Brandaen, Rose, Rijmkroniek van Vlaanderen, Wapene Rogier, Sydrac enz. enz.

[p. 118]

Tübingen: Passie Ons Heren; andere geestelijke gedichten.

Weenen: Tweede partie van den Spiegel Historiael.

Weimar: het Zutfensch liederboek.

Wisse-Loo: Ystorien v. Troyen.

Enzoovoort: we noemen maar 't allervoornaamste van wat algemeen bekend is.

Met nog eenige namen als Bazel, Bielefeld, Bonn, Bremen, Darmstadt (Reinaert-fragment E), Detmold (Naturen Bloeme), Dowaai, Düsseldorf, Frankfort, Graz, Halle, Heidelberg, Kempen, Rostock (fragment van Willem van Hillegersberch), Straatsburg, Stralsund, Schwerin, Wetzlar (Hooglied), Wolfenbüttel, Zürich, is de lijst op weinig na volledig, en wie ze onthoudt, zal meenen recht te hebben op de overtuiging, dat hij vrijwel alle Middelnederlandsche handschriften kent, die nog op de wereld bestaan. Hij zal zich in die overtuiging niet weinig gesterkt voelen, als hij den moed heeft een statistiek op te maken van de handschriften - geheele én fragmenten - waarvan hij in zijn geleerde boeken wat vernomen heeft. De uitslag zal zijn, dat de kennis onzer geheele Middelnederlandsche Taal en Letterkunde berust op nog niet eens 700 handschriften; dat de 13 bronnenlijsten van Verdam's Middelnederlandsch Woordenboek, die wel niet álle teksten vermelden, die daarin worden aangehaald, maar, op een héél enkele uitzondering na, toch alle aan onze grammatici en litteratoren bekende teksten, dat die 13 bronnenlijsten het altesamen niet verder brengen dan tot 651 titels, waaronder dan nog een aantal oorkonden en een dertigtal handschriften en incunabels, waarvan in de geschiedenissen der Nederlandsche Letteren nergens of nauwelijks gewag wordt gemaakt2.

 

Maar: de op grond van deze en dergelijke gegevens verkregen overtuiging is een waan, wat U zonder meer duidelijk worden zal als U verneemt, dat het systematisch na- en opsporen onzer Middelnederlandsche handschriften reeds ruim 11 duizend stuks aan het licht heeft gebracht, een onderzoek dat daarenboven nooit geheel afgesloten zal kunnen heeten.

Er is geen land in Europa, Griekenland wellicht uitgezonderd, waar er geene te vinden zijn. Spanje, Zwitserland en Zweden hebben er de minste: elk een dozijntje. Italië en Hongarije reeds meer: elk verschillende dozijnen, terwijl niemand weet wat de met Amerikaansch geld op touw gezette catalogiseering van de Vaticaansche bibliotheek nog aan het licht zal brengen. Denemarken heeft er reeds meer: een vijftigtal,

[p. 119]

een getal dat door 't oude Oostenrijk nog wordt overtroffen. In Rusland en Polen zijn er een kleine 100; in Frankrijk telt men er zonder moeite een paar honderd, in Engeland meer dan dubbel zooveel. Er zijn er ook een zeker getal in Turkije. Al de overige berusten in Duitsche, Nederlandsche en Belgische bibliotheken, in Afrika en in Amerika.

Amerika verwondert U niet, Afrika wel: toch is het zoo. Hoeveel er in Amerika zijn, is op 't oogenblik niet goed te zeggen; in Afrika zijn er in elk geval op zijn minst om en bij de twintig, wellicht ook meer: men moet zich behelpen met een catalogus die veel te wenschen overlaat.

In twee landen, t.w. in Spanje en in Denemarken zijn de Nederlandsche codices vrijwel op één plek geconcentreerd, t.w. in de Nationale Bibliotheek te Madrid en in de Koninklijke Bibliotheek te Kopenhagen; 't is waar dat er ook een paar ‘Vlaamsche’ - in anderen zin - handschriften zijn in de Casa reale, die nu echter ook tot nationaal domein verklaard schijnt te zijn. Men zou geneigd zijn van de toch prachtlievende Spanjolen meer te verwachten. In de andere Spaansche bibliotheken zijn alleen jongere dingen te vinden, hier en daar een Ndl. incunabel, de Latijnsche vertalingen van Ruusbroec door Surius, die dan weer in 't Spaansch zijn vertaald; of een exemplaar van de woordenboeken van Gabriel Meurier. Wat er te Simancas nog schuilen mag, is niet bekend. In Portugal is een en ander, dat ik zelf niet gezien heb. In Turkije zijn er ‘Vlaamsche’ handschriften te Constantinopel: in een of meer paleizen van den Sultan; het feit stond, althans vóór den oorlog, vast. Het getal is mij onbekend, evenals de aard der handschriften. Of het handschriften zijn met Vlaamschen tekst, of alleen maar met Vlaamsche verluchting, vermeldt de geschiedenis niet.

In alle andere landen zijn de Nederlandsche handschriften over een groot aantal bibliotheken en verzamelingen verspreid. In Italië vindt men er te Milaan, Venetië, Bologna, Subiaco, Turijn en Rome: Biblioteca Nazionale, - Casanatense, - Corsini, - Vaticana. Wat deze laatste betreft: een voorloopig onderzoek in de laatste twee jaren ingesteld vanwege de Kommission für den Gesamtkatalog der Wiegendrucke, heeft een schatting van ± 10.000 incunabelen opgeleverd. De handschriftencatalogi zijn allemaal oude documenten, contemporanei van de verzamelingen, zeer beknopt en onberekenbaar. Ergo: er kan daar nog veel voor den dag komen! Venetië is het heelal door beroemd om het zoogenaamde Breviarium Grimani, maar onder de Manuscripta Russica ontdekte ik daar ook een Vlaamsch Getijdenboek waarvan de verluchting voor die van den Grimani nauwelijks onderdoet. Van Turijn moeten we nu spreken in

[p. 120]

den verleden tijd: wat daar in 't voorjaar van 1903 beschreven werd, is in Januari 1904 door het vuur vernield; de reproducties, ter eere van Léopold Delisle van het zoogenaamd Turijnsch Getijdenboek gemaakt, zijn alles wat van dat wonderbaarlijk bezit is overgebleven3. Te Subiaco, het heerlijke dorp in de Sabijnsche bergen, is in de bibliotheek van San Scolastica wel geen handschrift met Nederlandschen tekst te vinden, evenmin als een pers van Sweynheim en Pannartz4, doch wel verschillende hunner incunabels, en: de Latijnsche vertaling der werken van Jan van Ruusbroec door Geert Groote5.

In Zweden zitten onze handschriften te Lund, Linköping, Uppsala, Stockholm, en in de collectie van Dr. Schmidt te Karlshamm. In Frankrijk zijn de meeste in de verschillende bibliotheken van Parijs: Mazarine, Arsenal, Sainte-Geneviève, Collection Dutuit en natuurlijk vooral in de Bibliothèque Nationale; de overige zijn verspreid hoofdzakelijk over 't Oosten van 't land: van de oud-Vlaamsche steden Duinkerken, Sint-Winnoxbergen, Belle, Hazebroek, Rijsel, Atrecht, Kamerijk, Valencijn, Dowaai af, over Orléans, Auxerre, Dijon, Grenoble en Lyon tot Marseille en Nizza toe, de bibliotheken van de ‘départements recouvrés’: Metz, Straatsburg, Colmar en Schlettstadt niet te vergeten. In Oostenrijk zijn de meeste thans in de Nationalbibliothek, vroeger verdeeld over de Hofbibliothek en de Familienkommissbibliothek. Een prachtig Vlaamsch getijdenboek van den jongen Keizer Karel ligt in het Gewerbemus.; ook de Univ. Bibl. heeft verschillende hss. Het Schottenstift bezit een complete vertaling van de Imitatio, die uitgegeven is door Dom C. Wolfsgrüber6. Verder te Graz, Innsbrück, Linz, Klagenfurt; in Tsjecho-Slowakije: te Praag, Aussig, Leitmeritz en te Brünn; in Jugo-Slavië: te Laibach; in Hongarije: te Boedapest, Kalocsa, Mohacs en elders; in Roemenië te Hermannstadt, de oude hoofdstad van Zevenburgen; in Polen te Warschau, Krakau en te Lemberg, gezwegen nog van Kattowitz en Ratibor, waarvan men immers nog niet weet of ze Poolsch of Duitsch zijn; in Letland: te Riga; in Esthland: te Dorpat en te Reval; in Rusland: te Leningrad en te Moskou.

In Engeland staat, begrijpelijkerwijze, Londen met British Museum, Kensington, Lambeth-Palace en Guildhall-Library aan de spits. Daarop volgt Oxford: Bodleyan Library en die van de verschillende colleges; hetzelfde te Cambridge, met, daarenboven het FitzWilliam Museum; Edinburg, Univ. Library; Aston (bij Birmingham), Reference Library; Manchester, John Rylands Library; Stonyhurst (Lancashire), Jezuïetencollege; Aberystwyth in Wales, Univ. bibl. Verder nog altijd talrijke

[p. 121]

particuliere verzamelingen, wier bezit gewoonlijk pas op verkoopingen aan den dag komt. De best bekende particuliere verzameling schijnt nu wel te zijn die van C. W Dyson Perrins te Malvern, die 10 handschriften van Zuid- en 3 van Noordnederlandsche herkomst, alle 13 stukken van eersten rang en gewicht, bezit7.

Ook in Ierland is te Dublin en in sommige geestelijke gestichten een en ander aanwezig.

In Zwitserland: te Bern, Zürich, Sankt-Gallen, Chur, Neuchatel, Genève.

In Zuid-Afrika: te Kaapstad.

In Amerika is in de eerste plaats te noemen de Pierpont Morgan Library te New York, die maar een half dozijn Vlaamsche handschriften bezit, welke echter tot de mooiste behooren, die ooit door Vlaamsche miniaturisten werden verlucht.

Aan de andere zijde van het Amerikaansch continent staat de Henry E. Huntington-library and Art-Gallery, te San Marino, sedert 1919 een openbare inrichting, die een aantal Vlaamsche handschriften uit de Huth-Collection heeft bemachtigd, o.a. de Tafereelen uit het Leven van Jezus met bijschriften, door Serrure in 1863 uitgegeven en gereproduceerd, na diens dood spoorloos verdwenen en op de veiling Huth weer opgedoken.

Verder is het bekend, dat een groot getal ‘Yankees’, inzonderheid afstammelingen van Hollandsche kolonisten, in 't bezit van een of meer handschriften zijn, waar ze hooge bedragen voor betaald hebben, ook al verstaan ze niets van den inhoud. Enkele van die handschriften die den Oceaan zijn overgestoken, zijn vóór hun vertrek nog beschreven kunnen worden. Het levendigst staat me voor den geest een handschrift dat in de jaren 1890 toebehoorde aan de Bibliothèque de l'Enlumineur te Parijs (een gezelschap van boekenliefhebbers dat sedert te niet is gegaan), en dat ik in 1919 terugvond in 't bezit van Prof. Hyma te Ann Arbor, Michigan, die het sedert aan een zijner vrienden schonk8.

In Duitschland, Nederland en België is haast in alle steden en bibliotheken iets van onze gading te vinden. Bij onze oosterburen zijn de voornaamste verzamelingen te vinden te Darmstadt, Keulen, Hamburg, Münster, Greifswald, Königsbergen, Rostock, Lübeck, Leipzig, Halle, Jena, Weimar, München, Bremen, Trier, Breslau, Wolfenbüttel, Wiesbaden, Frankfort a.d.M., Wernigerode (welke beroemde verzameling thans verkocht wordt!), Giessen, Bonn, Kiel, Elbing, Osnabrück, Stettin enz.; maar de kroon spant toch de Pruisische Staatsbibliothek te Berlijn,

[p. 122]

die alleen reeds een kleine 300 Nederlandsche handschriften, benevens vele incunabels en postincunabels bezit.

In de Nederlanden overtreft de Koninklijke Bibliotheek van België te Brussel alle andere; daarnaast zijn Gent, Den Haag en Leiden, die elk verschillende honderden handschriften, incunabelen en postincunabelen bezitten, de voornaamste. Amsterdam, Utrecht, Groningen, Haarlem, Antwerpen, Brugge, Leeuwarden, Luik, Deventer volgen. Leuven had vóor den oorlog in de 30 Nederlandsche handschriften; met hoeveel het sedertdien schadeloos gesteld is, weet ik nog niet.

Naast de openbare inrichtingen zijn te noemen belangrijke kloosteren seminariebibliotheken, b.v.:

Minderbroeders: te Antwerpen, Brugge, Sint-Truien, Weert, Woerden;

Norbertijnen: Perk bij Leuven, Averbode, Heeswijk, Postel;

Capucijnen: Velp a/d/ Maas.

Kruisheeren: Sint-Agatha a/de Maas.

Dominicanen: Nijmegen, Huissen, Tienen.

Brigittinessen: Megen en Uden.

Carmelieten: Brugge, Gent.

Cisterciënsers: Achel, Bornhem, Westmalle, Echt.

Jezuïeten: Antwerpen, Gent, Den Haag, Leuven, Maastricht, Mariëndaal; bovenal: de bibliotheek der Bollandisten te Brussel.

Redemptoristen: Wittem, Roermond.

Archief van het bisdom te Brugge, Gent, Mechelen, Luik.

Groot-Seminaries: Brugge, Gent, Luik, Warmond, Hageveld, met het bekende gedicht van Vondel, Den E. Jongeling Joannes Wandelman; Haren, Roermond.

Bisschoppelijk Museum te Haarlem;

Aartsbisschoppelijk Museum te Utrecht;

Museum der Oud-bisschoppelijke Clerezij te Utrecht.

Plantijnsch Museum te Antwerpen.

Provinciaal Genootschap te 's-Hertogenbosch; idem te Middelburg.

Westfriesch Museum te Hoorn; Teyler's Museum te Haarlem.

Uit dit overzicht, dat nog met tientallen namen te vermeerderen is, en waarbij de talrijke particuliere verzamelingen in binnen- en buitenland zoogoed als geheel ter zijde gelaten zijn, blijkt, dat een groot percentage onzer middeleeuwsche boeken verzeild zijn mijlen ver van de plek waar ze ontstonden; menigeen zal zich afvragen hoe dat is kunnen geschieden.

[p. 123]

Het is natuurlijk niet meer mogelijk, de wegen, die deze pelgrims afgeloopen hebben, voor alle op- en na te sporen. Maar van ettelijke gevallen is het toch wel te vertellen.

Onze codices, die in Noord- en Zuid-Europa te vinden zijn, werden daar haast zonder uitzondering reeds in de 16de, de meeste in de 17de eeuw gebracht; dit is ook het geval met de meeste onzer handschriften in de Bodleyan Library te Oxford en die te Cambridge: eenige komen van Franciscus Junius, in 't jaar 1677 gestorven, die immers geheel zijn bibliotheek aan Oxford vermaakte; twaalf van Thomas Mareshall, Dean of Gloucester, † 18 April 1685, die veel op veilingen te Amsterdam kocht; andere van Jacques Philippe d'Orville, professor in de geschiedenis en de welsprekendheid te Amsterdam, † 1751, wien onder andere het tweede bekende handschrift van Vondel's vertaling van Torquato Tasso heeft toebehoord.

Al de overige zijn in de allerlaatste jaren van de 18de en in de eerste decennia der 19de eeuw, op min of meer betreurenswaardige wijze uit de Nederlandsche gewesten verdwenen. Men kan over die betreurenswaardigheid zeker verschillend oordeelen; maar als men bedenkt, dat duizenden Nederlandsche handschriften bedolven liggen onder de vergetelheid en het stof, als 't niet onder de goot is, zonder dat bezitters, conservatoren noch publiek er iets aan hebben, aangezien niemand hunner ze lezen kan, terwijl ze ook voor de Nederlandsche philologen niet of nog niet bestaan, dan is het woord ‘betreurenswaardig’ zeker niet overdreven.

Wat in de verschillende Parijsche bibliotheken zit, en daaronder zijn hoogst belangrijke stukken! behoort haast zonder uitzondering tot hetgeen de Fransche sansculotten reeds bij hun eersten inval in de toenmalige Oostenrijksche Nederlanden hebben meegenomen. Zooals bekend, hebben die heeren, die aan de wereld de vrijheid brachten, in 1791 en '92 de vrijheid genomen alles mee te nemen wat ze dragen konden, niet alleen schilderijen en andere kunstwerken, maar ook boeken en handschriften, o.a. vrijwel de geheele bibliotheek van wat toen nog heette la Cour de Bruxelles, het hof van Brussel, d.i. de Bourgondische bibliotheek, alsook de mooiste en belangrijkste handschriften uit de meeste Brabantsche kloosterbibliotheken: Groenendaal, het klooster van Ruusbroec, Rooklooster, Sevenborren, Bethlehem, St.-Martin, enz. Vandaar dat de meeste handschriften der Koninklijke Bibliotheek te Brussel den stempel van de République Française dragen.

In 1815 heeft Falck9 de teruggave van de geroofde schatten bedongen

[p. 124]

en verkregen: met Louis XVIII zijn we gelukkiger geweest dan met Louis XIV, die zich bij drie opeenvolgende verdragen verbonden had, de archieven van de Staten van Vlaanderen, die uit Rupelmonde naar Rijsel waren overgebracht, aan Vlaanderen terug te geven, maar ze desniettegenstaande rustig heeft behouden. Al zond Falck een hoogst bekwaam man naar Parijs1, er is daar toch een en ander aan maat en strijkstok blijven hangen: van wat de Franschen hadden meegenomen bestond geen inventaris. Aan de kruimels van de tafel, die de Bibliothèque Nationale versmaad had en goedgunstig aan het Arsenal, aan de Mazarine en aan Sainte-Geneviève had afgestaan, werd in 1815 niet gedacht, en van hetgeen waarmee de Nationale was verrijkt, bleef daar toch nog een honderdtal handschriften achter.

Aan het decreet der sansculotten hebben sommige kloostergemeenten meenen te kunnen ontkomen, door hun kostbaarste boeken bij pachters en vrienden te verbergen of in bewaring te geven. Maar ze zijn daarbij van Scylla in Charibdis verzeild: het onweer hield te lang aan. Meer dan één kloostergemeente is nooit in staat geweest haar eigendom weer op te eischen; terwijl, aan den anderen kant, vele personen die iets ter bewaring hadden aangenomen, het in hen gestelde vertrouwen hebben beschaamd. Dit is o.a. het lot geweest van de rijke bibliotheek der Norbertijnen van Tongerloo; die, welke verleden jaar zoo jammerlijk verbrand is, was een nieuwe verzameling, pas na 1834 aangelegd. Daardoor is het te verklaren, dat sommige Westfaalsche en Noordduitsche bibliotheken allerlei Nederlandsche handschriften en boeken bezitten, die, via de een of andere particuliere verzameling, uit Brabantsche of Limburgsche kloosters herkomstig zijn.

Aan de benarde tijdsomstandigheden is het o.a. ook te wijten, dat haast de geheele, beroemde bibliotheek van de abdij van St.-Jacob te Luik kon worden aangekocht door den bekenden verzamelaar Baron Hüpsch te Keulen, wiens kostbaar kabinet later in 't bezit van den groothertog van Hessen te Darmstadt overging10.

Wat de sansculotten niet konden of niet wilden meenemen, lieten ze verkoopen. Daarmede werd belast, of belastte zichzelf, een bekende Brusselsche boekhandelaar, Ermens, wiens verkoopcatalogi modellen in hun soort zijn. Als men geannoteerde exemplaren van die catalogi machtig wordt, dan treft het telkens, hoe veel Engelsche namen onder

[p. 125]

de koopers voorkomen. Dat was trouwens ook het geval op de boekverkoopingen te Amsterdam; zoo zijn zeer talrijke Nederlandsche handschriften en boeken naar Engeland verhuisd. De bekende bibliophiel Sir Thomas Phillipps kocht in 1824 bijna alle handschriften van Geerard Meerman; Richard Heber en Thorpe kochten veel op de aucties-Koning, Musschenbroeck en anderen. De Nederlandsche codices onder de additional manuscripts van het British Museum te Londen zijn voor een groot gedeelte uit dezer handen afkomstig11.

Toen in 1835 de bibliotheek der abdij van 't Perk en in 1839 die van de abdij van Stavelot verkocht werd, gingen beide verzamelingen bijna geheel in Engelsche handen over. Dat is zoo doorgegaan tot na de veiling van Serrure in 1872 en 1873, en die van Vergauwen in 1882. Pas daarna is het gaan minderen: le combat finit faute de combattants.

Toen Heber stierf, hebben J.F. Willems, Serrure en Snellaert enkele hss. weten terug te koopen, maar in Noord-Nederland schijnt daaraan toen niemand gedacht te hebben, evenals men later het enthousiasme miste om de pamflettencollectie van Meulman12 en de collectie-Meerman voor Nederland te behouden. Toen het bekend werd, ik meen in 1886, dat de erfgenamen van Sir Thomas Phillipps geneigd of van plan waren de te Cheltenham opgetaste boeken te verkoopen, was Berlijn er als de kippen bij en wist vóór ieder ander de beroemde Meerman-verzameling te bemachtigen, ongeveer 700 stuks. Daaronder zijn ook een vijftigtal handschriften met Nederlandschen tekst - de catalogus is een dikke kwartijn - maar de kern der groote verzameling Nederlandsche handschriften te Berlijn is, voor de poëtische litteratuur: de Bibliotheca Hoffmanniana, handschriften en boeken door Hoffmann von Fallersleben op zijn reizen en gedurende zijn verblijf in de Nederlanden gedeeltelijk gekocht, gedeeltelijk ten geschenke gekregen; voor de proza-litteratuur: nagenoeg de geheele bibliotheek van het klooster ‘Nazareth bynnen Gelre’, door Freiherr August von Arnswaldt en bloc gekocht, vóór 1847, en uit diens nalatenschap weer en bloc in 1885 (of 1886?) door Berlijn aangekocht: 47 codices Middelnederlandsche, beter gezegd: Middelsaksische teksten, voor de geschiedenis der mystiek én voor die van het Geldersch-Overijselsch dialect in de 15e eeuw van het hoogste gewicht. Daarbij komt nog, dat de Berlijnsche bibliotheek nooit opgehouden heeft hare verzameling Dietsche handschriften door aankoop doelbewust te vermeerderen.

De gewichtige verzameling Ndl. hss. die de Univ. bibl. te Straatsburg bezit, is haar na 1870 geschonken door den Vorst van Burg-Steinfurt:

[p. 126]

het waren de nog toonbare resten van de eenmaal rijke en beroemde bibliotheek van het klooster Frenswegen bij Nordhorn, dat in 't bezit van het huis Bentheim was overgegaan. Het handschrift van Maerlant's Merlijn, in 't begin der 15de eeuw min of meer in 't Nederduitsch ‘om’ geschreven, schijnt wel van zijn oorsprong af aan dat geslacht toebehoord te hebben.

De 40 Nederlandsche handschriften, destijds op de - nu voormalige - Keizerlijke Bibliotheek te Sint-Petersburg, ook al voormalig! zijn vrijwel alle herkomstig uit de bibliotheek van Jan Jedrzej Zaluski, bisschop van Kijow, geleerd man, goed historicus, groot vaderlander. Hij bracht te Warschau een bibliotheek van ongeveer 230 duizend deelen bijeen, die hij in 1748 in een eigen gebouw voor iedereen toegankelijk stelde. Hij heeft veel gekocht op de boekenveilingen van den bekenden Amsterdamschen boekverkooper Van Damme, o.a. Vondel's eigenhandig geschreven Tasso-vertaling, die nu door Mej. Dr. Nijland met zooveel liefde wordt bestudeerd13. Zaluski moet onze taal gekend hebben: aan het hoofd zijner handschriften schreef hij kortere of langere aanteekeningen, meestal beknopte inhoudsopgaven, en ook voor de handschriften met Ndl. tekst zijn die aanteekeningen nauwkeurig en ad rem. Zaluski, hartstochtelijk patriot als hij was, heeft natuurlijk ruzie gekregen met Catharina II, werd in 1767 opgelicht en verbannen naar Kaluga; pas in 1773 mocht hij naar Warschau terugkeeren, maar stierf reeds een jaar daarop. Zijn bibliotheek vermaakte hij aan 't Poolsche Volk, maar Catharina stoorde zich aan Zaluski's uitersten wil niet: in 1795 werd de geheele verzameling, die toen ongeveer 300 duizend boekdeelen en 25 duizend houtsneden en etsen omvatte, naar Sint-Petersburg overgebracht, om de kern van de Keizerlijke Bibliotheek van Rusland te worden. Edoch: habent fata sua libelli! Thans, nog geen 150 jaar later, is Zaluski's bibliotheek krachtens het traktaat van Versailles aan Polen teruggegeven en naar Warschau overgebracht en beantwoordt ze aan het doel, dat haar stichter voor oogen stond!

Op de bibliotheek der Keizerlijke Academie te Petersburg berusten o.a. 25 Nederlandsche handschriften, die ik - het was in April 1910 - voor den dag heb mogen halen van een meer dan vijf meter hooge kast, waar ze, God weet hoe lang, onder den drop van een lekkende goot gelegen hadden en tot één koek perkament vervroren waren. Daaronder zijn 15 middeleeuwsche handschriften, meest alle uit Zuid-Brabantsche kloosters: Groenendaal, Rooklooster bij Brussel, Bethlehem en Sint-Martijn te Leuven; negen uit de 17de en 18de eeuw: reisbeschrijvingen,

[p. 127]

wiskundige, militaire en medische traktaten uit Noord-Nederland; alles gekocht door een Graaf Tolstoj, oom van den schrijver, op een reis die deze ca. 1820 in West-Europa gemaakt had. Twee daarvan behooren tot de oudste Nederlandsche handschriften die nog in hun geheel bestaan.

Op het archief van buitenlandsche zaken te Moskow liggen een paar handschriften en incunabels, plus: het geheele dossier dat N.C. Kist gebruikt heeft voor zijn uitgave van het renteboek der abdij te Elten (Nieuw Archief v. Kerkelijke geschiedenis, 1854), met het origineele renteboek er bij. Waarom de Russische regeering dit dossier op de veiling van Kist's bibliotheek heeft aangekocht (Leiden, 1861), is mij onbekend.

Ik heb daar, overigens, zeer slecht mijn doel bereikt: niets mocht worden bestudeerd noch beschreven; na urenlange onderhandelingen had ik 't maar zoover gebracht, dat ik boeken en handschriften even in mijn handen mocht houden. Ik geloof niet dat ik ooit een grooter effort de mémoire heb gedaan dan op dien dag, om daarna alles te kunnen opschrijven. Dat was mijn straf: 't was niet tot mijn hersenmassa doorgedrongen, dat zelfs voor een secretaris-generaal van een ministerie te Moskow een gouden roebel een matige, maar toch zeer gewenschte belooning zou geweest zijn.

Boedapest ligt op onzen terugweg. Op het Nationaal Museum aldaar liggen een tiental hss. uit onze gewesten, in 't midden der 19de eeuw nog in particulier bezit, o.a. een Evangelie van Mattheus, stuk van een evangeliarium waarvan de overige gedeelten hier in Holland berusten. Gewichtiger zijn een paar getijdenboeken, waaronder één geschreven èn verlucht, let wel: èn verlucht in een klooster te Warfum, ao 1505, geschreven door zuster Aleidis Reiners, op verzoek van zuster Christine Bruchters, donate in 't zelfde klooster, en ‘geïllumineerd en gerubriceerd’ door zuster Kunegundis. Het was tot nog toe, zoover ik weet, nog niet gebleken, dat de miniatuurkunst tot in ons hoogste Noorden beoefend werd.

De Nederlandsche handschriften die in het museum Czartorisky te Krakau berusten, zijn alle uit deze gewesten herkomstig en pas in 1810 in 't bezit dezer doorluchtige familie gekomen: ze werden in dat jaar gekocht te Brussel door den divisie-generaal Sokolnicki, en naar het museum van Isabella Czartoriska te Pulawy gezonden.

Te Hermannstadt is, zoover bekend, maar één hs., t.w. in het Brückenthaler Museum, maar 't is er een dat in kunstwaarde tegen vele andere opweegt: het is verlucht door denzelfden miniaturist die nr. 105 uit de collectie Dyson Perrins bewerkt heeft: de randversieringen zijn geheel

[p. 128]

dezelfde. Hoe dat meesterstuk der Vlaamsche kunst in 't bezit van Brückenthal gekomen is, blijft vooralsnog onbekend.

Te Weenen treft in de eerste plaats een en ander uit Le trésor de Bourgogne. Telkens als een landsheer stierf, of een nieuwe ‘schatbewaarder’ benoemd was, werd een inventaris opgemaakt van de juweelen, waaronder ook een aantal verluchte handschriften behoorden. De laatste inventaris dateert van het jaar 1577; daarin staat naast menig item: perdu, of absent, of een aanteekening als deze: Le Garde Joyaulx depose que Larchiduc Mathias les a emporte. Inderdaad, verschillende boeken die in den inventaris als niet aanwezig genoteerd staan, zijn te vinden in de oude Hofbibiotheek te Weenen: Aartshertog Matthias, voorlooper van de sans-culotten, had ze meegenomen.

In de Fideikommiss aldaar wacht U een andere, geen geringer verrassing! We hebben reeds een paar maal gewag gemaakt van de bibliotheek van het Rooklooster, waarvan er handschriften en incunabels zijn te Brussel en te Parijs. Het getal daarvan is echter niet groot; laten het een paar tientallen zijn, in elk geval buiten alle verhouding tot het getal boeken dat die bibliotheek bevatte, zooals ons bekend is uit de verschillende catalogi, die bewaard zijn, de eene al uitgebreider dan de andere. De Fideikommissbibliotheek geeft de oplossing van het raadsel: dáár ligt vrijwel de geheele bibliotheek van het Rooklooster. Hoe die daar gekomen is? Deze onschatbare verzameling was in 1792 terecht gekomen, waarschijnlijk ‘gevlucht’, op de Bourgondische adelskamer te Brussel, wier schatten onaangetast schijnen gebleven te zijn, en nu nog op het Ministerie van Buitenlandsche Zaken te Brussel bewaard worden. Wapenheraut, genoemd Gulden Vlies, was toen Ridder Beydaels van Zittaert, die Keizer Leopold te Weenen als den rechtmatigen eigenaar van de bezittingen der Brabantsche abdijen bleef beschouwen en die deswegen in 1794 de boeken van het Rooklooster en van nog menige andere Brabantsche abdij: Korssendonck, Bethlehem bij Leuven, Scheut bij Brussel, Kruisheeren te Roermond, een enkel uit Bethlehem te Gent, over Holland naar Weenen aan zijn heer en meester zond1. Dit verklaart ook, hoe in allerlei plaatsen die aan den weg van Holland naar Weenen liggen, boeken en handschriften uit Brabantsche kloosterbibliotheken te vinden zijn: blijkbaar zijn er hier en daar, met of zonder medeweten van den voerman, van den verhuiswagen gevallen14.

De handschriften te Kaapstad behooren tot de Public Library15, voor-

[p. 129]

heen de bibliotheek van den gouverneur-generaal Lord Grey en door dezen bij uitersten wil aan de Kolonie vermaakt (1864).

 

Gij zult nu allicht willen weten, wat er in die vele nog ongebruikte handschriften te vinden is. Het zou geen uren, maar dagen pratens vereischen, om op een dergelijke vraag een eenigszins volledig antwoord te geven. Laat ik mij daarom bepalen tot eenige cijfers die althans eenig denkbeeld van den inhoud der handschriften kunnen geven.

Bijbelhandschriften (geheele bijbels, Oud- of Nieuw Testament, enkele bijbelboeken, pericopen, lectionaria enz.): ruim 300 hss.
Souters: meer dan 100 hss.
Levens van Jezus: meer dan 150 hss.
Passie ons Heeren alleen: meer dan 100 hss.
Leven van Maria: idem.
Levens v. Heiligen, passionaals: meer dan 300 hss.
Getijdenboeken: meer dan 2000 hss.
Werken van S. Augustinus: meer dan 250 hss. (zie thans deMiscellanea Augustiniana).
Werken van S. Bernardus: meer dan 200 hss.
S. Gregorius, wiens moeilijke philosophische geschriften meer dan ééns vertaald zijn: ca. 50 hss.
Jan van Ruusbroec: meer dan 200 hss.
Thomas a Kempis: meer dan 120 hss.
Tauler's werken: ca. 100 hss.
Henric Suso: ca. 80 hss.
Jordanus van Quedlinburg: 42 hss.
Jacob van Maerlant: ruim 100 hss.
Liederboekjes: ruim 150 hss.
Kronieken der verschillende Nederlandsche gewesten: ruim 2000 hss.
Woordenboeken: ruim 120 hss.
Sermoenenbundels van bekende en onbekende predikanten: honderden handschriften.

Of er dan niets anders gevonden is dan dergelijk prozawerk? Ja zeker. Ook honderden, meestal geestelijke gedichten, waaronder wel veel rijmelarij, maar toch ook menig fraai vers; een paar duizend rijmspreuken, terwijl er amper een driehonderd bekend zijn; en vooral: fragmenten bij de vleet van reeds bekende en van nog onbekende dichtwerken: ridderromans en andere. In den loop der tijden zijn vele handschriften en boeken door allerlei oorzaken verloren gegaan. Er is ook een oogen-

[p. 130]

blik gekomen, waarop onze oude handschriften in discrediet schijnen geraakt te zijn, en menigeen zich verbeeldde, dat die oude paperassen geen waarde meer hadden, zoodat ze bij bosjes aan mes of lijmpot der boekbinders ten offer gevallen zijn, om tot schutbladen of tot overtrek van den band van nieuwe boeken te worden gebruikt. Niets maakt dieper indruk, dan het feit, dat van onze oudste berijmde letterkunde zóó weinig volledige handschriften zijn bewaard. Van de meeste onzer ridderromans zijn slechts fragmenten, soms maar heel geringe overgebleven. Gij hebt immers allen gelezen van de fragmenten van het Nevelingenlied te Londen, van die van den Parthonopeus te Jena, van die van den St.-Servatius te Leipzig; van die van Valentijn en Nameloos te Berlijn, van die van den Rijmbijbel te Münster, van die van den Flandrijs te Straatsburg; fragmenten hier, fragmenten daar. Maar de ware toestand is nog veel treuriger dan men weet of denkt. Er zijn ongeveer 400 hss., meest alle uit de 14de eeuw, op weinige na alle van dichtwerken, die alleen door fragmenten bekend zijn, niet medegerekend de zeer talrijke snippers van getijdenboeken, die in de 16de en 17de eeuw tot strookjes versneden werden om er stichtelijke boekjes op te naaien.

Het is, intusschen, altijd een genot dergelijke fragmenten te ontdekken, vooral als ze bij reeds bekende blijken te behooren. Met fragmenten van werken van J. van Maerlant, van den Sp. Historiael, van de Naturen Bloeme, van den Rijmbijbel, en van de Ystorien van Troyen is dat herhaaldelijk het geval geweest: op verren afstand van elkaar. Talrijke bibliotheken en archieven hebben alleen ter wille van zulke fragmenten beteekenis voor ons.

Zoo bezit de Stadsbibliotheek te Riga een paar getijdenboeken, Fransche schering met Vlaamschen inslag; twee Nederlandsche incunabels; een dubbel blad van een mystisch proza-traktaat; geringe fragmenten van een overigens onbekend, zeer oud handschrift van Reinout v. Montalbaen.

Maar de clou is wat onze collega Busch16 mij toonde: een groote leeren folioband zonder boek, waarin bladen van een handschrift, in plaats van houten borden, op elkaar waren geplakt. Dr. Busch heeft de uitnemende goedheid gehad mij in staat te stellen, dezen ‘band’ uit elkaar te halen: het bleken bladen te zijn van een enorm handschrift van Maerlant's Rijmbijbel, drie kolommen per bladzijde, 62 verzen per kolom!

Nu is er te Gent een klooster der ‘Rijke Klaren’ geweest, dat, blijkens een catalogus uit het jaar 1508, een hoogst merkwaardige bibliotheek

[p. 131]

bezat. Reeds geweldig geteisterd door den beeldenstorm, werd het klooster in 1578 op bevel van de Magistraat geheel en al afgebroken. In de bibliotheek, waarvan tot nog toe geen enkel boek teruggevonden is, was o.a. ook een handschrift van Jacob van Maerlant's Rijmbijbel: ‘noch j vlaemschen fransinen boeuc grot volumen in berderen ghebonden met roon ledert overdect slutende met ij riemen ende es Scolastica Historia in vlaemssche... Deerste blat beghint: vader, sone helich gheest, eenich god sonder beghin..... Ende hout in cc xiiij bladen’. Me dunkt, nú weten we wat van dit ontzaglijke handschrift geworden is: een ander rijmbijbel-hs. grot volumen, met drie kolommen, bestaat niet.

Al die fragmenten komen uit boeken uit Nederlandsche bibliotheken; voor een klein gedeelte uit banden van incunabels; meer uit de boeken uit de 16de, de meeste uit boeken uit de 17de eeuw.

 

* * *

Mijnheer de Voorzitter,

 

Dames en Heeren,

 

Wilt Ge mij vergunnen, dit zeker niet altijd zeer opwekkend statistisch overzicht met een eenigszins persoonlijk woord te besluiten?

Het Bestuur van het Congres heeft gewenscht, dat mijn nietigheid voor U spreken zou; het is mij een genoegen geweest aan die vereerende uitnoodiging gevolg te geven. Wie zou trouwens niet bezwijken voor het aanlokkelijk vooruitzicht, pour le plaisir des beaux yeux van zulk een uitgelezen schare Nederlandsche bibliothecaressen het woord te voeren?

Maar ook een zelfzuchtige gedachte is daarbij door mijn hersenpan geflitst - het duiveltje van het egoïsme zit altijd op een mensch zijn schouder, althans op den mijne. In jeugdigen overmoed heb ik, nu reeds meer dan 40 jaar geleden, ondernomen, de verstrooiïng, die diaspora onzer middeleeuwsche handschriften althans in den geest te niet te doen, te herstellen, door alle Middelnederlandsche teksten in een Bibliotheca Neerlandica Manuscripta weer bijeen te brengen. Hoeveel kilo papier daarvoor zijn beschreven, hoeveel watermerken nageteekend, hoeveel banden afgewreven, hoeveel foto's gemaakt, is heusch niet meer te zeggen; het lijken reeds astronomische, onuitspreekbare getallen. Indien dat werk in zúlke ruime mate is geslaagd, dan is dat voor geen gering gedeelte te danken aan de hulp en de medewerking die ik daarbij van velerlei zijde heb mogen ondervinden.

[p. 132]

Met stille, maar warme erkentelijkheid blijf ik de niet meer te tellen schare bibliothecarissen, conservatoren en particulieren - waaronder menigeen ons reeds naar het ander lant is voorgegaan -, die mij om dat werk ter wille zijn geweest, indachtig. Wel ben ik enkele keeren voor een gesloten deur blijven staan; heb ook wel eens door een geopende deur onverrichterzake moeten terugkeeren van waar ik gekomen was; ben wel eens met een kluitje in 't riet gestuurd en zelfs ook wel eens onbehoorlijk, ja, plomp en grof bejegend. Maar daar staat tegenover, dat meer dan één bibliothecaris mij eenvoudig met handschriften en incunabels in zijn bibliotheek heeft opgesloten, ‘eingesperrt’, liever dan mij ongetroost te laten heengaan; dat anderen hun vacantiedagen aan mijn werk ten offer brachten; dat de prefect der Vaticana, thans Kardinaal Ehrle, toen de Vaticana twee maandagen achtereen, om het feestelijk bezoek van Willem II eerst en van Edward VII daarna, gesloten werd, mijn kinderlijk geweeklaag beantwoordde met een zacht gefluisterd ‘kommen Sie ruhig’, zelf de deur kwam opendoen, om mij binnen te laten en deed, alsof er in Rome heelemaal niets aan de hand was; dat - het summum! - een jonge Spaansche bibliothecaris, toen hij om wille van de ongesteldheid van zijn waarschijnlijk nog jongere vrouw niet naar zijn bibliotheek kon komen en begreep dat voor zijn bezoeker tijd geld was, mij eenvoudig, trouwhartig, de sleutels der kasten in de handen legde en mij, geholpen door een oudgediende, een vollen dag liet rondscharrelen.

Welnu, Dames en Heeren! die hulp, die ik al zoo ruimschoots genoten heb, kom ik ook nog van U vragen.

Of U me die dan verleenen kunt? Nou en of!

Nu ook al veertig jaren geleden heeft een onzer met roem bekende philologen beweerd, dat het tijdperk van het vinden van nieuwe handschriften nu wel als afgesloten kon beschouwd worden. De handschriftenjacht voor de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta was toen al aan den gang; het was toen al overduidelijk dat onze geleerden niet wisten wat in hun onmiddellijke nabijheid lag, laat staan op verren afstand, zoodat het heusch geen ongepermitteerde onbescheidenheid heeten kon, als de jager daarbij dacht: ‘dat weten wij toch beter!’

Het vinden van handschriften is dan ook steeds doorgegaan, en gaat steeds door. Tot de meest geruchtmakende vondsten behooren die van het Reinaert-handschrift F, in 1908 en die van Vondel's Tasso-handschrift in 1910. Van niet minder gewicht is de vondst, nu een paar jaar geleden, te Lund, van twee bladen van een handschrift uit de aller-

[p. 133]

eerste jaren der 14de eeuw, met prachtige lyrische gedichten, van een structuur die ons tot nog toe slechts uit een veel geringer en jonger fragment bekend was, waardoor in eens de hooge ouderdom van den archetypus aan 't licht kwam.

Kort geleden zijn twee bladen van een folio handschrift ontdekt, fragmenten van een vertaling van den Franschen Lancelot en prose, een vertaling tot nog toe voor onmogelijk uitgekreten, uit de eerste jaren der veertiende eeuw17; verder fragmenten uit een blad van een handschrift van Jacob van Maerlant's Ystorien van Troyen, belangrijk in weerwil van hun geringheid, aangezien het eenige volledige handschrift dat daarvan nog bestaat, een ‘umgeschrieben’ tekst is, ‘umgeschrieben’ in een taal die nooit door iemand zóó kan zijn gesproken, daarenboven nog met tallooze fouten, zoodat elk nieuw fragment van den Westvlaamschen tekst van 't hoogste gewicht is.

Het spreekt vanzelf, dat de handschriften waartoe deze en dergelijke fragmenten behooren, nooit gehéél te gronde kunnen gegaan zijn; die fragmenten kunnen niet de éénige resten van het geheel zijn. Een bepaald handschrift werd verknipt om een bepaalde partij exemplaren van eenzelfde werk mede te bewerken. Zoo heeft er een handschrift van Maerlant's Spiegel Historiael bestaan, met drie kolommen van 52 regels per kolom, waarvan op verschillende plaatsen heele en halve vellen zijn ontdekt.

Is de tijd dan niet gekomen voor een systematisch onderzoek van onze oude boekbanden uit vroeger eeuwen? Er is trouwens ook nog wel wat anders op te sporen! Er is namelijk ook in de 19de, en zelfs in deze 20ste eeuw nog allerlei weer verloren gegaan, dat pas bekend was geworden. Ja! wéér verloren gegaan!

Weet Gij, dat het fragment van Floris ende Blanchefloer, veel ouder dan het bekende handschrift, fragment uitgegeven door Alberdingk Thijm in zijn Dietsche Warande, 1855, sedert spoorloos verdwenen is?

Weet Gij, dat het fragment van Karl und Galiene, door Benecke te Stralsund gevonden en uitgegeven, spoorloos verdwenen is?

Weet Gij, dat de fragmenten van den Spiegel Historiael, destijds in de librije te Zutfen ontdekt, door W. Brill uitgegeven en door De Vries en Verwijs voor hun uitgave gebruikt, reeds sedert 30 jaar op die librije niet meer te vinden en spoorloos verdwenen zijn?

Weet Gij, dat de uitgebreide fragmenten van dienzelfden Spiegel Historiael, in de jaren 1860 door Pater Nieuwenhuizen O.F.M. ontdekt, door diezelfde De Vries en Verwijs gebruikt, spoorloos verdwenen zijn?

[p. 134]

Weet Gij, dat de fragmenten van het merkwaardige gedicht Vander Feesten, door Oberlin ontdekt en uitgegeven (Petit 744), spoorloos verdwenen zijn?

Weet Gij, dat fragmenten van een verder geheel onbekend werk, door F. Mertens in 1845 in het Belgisch Museum uitgegeven (Petit 718) spoorloos verdwenen zijn?

Weet Gij, dat niet alleen fragmenten, maar zelfs geheele handschriften spoorloos verdwenen zijn?

Twee Ruusbroec-handschriften: het eene door J. David in 1853 voor zijn uitgave van de XII Dogheden gebruikt; het andere nog in 1887 in 't bezit van Pastoor Spitzen te Zwolle en door hem in De Katholiek, dl. 91, blz. 292 vlgg. uitvoerig beschreven, zijn spoorloos verdwenen.

Het handschrift van Jan Praet's Spiegel der Salicheit, in 1863 door Bormans uitgegeven, is spoorloos verdwenen18.

Een handschrift met gedeelten van de Middelnederlandsche vertaling der Imitatio en van de werken van Johannes van Schoonhoven, den discipel van Ruusbroec, een handschrift uitvoerig behandeld en gedeeltelijk uitgegeven door Mgr. Vregt, in 1882, in 1902 nog aanwezig in de bibliotheek van de St.-Lebuinus Kerk te Deventer, is spoorloos verdwenen.

Een drietal handschriften: verluchte getijdenboeken, uit de Stadsbibliotheek te Arnhem, beschreven in den Catalogus van 1858, niet meer vermeld in de nieuwe uitgave van 1883, zijn spoorloos verdwenen. Echter niet geheel! één daarvan werd in 1902 door de Koninklijke Bibliotheek bij Tregaskis te Londen voor 200 gld. aangekocht19!

Gij vraagt, of Gij daarbij helpen kunt? Zeker! want, als men maar zoekt, wordt ook wel wat teruggevonden. Zoo is het handschrift van de Eerste Bliscap van Maria in den loop der 19de eeuw tot tweemaal toe uit den gezichtskring der Nederlandsche philologen verdwenen, na een paar jaren systematisch zoeken, in Augustus 1897 weer voor den dag gekomen20.

Het fragment van een tweede handschrift van Boendale's Teesteye, reeds vóór 1837 in 't bezit van Serrure, in 1845 uitgegeven door M. de Vries, door Snellaert in 1864 voor zijn uitgave gebezigd en toen verdwenen, is daags vóor Kerstmis 1909 weer in mijn handen gekomen.

Een fragment van Malegijs kintsheit, 70 jaar geleden eveneens door Serrure ontdekt, die er een tiental regels van liet drukken, daarna spoorloos verdwenen, is in 1929 weer voor den dag gekomen21!

Het oudste handschrift der Middelnederlandsche vertaling van het

[p. 135]

Profectus religiosorum, in 1852 door Willem Moll gebruikt voor zijn boek over Joh. Brugman, sedert eveneens spoorloos verdwenen, heeft in 1929 door een gelukkig toeval zijn weg naar de Rotterdamsche Gemeentebibliotheek gevonden.

Er zitten nog zoovele handschriften én op het platte land én in de steden verscholen!

Niet zelden vergissen zich de bezitters in de waarde van hun ‘schatten’ en in de bedoelingen van den man der wetenschap; de meesten houden er zich van overtuigd, dat de waarde van een handschrift of boek juist dan vermindert, als het nauwkeurig onderzocht en beschreven wordt.

Noem het dus niet onbescheiden als ik eindig met de vraag: is hier voor U allen geen taak weggelegd? Is het dan een wet van Perzen en Meden, dat de directrices en assistenten onzer openbare leeszalen zich ten eeuwigen dage zullen beperken tot het manipuleeren van nieuwe boeken? Zou het Uw boekje te buiten gaan zijn, indien Gij, elk in zijn omgeving, op oude kasteelen en oude hofjes, in kloosters en pastorieën, in gemeentearchieven en op boerderijen, gingt speuren naar wat in en op oude kisten en kasten en in oude boekbanden verscholen ligt of zit? Ik kan het niet gelooven.

Ik dank U allen voor Uwe onafgebroken aandacht, en blijf vol blijde verwachting!

1Voor de volledige titels der hier genoemde werken zie men de Literatuurlijst.
2De Vreese heeft hier geen mededeling gedaan van de zo belangrijke bewerking der door Verdam voor het Middelnederlandsch Woordenboek gebruikte bronnen. Zij werd door hem zelf in 1927 aangevangen en verscheen onder de titel Bouwstoffen in het tiende deel van het Middelnederlandsch Woordenboek. Het zeer omvangrijke werk was bij zijn dood (1938) tot het einde van de letter F gebracht. Dit eerste gedeelte (A-F; 1927- 1941) werd naderhand gevolgd door het tweede gedeelte (G-Z; 1941-1952) bewerkt door G.I. Lieftinck.
3Léopold Delisle (1826-1910) directeur-bibliothecaris der Bibliothèque Nationale te Parijs; handschriftenkenner van internationale faam wiens opus magnum Le cabinet des manuscrits de la Bibliothèque Impériale (Paris, 1868-'81) een der belangrijkste werken op het gebied der middeleeuwse (Franse) bibliotheek- en cultuurgeschiedenis is. Paul Lacombe bezorgde een Bibliographie des travaux de M. Léopold Delisle (Paris, 1902-1911), waarbij vgl. Seymour de Ricci in Revue archéologique 4e série - XVI (1910) 105 vlgg. De hier vermelde reprodukties van het Turijns getijdenboek verschenen - met tekst van Paul Durrieu - in: Heures de Turin (Paris, 1902).
4Konrad Sweynheym; duits boekdrukker, in de jaren 1465-'77 met zijn land- en vakgenoot Arnold Pannartz te Subiaco en naderhand te Rome werkzaam. Beiden voerden de nieuwe kunst in Italië in, en ondervonden daarbij te Rome de steun van de geleerde Johannes Andreae de Bussis, die sedert 1471 bibliothecaris van Paus Sixtus IV was. In bijna zeven jaren drukten beide drukkers zes en dertig werken in meer dan 12000 foliobanden. Een vrijwel volledig overzicht hunner produktie vindt men in deel IV (Italy: Subiaco and Rome) van de Catalogue of books printed in the XVth century, now in the British Museum (London, 1916). Vgl. verder: K. Haebler, Die deutschen Buchdrucker des XV. Jahrhunderts im Auslande (München, 1924).
5Men zie voor Geert Groote's Ruusbroec-vertalingen in breder verband: J.G.J. Tiecke, De werken van Geert Groote. Nijmegen, 1941; 171 vlgg.
6Vander navolginge Christi... herausgegeben von Cölestin Wolfsgruber. Wien, 1879.
7De hier genoemde verzameling is in 1958-1960 in drie delen door de firma Sotheby & Co te Londen geveild. Daarop hebben drie - onder de titel The Dyson Perrins Collection uitgegeven - verkoopcatalogi betrekking, waarvan de eerste voorzien is van een inleiding door Francis Wormald.
8Voor de verzamelingen van handschriften in de nieuwe wereld zie men de Census of medieval and renaissance manuscripts in the United States and Canada van Seymour de Ricci en W.J. Wilson (New York, 1935-1940; 3 dln. - Een supplement is aangekondigd). Het in deze alinea vermelde handschrift is een Nederlands gebedenboek - papier; overgang 15e-16e eeuw - dat (sedert 1957) onder signatuur 134 C 53 op de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage berust. (Vgl. voor een korte beschrijving: Verslag omtrent de Koninklijke Bibliotheek over 1957. 's-Gravenhage, 1958; 24).
9Hier is bedoeld Anton Reinhard Falck (1777-1843), Nederlands staatsman.
1Met het terughalen der handschriften en boeken is belast geweest P.C. Lammens, bekend geleerde en bibliophiel, die naderhand professor werd aan en bibliothecaris van de door Koning Willem I te Gent gestichte Universiteit.
10Bij het overlijden van de Keulse verzamelaar Joh. Wilh. Karl Adolph baron von Hüpsch († 1805) bleek dat deze zijn kunst- en naturaliën-kabinet benevens zijn vele duizenden delen tellende bibliotheek, waaronder 868 handschriften, bij testament vermaakt had aan de landgraaf Lodewijk, later eerste groothertog van Hessen. De codices maken thans deel uit van het bezit der Hessische Landes- und Hochschulbibliothek te Darmstadt. De directie dezer bibliotheek heeft nu een serie geopend van catalogi der handschriften uit haar bezit. Als eerste deel verscheen daarin: Deutsche und niederländische Gebetbuchhandschriften der Hessischen Landes- und Hochschulbibliothek Darmstadt beschrieben von Gerard Achten und Hermann Knaus. Darmstadt, 1959.
11Voor de opbouw der bibliotheek van Sir Thomas Phillipps (1792-1872), wel de grootste handschriftenverzamelaar ter wereld genoemd, zie men A.L.N. Munby's Phillipps studies 3 en 4, met name: The formation of the Phillipps library up to the year 1840 (Cambridge, 1954), en: The formation of the Phillipps library from 1841 to 1872 (Cambridge, 1956).
Voor het geslacht Meerman zie men J.H. Kernkamps Inventaris der familiepapieren Meerman, Van Westreenen, Dierkens en Van Damme, aanwezig in het Museum Meermanno-Westreenianum. ('s-Gravenhage, 1948). De huidige collectie is beschreven in de Inventaris van de handschriften van het Museum Meermanno-Westreenianum samengesteld door P.J.H. Vermeeren en A.F. Dekker ('s-Gravenhage, 1960).
Richard Heber (1773-1833) en Benjamin Thorpe (1782-1870) waren twee Engelse verzamelaars, waarvan vooral de eerste een enorme collectie bij elkaar heeft gebracht; Jacobus Koning (1770-1832; boekhandelaar en later griffier van een der Amsterdamse vredegerechten) en Petrus van Musschenbroek (1764-1823; jurist en historicus) waren beiden ijverige Nederlandse verzamelaars.
12Isaac Meulman (1807-1868). Amsterdams makelaar en groot boekenliefhebberen verzamelaar; zijn collectie pamfletten uit de tijd der kerkhervorming was vermaard. Na zijn overlijden is zij aangekocht door de Universiteitsbibliotheek te Gent.
13J. Aleida Nijland heeft haar verhandelingen over Vondels ‘Godefroy of Hierusalem verlost’ gepubliceerd in het veertiende tot en met het twee en twintigste verslag van de Vereeniging ‘Het Vondel-Museum’. (Amsterdam, 1931-1946).
1Zie de Analecta Bollandiana, t. XIV (1895), blz. 231 vlgg.
14Toen De Vreese deze rede uitsprak (1931) waren te Wenen de Hofbibliotheek en de Fideikommissbibliotheek al lang - sedert de aanvang der twintiger jaren - opgegaan in de Nationale Bibliotheek, die overigens in de oude gebouwen gevestigd bleef en na 1945 herdoopt werd tot Oostenrijkse Nationale Bibliotheek. Zo ergens dan blijkt hier hoe De Vreese ook bij deze voordracht uitging van het door hem in zijn B.N.M. verzamelde materiaal, dat daar natuurlijk voor wat de bibliotheken betreft steeds weer verwees naar de oude, van vóór 1914 daterende benamingen. Een overzicht van de geschiedenis der handschriftenafdeling der Oostenrijkse Nationale Bibliotheek vindt men in de inleiding tot Hermann Menhardt, Verzeichnis der altdeutschen literarischen Handschriften der Oesterreichischen Nationalbibliothek. Bd. 1. (Berlin, 1960).
15Een samenvattende publikatie over de codices te Kaapstad biedt L.F. Casson, The mediaeval manuscripts of the Grey collection in saleroom and bookshop. Quarterly bulletin of the South African Library XIV (1959) 3 vlgg.
16Hier wordt bedoeld Nicolaus Busch, de toenmalige bibliothecaris der stadsboekerij van Riga.
17Voor het uitzonderlijk belang dezer vertaling zie de samenvattende studie van Maartje Draak, De Middelnederlandse vertalingen van de proza-Lancelot. Amsterdam, 1954.
18Volgens artikel 1030 der Bouwstoffen berust de codex thans onder signatuur 2906 in de Universiteitsbibliotheek te Gent.
19Het hier bedoelde handschrift is codex 133 D 3; door de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage in 1896 voor een bedrag van f 120,- (een honderd en twintig gulden) verworven.
20Vgl. voor het verhaal dezer ontdekking de inleiding tot Willem de Vreese's uitgave van Die eerste bliscap van Maria ('s-Gravenhage, 1931). Naderhand is de codex - deel uitmakend van de Arenberg-collectie - wederom uit de gezichtskring der Nederlandse filologen verdwenen. Vgl. in dit verband: M.E. Kronenberg, De verspreiding van de Arenberg-collectie. Het Boek XXXIII (1958-1959) 16 vlgg.
21Vgl. hierbij Bouwstoffen artikel 871, nummer 5.
prepostterug  begin  verder