terug  begin  verderprepost
[p. 142]

Paradox over den grooten nood der Nederlandsche philologie (1933)

Cosijn, die onder de grammatici en linguïsten van zijn tijd allesbehalve de minste was, placht te beweren, dat er met het Middelnederlandsch niets aan te vangen is1. Dat oordeel, beter gezegd: deze uitval, was juist en minder juist te gelijk, al naar het standpunt: juist, ten opzichte van de vergelijkende taalkunde; minder juist, ten opzichte van het Nederlandsch op zich zelf. Toch kon Cosijn nauwlijks anders spreken: hij was een scherp aanvoelend, ja een groot grammaticus, die in alles behoefte had aan een absolute accuratesse, juist aan datgene dus, dat in het materiaal der Nederlandsche philologie niet te vinden was, noch - is.

Onder den druk van diezelfde ondervinding gekomen, heeft mijn nietigheid zich verstout en vermeten, nu reeds een halven menschenleeftijd geleden, zoo ongeveer te beweren, dat er althans met onze Middelnederlandsche tekstuitgaven niets te beginnen was, ‘omdat ze ons niet geven wat in de handschriften staat.’ Dat die jammerklacht als een stem in de woestijn is verklonken, zal niemand mogen noch willen volhouden. Integendeel: met voldoening dient erkend, dat sedert meer dan één uitgave verschenen is, waaruit groote eerbied voor het oorspronkelijk document en helder besef van de eischen der wetenschap spreken. Maar daarnaast zijn sommige Nederlandsche philologen en historici, of die zich zelven daarvoor houden, voortgegaan met het afleveren van uitgaven, die alle gezond verstand en allen wetenschappelijken zin trotseeren, en in elk geval zitten we nog altijd opgescheept, ja, opgescheept! met het werk uit vroeger jaren en tijden. De arbeid aan de Bouwstoffen van het Middelnederlandsch Woordenboek is een onafgebroken contact: aanraking, voeling en omgang met het materiaal der Nederlandsche philologie, en heeft den druk der oude ondervinding,

[p. 143]

dat een zeer groot percentage onzer tekstuitgaven onbruikbaar zijn voor het wetenschappelijk onderzoek, waarbij het waar en het wanneer van zulk uitnemend belang en groot gewicht zijn, - dat onafgebroken contact heeft dien druk tot een centenaarslast verzwaard, zoodat men het als een plicht tegenover wetenschap en vaderland gevoelt, wellicht ten koste van een omziens teleurstelling of zelfs ergernis, de gemoederen wakker te schudden en op te wekken tot pogingen, den Nederlandschen taalwagen uit het moeras te trekken. Verdam's Tekstcritiek in het Middelnederlandsch Woordenboek2 en de tot enkele of weinig woorden beperkte waardeering der tekstuitgaven in de Bouwstoffen van zijn werk zullen waarschijnlijk al menigeen bedenkelijk het hoofd hebben doen schudden. Maar zelfs deze bijna 24 duizend emendaties en de aanteekeningen bij de Bouwstoffen, hoe duidelijk ook geformuleerd, geven nog maar een flauw denkbeeld van wat men, zonder overdrijving, den desolaten boedel der Nederlandsche philologie noemen kan. Het is veel erger, dan men uit die lange lijsten afleiden zou. Het is een waarheid als een koe, dat, om een tekstuitgave te kunnen maken, toch op zijn minst twee dingen noodig zijn: men moet de taal kennen, en men moet de handschriften kunnen lezen. Het meestendeel onzer tekstuitgevers hebben noch de eene gekend noch het andere gekund - de wél bekwame, onder hen niet te na gesproken. Van de dwaalwegen, waarop hun arbeid onze grammatici en lexicographen heeft gebracht, zou men U heden eenige staaltjes willen meedeelen, in de hoop dat de revolutionaire overtuiging, die mij bezit en bezielt, ook over U vaardig moge worden.

 

Onze handschriften-, auctie- en tentoonstellingscatalogi, ook nog de allernieuwste en de allerjongste, de inleidingen tot onze tekstuitgaven, de geschiedenissen onzer letterkunde, alle staan vol met dateeringen als: handschrift uit de 12de -, uit de 13de -, uit de 14de eeuw, alsof een eeuw niet duurde van het jaar één tot het jaar honderd: a long way to Tipperary. De tijd is toch al lang voorbij, sedert men het niet verder brengen kon, dan het noemen van de eeuw, waarin een handschrift zou geschreven zijn, - althans wat Nederlandsche handschriften betreft.

De gevolgen daarvan zijn pernicieus: wat we als ‘wetenschap’ opdisschen is vaak nauwelijks meer dan een aaneenschakeling van valsche voorstellingen.

De oudste Nederlandsche litteraire handschriften die, voor zoover mij bekend, nog aanwezig zijn, zijn de volgende.

[p. 144]

In de allereerste plaats de fragmenten van den roman van Aiol, op de Universiteitsbibliotheek te Leiden3, in de allereerste jaren van de dertiende eeuw in Limburg geschreven1.

Iets jonger, ongeveer uit het midden der 13de eeuw, zal zijn het bekende Luiksche handschrift van het Leven van Jezus, uitgegeven door G.J. Meijer2.

Daarna:

de fragmenten, nauwelijks meer dan enkele snippers, van de berijmde Sint-Servatiuslegende, te München, Bayerische Staatsbibliothek, en te Leipzig, Bibliotheek van het ‘Reichsgericht’3;

de fragmenten, eveneens een paar snippers, van den Renout van Montalbaen4, te Riga, Stadsbibliotheek4;

een en ander uit handschriften, die stellig al een halve eeuw jonger zijn dan dat van den Aiol: de geringheid der fragmenten maant echter tot groote voorzichtigheid. In elk geval ontbreekt de d met loodrechte schacht.

Omstreeks 1280, wellicht zelfs in de allerlaatste jaren van de dertiende eeuw lijken geschreven te zijn: het handschrift van het Leven van St. Lutgardis, op de Koninklijke Bibliotheek te Kopenhagen, ontdekt en uitgegeven door F. van Veerdeghem5;

hs. 369 van de voormalige Koninklijke Bibliotheek te Hannover, dat o.a. bevat de ‘middelnederfrankische’ vertaling van Richard de Fournival's Bestiaire d'amour en van het Moralium Dogma van Guillaume de Conches, beide uitgegeven door John Holmberg6;

de fragmenten van de Wrake van Ragisel, op de Landesbibliothek te Düsseldorf, uitgegeven door H.E. Moltzer7;

de fragmenten van het Leven van S. Cristina, thans op de universiteitsbibliotheek te Amsterdam, uitgegeven door Bormans8;

[p. 145]

de ‘Darmstädter Fragmente’ van Reinaert I (fragment E), uitgegeven door Ernst Martin1;

het handschrift van de Middelnederlandsche vertaling van de Apocalypsis, op de Bibliothèque Nationale te Parijs, fonds néerlandais nr. 3, lang niet onberispelijk uitgegeven door O. Behaghel2;

een ander handschrift van denzelfden tekst, ontdekt boven op een vijf meter hooge kast van de Academie van Wetenschappen te Leningrad;

het zoogenaamde Boec der Minnen5, dat is Hs. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek 73 G 30, door Verdam geëxcerpeerd voor het Middelnederlandsch Woordenboek3;

de bekende fragmenten van het Nevelingenlied, thans ms. Egerton 2323 in het British Museum te Londen4;

fragmenten van een receptenboek, voorafgegaan door de inleiding tot het eerste boek van Jacob van Maerlant's Naturen Bloeme, in de Preussische Staatsbibliothek te Berlijn.

Omstreeks 1300 zullen geschreven zijn:

de fragmenten van den Bere Wisselau, thans ms. Egerton 2323 in het British Museum te Londen5;

de fragmenten van een handschrift met minneliederen, in 1926 door Erik Rooth in de universiteitsbibliotheek te Lund gevonden6;

een fragment van Maerlant's Alexanders Geesten, nr. 1196 van de handschriften onzer Maatschappij7;

en waarschijnlijk ook reeds de verloren geraakte, althans nog niet weer voor den dag gekomen fragmenten van Floris ende Blanchefloer, die door Jos. Alberdingk Thijm in het eerste deel van zijn Dietsche Warande zijn uitgegeven: het daarbij gevoegde facsimile, dat voor zijn tijd tamelijk goed was, laat daaromtrent weinig twijfel over.

Uit het begin der 14de eeuw zouden verder reeds een aantal handschriften te noemen zijn, in de eerste plaats de zoogenaamde Limburgsche Sermoenen en handschrift F van Reinaert I; omstreeks 1330-1340 het zoogenaamde Comburgsche8 en het Zutphensch-Groningsche handschrift9.

[p. 146]

Intusschen - hoe zeker van zijn zaak een palaeograaf van professie zich ook voelen moge - deze en dergelijke dateeringen zijn en blijven gissingen. Geheel en al vasten bodem onder de voeten hebben we in de 13de eeuw slechts met een paar handschriften.

Het oudste gedateerde Nederlandsche handschrift dat nog bestaat, is waarschijnlijk de codex Junianus 83 van de Bodleiana te Oxford, die een kalender, dd. 1252 bevat, en daarbij, door dezelfde hand in margine geschreven, een aantal Middelnederlandsche dieetregelen1.

Daarna vallen we onmiddellijk op het jaar 1294 met de fragmenten van het zoogenaamde ‘Oudenaardsche handschrift’, eerst uitgegeven door D.J. Vander Meersch, en later opnieuw, en volstrekt niet beter door Nap. de Pauw2.

Het jaartal 1270 van handschrift E van Maerlant's Rijmbijbel, dat de geheele 18de eeuw met dat etiket van hand tot hand is gegaan, is een mythe gebleken.

In de 14de eeuw en in de 15de, vooral na 1450, zijn we om gedateerde handschriften minder verlegen, zoo weinig, dat het ons te ver voeren zou, ze alle op te noemen. Maar hier wacht ons een nieuwe teleurstelling. Nu worden we nl. overstroomd met apocriefe dateeringen. Zonder angstvallig onderzoek vindt men: van 1213 tot en met 1400, 56 handschriften met valsche of vervalschte dateeringen; van 1401 tot en met 1425: 19; van 1426 tot en met 1430, een tiental; daarna, tot en met 1450: een half dozijntje. De meeste der aldus ouder gemaakte codices zijn tusschen 1460 en 1480 geschreven; er zijn er echter nog jongere bij. Wilt Ge niet eenige voorbeelden?

Hs. Straatsburg, Bisschoppelijk Seminarie 16, gedateerd 1213, is juist drie honderd jaar jonger.

Hs. München, Bayerische Staatsbibliothek, Cod. germ. 137, is gedateerd 1283; lees 1483.

Hs. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek 133 F 18, gedateerd 1307, is omstreeks 1450 geschreven.

Hs. Burgsteinfurt, Jacob van Maerlant's Merlijn is niet geschreven in 1326, maar ca. 1420.

Hs. Nijmegen, Ignatiuskerk, gedateerd 1357, is geschreven in 1458.

Hs. Leiden, Letterkunde 252, is niet geschreven in 1361, maar in 1461.

[p. 147]

Hs. Den Haag, Museum Westreenianum, 10 F 15, gedateerd 1404, is pas ca. 1510 geschreven.

Hs. Zaltbommel, Coll. Beckering Vinckers, gedateerd 1405, is geschreven omstreeks 15101.

Hs. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, Verslag 1910, nr. 11, dat in 1408 heet geschreven, dateert zeker ongeveer uit het jaar 1530.

Hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek II 2409, zoogenaamd uit 1412, en door Lelong, Koning, V. Druten enz. met dat jaartal versleten, is uit 1491.

Hs. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 131 F 24, gedateerd 1420, is eigenlijk uit 1520.

Hs. Leiden, Letterkunde 234, zoogenaamd gedateerd 1423, is 60 jaar jonger.

Hs. Kopenhagen, Koninklijke Bibliotheek Thott 131, 8o, gedagteekend 1429, werd geschreven in 1529.

Hs. Dresden, Sächsische Staatsbibl. M 255, gedateerd 1450, werd geschreven in 1482.

Enz. enz.

Hoe dergelijke apocriefe dateeringen in de wereld gekomen zijn?

Sommige zijn het gevolg van een vergissing onzer geleerden. Velen hunner waren of zijn, b.v., niet goed bekend met den voor moderne oogen eigenaardigen vorm van de middeleeuwsche Arabische 5, en hebben dit cijfer volkomen te goeder trouw voor een 4 genomen.

Maar de meeste apocriefe dateeringen, die hier bedoeld worden, staan in de handschriften zelf en zijn - kort en goed: vervalschingen.

Hoe die vervalschingen tot stand kwamen?

Het is zonder meer duidelijk, dat het een klein kunstje is, een of twee c-tjes of een x-je weg te krassen, een c-tje tot een x of tot een i-tje te vervormen, er een paar i-tjes bij te fabriceeren en dergelijke - zooals o.a. het geval is met Hs. Brussel, Kon. Bibl. II 2409, boven genoemd. Maar er is nog iets anders, om niet te zeggen: iets ergers.

In een aantal onzer handschriften vindt men namelijk, meestal op de laatste bladzijde, desnoods op een andere waar de ruimte er voor was, een jaartal, meestal zelfs een uitgebreide aanteekening, geschreven door een hand, die met minder of meer handigheid - in dit geval meest altijd minder dan meer! - het oude schrift trachtte of wist na te bootsen. Die aanteekening schrijft dan het handschrift aan de librije van een of

[p. 148]

ander klooster toe, met een dateering die het boekje in eens een of twee eeuwen ouder maakt dan het werkelijk is.

Vandaar dan ook, dat de valsche dateeringen omstreeks met 1425-1430 vrijwel hun grens bereikt hebben; een jongere datum loonde de moeite niet meer.

Voor 't oogenblik zullen we ons in het onderzoek dezer aanteekeningen niet verder verdiepen; laten we volstaan met de vermelding, dat de meeste hoogst waarschijnlijk uit dezelfde ‘officine’ herkomstig zijn, welke officine, tot haar straf wel eens zal ontmaskerd worden, - tot haar straf, want ze heeft heel wat schade aangericht. Niet alleen haar tijdgenooten heeft zij beetgenomen, maar ook dezer nakomelingen, geleerden en ongeleerden. Dat sommige handschriften, op grond van dergelijke aanteekeningen, te goeder trouw, al is het dan in strijd met artikel zooveel van de bekende Handleiding6, ingelijfd zijn in het archiefdepôt van een stad waar ze heeten geschreven te zijn, een depôt, waar niemand - tenzij dan met één uitzondering - ze zoeken zal, is wel verkeerd, maar nog geen doodzonde. Erger is, dat de geheele wetenschappelijke wereld, voor zoover ze zich dan voor die handschriften interesseert, in die jaartallen reeds twee eeuwen lang heeft geloofd en dat ze, dientengevolge, met dien ouderdom, zou men haast zeggen, in het Middelnederlandsch Woordenboek staan aangehaald. Ziehier enkele voorbeelden van zulke handschriften, die in het Middelnederlandsch Woordenboek veelvuldig aangehaald worden:

Het Bijbel (Hs.) van 1360, dat wordt aangehaald naar en bij Clignett, is geschreven omstreeks 14701.

Het Bijbelhs. op perkament van 1405, is gebleken een lectionarium te zijn, geschreven omstreeks 15102.

De Bijbel v. 1360 is geschreven omstreeks 14253.

De Bijbel van 1357 is geschreven ca. 1460, in weerwil van een aanteekening aan het slot, waarin het hs. 1358 (niet 1357) gedateerd is: schrift én taal zijn met een datum als 1358 in strijd. De aanteekening is blijkbaar slaafsch uit het voorbeeld overgenomen4.

Zoo iets overkomt ons echter niet alleen met handschriften.

In de twee laatste deelen van het Middelnederlandsch Woordenboek kan men een aantal, zeer welkome citaten lezen met de opgave: ‘Ser-

[p. 149]

moenen, 1520’. Daarmede wordt verwezen naar den door wijlen Acquoy bezorgden herdruk van de Sermonen oft wtlegghingen op alle de Euangelien vander Vasten metter Passien... Gheprint int Jaer ons Heeren. M.D.xx. Ende ghemaect by den deuoten Pater Broeder Niclaes Peeters Minnebroeder ende Gardiaen.

Hetzij men deze sermoenen afkomstig acht van de pers van Steven Mierdman, of van die van Niclaes van Oldenborch en den eersten als een mythe beschouwt, één ding is zeker: deze bundel, mét zijn vervolg, is in géén geval in 1520 gedrukt; waarschijnlijk zelfs niet vóór 1540, zoogoed als zeker pas tien of een kleine tien jaar later. Daarenboven is dat geen uitgave van sermoenen die uit vroeger tijd in handschrift overgeleverd waren, neen: het zijn sermoenen die geschreven zijn in het jaar waarin ze gedrukt werden, d.w.z. om en bij het jaar 1550!

Uit de Bouwstoffen van het Middelnederlandsch Woordenboek blijkt overduidelijk, dat talrijke handschriften, gedateerde en ongedateerde, veel jonger te dateeren zijn, dan in Verdam's ‘bronnenlijsten’ geschied is, en waarin, overigens, de algemeen heerschende meening tot uiting kwam. Verder blijkt uit diezelfde Bouwstoffen dat de teksten uit de 16de en 17de eeuwen die in 't Middelnederlandsch Woordenboek aangehaald worden, veel, véél talrijker zijn, dan men uit diezelfde bronnenlijsten en uit de opgaven in het Woordenboek zelf kan opmaken. Daar komt nog bij, dat zeer vele oorkonden en andere officieele stukken slechts in een minder of meer gemoderniseerde redactie tot onzen dienst staan. Dit is o.a. het geval met alle handvesten, privilegies en costumen, die na 1548 op last van Keizer Karel V moesten gehomologeerd worden. Daarmee zijn jaren gemoeid geweest - niet zelden tengevolge van den onwil der steden -, zoodat menige homologatie pas onder Albert en Isabella, na 1611 en zelfs nà 1618, haar beslag gekregen heeft1. Als men dat alles kalm en zakelijk overweegt, dan komt men tot het eenigszins teleurstellende besluit, dat ons Middelnederlandsch Woordenboek slechts voor een zeker percentage zijn naam verdient: de meeste teksten, die er de bouwstoffen voor geleverd hebben, zijn, strikt genomen, geen zuiver Middelnederlandsch meer, maar een mengsel van drie stadia: Nederlandsch uit de 13de en 14de eeuw, uit de 15de en uit de 16de.

 

* * *

[p. 150]

Welbekend is Verdam's proefschrift7, waarin deze een aantal ‘bedorven’ plaatsen behandelt en de fouten palaeographisch tracht te ordenen en te verklaren: verwisseling van c en t, van r en t, van n met andere medeklinkers, verwisseling van klinkers, verwarring van meer dan een letter, fouten ontstaan door een verkorting, door 't wegvallen van een of meer letters, door het uitvallen of invoegen van een woord, door het uiteenvallen van een woord, minder gewone verwarring van medeklinkers, verkeerde volgorde der woorden, enz.: 't zijn een zevental hoofdstukken, die echter nog bij lange geen nauwkeurig denkbeeld van den toestand kunnen geven.

Wie, Verdam's voorbeeld volgende, de duizenden en duizenden fouten van dien aard die in onze tekstuitgaven te vinden zijn, onder dergelijke rubrieken tracht te ordenen, ontdekt dat hij het tot vér boven de honderd zulke discordances brengen kan, neen: brengen moet, en komt daarbij de grappigste, maar niet zelden ook de bedroevendste en belachelijkste vergissingen tegen.

Zoo zijn ontstaan, bij de vleet, lezingen als de volgende:

om slapen gaen voor en slapen gaen
terntijt voor tercitijt
in cargeheide voor montange, heide
wekeloos voor roekeloos
wuiven voor rouwen
craet voor etaet
sauentenduuc voor sauue conduut
rechtscuwige voor rechtsculdige
in weder tale voor in waerder tale
samsch voor scuusch
suvetcleet voor sweetcleet
vincture voor iuncture
cuene voor evene
flavine voor slavinne
cute voor cnien
siin voor suuer
duvel voor penninc1
vervaden voor verraden2
woekereere voor dobbeleere

[p. 151]

lien voor men
zwerende voor zuverende
merleke voor innerlike

Enz. Enz. Enz.

Er zou weinig of niets aan gelegen zijn, indien deze en dergelijke ‘misvattingen’ maar niet au sérieux waren genomen, zooals, eilacy! het geval is geweest. Zoo b.v. hebben én Franck én Van Helten én Verdam zich alle drie druk gemaakt over een werkwoord driscen, doordien Jonckbloet in zijn Walewein-uitgave, vs. 546, heeft gedrukt dreesc in plaats van creesc (van crischen), een fout, wellicht maar een drukfout, die pas na een halve eeuw door Penon ontdekt en aan het licht werd gebracht1.

Zelfs de bekwaamste en waakzaamste lexicograaf moest er wel eens in loopen. Daaraan hebben we in 't Mnl. Wdb. het artikel Alembijt te danken. Het woord is immers alembijc, waarnaast een vorm op t onmogelijk is.

Vooral verkortingen en ligaturen speelden en spelen de minder ervaren tekstuitgevers parten. Daaraan dankt het Mnl. Wdb. zijn artikel aenscuren, doordien in Lett. N.W. 52, 100 te lezen staat: aie edel aren, die hoech aenscuert enz. Het handschrift heeft - natuurlijk - aenstaert.

Op welke dwaalwegen de Nederlandsche philologie nog verder gestuwd is, moge uit de volgende voorbeelden blijken.

‘De in de fragmenten van den Ogier (Belg. Mus. 2, 337, 93) genoemde Avelanse zijn zonder twijfel ook Nederlanders. Daar de rijmregel ontbreekt, is het onzeker of ook Aveloise moet worden gelezen, dan wel of Avelans een gewijzigde vorm van Avelois is. ’

Aldus het Mnl. Wdb. 1, 486.

Avelans is echter heelemaal geen ‘gewijzigde vorm’ van Aveloise en 't is heelemaal niet onzeker ‘of ook Aveloise moet worden gelezen’. Het handschrift hééft immers Aveloyse.

Het laken uit de Fransche stad Bernay schijnt in een reglement van scheepvaart en tolheffing op het Zwin, ao 1252, bedoeld te zijn en heet daar eenmaal baynais, een ander maal veinais2. Er is een groote kans dat dit veinais beinais moet luiden, en dat zoowel baynais als beinais verkeerde lezingen zijn van bar-, bernais. Maar het Mnl. Woordenboek vermeldt

[p. 152]

ook een ‘nog sterker verbasterde’ vorm binees, op grond van een voorbeeld uit het Boek met den knoop (waar het bewuste reglement in voorkomt), berustende op het gemeentearchief te Aardenburg1. Daar is nl. sprake van moreit, dat al in waerpe ghelijc brunette moet zijn, sonder binesen, d.i., zegt het Mnl. Wdb., ‘uitgezonderd Bernaylakens’. Er staat echter in het handschrift sonder bivelen.

Het Mnl. Wdb. 1, 891 heeft een art. *benunne (met een starretje!), bij deze twee verzen uit een gedicht gedrukt bij W. Moll, Johannes Brugman en het godsdienstig leven onzer vaderen in de vijftiende eeuw, dl. 2 (1854), blz. 288:

 
Een yeghelic neme dat hi vermach ende can,
 
ende benunne also vele als hem god gav.

Verdam heeft heel goed ingezien, dat dit benunne geen zin heeft, en zegt ten slotte: ‘men leze beminne’. Men verwondert er zich lichtelijk over, dat het daarbij blijft en geen woord gewijd wordt aan gav (met een v!). Het rijm schreeuwt immers om gan.

Het handschrift heeft én beminne én gan.

Dat is geen alleenstaand geval: de tekstuitgaven van Moll zijn over 't algemeen niet zeer nauwkeurig, en hij weet het vaak beter dan het handschrift. Daarom voegt hij bij bidden een voorzetsel tot in (2, 152), verandert ontsach in ontstack (2, 156), daer in daerin (2, 159), visiert in versiert (2, 351), Inden eersten in Ten - (2, 329), moderniseert spelling en verbuiging en laat weg wat hém overbodig dunkt, leest verbeteren inplaats van verteren (2, 258), of zet zijn lezer raadseltjes als 't volgende voor: Daer ghinghen sitten mannen bi ghetale bina vm. In 't handschrift staat duidelijk: v.M. = 5000.

Het Mnl. Wdb. 1, 1169 heeft een art. betwerf, ‘van bet in den zin van meer... en werf, d.i. maal, meermalen, herhaaldelijk’. Voorbeeld: ‘Hoe wi korts ende bettwerf... gesent hebben... Jan van Mersen’, Charter aangehaald bij P.H. Van de Wall, Handvesten, Privilegien, Vrijheden, Voorregten, Octrooijen en Costumen... der stad Dordrecht. Eerste Deel (Dordrecht, 1790), blz. 468 noot. Dat is op zich zelf geen onzin, en toch - het hs. heeft lestwerf!!

Het Mnl. Wdb. 1, 1421 heeft een artikel brantwake = brandwacht, terwille van den volgenden tekst: ‘Item sullen wesen twaelf brantwake te Briele ende sesse te Maerland’, Verslagen en mededeelingen [van de]

[p. 153]

Vereeniging tot uitgave der bronnen van het oude vaderlandsche Recht, dl. 1 (1885), blz. 356.

Wie ooit in Den Briel geweest is, zal zich nog wel kunnen voorstellen, dat er in de stad 12 brandwachten waren, al zouden er dat vrij veel geweest zijn, en aangenomen dat elke brandwacht één man zou geweest zijn; maar dat er op het Maerland zes zulke brandwachten zouden noodig geweest zijn, lijkt toch heelemaal onmogelijk: dan zouden ze wel op 30 passen van elkaar hebben moeten staan. De magistraat van Den Briel is dan ook niet zoo gek geweest, dat te ‘verordonneeren’: in het handschrift staat branthake, en dát laat zich hooren: ook in het Keurboek van Leiden 7, 25 en in de Friesche Stadrechten 37, 99 is er sprake van branthaecken: ‘sesthien ladderen ende acht brandthaecken’ voor de geheele stad Leeuwarden!

Het Mnl. Wdb. 1, 1497 heeft een artikel chermaelge, met een vraagteeken. Aan een verklaring hebben Verwijs en Verdam zich niet gewaagd; ze bepalen zich bij het aanhalen van Diericx, Mémoires sur la ville de Gand, dl. 2 (Gand, 1815), blz. 256: ‘de croene ende thaer van finen gaude, ende de t'sermaelgen, tsweert ende dwiel’ enz. Er is nl. kwestie van een schilderij, die de H. Katharina zou voorstellen. Dit t'sermaelgen heeft onze lexicografen begrijpelijkerwijs van de wijs gebracht: Diericx heeft ts gelezen in plaats van f: in het oorspronkelijke, het Jaerregister vander Keure van Gent over 14341, blz. 22 b, staat te lezen, duidelijk en ontwijfelbaar: ende de fermaelgen. Een fermaelge, fransch fermail2, is een gesp, synoniem met mnl. broke, hecsel, span, vestele, vestelkijn, vestelinc. Bij Jan Bottelgier, Summe Rurael, cap. 1803, leest men dan ook: een habite... den trou rinck ende een fremale4.

Het Mnl. Wdb. 3, 417/8 heeft een artikel hevewech waarbij een vraagteeken weer van Verdam's twijfelingen getuigt. Er is sprake van herewegen.

Het Mnl. Wdb. 3, 806 heeft een art. *ifst (yfst) ter wille van den volgenden tekst:

‘Present ooc van dien van Curtrike J. Stutin ende J. Scake yfste van Curtrike ende andre hare ghesellen van der wet’ enz., Cout. v. Brugge 1, 4275.

[p. 154]

Verdam teekent daarbij aan:

‘Het woord wordt in de fransche vertaling weergegeven door prévôts, doch het blijkt niet waarop deze vertaling steunt. Misschien is scake yfste een verkeerd overgeleverde familienaam: de betrekking der genoemde heeren volgt in “gesellen van der wet”’.

De man, die yfste door prévôts heeft vertaald, heeft waarlijk een genialen inval gehad, en 't verbaast dat deze vertaling én den uitgever dezer costume én Verdam niet op het goede spoor heeft gebracht. De uitgever heeft zijn handschrift verkeerd gelezen: wat hij voor een y heeft aangezien, is ongetwijfeld een p met een abbreviatuur: het oog verlengd naar rechts en dan weer door de schacht getrokken: p = pro-. Er staat dus ongetwijfeld in het hs.: pfʃ̇te = profste - wat alles opheldert!

In Jacob van Maerlant's Spiegel Historiael, uitgave van Eelco Verwijs en M. De Vries II5, 34, 13 kan men de volgende verzen lezen:

 
Desen heiligen man
 
wies die gracie Gods so an,
 
dat miracleren bi hem gescieden.

Dit heeft Verdam 4, 1643 i.v. mirakele de volgende woorden in de pen gegeven: ‘in dezelfde bet. komt bij Utenbroeke voor miraclere, dat misschien komt van een mlat. miracularium, hetwelk evenwel bij Ducange niet staat opgeteekend. De uitgevers hebben het op twee plaatsen veranderd, doch op de derde laten staan’.

Inderdaad: II2, 29, 20 en 22 heeft de uitgave: miracle. Maar het Mnl. Wdb. stelt den gang van zaken verkeerd voor: ‘de uitgevers’ hebben de lezing van het hs. op die twee plaatsen niet veranderd, ze hebben dit op twee plaatsen goed gelezen en op de derde verkeerd: ze hebben dit teeken, waartoe de gesuscribeerde u allengs verbasterd is, aangezien voor het verkortingsteeken voor -er-. In het handschrift zal staan: miracl'e = miracule, dat verkeerd gelezen is als miraclere. Ook Lelong heeft in zijn uitgave van Lodewijk van Velthem's Rijmkroniek 8, 16, 13 miraclere gelezen en gedrukt, maar ter eere van Verdam moet gezegd worden dat hij, die plaats uit Velthem in dl. 8, 1354 van het Mnl. Wdb. aanhalende, Lelong's verkeerde lezing naar den eisch geëmendeerd heeft1.

Het Mnl. Wdb. 4, 2571 heeft een art. ‘Nuyt... andere vorm voor

[p. 155]

uyt’, ten behoeve van vs. 1065 van de Eerste Bliscap van Maria, waar Gherechticheit zegt:

 
na dat ghi sprect
 
Soe soude de mensce van sinen mesdaden
 
Ongecorrigeert bliven, en bi genaden
 
Nuyt gaen van dat hi mesdoet.

welke plaats i.v. utegaen nogmaals geciteerd wordt, met de n tusschen haakjes, wat volgens de gewoonten van Verdam zoowel kan beteekenen, dat de n, als zijnde foutief gelezen, moet wegvallen, als dat nuytgaen een ongewone, z.i. ‘abnormale’ vorm is.

Wat Verdam er zich ook bij moge gedacht hebben, één ding is zeker: dat utegaen van dat hi mesdoet geen taal is, geen Middelnederlandsch en ook geen Nieuwnederlandsch, al maakt het de gedachte aan ‘vrij uitgaan’ wakker. Maar J.F. Willems had Nuyt gelezen, en Moltzer had daar geen graten in gevonden, ofschoon die er beslist wel in zaten. Inderdaad: het handschrift heeft Quyt gaen.

Het Mnl. Wdb. vermeldt, als een staande uitdrukking, naast der naturen scout betalen, ook der werelt scout gelden en beroept zich daarbij - tot tweemaal toe: zie 4, 2198 en 7, 712 - op Velthem I, 66 = I, 2, 16, maar in 't handschrift staat:

der doot scout

wat immers dé uitdrukking is1.

Doordien Stallaert op een gegeven oogenblik een vijftiendeeuwsche S niet heeft weten te onderscheiden van een B, en slandereel heeft gelezen in plaats van blandereel2, is dit ware woord niet, en het monstrum wél in het Mnl. Wdb. gekomen3.

Hoe 't mogelijk geweest is, dat de uitgever van een fragment van den Spiegel Historiael gelezen heeft Ysydorius van Machedone, terwijl in het handschrift, zooals trouwens te verwachten was, zeer duidelijk staat philippus (alleen de uitgang -us is afgekort), is duister en palaeographisch moeilijk verklaarbaar. De verkorting voor de slotlettergreep -us moet dezen geleerde niet goed bekend geweest zijn, want hij heeft in denzelfden tekst herhaaldelijk daer gedrukt waar het hs. d9 = dus heeft.

[p. 156]

Een andere merkwaardigheid is de volgende plaats:

 
Int selve iaer Jan van bleven,
 
Die grave, is te coninge verheven
 
Te Jherusalem in die stede,
 
Ende zijn wijf gravent mede.

Dat gravent heeft den uitgever blijkbaar toch wel hoofdbreken bezorgd, want hij heeft achter 't vers een vraagteeken gezet. Hij zal gedacht hebben aan gravinne, of, eer nog, aan den specifiek Vlaamschen vorm gravenede. Edoch: als een man koning wordt, dan wordt zijn vrouw toch niet gravin, maar koningin. Er staat in 't handschrift echter noch gravinne, noch gravenede, noch coninginne, maar:

Ende zijn wijf gecroent mede.

Nu begrijpt Gij wat er gebeurd is. De uitgever van het fragment heeft de cr van gecroent allereerst voor een a aangezien, en eenmaal op 't verkeerde pad, is hij de eerste -e- als een -r- en de -o- als een -v- gaan lezen1.

Men moet erkennen, dat de fout zéér, zéér - niet voor de hand, maar voor het oog ligt. In een eenigszins compres geschreven gothische hand lijken cr en a - althans op het eerste gezicht en voor een onervaren blik - als twee druppelen waters op elkaar.

Hetzelfde is het geval met ci, zoodat b.v. feliciaen er uitziet als feliaaen, zooals dan ook afgeschreven en gedrukt werd. Vandaar ook foutieve lezingen als:

sacken voor scicken, V. Alkemade, Priv. v.d. Briel 1, 242.
salt voor scilt, Jan Yp. 37.
besacken voor bescicken, Diepenv.2 155.
saltcnecht voor sciltcnecht, Grimb. I 245.
uutsaecten voor uutscieten, Oude R.v. Dordr. 2, 190, 5.

Welke parten dit ci een ander geleerde gespeeld heeft, zullen we weldra zien.

In het ronde schrift van de dertig eerste jaren van de 15de eeuw lijken twee opeenvolgende bb's voor een ongeoefend oog zéér op een w, en

[p. 157]

omgekeerd. Foutieve lezingen als verscuwet in plaats van verscubbet (Rijmbijbel vs. 34745), wederstuwighe in plaats van wederstubbighe (Nederlandsch Proza van... 1229 tot 1476, blz. 112), hewinge in plaats van hebbinge (Meylink, Delfland, Bijl. blz. 1611 zijn dan ook niet zeldzaam.

Een ligatuur die tot nóg veel gekker fouten aanleiding gegeven heeft is lb. Gij herinnert U ongetwijfeld allen lezingen als iseme pech gelezen voor tsente peters bij Velthem 5, 34, 23; als het beruchte culbangelistic bij Jan Yperman, Chirurgie, blz. 35, gelezen voor ewangeliste; dare na ulbe, ibidem, blz. 36, voor dorenauwe. Maar in de Oorkonden van Helmond, blz. 44, leest men toch ook met alinghen ghelborigen segelen in plaats van ghewarigen segelen, en Stallaert is er in geslaagd een woord cussenwaderen te ontdekken, terwijl in het handschrift staat cussenbladeren, d.z. kussensloopen. In de Vlaamsche Rijmkronijk, vs. 10549 wordt verteld, dat te Brugghe in de santelbarie drie jonghe kindre versmachtten; verkeerde lezing voor santewarie = sanctuarium, sacramentskapel. Als variant van Naturen Bloem. III, 3 wordt opgegeven swallbe. In het handschrift staat ongetwijfeld swalwe. Wie nog meer voorbeelden verlangt, kan er bij de vleet vinden in de uitgave van het Cartularium van Lodewijk van Male (2 dll., 1898, 1901).

Een ander geval met w vertoont het art. Wanlijc, Mnl. Wdb. 9, 1700, met een vraagteeken, naar aanleiding van:

 
Een wanlijc wesen mijn oogskins saghen
 
wien ic ghetrauwicheit moet thoescriven.

Anzeiger f. Kunde der teutschen Vorzeit, dl. 5 (1836); kol. 3522.

Verdam constateert dat de beteekenis waenlijc hier niet past; misschien moet men lezen wandelijc, ‘veranderlijk, wispelturig’.

Maar dat wandelijc past hier toch al evenmin: de minnaar die een lofrede op zijn geliefde houdt, zal toch niet beginnen met haar wispelturig te noemen. Neen zeker niet; in 't handschrift staat dan ook alleen maar een vraulijc wesen.

Niet alleen de bekende uitdrukking alse gers ende griet is tot een verbinding van twee eigennamen verheven3; ook aan het bijwoord altehant is die eer te beurt gevallen4: Holland en Vlaanderen zijn daarmee quitte.

[p. 158]

Als we de Oude Nederlandsche Spreuken en Spreekwoorden, in 1836 uitgegeven door G.J. Meijer ter hand nemen, doen we andersoortige ervaringen op. Vele dezer spreuken bestaan, zooals bekend, uit twee gedeelten, waarvan het een het ander opheldert; bij een aantal staat dan nog een nadere verklaring, die wellicht afkomstig is van den drukker Peter Warnersen te Campen, die dese Gemeene Duytsche Spreckwoorden in 1550 voor 't eerst heeft uitgegeven1. Wat doet nu de negentiendeeeuwsche uitgever? Hij laat in een aantal gevallen de tweede helft van de spreuk weg, en verbindt de eerste met de verklaring van Peter Warnersen. Klaar is Kees: zóó worden de spreekwoorden door Harrebommée, Verdam, Stoett, Alf. de Cock en hun af- en naschrijvers de goe gemeente weer opgedischt. Een paar voorbeelden uit vele:

Tis een vrendeloes jaer / elck eete eer hy wtgae wat weinig zegt; maar 't origineel luidt:

Tis een vrendeloes jaer / elck sie wel toe / dat hy selfs wat hebbe. en dáárop volgt de verklaring: Elck eete eer hy wtgae.

Sijn onschult beschuttet hem, gelyck een yseren wandt ende bolwerck.

Maar Meijer heeft weggelaten: gelijck een stalen muyre.

Der moet gegeten sijn, al weren alle bomen galghen in plaats van:

Der moet gegeten sijn, al stonde die galghe voer die doere.

Vele malen heeft Meijer twee verschillende spreukjes tot ééne vereenigd. In een aantal andere gevallen heeft hij zich eenvoudig ‘miszien’, zoodat hij het eerste gedeelte van een spreuk verbindt met het tweede van een andere, die een paar of eenige regels verder staat. Een paar zijner vele andere fouten zijn de lezingen ieveldaet en teerrer, waaraan wij de artikelen ieveldaet en terer in het Mnl. Wdb. te danken hebben: het oorspronkelijke heeft oeueldaet en verterer. Hoe hij aan den tekst gekomen is:

Wat hy anslaet, tis al mit hem achter die hant terwijl Warnersen gedrukt heeft:

Wat hy anslaet, tis al mit hem voer den windt is niet op te helderen.

In de Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom van Haarlem, dl. 30 (1906), zijn extracten uit de rekeningen der kerkmeesters van de Sint-Pieterskerk te Leiden over de jaren 1398-1428 uitgegeven2. In 264 regels kan men zonder moeite 72 fouten ontdekken, waaronder er zijn die den tekst tot klinkklaren onzin maken3.

[p. 159]

In deel 33, blz. 43 vlgg. van dezelfde Bijdragen zijn door dezelfde hand extracten uit het memorieboek van het cistercienserklooster Marienhaven te Warmond uitgegeven. Die extracten beslaan 599 regels, daaronder zijn er 161 met een of meer ernstige fouten, b.v.

Item in plaats van Is
Obiit in plaats van Anniversarius
Jaricheyt in plaats van Anniversarius
broeder in plaats van bruer
Jaricheyt in plaats van jarichtijt
marckganger in plaats van marct-
canonic in plaats van monic
vieren 30 loot in plaats van vj ende 30 loot
wilde ontfancster in plaats van milde-
overblodich in plaats van overvl-
wissen in plaats van wijsen
in Niedardi episcopi in plaats van voor Medardi e-
fundamentoers in plaats van fundatoers
dwairde van 27 Rg. in plaats van in wairde
mandelwerck in der vasten die broeders te geven in plaats van mandelmelck enz.  
waer in plaats van want
pr. n... in plaats van outste monick priester ende
Want in plaats van An
voert meer in plaats van overt meer
angaen in plaats van ontgaen

Bij dat alles zijn dan nog de noodige onmisbare woorden overgeslagen en de overbodige ingevoegd.

In deel 35 van dezelfde Bijdragen, in 1913, zijn uitgegeven: de statuten van de Zeven Getijden in de Sint-Janskerk te Gouda, een contract van dat college met schepenen dezer stad, een rentebrief en 41 voerwaerden, d.z. arbeidscontracten met zangers en zangmeesters1. Het zijn voor geschiedenis en taalkunde inderdaad hoogst belangwekkende oorkonden, loopende van 1453 tot en met 1554, voor wier publicatie men niet dankbaar genoeg zijn kan. Maar: alle samen beslaan ze 1139 regels, waarvan er slechts 589 zonder fouten zijn. Daaronder verkeerde lezingen als de volgende:

[p. 160]

gesongen in plaats van gefungeert
hebben in plaats van mogen
supplicie in plaats van superplicie
hun in plaats van him
metten in plaats van hoechmisse
voren in plaats van voirnoemt
hij in plaats van zijn
voerschuven in plaats van waerschuwden
gesloten in plaats van gestolen
eerstcomende in plaats van naestcomende
ende in plaats van anno
doen in plaats van gaen
by aldien in plaats van bi dien
eersten in plaats van eerstcomende

en verder talrijke foutjes waardoor het Hollandsche karakter dezer stukken volkomen teloorgaat.

Bij een contract dd. 10 Juni 1548 leest men als opschrift: Voerwaerde van Mr. Nicasius Amala. Er staat echter: Mr. Nicasius basconter.

Een ander opschrift luidt: Voerwaerde van Maerten Fransz Moel. Er staat in het handschrift: Maerten Franssen corael.

Nóg een ander opschrift luidt: voorwaarde van Symen Corneliszoon Kralle den blyden sien soen. De uitgever betuigt in een noot niet te hebben kunnen achterhalen, ‘wat met dit woord “den blyden” bedoeld mag zijn’. ‘Kan wellicht een der lezers mij daaromtrent een oplossing aan de hand doen? Mgr. Graaf had reeds de welwillendheid... als zijn meening te uiten, dat dit wellicht een bijnaam was, om 's mans vroolijken aard te kennen te geven’. Die oplossing heeft niets onmogelijks, maar de ware oplossing is toch nóg natuurlijker en nóg eenvoudiger: in het handschrift staat: Symen Corneliszoon Kralle den blynden sien soen.

In een dezer voorwaarden staat een der meest verbijsterende verkeerde lezingen - déroutant zeggen de Fransozen in zulk geval - die men zich voorstellen kan. Men leest nl.:

‘Op huyden desen 28en Octobris anno 48 is Ariaen Willemssen voerseit weder op een meritten angenomen in manieren als boven’.

De uitgever zet er een geleerd nootje bij: ‘meritten’ van 't Lat. ‘meritum’ ‘verdienste’.

Men wrijft toch even zijn oogen uit: het oude Fransche woord merite, in zijn oude beteekenis van belooning, loon, in dit Nederlandsche stuk?

[p. 161]

Maar de bepaling van het loon volgt hier pas later. Misschien in de jongere beteekenis van: practische en geestelijke verdienste? Maar Ariaen Willemssen is nog een kind, een ‘coraeltje’, dat ‘sal winnen een oertgen daechs’. En dan dat ‘weder op een meritten’. De jongen is dus al een keer vroeger ‘op een meritten’ aangenomen geweest? Inderdaad: den 1 Nov. 1547 was Ariaen Willemssen als coraal aangenomen voor den tijd van één jaar, voor al de kerkelijke diensten van den dag, ‘waer voer de zelve Arien niet winnen en sal’. Dat lijkt dus wel een sterke tegenspraak met ‘wédér op een meritten’.

Laten we ophouden. Er staat in het hs. eenvoudig op een nieuwen, en dát sluit als een bus.

Een uitgave die de aandacht onzer grammatici, maar niet die van Verwijs en Verdam is ontgaan, is die der Bewijsstukken behoorende bij de Geschiedenis van het Hoog-Heemraadschap en der lagere Waterbesturen van Delfland door Mr. A.A.J. Meylink1. Aan den eenen kant is de vergetelheid, waarin dit onvoltooid gebleven werk verzonken is, te betreuren: het behelst talrijke stukken, waarvan de taal zeer dialectisch, i.c. Noordhollandsch, gekleurd is; aan den anderen kant wellicht niet, vanwege zijn volkomen onbetrouwbaarheid. Het bevat een groot aantal oorkonden, die overgenomen zijn uit oudere publicatiën, als Hoynck v. Papendrecht, F. van Mieris, Lams, S. van Leeuwen, Oudenhoven, Van de Wall, Van der Eyck, en anderen, wier nauwkeurigheid slechts betrekkelijk is. Een collatie van 40 stukken, die naar de origineelen uitgegeven heeten en samen 717 regels druks beslaan, heeft aan 't licht gebracht, dat daaronder slechts 424 zonder fouten zijn; de overige regels hebben alle een of - meestal - meer fouten. Ziehier een bloemlezingetje uit de allervoornaamste:

blz. 6 en dese in plaats van ende se
blz. 59 mire hoeg manne in plaats van hoegher
blz. 60 poirten in plaats van poirteren
  huerwaren in plaats van huerwaert
blz. 65 alsoe diepe in plaats van alsoe dicke
blz. 66 onbetoogen in plaats van onvertogen
blz. 68 noottorpp poirthuys in plaats van noottorpper -
blz. 76 poirten in plaats van poirteren
blz. 77 bepalen in plaats van betalen

[p. 162]

blz. 77 hem eenelycken in plaats van gemeenlijcken
blz. 79 St. Jans dag de Coll. in plaats van - decollatio
blz. 80 scoutambt in plaats van scoutambacht
  dires in plaats van ducs
  here dire in plaats van here duc
  myrs in plaats van mijns
  den in plaats van dez (= des)
  mit dezer brieue in plaats van desen
  van ons wegen in plaats van - onsen -
  goot golts in plaats van goet gelts
  genen cort in plaats van genen cost
blz. 81 dat in plaats van des
  voirt aen in plaats van voirnoemt
  furneren in plaats van finieren
  wter dienste in plaats van wten -
  dal ende al in plaats van vol ende al
  tween in plaats van twien
blz. 82 om onser sake oerlof in plaats van om onser sake wil
  der in plaats van dez
blz. 83 verhalen in plaats van virhalen
  met siere brieuen in plaats van - sinen -
  manieren in plaats van maten
  van sinent wegen in plaats van - sijnre -
  kerstant in plaats van korstant
  beuelen in plaats van beuelinghe
blz. 85 airnt nicols in plaats van airnt iacobs
blz. 86 hoirer... vande in plaats van hoiren... vander
  tot ons eren in plaats van - onser -
blz. 87 van ons wegen in plaats van - onser -
  om ons saken wille in plaats van - onser -
  elkes dag in plaats van elkes dages
  verdrach in plaats van virdrach
blz. 90 tot myne heren in plaats van - mijns -
  tot ons behoef in plaats van - onsen -
  van onsen wegen in plaats van - onser -
blz. 108 clays vastraede sone in plaats van - vastraeds -
blz. 124 megen scouwen in plaats van meyen -
blz. 120 des dinsdagh in plaats van des dinsdaghes
blz. 125 van onsen ouder weghen in plaats van - onser -

[p. 163]

  bure in plaats van brieue
  besterfe in plaats van besterft
  des dinxendaghe in plaats van - dinxendaghes
blz. 127 gheheuen in plaats van ghegheuen
blz. 140 dieric in plaats van dierix
  diesten in plaats van dieften
  niet in plaats van wiet (= wij het)
  besenghen in plaats van besinghen
blz. 140 sine ofganc in plaats van sinen -
blz. 142 tusschen in plaats van tusken
  in sine dienste in plaats van in sinen -
blz. 149 Alle in plaats van Alze
  hun in plaats van him
  dagh in plaats van daghen
blz. 150 hun in plaats van him, hem
  onghehoorigh in plaats van overhorich
blz. 164 onen Zijdewinde in plaats van overen -
blz. 168 behouffe in plaats van behoufte
  hoeven zijtwinde in plaats van hoeren -
blz. 190 tot onsen neuen oirbair in plaats van tot onsen eren ende oerbair
  elc jaers in plaats van elx jaers
  dien in plaats van diez
  andere in plaats van anders
  die in plaats van des
  geduende na in plaats van gedueren daer na
  daen tenden in plaats van daren tenden
blz. 321 hietet in plaats van heitet
  ende in plaats van die
  scendeldyc in plaats van scenkeldyc
  ense in plaats van ensi
blz. 325 Rommanie in plaats van Rommaine
blz. 326 jofelwair in plaats van jof el naer
blz. 382 die ghene in plaats van die ghere
  beneden in plaats van bouen
blz. 414 tot ons eren in plaats van - onser -
  van onsen wege in plaats van - wegen
  van sinen wege in plaats van - wegen
  dair en tende in plaats van - tenden
blz. 415 des woensdage in plaats van - - s

[p. 164]

Daarenboven zijn op 24 plaatsen een of meer woorden overgeslagen. Voeg daarbij tallooze c's voor e's, o's voor a's, z's voor s's, i's voor ij's en omgekeerd, g's voor ch's, e's, h's, n's en t's te veel of te weinig, verkeerd aaneengeschreven of gescheiden woorden, en Gij zult er U een voorstelling van kunnen maken, hoe deze en dergelijke collaties er uit zien.

Uit een te Zutphen in 1537 geschreven liederboek, op welks buitengewoon belang voor de kennis van het Zutphensch dialect ‘men’ juist hier te Leiden, op het Nederlandsch taal- en letterkundig Congres in 1908 gehouden, de aandacht gevestigd had, zijn in het Tijdschrift onzer Maatschappij, deel 38, jaargang 1919, een zeker getal liederen uitgegeven, al te samen 522 verzen. Daarvan zijn er niet meer dan 331 zonder fouten. Tweemaal is een geheele strophe overgeslagen; eenmaal een geheel vers; het slotwoord van een vers is voor 't eerste van het volgende genomen.

En dan fouten als de volgende:

Het ‘kleines Zeichen’ op het titelblad en aan 't slot van de meeste gedichten, waarmee de uitgeefster verklaart geen weg te weten, en dat door Hoffmann v. Fallersleben ‘als J.C. erklärt’ werd, is de gewone, welbekende afkorting van etcetera; beschaeffen in plaats van beschreffen, terwijl beschreben volgt!

schneidt en tauwe in plaats van enn twie
ghien geltt nun hab in plaats van enn hab
selbeffte in plaats van selbesste
wat in plaats van wal
schitt in plaats van schlütt
freborghen in plaats van ferborghen
kann in plaats van kam
Dar sprack in plaats van Doe -
augskens die luchtt also klar in plaats van luchten
bin ich in plaats van sin ich
wierwatt in plaats van wienratt
So wralt den saedel op pertt in plaats van werbt
Dar hie in plaats van Doe hie
Ihr ist in plaats van Then ist
wrede in plaats van werde
feruidens wich in plaats van freuidens reich
verwontt in plaats van Derwonntt (= dorwont)

[p. 165]

sums trurich in plaats van suus -
sie binnen in plaats van fan binnen
Fraw fenis prixken in plaats van - peirken
Bis my gebertt in plaats van Tis my gelertt
Geb ick in plaats van Heb ick
spreken in plaats van vergeten
ritter holde in plaats van bolde
Ww in plaats van Wee
auch in plaats van ander
Den kwaren in plaats van Denk warum
intt heyll in plaats van intt seyll
Die erste karcke dar wy komen in plaats van konnen
Ick trw v dar  

De rest wil u zeker wel geschonken!

 

* * *

 

Hebt Gij nooit opgemerkt, dat er in 't Mnl. Wdb. aanhalingen staan, waarin de zoon Gods de zoute Jhesus wordt genoemd (1, 1466; 9, 1950)? Of ook nog die zoute coninc alre zoutster weilde (9, 314)? Of ook nog de goude loonare (4, 772)? Of ook nog van zijn goude godlike werke (2, 59)? Zoo ja, dan zult Ge allicht gedacht hebben, nadat Ge van uw eerste verbazing, schrik of ergernis bekomen zijt: nou ja, ou is immers ook een spelling van oe, en volgens ‘Franck’ en ‘V. Helten’ kan dat alleen voor gutturalen en labialen; maar kom: l'exception confirme la règle, en in 't Middelnederlandsch is immers alles mogelijk? Als Ge nu in een andere aanhaling leest: om tgout van arderike (5, 792), dan zult ge, tout l'or du monde, al het goud van de wereld indachtig, daar waarschijnlijk heelemaal niet over vallen. En toch is het eene even fout als het andere. Deze en dergelijke aanhalingen zijn nl. ontleend aan een handschrift, waarin de oe geregeld wordt voorgesteld door wat wij een u noemen met een gesuscribeerde o. Er is dus geen sprake van het gout der aarde, maar van het goed, evenals er sprake is van de goede godlike werken, van den zoeten Jhesus en zijn allerzoetste weelde; evenals er sprake is van wedermoet, niet van wedermout. Verdam, die van dit handschrift schreef, dat het ‘een duitsch tintje heeft’, heeft nl. de ů van het origineel nu eens met ou, dan eens met oe, ja zelfs met oo getranscribeerd, en moest, zoo doende, tot de zonderlingste dingen komen.

In het Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis is in 1908, blz. 49-

[p. 166]

120, een uitgave verschenen van de Statuten der susteren regularissen des Capittels van Hollant1, voor de taalkunde, speciaal voor de kennis van het Noordhollandsch dialect, als voor de kerkgeschiedenis van groot belang. Het handschrift is omstreeks 1460 in het Maria-Magdalena Convent te Amsterdam geschreven; het vertoont een merkwaardige mengeling van oudere en jongere taalvormen. De uitgave beslaat 2669 regels, waarvan er slechts 1633 zonder fouten zijn, d.w.z. dus: 40% der regels met een, meestal met verschillende fouten! Fouten uit onachtzaamheid, fouten uit gebrek aan taalkundige, palaeographische, historische en allerlei andere kennis. Het getal der n's, die weggelaten of bijgevoegd zijn, der a's, die door e's, der s's die door r's vervangen zijn, der s's door f, der l's door s's, der u's door v's, is in den meest letterlijken zin van het woord legio, zoodat enkelvouds- en meervoudsvormen, sterke en zwakke verbuigingen geheel en al door elkander gehaspeld zijn, de oude uitgangen door de moderne vervangen en de dialectische eigenaardigheden geheel teloorgegaan zijn. Men houdt zijn hart vast, als men bedenkt wat er van terecht zou komen, als deze tekst gebruikt werd voor een deeltje van J.v. Ginneken's dialectgrammatica's8! De verbinding -ci- is, op enkele uitzonderingen na, telkens gelezen als a:

blz. 56 ghesachtheit in plaats van ghescichtheit
blz. 61, 88 sacken in plaats van scicken
blz. 67 besackinc in plaats van bescickine
blz. 83, 104 bescacke[n] in plaats van bescicke[n]
blz. 108 ghesacket in plaats van gescicket
blz. 108 ghesacket in plaats van gescicket
blz. 59bis absolva in plaats van absoluci.

Eenmaal, blz. 68 soecken in plaats van scicken. Slechts op twee plaatsen, blz. 55, r. 14 v.o. en blz. 63, r. 20 v.o. is scicken goed gelezen2.

Het woord maert is geregeld vervangen door waert in:

kelremaert (blzz. 67bis, 69), reventermaert (blzz. 67, 68, 106),
siecmaert (blzz. 67, 68, 69), vesteryemaert (blzz. 63, 71),
kokenmaert (blz. 97). schijfmaert (blz. 107).

Overal is gelezen de outste prior, i.p.v. de ouerste prior; woorddeelen die aaneengeschreven hooren, zijn gescheiden, en omgekeerd: vandaar

[p. 167]

blz. 72 gheuer wet > gheuerwet; blz. 58 van den wisinghe in plaats van: van aenwisinghe; blzz. 77, 78 nedes in plaats van Ne des; blz. 81 overmits ofwerpinghe wordt overmits of verwerpinghe; blz. 87 euangeli wordt ende Angeli, nog wel in een opsomming der verschillende onderdeelen van de mis.

blz. 52 daer in plaats van dat
blz. 53 over in plaats van voer
blz. 59 na in plaats van an
blz. 63 dienich in plaats van dieuich
  officien in plaats van officium
blz. 65 admitorium in plaats van adiutorium
  nut in plaats van mit
blz. 72 vermenghet in plaats van ghemenget
blz. 73 hoeftelic in plaats van haestelic
blz. 75 gheyndigdet in plaats van gheeyndet
blz. 76 alles in plaats van altoes
blz. 77, 78 ter requiem eternae in plaats van requiem eternam
blz. 78 is in plaats van si
blz. 79 se in plaats van si
blz. 81 fastmoedich in plaats van saftmoedich
  scadelic in plaats van scandelic
blz. 89 setten in plaats van sitten;
  utrecken in plaats van vertrecken
  laetste in plaats van laechste
blz. 92 dat communium in plaats van dat commuun
blz. 94 ghebreckeke in plaats van ghebreckelic
  niet in plaats van mit
  dat in plaats van daer
blz. 95 ordinen in plaats van ordůůn
blz. 99 ende in plaats van in
blz. 100 oversceydelic in plaats van onversceydelic
blz. 101 middendach in plaats van middach
blz. 103, 108 tusschen in plaats van twisschen
blz. 102 olien in plaats van oleum
blz. 104 mer in plaats van niet
blz. 105 toestaet in plaats van toeslaet
  (‘die tafellaken en sellen si niet toeslaen eer die priorinne het haer toeslaet’).  

[p. 168]

blz. 106 misericordis in plaats van misericors Dominus  
blz. 107 geen merrinc of vertoeninc in plaats van vertoeuinc
blz. 108 dat in plaats van die
blz. 111 mit in plaats van int
blz. 114 datthem in plaats van daghen
blz. 116 boeflike in plaats van boeslike
blz. 118 bliven ende comen in plaats van inden convent bliven
  ontfermhtigheit in plaats van ontfermherticheit
blz. 119 verbanct in plaats van verbannet
  ut in plaats van nut
  obedienten in plaats van obediencien

De uitdrukking veniam bidden, die haast op elke bladzijde voorkomt, wordt telkens venia bidden. Daaraan ziet men, hoe hoogst belangrijke vormen en woorden als orduun, twisschen, vertoeving, toeslaen enz. eenvoudig verdonkeremaand worden.

Hetzelfde geschiedt met de geslachten en de getallen, waar de moderne taalvormen den uitgever door het hoofd spelen:

blz. 52 heiligher wordt heiligen
blz. 62 der personen wordt der personen
  den convente wordt den convents
blz. 63 quater, 80, 112, 119 goede wordt goederen
blz. 64 der priorinne wordt den priorinne
blz. 63, 67 des procuratrix wordt der procuratrix
  der rectoers wordt des rectoers
blz. 73, 75 in der kercken wordt in de kercke
blz. 80 priesters wordt priesteren
blz. 95 visitierres wordt visitierers
passim sel wordt sal

Palaeographisch niet te verklaren is, blz. 105 binnen i.p.v. buten en een ander maal, blz. 113 i.p.v. boven.

25 maal is een woord ingevoegd, dat niet in het hs. staat en dan ook overbodig is.

54 maal is een geheel woord   overgeslagen.
2 maal zijn 2 woorden overgeslagen.
1 maal zijn 6 woorden overgeslagen.
2 maal zijn 7 woorden overgeslagen.

[p. 169]

3 maal zijn 8 woorden overgeslagen
1 maal zijn 11 woorden overgeslagen
1 maal zijn 12 woorden overgeslagen

* * *

 

Het wordt tijd dat we van deze beschamende opsommingen, die zonder eenige moeite nog met tientallen dergelijke te vermeerderen zijn, afstappen: zooals deze betreurenswaardige uitgaven zijn er immers eenige honderden. Het is zelfs kunnen voorkomen, dat een onzer philologen, die de ‘Middelnederlandsche epische Fragmenten’ opnieuw zou uitgeven, gemeend heeft te ‘mogen afzien’ van het opsporen en collationneeren van de handschriften van de groote meerderheid zijner teksten - geen geringe vergissing!1.

Met dit en dergelijk materiaal - waarvan niet het minst grappige is, dat sommige uitgevers éérst hun tekst verkeerd lezen, en dán als verbetering voorstellen wat feitelijk in hun handschrift staat; noch het minst verbijsterende, dat sommige andere eerst een tekst A laten drukken, en hun proefbladen naar een tekst B verbeteren - met dit en dergelijk materiaal zijn de onderzoekingen van de beste kenners van hét Middelnederlandsch, van Franck, V. Helten, Verdam, J.W. Muller, Stoett en zoovele anderen ondernomen; op dit naar ruwe schatting 80 procent onbetrouwbaar, vaak geheel onbruikbaar materiaal is wat we onze kennis van het oudere Nederlandsch believen te noemen gebaseerd. Sedert vijftig jaar - Franck's Mnl. Grammatik1 is in 1883, V. Helten's Mnl. Spraakkunst in 1887 verschenen - markeeren we den pas: noch over de chronologie noch over de topographie der taalverschijnselen zijn we in deze halve eeuw veel wijzer geworden. In Het Westvlaamsch van J. Jacobs, is, onder andere, verwerkt de uitgave van Ypre jeghen Poperinghe2, een der lang niet weinige teksten waarvan geen enkele regel, ja geen enkel woord zonder fouten is. Straks zal men het Oóstvlaamsch beschrijven, waarbij de uitgave van de Rekeningen van Gent uit het tijdvak van Jacob van Artevelde3, waarvan de afleveringen, ‘verzorgd’ door

[p. 170]

Nap. de Pauw - met wien alleen Van Vloten kan wedijveren - van hetzelfde allooi zijn, een groote rol zullen spelen, evenals het cartularium van Lodewijk van Male1, waarin een weinig minder schromelijke verwarring heerscht. Of men beschrijft het Brabantsch of het Hollandsch, steeds onder denzelfden ban.

Is dat geen paskwil? Mag, kán dat zoo doorgaan?

Laten we verder bedenken, dat ook op ander gebied dan dat der taalkunde in engeren zin foutieve lezingen beklagenswaardige, ja verderfelijke gevolgen kunnen hebben en - hebben. Of is het bij de beoordeeling van een litterair kunstwerk onverschillig als de uitgever, een expungeering niet herkennende, den dichter glad het tegenovergestelde laat zeggen van wat hij bedoelt?2 of als de uitgever, de interpunctie der handschriften niet kennende, negeerende of versmadende, ons een tekst uit zijn eigen koker opdischt?3 of als de uitgever niet alleen een of meer woorden overslaat, maar zelfs heele verzen?4 of is het voor 't beoordeelen van den stijl eens auteurs van geen belang, als men gedrukt vindt: hiet in plaats van lyet, van in plaats van nam, helpere in plaats van helpen, daer ut in plaats van daer wert5; of wel: du zuls vor t Heren anschijn Gaen maken die weghen zijn in plaats van saen maken6; of wel:

[p. 171]

(hi) bescicte sijn volc ende nam die coninghinne haer lant of

dan wel: wan haer lant of, zooals in het handschrift staat;

of men een koningin tot Alexander laat zeggen: so sidi machtiger dan al die coninghinnen dan wel aldie coninghen zooals in het handschrift staat, in weerwil van de noot: l. coninghen. Of is het voor de syntaxis hetzelfde, als men in een zinsgedeelte als dit: een kint, dat was half een mens ende half een dier het artikel voor mens weglaat?

Alles foutieve lezingen, te vinden in de uitgave van de Prozabewerkingen van het Leven van Alexander den Groote in het Middelnederlandsch, verschenen in 18981. De collatie van den eersten der beide teksten, die 866 octavo-regels groot is, vertoont 236 fouten.

In de bibliotheek der E.Z. Clarissen te Megen berusten eenige handschriften, waarvan P. David de Kok O.F.M. beschrijvingen heeft gepubliceerd, die den indruk van betrouwbaarheid geven, en dat over 't algemeen ook zijn. Een dezer handschriften, omstreeks 1475 door een tertiaris voor tertiarissen op perkament geschreven, is voorzien van een kalender, die ook de feestgraden vermeldt, - in dietsche kalenders betrekkelijk een zeldzaamheid, en daardoor steeds zeer de aandacht waard.

Pater De Kok maakt bij dezen kalender een paar opmerkingen. Aangezien hij voor 27 October vindt opgegeven: Brunonis conf., solemne, vraagt hij: ‘hoe komt dat festum solemne van den Keulschen S. Bruno, stichter der Karthuizers, in dezen kalender??’

Een inderdaad eenigszins beangstigende vraag, die het uitgangspunt van meer dan een, volstrekt niet denkbeeldigen redetwist tusschen chronologisten, liturgisten en hagiographen zou kunnen worden. Maar - stel U gerust: in het handschrift staat niet Brunonis, maar Yvonis, wat volkomen in den haak is: de H. Ivo, confessor, behoorde immers tot de derde orde, hij heette de advocatus pauperum, stierf in 1303, werd heilig verklaard in 1347, zijn translatie wordt op 27 Oct. gevierd en is - festum solemne!

Sedert 1857 behoort elk wel onderwezen mensch te weten, dat de Orangien-tragedie van Gijsbrecht van Hogendorp, waarmede Costers' Nederduitsche Academie einde September 1617 werd geopend, reeds in Juni daaraanvoorafgaande in Den Haag werd gespeeld. Zoo staat het althans in elke geschiedenis der Nederlandsche letterkunde qui se respecte,

[p. 172]

die zich zelven eerbiedigt, vermeld of beschreven1. L. Ph. C. van den Bergh heeft immers in 1857 bekend gemaakt, dat het Hof van Holland bij resolutie van den 16 Juni 1617 aan Gijsbrecht van Hogendorp een som van 12 pond toestond ‘voor 't prepareeren van sijn treurspel van den doodt van den Prince van Orangie’. ‘Waarschijnlijk’ voegt V.d. Bergh er nog aan toe, ‘is dit dan wel het eerste regelmatige treurspel geweest dat op den Haagschen schouwburg vertoond werd’2.

Als men nu in de Reeckeninge van den rentmeester van het Hof, Johan Halling, de verdere verantwoording van de door hem verrichte betaling leest: ‘Betaelt aen Gysbrecht van Hoogendorp... de somme van twaelff ponden, hem vereert voor seker zyn boeck, genaemt Treurspel vande Moort, begaen aen den Heere Prince van Orangien’ enz., dan voelt men toch eenigen twijfel opkomen, of hier wel sprake zijn kan van het prepareeren eener vertooning, a fortiori of er wel een vertooning in den Haag zou plaats gehad hebben. Maar - Van den Bergh had gesproken, en: aan het woord van een wel befaamd rijksarchivaris gaat men niet zoo gauw twijfelen. En toch! Dr. F. Kossmann, den jongsten uitgever van Hogendorp's treurspel, is de twijfel te machtig geworden, en - laten we zijn scepsis zegenen: in de ‘handschriftelijke’ notulen van den Hove van Holland staat niet prepareeren, maar presenteeren, i.e. present doen!3. Zooals te doen gebruikelijk was, en waar het den dichter dan ook om te doen was: H. Hoogmogenden vergoedden de ‘presentacie’ met 12 ponden vlaamsch.

* * *

 

Het is de bedoeling niet, hier een nieuwe schuldfrage op te werpen; wien ook een nieuwen spiegel der zonden voor te houden, zelfs niet op wien ook den geringsten blaam te werpen. Integendeel: wij blijven indachtig, dat wij allen op elkanders schouders staan, ook op die van hen, wier werk het allermeest te wenschen overlaat. Onze waardeering voor onze voorgangers, groote en kleine, die niet zelden pioniers geweest zijn, ons den weg hebben gebaand en geëffend, houdt stand: elk hunner heeft gedaan wat binnen zijn vermogen lag; aller arbeid vond toch zijn oorsprong in een eerbiedwaardige, geest en hart verheffende

[p. 173]

liefde voor taal, land en volk. Maar: wij zijn ontgroeid aan de romantische gedachte dat wij, zooals Matthijs de Vries het wel eens heeft uitgedrukt, ‘het Middelnederlandsch nu wel kennen’; we beseffen dat we nog bij lange niet het eind in 't zicht hebben, integendeel: dat we nog steeds aan het begin staan, en niet verantwoord te achten zijn, als we de zaak op denzelfden voet als onze voorgangers voortzetten. Wij behooren ons dus rekenschap te geven van den toestand en ons af te vragen wat ons te doen staat.

Tot dat zich rekenschap geven is hier heden het begin van een poging gedaan, een poging die elk voor zich zelf kan voortzetten, verruimen, verdiepen. Hoe verder men daarbij vordert, hoe meer men overtuigd geraakt, dat het antwoord op de vraag betrekkelijk eenvoudig is.

Aan een herdrukken op groote schaal van het voorhanden materiaal valt niet te denken, te minder, daar daaronder veel geschiedkundige teksten zijn, waaraan de historici, in 't algemeen gesproken, voor hún doel genoeg meenen te hebben.

Wat wél te doen is, en ons uit het moeras helpen zou, dat zou zijn - 't is een reeds tientallen van jaren gevestigde, door een schier dagelijkse ondervinding steeds versterkte overtuiging1 - dat zou zijn een collatie van alle reeds uitgegeven teksten, niet te hooi en te gras, maar volgens een wel overwogen plan, met een oordeelkundige verdeeling van den arbeid. Vanzelf zou daarbij aan het licht komen, welke teksten absoluut dienen herdrukt te worden, en daarvoor zullen dan, durven en mogen we hopen, wel de noodige liefhebbers te vinden zijn.

Daarbij zal het echter vóór alles aankomen op de methode, die voor elken medewerker absoluut dezelfde zal moeten zijn. Op het gebied der classieke philologie wordt reeds lang en ernstig naar uniformiteit van werkwijze bij het uitgeven van teksten gestreefd. De Editionstechnik van Otto Stählin, Havet's Règles et recommandations générales pour l'établissement des éditions Guillaume Budé zijn welbekend en hebben tot de gewenschte eenheid veel bijgedragen, zonder ze te bereiken. Vandaar dat de Union académique internationale zich de zaak heeft aangetrokken: de vrucht van haar bemoeiingen is het merkwaardige verslag van Prof. J. Bidez: Emploi des signes critiques Disposition de l'apparat dans les éditions savantes de textes grecs et latins, waaraan bescheidenlijk en voorzichtiglijk is toegevoegd: Conseils et recommandations. Bekend zijn ook de Instructions

[p. 174]

pour la publication des textes historiques van de Belgische Academie, in 1922 ten tweeden male uitgegeven. Ook de Preussische Akademie der Wissenschaften heeft voor hare Deutsche Texte des Mittelalters eenige vaste, bindende voorschriften vastgesteld. De vraag naar de grondbeginselen en methoden voor het uitgeven van teksten naar verschillende handschriften is, na de windstilte die op Bedier's critiek der theorie en methode van Lachmann (1913), zeker ten gevolge van den ‘frisschen’ wereldoorlog, gevolgd is, in 1926 door Dom Quentin weer in discussie gebracht. Deze is door W.W. Greg (The Calculus of variants, 1927) en vooral door Bedier beantwoord (1928), en sedert is dit punt niet meer van de agenda af geweest: in het ééne jaar 1931 is het niet minder dan vier maal weer ter tafel gekomen: zie de argumentatie's van Shepards, Collomp, Peeters en Walberg9.

Op het terrein der Nederlandsche philologie niets van dit alles. Al valt invloed van bepaalde raadgevingen en voorbeelden niet geheel te miskennen, iedere tekstuitgever meent zijn eigen weg te moeten gaan; het ‘opstellen’ van een stamboom der handschriften geldt nog steeds als het toppunt der wijsheid en der kunde.

En de ‘regels’ van het Historisch Genootschap dan? mompelen velen Uwer. Ja, we hebben de regels van het Historisch Genootschap. Het is het oogenblik noch de plaats om die regels hier nader te beschouwen. Maar één woord dient toch gezegd: aangenomen dat deze regels den historicus dienstig zijn, den taalkundige zijn ze 't allerminst, zijn ze 't niet, veeleer het tegendeel.

Of wat moeten de grammatici beginnen met een uitgave van een Chronike van Brabant, naar al de regels van Utrecht ingericht, maar waaruit alle dialectische, in casu Hollandsche taalvormen systematisch zijn verwijderd?1

Waar ze zijn blijven staan, is het puur bij ongeluk. Om kort te gaan: ligt hier voor onze Maatschappij, die toch in de eerste plaats Frans van Lelyveld's stichting is, niet een taak? Laat zij het gewenschte ‘georganiseerd overleg’ inrichten, laat zij medewerkers werven die met vereende krachten een corpus collationum tot stand brengen, laat zij zoodoende het materiaal, waaruit de ware geschiedenis onzer taal te kennen is, helpen vernieuwen.

Helpen vernieuwen! Want dat vernieuwen moet ook nog van elders komen. Dat bekende materiaal is immers maar een miniem gedeelte

[p. 175]

van het gezamenlijke dat nog voorhanden is. Men mag niet moe worden te herhalen, dat onze Middelnederlandsche grammatica en ons Middelnederlandsch Woordenboek gemaakt zijn met den inhoud van nog niet eens 700 Nederlandsche handschriften, terwijl er zeker weinig minder dan twintig maal zooveel over de geheele wereld verspreid liggen, waarvan er reeds ver over de elf duizend voor de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta beschreven zijn. Niet de ‘meeste menichte’, maar de overgroote meerderheid daarvan zijn handschriften uit de 15de eeuw, en de meeste menichte van deze weer uit de jaren 1450 tot 1500. Zonder dat men dáárover hoeft te treuren, kan men toch bétreuren dat van de vele handschriften onzer epische en lyrische poëzie uit de eerste helft der 14de eeuw zoo weinige zijn overgebleven. Het is een troost te weten, dat aan het vinden van handschriften nog bij lange geen eind gekomen is. Dat een systematisch onderzoek van oude boekbanden uit de 15de en 16de eeuw stellig nog veel aan het licht zal brengen1, wordt opnieuw bewezen door het zoo even voor den dag komen van fragmenten van een handschrift van Reinaert I, dat op het eerste gezicht uit de laatste jaren van de 13de eeuw dagteekent2.

Maar dat alles leert ons opnieuw één ding: wat we de Middelnederlandsche grammatica believen te noemen, dat is een euphemisme. Zonder een voor alle komende tijden absoluut geldende uitspraak te willen doen, mag men toch wel zeggen, dat het reeds in de eerste jaren van de 15de eeuw met het Middelnederlandsch gedaan is. Niet zeldzaam zijn de teksten, om en bij het jaar 1425 geschreven, geen afschriften, maar in die jaren gecomponeerd, oorspronkelijk of vertaald, die talrijke taalvormen en constructies vertoonen, die niet meer tot het Middelnederlandsch kunnen gerekend worden.

Om dezelfde reden is het goed steeds indachtig te blijven, dat ons onvolprezen, niet te volprijzen, nog nergens geëvenaard Middelnederlandsch Woordenboek, dat deze ‘onuitputbare bron’ in negen zware deelen - wat een beeldspraak! - nog maar - een aanloop is. Hem, die in Verdam's dichte bosch met behulp van de Bouwstoffen zijn weg zoekt, wordt het elke reis duidelijker, dat ons Middelnederlandsch Woordenboek slechts voor een zeker gedeelte den toestand onzer taal vóór de 15de eeuw weerspiegelt, en dat het, afgezien van den toestand als zoodanig, ook den woordvoorraad slechts voor een gedeelte inventariseert. Inderdaad: het

[p. 176]

zou een waan zijn te meenen, dat alle uitgegeven Middelnederlandsche teksten - om van de onuitgegeven te zwijgen - door Verwijs en Verdam in hun materiaal zijn opgenomen; het zou een nog verderfelijker waan zijn, te meenen, dat alle in het Mnl. Wdb. aangehaalde teksten volledig, woord voor woord, voor dit werk geëxcerpeerd zijn. Verre van daar. Zeer zeker is dat slechts met zeer enkele het geval geweest. En dat is maar goed ook, want anders was er zeker niets van terecht gekomen. Juist daarom echter mogen we niet uit het oog verliezen, wat we er eigenlijk aan hebben. Waarom het eene woord werd opgeteekend en het andere niet, wie zal het zeggen? Al wie ooit boeken of teksten geëxcerpeerd heeft, weet wat zulk een arbeid van het denk- en uithoudingsvermogen eischt.

Een groote menigte woorden ontbreken, niet alleen uit de ongedrukte, maar zelfs uit de gedrukte geëxcerpeerde ‘bronnen’; er staan een groot aantal woorden in zonder aanhalingen, ten bewijze waarvoor in de handschriften voorbeelden genoeg en gemakkelijk te vinden zijn, ook al zet Verdam er uitdrukkelijk bij, dat het woord in het Middelnederlandsch nog niet voorkomt. Dat was zelfbedrog. Hij was iets dichter bij de waarheid, als hij schreef, wat hij in zijn latere jaren hoe langer hoe meer deed: ‘nog niet opgeteekend’; hij is zich nl. hoe langer hoe duidelijker bewust geworden, niet alleen van het fragmentarische van ons materiaal, maar ook van het fragmentarische gebruik dat Verwijs en hij zelf, en zijn latere toevallige helpers van het zijne gemaakt hadden. Vaktermen - de juridische uitgezonderd - en vooral vreemde en bastaardwoorden hebben eerst gaandeweg genade kunnen vinden, waarschijnlijk ten gevolge van het algemeen verspreide wanbegrip, dat die maar een uitvinding van die zondebokken van rederijkers waren. Daarbij komt ten slotte nog, dat sommige teksten alleen voor bepaalde letters geëxcerpeerd zijn, zoodat ze b.v. in de latere deelen slechts sporadisch meer voorkomen, en omgekeerd, waaruit natuurlijk niet af te leiden valt, dat er voor die letters geen voorbeelden in te vinden zijn.

Ook hier dus staan we niet aan een einde, maar aan een begin. Als ook het Woordenboek van Matthijs de Vries en zijn medewerkers en opvolgers eenmaal zal zijn voltooid, en de exemplaren zoowel van het eene als van het andere zullen zijn versleten of verdwenen, dan zullen onze ‘achterskinder’ en ‘achtersusterskinder’ een nieuw woordenboek moeten kunnen opzetten, dat het geheele Nederlandsch in den tijd en in de ruimte zal omvatten, maar een voorbereiding zal vereischen waarbij die van het N.E.D. wel kinderspel zal lijken.

[p. 177]

Mijnheer de Voorzitter,

 

Dames en Heeren,

 

Uwe vergadering is gewend, op dezen feestelijken dag een plechtige voordracht van statige, minder of meer transcendentale allure aan te hooren, liefst meer dan minder. Heden zijt Gij echter vergast op een noch diepzinnig, noch verheven, noch verheffend betoog, op een paradox dat menigeen onder U een trotseeren van Uw geduld en een uittarting tot een twisprake moet hebben toegeschenen. Dat Gij allen, desalniettemin, een dergelijke alleenspraak, die, hoeft het wel gezegd? niemand ooit houdt d'un coeur leger, zoolang met Uw sympathieke aandacht hebt willen ondersteunen, stemt tot warme erkentelijkheid. Moge nu van onze Maatschappij, haar oorsprong en roeping getrouw, een initiatief uitgaan, dat de studie der Nederlandsche Taal en Letteren in 't rechte spoor brengt en houdt, en 't werk en onderzoek harer toegewijde beoefenaars een nieuwe vlucht doet nemen, der gansche Wetenschap en het geheele Dietsche Vaderland tot baat en verheugenis.

Ik dank U allen zeer.

1Cosijn, Pieter Jacob (1840-1899). Nederlands taalkundige; hoogleraar te Leiden in het oud-Germaans, meer speciaal het Angelsaksisch.
2De Tekstcritiek van J. Verdam in het Middelnederlandsch woordenboek, samengelezen door Willem de Vreese, vormt het eerste - zes en negentig bladzijden tellende - stuk van het tiende deel van het Middelnederlandsch woordenboek, dat verder de door Willem de Vreese (A-F) en G.I. Lieftinck (G-Z) bewerkte Bouwstoffen bevat.
3Nieuwe fragmenten - volkomen aansluitend bij de Leidse - werden in augustus en september 1953 te Hasselt aangetroffen in stukken, die in augustus van hetzelfde jaar (in het kader van een uitwisseling van archiefstukken tussen België en Nederland) vanuit het Rijksarchief in Limburg te Maastricht naar het Rijksarchief te Hasselt waren overgebracht. Vgl. hierbij: J. Deschamps, De Limburgse Aiolfragmenten. Spiegel der letteren I (1956-1957) 1 vlgg.
1Verg. de Bouwstoffen van het Middelnederlandsch Woordenboek, artt. 8 en 9.
2Zie b.v. Louis D. Petit, Bibliographie der Middelnederlandsche Taal- en Letterkunde (Leiden, 1888), nr. 908.
3Het laatst uitgegeven door L. Scharpé in de Leuvensche Bijdragen, dl. 3 (1899), blz. 12 vlgg.
4Onbekende - en nog onuitgegeven - fragmenten van de Renout van Montalbaen werden in 1937 door de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage verworven en berusten daar onder signatuur 133 L 11. P.J.J. Diermanse kon er in zijn uitgave van de Renout van Montalbaen (Leiden, 1939; 10*) alleen gewag van maken, onder verwijzing naar de mededeling van R. Pennink, Een onbekend fragment van Renout van Montalbaen in Het Boek XXV (1938-1939) 66 vlg.
4Uitgegeven door Leonid Arbusow in het Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, dl. 41 (1922), blz. 24 vlgg.
5Zie b.v. Louis D. Petit, Bibliographie der Middelnederlandsche Taal- en Letterkunde. Tweede Deel (Leiden, 1910), nr. 1481.
6Eine mittelniederfränkische Uebertragung des Bestiaire d'amour, sprachlich untersucht und mit altfranzösischem Paralleltext herausgegeben von John Holmberg. Uppsala, A.-B. Lundequistska Bokhandeln. 1925.
Das Moralium Dogma Philosophorum des Guillaume de Conches Lateinisch, Altfranzösisch und Mittelniederfränkisch herausgegeben von John Holmberg. Uppsala, Almqvist & Wiksells. 1929.
7Zie Petit, a.w., Tweede Deel, nr. 1445.
8Zie Petit, a.w., nr. 490.
1Petit, a.w., Tweede Deel, nr. 1463, II, d.
2In Zeitschrift für deutsches Altertum. Neue Folge, X (1878), blz. 98-128.
5De tekst is thans uitgegeven door J.M. Willeumier-Schalij: Dat boec der minnen. (Leiden, 1946).
3Zie de Bouwstoffen v.h. Mnl. Wdb., art. 93.
4Zie Petit, a.w., nr. 419.
5Zie Petit, a.w., nr. 420.
6Zie Erik Rooth, Ein neuentdeckter Niederländischer Minnesänger aus dem 13. Jahrhundert. Lund, C.W.K. Kleerup. 1928.
7Zie de Bouwstoffen v.h. Mnl. Wdb., art. 16.
8Zie de Bouwstoffen v.h. Mnl. Wdb., art. 248.
9Zie Willem de Vreese in het Jaarboek der Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal en Letterkunde voor 1907, blz. 382-388.
1Zie W. de Vreese in het Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, dl. 51, blz. 161 vlgg., inzonderheid blz. 172 vlgg.
2Zie Petit, nos. 478 d, 499, 500, 552 b, 552 h, 560 b, 563, 1384, 1544 f, 1548, 1551, enz.
1Zie de tiende aanvullingslijst der bronnen van het Mnl. Wdb., en verg. daarmede de Bouwst offen, art. 72.
6S. Muller Fz.; J.A. Feith en R. Fruin Th. Az.: Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven2. Groningen, 1920.
1Zie de Bouwstoffen v.h. Mnl. Wdb., art. 73.
2Ibidem, art. 72.
3Ibidem, art. 75.
4Ibidem, art. 147.
1Zie b.v. de Bouwstoffen v.h. Mnl. Wdb., artt. 260-296.
7J. Verdam, Tekstcritiek van Middelnederlandsche schrijvers. Leiden, 1872.
1Verg. Mnl. Wdb. 2, 123 i.v. denier; 2, 482, i.v. duvel, Aanm.
2In het Mnl. Wdb. 9, 185 i.v. Vervaden wordt ten onrechte gezegd, dat het handschrift versmaden heeft.
1Zie het Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, dl. 9 (1890), blz. 3-4, en Verdam in het Mnl. Wdb. i.v. criscen.
2‘een rolle baynais’, Bijdragen tot de Oudheidkunde en Geschiedenis, inzonderheid van Zeeuwsch-Vlaanderen, dl. 5 (1860), blz. 35; ‘j. rolle veinays’, ibid. blz. 64.
2‘een rolle baynais’, Bijdragen tot de Oudheidkunde en Geschiedenis, inzonderheid van Zeeuwsch-Vlaanderen, dl. 5 (1860), blz. 35; ‘j. rolle veinays’, ibid. blz. 64.
1Zie de Bouwstoffen v.h. Mnl. Wdb., art. 98.
1Zie V. Van der Haeghen, Inventaire des archives de la ville de Gand (Gand, 1896), blz. 168-170.
2Zie Godefroy, Dictionnaire de l'ancienne langue française; A. Gay, Dictionnaire archéologique du moyen age; i.v.
3Zie de Bouwstoffen v.h. Mnl. Wdb., art. 109.
4Sedert dit geschreven werd, is het me gelukkig weer ingevallen, dat ook Leon. Willems Az. deze fout reeds aan 't licht heeft gebracht. Zie, in het Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, dl. 27, blz. 186-224, zijn Middelnederlandsche lexicographische Noten, die nog meer gevallen als dit behandelen, waardoor de hier voorgedragen denkbeelden gesteund worden.
5Zie de Bouwstoffen v.h. Mnl. Wdb., art. 291.
1Daarentegen wordt in het Mnl. Wdb. 7, 2390 i.v. sublimeren zonder protest een vorm ghesblumert aangehaald, die ‘elders sblimeren geschreven’ zou zijn. Het handschrift heeft telkens een - zeer duidelijke - verkorting voor sub-.
1Dit was te veel gezegd. In de Vl. Rijmkr. 5042 leest men wel degelijk der weerelt scout gelden, ook in het hs.! - Noot bij de correctie.
2Zie de Dietsche Warande, dl. 1 (1855), blz. 236.
3Verg. het Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, dl. 52 (1933), blz. 113, noot 4).
1Twee nieuwe fragmenten van den Spieghel Historiael medegedeeld door K. De Flou, in de Verslagen en Mededeelingen van de Koninklijke Vlaamsche Academie, 1902, blz. 399-467. Deze uitgave vertoont nog ettelijke andere verkeerde lezingen.
1Zie de Bouwstoffen van het Mnl. Wdb., art. 327.
2Zie de Bouwstoffen van het Mnl. Wdb., art. 98.
3Door C.P. Serrure. Zie Taalgids, dl. 7 (1865), blz. 52.
4In de Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche Huis, uitgegeven door H