terug  begin  verderprepost
[p. 1]origineel

Eerste hoofddeel.
Schets der dichters van de XIIIde tot de XVIIde eeuw.

Eerste afdeeling.
Dertiende eeuw.

Met het begin der dertiende Eeuw is de Ne-+derduitsche spraak eerst begonnen, om zoo te spreken, eene taal te worden. Daar te voren in 's Lands openbare zaken meestal een slecht Latijn, der middeneeuwen waardig, werd gebruikt, begon omtrent dezen tijd de Regering des Lands eene moedertaal in hare openbare uitspraken en geschriften in te voeren, 't welk niet weinig toebragt tot verlichting en beschaving des volks en der tale zelve. Ook de eenigzins ontluikende bloei van koophandel en zeevaart, waardoor de ingezetenen dezer landen toen meer welvarend begonnen te worden, bragt het zijne toe tot de verdere uitbotting der Nederduitsche Letterkunde. In dit tijdperk zien wij den dageraad onzer Dichtkunde, Niet dat men dit zich zoodanig voorstellen moet, als of in deze kindschheid onzer Taal- en Dichtkunde, reeds eenige zoetvloeijendheid en welluidendheid, die versierende metgezellinnen in later tijd, haar bevalligheid bijzetteden; maar alleen, dat in deze Eeuw de eerste grondslag tot hare beschaving gelegd is. Het was in dezen tijd, dat zij de aan-

[p. 2]origineel

dacht van meer verlichte, van voorname, en dus met andere meer beschaafde volkeren en talen bekende lieden, begon tot zich te trekken. De grooten zelve echter waren nog ruw, en over het geheel de letteren als beneden zich beschouwende; moed en oorlogsroem alleen werden driftig nagejaagd. De uitnemende gedenkschriften der Grieksche en Romeinsche geleerdheid schuilden in de morsige holen van vadzige Monniken, en de volgende Eeuw eerst bragt ze bij de herleving der letteren in Italië aan het licht. De Voorzienigheid echter bewaarde en vermenigvuldigde ook door deze, van andere algemeene werkzaamheden zich zelve uitsluitende wezens, het goede zaad tot eene aanstaande ontwikkeling, wanneer het uitkomend spruitje zich veilig aan eenen meer gezuiverden dampkring kon blootstellen, zonder vreeze van moedwillig uitgerukt en weggeworpen te worden. In de dertiende Eeuw waren de handschriften het eigendom van weinigen, en, als voortbrengsels van het blinde Heidendom, meestal veracht. De Kloosterlingen alleen bedienden er zich van tot eenen pronk van wetenschap en misleiding des volks.

Dan het wordt tijd, dat wij ons met de Dichters dezer Eeuw en hunne werken zelve bekend maken.

+(1)WILLEM UTENHOVEN, CALFSTAF, NOIJDEKIJN, CLAIS van BRECHTEN, zijn ons bijna alleen bij namen bekend; zij worden in de werken van Jacob van Maer-

[p. 3]origineel

lant, van wien wij nu zullen spreken, als Dichters genoemd.

(1)JACOB van MAERLANT, of, gelijk+ Foppens schrijft, Jacobusa Meellandt, en volgens Paquot, Jaques van Meerlandt ou van mierlandt, is, zoo men wil, in den jare 1235 te Damme in Vlaanderen geboren. Zeker is het, dat hij een Vlaminger was, gelijk hij zelf getuigt:

 
Ende / omdat ic Vlaminc ben.
 
Met goeder herte biddic hen /
 
Die dit Dietsche sullen lesen /
 
Dat si mijns genadich wesen;
 
Ende lesen sire in somich woort /
 
Dat in her land es ongehoort /
 
Men moet om de rime souken
 
Misselike tonghe in bouken.

Hij was een man van veel kunde en beroemdheid, hetwelk buiten twijfel aanleiding gegeven heeft, dat men hem tot Schrijver of Griffier te Damme verkoos. Hij overleed aldaar in den jare 1300. Men getuigt van hem, dat hij naar de Eeuw, waarin hij leefde, een zeer kundig Wijsgeer, een uitmuntend Redenaar, en de Vader der oude Dichtkunde geweest is, ja als een wonder van zijnen tijd was

[p. 4]origineel

aan te merken, te meer, daar hij niet tot den geestelijken stand, den eenigen geleerden van die dagen, maar slechts onder de zoogenaamde Leeken behoorde, die, volgens zeker Schrijver, in die Eeuw gerekend werden tot de geleerden te staan, als de menschen tot de beesten.

Waren zijne kundigheden menigvuldig, zijne werkzaamheid en ijver schijnen mede zeer uitgebreid geweest te zijn. Over zijne dichtwerken kunnen wij slechts ter loops spreken. Zijn Rijmbijbel, zijn werk Bestiaris of der Natuere Bloeme, Het Leven van den heiligen Franciscus, Bloemen of Spreuken van Aristoteles, anders genaamd Heymelijcheit der Heymelijcheit, de vertaling van den Trojaanschen Oorlog, Miracle van onzer Vrouwen, Wapen Martijn, Verkeerde Martijn, Spiegel Historiael, en andere dichtwerken, zijn de duidelijkste bewijzen zijner arbeidzaamheid. De Rijmbijbel is eene berijmde vertaling van de Historia Scholastica van Petrus Comestor; hij schijnt in den jare 1270 gedicht, en bevat vele boeken des Ouden Testaments; uit het Nieuwe vindt men alleen de vier Evangelisten. Der Natuere Bloeme, volgens sommigen het oudste werk, dat in onze taal over de Natuurlijke Historie geschreven is, is eene vertaling uit liber rerum van Aalbert, een Keulsch Geestelijke; het was gemaakt voor den Heer Niclais van Cats, gelijk Maerlant getuigt:

 
Ende dit dichte ic / dor sinen wille
 
Dien ics ian / lude ende stille /
 
Dats myn Here Niclais vā Cats.
[p. 5]origineel
 
Om dat mi ghebrect scats /
 
Bidvic / dat hem ghename si
 
Dat juweelken van mi.

Het leven van den H. Franciscus is vertaald naar het Latijn van Bonaventura, gelijk onze Dichter zelve schrijft voor dat werk:

 
Also als broeder Bonaventure /
 
Int Latyn heeft ghedicht ter cure /
 
So ic best mach en̄ naest
 
Salic hem volgen metter haest.

Zoo zijn de Bloemen van Aristoteles mede uit het Latijn overgebragt.

 
Dese bloemen hebben wi besocht /
 
En̄ vten Latine in Dietsche brocht /
 
Vte Aristotiles boeken.

Van de Vertaling van den Trojaanschen Oorlog wordt in den Spiegel Historiael, waarvan wij zoo aanstonds zullen spreken, gewag gemaakt; het werk zelve schijnt met andere verloren.

Het dichtstuk Miracle onzer Vrouwen, groot 36 Hoofdstukken, is eigenlijk geen afzonderlijk werk, maar genomen uit den Spiegel Historiael, en aldaar te vinden.

Wapen Martijn en Verkeerde Martijn, dus genaamd naar de eerste woorden van dit dichtstuk, eigenlijk een Zamenspraak tusschen Jacob en Martyn, is eigen werk; in hetzelve neemt Maerlant's geest een vrij hooger vlugt; het is volgens deskundigen vol blijken van opgehelderde denkbeelden en belezenheid. Wilt gij eene proeve? Hij legt Jacob deze uitnemende regels in den mond:

[p. 6]origineel
 
My en roect / wien droec of wan /
 
Daer trouwe ende doghet es an /
 
Ende reyne es van seden:
 
Wt wat Lande dat hi ran /
 
Dien ic den name gan
 
Van gherechte edelheden.
 
Al vercoft men sulchen man /
 
Nyeman hem gherouen en can
 
Synre doghetachticheden.

Het bekendste zijner werken is de Spiegel Historiael. De taalkundige J.A. Clignett en J. Steenwinkel hebben twee deelen van dezen Spiegel aan het licht gebragt, met eene voorrede over Maerlant en zijne werken; wij zien het derde deel sints lang met verlangen te gemoet. Deze Spiegel Historiael of Rijmkronijk is gevolgd naar het Latijn van zekeren Vincent de Beauvais of Vincentius Bellovacensis, die zijn werk Speculum Historiale genoemd had. Het is geschreven in den gewonen kronijktrant:

 
Die eerste bouc nemet sijn begin /
 
Also alse die werelt ginc in /
 
Hoe Adam was gemaect en̄ Yeue /
 
Hoe si verghaten die Gods lieue / enz.

Het is niet zonder wijsgeerige navolgingen uit de Ouden, bijzonder van Seneka, gelijk het volgende:

 
Dats Wiue doen en̄ Manne verre
 
Nv blide te wesen en̄ nv erre:
 
Want alle dinc syn ongestade.
 
Hieromme es hi vroet te rade /
 
Die de werelt werren laet /
 
En̄ emmer bliuet in enen staet.
[p. 7]origineel

Over deze en meerdere zijner werken kan men de voorrede van den Spiegel Historiael, en Van Wijn in zijne Avondstonden, nazien.

Uit de bijgebragte voorbeelden is genoeg gebleken, dat zijne dichtwerken, als voortbrengsels van kunst beschouwd, niet veel waarde hebben. De regels en voetmaat zijn ongeregeld; behalve het rijm hebben zij weinig of niets, dat naar poëzij zweemt; alles is weggeschreven als in proza; dat de laatste woorden van ieder regel gelijkklinkend zijn, onderscheidt hen bijna alleen van ongebonden rede; echter de taal is zeer zuiver, en dat Vlaemsch, waarvoor Maerlant verschooning vraagt, is niet zoo hinderlijk als in latere Dichters. Zijne beroemdheid is zoo groot geweest, dat hem in de twee volgende eeuwen de naam van Vader der Duitsche Dichteren gegeven is.

Niet op zulk een' hoogen ouderdom, maar op vroe-+gere en meer algemeene bekendschap mag (1)MELIS STOKE zich beroemen, die ons ook daarom nader schijnt te raken, dewijl wij hem uit vergelijking zijner sprake met die van anderen voor eenen Hollander mogen houden. Hij leefde in de laatste helft der dertiende Eeuw. Tegen Graaf Willem den Derden sprekende, noemt hij zich zijnen

[p. 8]origineel

armen Clerc; hij schijnt dus een geestelijke of beambte des Graven geweest te zijn. Zijn Rijmchronijk eerst in den jare 1591 met eene voorrede van den geleerden Janus Dousa, en laatst in den jare 1772 volgens den arbeid van den verdienstelijken en taalkundigen Balthazar Huijdecoper uitgegeven, is alomme bekend. Wij zullen hier niet met (1)Van Wijn onderzoeken, of dit werk, op zijnen naam gaande, door hem alleen, of wel door eenen anderen met hem vervaardigd zij; de vergelijking met het slot van dit werk doet dezen oudheidkundige vermoeden, dat het laatste gedeelte alleen van Melis Stoke is. De kronijk schijnt voor een goed gedeelte eene vrije navolging te zijn van een Latijnsch Handschrift, toen in de Abdij van Egmond bewaard. De inhoud is geheel geschiedkundig.

 
(2)Men schreef duzent seventich en̄ sesse /
 
Als Dideric hadde grote langhenesse /
 
Dat lant te hebbene weder algader /
 
Dat Grave Florens was syns vader. enz.

Men zou dit en andere dergelijke werken dezer Eeuw berijmde Geschiedenissen kunnen noemen. Behalve het ongewone der oude tale, waardoor deze en dergelijke stukken, hoe belangrijk ook voor de geschiedenis, veel verliezen, hindert den Lezer de zorgelooze gang der zeven, acht, tien of meer voerige dichtregels, het onbekommerd staan of slepen der verzen, enz. De voorstelling heeft niets dich-

[p. 9]origineel

terlijks. De verzen zijn ‘ruw en onregelmatig, zoo dat zij den naam van versen niet draegen kunnen: als men door rijmen verstaet de op elkander klinkende slotklanken, gelijk men in het vervolg van tijd verstond, dan zijn het ook rijmen. - De dwang van 't rijm mogt hem somtijds tot eene woordverplaatsing dringen, het was echter doorgaends onnodig, vermits hij altijd een goed aantal stopwoorden, voor het rijm, bij de hand hadt. Het geheele werk heeft gestadige afwijkingen van hooge en laege greepen, en andersom: somtijds hebben zijne regels een halve voet te veel, somtijds te weinig, dan weer vergeet hij de geheele Cadans en schrijft proza.’ Zoo oordeelde er de nette Huijzinga Bakker over. Hier echter geldt ook eenigzins de aanmerking van Van Wijn: ‘Ik meen’ zegt deze ‘ten aanzien onzer Rijmchronijken voor eene algemeene regel te moeten aanmerken, dat het dichtvermogen van derzelver Schrijvers niet altijd moet beoordeeld worden naar den gewoonen en slegts verhalenden stijl, van welken zij zich in dezelven bedienen, en die, hoe zeer rijm en maat geenzins het wezen van een Gedicht uitmaken, echter, dikwerf, zonder het rijm, zelfs geene schaduwe van een Gedicht zouden hebben. - Stoke's gespierde aanspraak aan Willem III. op 't einde van het Werk, toont genoeg, dat hij wel in staat was, de snaren boven den gewoonen Chronijktoon te spannen.’ De billijkheid vereischt, dat wij dezelve voor een gedeelte mededeelen, te meer daar het gezond verstand en de waarheidsliefde van Melis

[p. 10]origineel

hierin uitblinken. Dus spreekt hij onder anderen tot den Graaf:

 
Altoes penset om de doghet /
 
En̄ ghevet als ghi gheven moghet:
 
En̄ wat ghi ghevet / en̄ wien /
 
En̄ den smekers suldi sien
 
In den mont en̄ merke wale
 
Waeromme si segghen hare tale;
 
Oft om ghewin is haer slateren.
 
Meest ghelike anderen Heren.
 
Hout u liede / en̄ u lant te rechte /
 
Jeghens heren en̄ knechte.
 
Elken man so doet vonnesse.
 
Dies verdient / leert hem de lesse.
 
Dat recht is en̄ vonnesse draghet /
 
So eist om niet / eist dat hi claghet.
 
Doedys niet / ghi mesdoet.
 
Hi zal u werpen onder de voet / enz.

Men ziet de taal is vrij zuiver. De geheele (1)aanspraak is der lezing overwaardig. Wanneer men de Dichters der veertiende en vijftiende Eeuw met Maerlant en Stoke vergelijkt, blinken de laatsten ver boven dezelve uit.

Voor wij tot de volgende Afdeeling overgaan, zullen wij kortelijk spreken over eenige weinige anderen, van welken het onzeker is, of zij tot deze of de volgende Eeuw moeten gebragt worden.

+Onder dezelven kunnen wij met geen stilzwijgen voorbijgaan (2)JAN van HELU. Schoon een

[p. 11]origineel

even eenvoudig rijmer als zijne tijdgenooten, vindt men bij hem eene enkele fraaije vergelijking: dus zegt hij b.v. van de tegenstanders van Hertog Jan den Eersten, wiens krijgsbedrijven hij bezingt:

 
Want / gelyc dat die Euerzwyn /
 
Daer si moede gejaget zyn /
 
Verbeiden spieten ende sweert /
 
Alsoe drongen si / onuerueert /
 
Ieghen die Brabantre weder /
 
Dat si / doen / den Hertoghe neder
 
Twee orsen onder hem staken.

Zulke bloemsprake is zeldzaam in deze tijden.

Even onzeker is de tijdsbepaling van zeker werk van Broeder (1)THOMAS of GHERAERT+ over de Sterre- of Natuerkunde van 't Geheel - al. Het werk is, zoo als men uit de volgende regels ziet, niet zonder bijgeloovigheid.

 
Duuele / die syn in die lucht /
 
En̄ doen den menschē dicke vrucht.
 
Si comen oec wel maken vier /
 
Dat ons vlâmen dunckt scinen hier /
 
Dat si scieten onderlinghen.
 
Daer seghet men af vele dinghe.
 
Nacht-Ridders heten si. enz.
[p. 12]origineel

Dit is zulke verstandige taal niet als die van Maerlant en Stoke.

Iets van dit bijgeloovige kenmerkt mede het Rijm-+werk van (1)HEIJNRIC van HOLLAND. Laat de Dichter zijn onderwerp u zelf te kennen geven:

 
Ic wil scriuen van der Mane
 
Hare craft/ na minē bestē wane /
 
Als ic bescreuen hebbe vonden
 
Van Ypocras en ontbonden.

Ypocras moet Hippocrates beduiden.

Even min als van dezen kunnen wij den leeftijd bepalen van dien (2)Dichter, wiens werk dus eindigt:

 
+Der Crudē boec gaat hier wt.
 
Haddicker meer geuonden in Latine /
 
Ic duttscher meer/ met mire pine.

+Hen, die over (3)KAREL en ELEGAST en andere dergelijke Werken van dezen tijd willen nazien, verwijze ik naar de doorwerkte Avondstonden van den Heer Van Wijn.

Wij haasten ons tot de volgende Eeuw.

+Dertiende Eeuw.
+Utenhoven. Calfstaf. Noijdekijn. Van Brechten.
(1)Zie over dezelve: Van Wijn, Histor. en Letterk. Avondstonden, bl. 261-264.
(1)Zie over Maerlant, Foppens, Hist. Belg. vol. I. pag. 526. die hem noemt Poëta, Orator ac Philosophus acer. Paquot, Memoir. pour servir a t' Hist. des Pais-Bas. Tom. VII. pag. 391-393, de uitgewerkte voorrede voor den Spiegel Historiael door Clignett en Steenwinkel, en Van Wijn, Avondstonden, bl. 275, 276, en vooral 289-300.
+Jacob van Maerlant.
+Melis Stoke.
(1)Zie over Melis Stoke, Foppens His. Belg. ln voce Amilius Stoocke, T. I. pag. 49. Saxii, Onomast. T. II. pag. 342 et 343. Hoogstraten, Woordenb. op Stoke. Van Wijn, Avondstonden, bl. 277-284. Huijzinga Bakker, in het Vde Deel der Werken van de Maatsch. der Letterk. te Leijden, bl. 90-92. Zie meerdere berigten omtrent Stoke door Saxe l.l. aangehaald.
(1)bl. 280.
(2)2de boek, vs. 1.
(1)Rijmkronijk, Uitg. van Huijdecoper, III. D. bl. 419-424.
+Jan van Helu.
(2)Zie over dezen Van Wijn, bl 285-288. en Saxii Onomast. in Indice Communi, T. VII. pag. 353 en 354. Paquot, T. III. pag. 198 & 199. Foppens, pag. 655. Deze zegt, dat hij de Leewe genaamd werd, anderen Van Leeuwen. Zie vooral Lelijveld achter het eerste deel van Huijdecoper's Proeve, bl. 483-515. en vele van hem bijgebragte Proeven; zie het 4de Deel of Register, bl. 264.
(1)Zie Van Wijn, bl. 302-307.
+Broeder Thomas of Gheraert.
+Heynrie van Holland.
(1)Als voren, bl. 307.
(2)Als voren, bl. 308.
+De Dichter vnn der Krudenbouc.
+De Dichter van Karel en Elegast.
(3)Als voren, bl. 308-312.
prepostterug  begin  verder