terug  begin  verderprepost
[p. 187]

Toelichtingen

Bandenstudie

De studie van boekbanden heeft in de jongste tijd grote uitbreiding ondergaan, gelijk blijken kan uit: Wolfgang Mejer, Bibliographie der Buchbinderei-Literatur (Leipzig, 1925) met aanvullend deel van Hermann Herbst over de jaren 1924-1932 (Leipzig, 1933). Heinrich Schreiber publiceerde een Einführung in die Einbandkunde (Leipzig, 1932). Moderner en omvattender is: Hellmuth Helwig, Handbuch der Einbandkunde (Hamburg; 1953-1955; 3 dln.). Voortreffelijk is de technisch-historische behandeling van G.A.E. Bogeng, Der Bucheinband in seiner Entstehung und Fortbildung. (Archiv für Geschichte des Buchwesens I (1956-1958) 3 vlgg.).

Van beslissend belang is de systematische index van banden in de B.N.M. met een belangrijke verzameling van literatuuropgaven. E. de la Fontaine Verwey handelde over Het onderzoek naar boekbanden in Nederlandse bibliotheken (Bibliotheekleven XXXIX (1954) 293 vlgg.) dat voor de neerlandicus van grote betekenis is. Uiteraard wordt daarin verwezen naar de vele belangwekkende studies over Nederlandse boekbanden van Prosper Verheyden en Luc. Indestege. Daarvan worden hier met name genoemd:

Verheyden, Boekhandelaars te Mechelen in de 16e eeuw (1905);
id. Banden met blinddruk bewaard in het Museum Plantin Moretus (1906);
id. La reliure en Brabant (1935);
id. De boekbinderij van Groenendaal (1943).
Indestege, Middeleeuwse bandstempels met tekst in de volkstaal (1951);
id. Einbandkunst in den alten Niederlanden (1955);
id. De boekband in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de 16e eeuw (1956).

Bollandisten

Instituut van geleerden, genoemd naar Joannes Bollandus, dat de Acta Sanctorum bewerkt. De Acta Sanctorum is een groots opgezette boekenreeks, die documenten, autobiografieën, authentieke levensbeschrijvingen door tijdgenoten, etc. bevat van belang voor de kennis van de heiligen. Het plan van een kritisch-wetenschappelijke behandeling der oude heiligenlevens was in 1603 uitgegaan van Heribertus Rosweyde. Zijn taak werd overgenomen door Bollandus, die daarin bijgestaan werd door Godefridus Henschenius en Daniël van Papenbroek. De Acta zijn verzameld in chronologische volgorde van 1 januari tot 31 december; tot op heden is men tot in de maand november gevorderd. In de 17e eeuw richtte men in Antwerpen een centrum in voor het steeds groeiend materiaal. Tot aan de opheffing van de jezuïetenorde in 1773 waren 50 delen verschenen (reikend tot 7 oktober). Na velerlei wisselvalligheden, waardoor ook het verzamelde materiaal in de verstrooiing was geraakt, namen de jezuïeten in

[p. 188]

1837 het gedeeltelijk onderbroken werk weer op. In 1892 begonnen zij met de uitgave van het tijdschrift Analecta Bollandiana als supplement der Acta Sanctorum. Sinds 1905 zijn de Bollandisten gevestigd in het St. Michielscollege te Brussel. - Vgl. voor een en ander het voortreffelijke, samenvattende artikel van A. de Wilt S.J., De Acta Sanctorum en de Bollandisten. Folium V (1958) 163 vlgg.

Koning, Jacobus (1770-1832)

boekverkoper en naderhand griffier bij een der Amsterdamse vredegerechten. Historicus, bibliograaf en vooral kenner van de geschiedenis der boekdrukkunst. Het door De Vreese genoemde Algemeene ophelderende verklaring van het oud letterschrift verscheen anoniem te Leiden in 1818, als nummer XI; 1 in de ‘Stukken het schoolwezen betreffende, uitgegeven door de Bataafsche Maatschappij tot Nut van 't Algemeen’. Het zeer merkwaardige geschrift bestaat uit twee delen; een deel tekst in 8o, en een map met ‘in steenplaatdruk’ uitgevoerde platen in 4o. Koning - in zijn tijd hoog gewaardeerd - wordt thans onderschat. Een studie van zijn werken zal ongetwijfeld tot een herwaardering leiden.

Sanderus, Antoine (1586-1664).

Zuidnederlands priester, historicus en schrijver van een groot aantal compilatiewerken, van wiens veelomvattende werkzaamheid de uitgebreide bibliografie in deel XXII van de eerste serie der Bibliotheca Belgica (Gent-Den Haag, 1880-1890; s 166-220) een goed beeld geeft. Voor het door De Vreese bestreken gebied is vooral zijn Bibliotheca Belgica Manuscripta (Lille, 1641-1643; 2 dln.) van belang. Zij biedt een weergave van het handschriftenbezit in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, welke als volgt is onderverdeeld:

 

a.catalogi van codices berustende in boekerijen van steden, abdijen en kerken;
b.catalogi van particuliere verzamelingen.

 

In de Universiteitsbibliotheek te Gent berust een gecorrigeerd auteursexemplaar met aanvullingen en toelichtingen.

Vaernewijck, Marcus van (1518-1569).

Gents geschiedschrijver, rederijker en stadsbestuurder. Een voor zijn tijd bereisd man (hij bezocht in 1550 Italië via Tirol en Zwitserland, en reisde in 1556 door de Noordelijke Nederlanden naar Westfalen), die tot verschillende vertrouwensfuncties geroepen werd. Tot zijn gedrukte werken behoren Vlaemsche audvremdigheyt (1560) en Den spieghel der nederlandscher audtheyt, of Die historie van Belgis (1568). Zijn Van die beroerliche tijden in de Nederlanden is een dagboek over de gebeurtenissen in Vlaanderen - en bepaaldelijk in Gent - tussen 1566 en 1568. Het in 1869 ontdekte handschrift werd uitgegeven door Ferd. Vanderhaeghen (Gent, 1872-1881; 5 dln), die ook de bibliografie van Vaernewijcks opera in de Bibliotheca Belgica (1re Série; XXV; V 59-V 72) bezorgde.

Watermerken

De studie der watermerken heeft in onze tijd een hoge vlucht genomen; het zou De Vreese daarbij zeker verheugd hebben als hij nog kennis had gedragen van de oprichting en gestadige werkzaamheid der te Hilversum gevestigde Paper Publications Society, die een voorname reeks Monumenta Chartae Papyraceae historiam illustrantia uitgeeft, waarin reeds verschillende delen verschenen zijn. De intekenaars op deze serie ontvingen voor enkele jaren een bijzonder ter inleiding geschikte literatuuropgave: A short guide to books on watermarks (Hilversum, 1955). De grote pionier op dit gebied

[p. 189]

is geweest C.M. Briquet met zijn Les filigranes (Genève, 1907; 4 dln). Van bijzonder belang voor de neerlandicus zijn ook de werken van W.A. Churchill, Watermarks (Amsterdam, 1935) en Edward Heawood, Watermarks (Hilversum, 1950). De laatste publiceerde in hetzelfde jaar (als overdruk uit de Dictionary & Encyclopaedia of Paper & Papermaking) een Historical Review of Watermarks (Amsterdam, 1950), dat ter introductie bijzonder kan worden aanbevolen. In de jongste tijd zagen ook verschillende principiële beschouwingen over de studie der watermerken het licht. Daarvan worden hier genoemd:

 

W. Weiss, Die Bedeutung der Wasserzeichenkunde für die Geschichtsforschung. Archivmitteilungen V (1955) 18 vlgg.
Gösta Liljedahl, On vattenmärken och filigranologi. Historisk Tidskrift XIX (1956) 241 vlgg.
Gerhard Piccard, Die Wasserzeichenforschung als historische Hilfswissenschaft. Archivalische Zeitschrift LII (1956) 62 vlgg.

 

De laatstgenoemde geleerde ziet zijn levenswerk in de opbouw van een grote - thans reeds meer dan 50.000 specimina bevattende - ‘Wasserzeichenkartei’ in het Hauptstaatsarchiv te Stuttgart, waarover men enige inlichtingen vindt in de beknopte bijdrage van Lore Sporham-Krempel, Die Wasserzeichenkartei im Württembergischen Hauptstaatsarchiv zu Stuttgart. Philobiblon I (1957) 231 vlg.

 

Onmisbaar voor alle onderzoek naar de watermerken in de Nederlanden is De Vreese's eigen verzameling in zijn B.N.M.

 

Ten slotte wordt er hier gewezen op de vooral uit methodologisch oogpunt belangrijke studie van Roberto Ridolfi, Le filigrane dei paleotipi (Firenze, 1957), waarin wordt aangetoond dat juist de oude drukken waardevol materiaal leveren voor het onderzoek van watermerken.

prepostterug  begin  verder