Het licht door Van Maerlant, Stoke,+ en andere Dichters der Dertiende Eeuw aangebragt, heeft niet dadelijk die meer opgeklaarde en heldere tijdperken ten gevolge gehad, welke men, niet zonder eenigen grond, zou verwacht hebben. Wanneer men bijzonder de Rijmwerken van Maerlant met die der Dichters van de Veertiende Eeuw vergelijkt, vindt men niet alleen geene verbetering, maar zelfs eenige verachtering. Gelijke uitgang der laatste klanken van ieder regel bleef bijna alleen de geheele Dichtkunst uitmaken. De kronijkstijl bleef de geliefdste; ongeregeldheid van voetmaat heerschte als voren; geene zoetvloeijendheid, geene uitgelezene woorden, geene beelden kregen ingang; alles was en bleef zonder merkelijke verheffing van den geest.
(1)De overgang der regering bij het eindigen der Dertiende Eeuw uit het Grafelijke Hollandsche in het Henegouwer Huis, de gewigtige, schoon kortstondige, verovering van het grootste gedeelte van Holland en Zeeland door de Vlamingers in den jare 1304, veroorzaakten daarenboven eene verbastering der Hollandsche taal door inmenging van Fransche woorden, die in deze Eeuw begon, en in de volgende hand over hand toenam.
De grootste reden echter, waarom de Dichtkunde gedurende deze Eeuw in vergelijking der vorige, geene meerdere vordering gemaakt heeft, schijnt gelegen
in de hevige tweedragt en woedende partijschappen, welke in deze tijden onze voorouders van de beoefening der kunsten en wetenschappen aftrokken. Hoeksch en Kabeljaauwsch, Vetkoopers en Schieringers, met vele andere geduchte woorden van burgertwisten, vernielden allen uitbottenden tak van geleerdheid, en verbanden, gelijk alle leuzen van broedertwisten in latere dagen, de liefelijke Zanggodinnen, welke in vredelievende harten en landen slechts haren Tempel vestigen. Schoon derhalve de (1)Graven de aanmoediging der Dichtkunst geenszins verwaarloosden, zoo dat zelfs Jaargelden aan Dichters werden toegelegd, konden zij op den geest en de omstandigheden der tijden niet zoo voordeelig werken, dat de dichtkunst zich merkbaar verhief.
Wij gaan over om deze onze stelling door proeven uit de Dichters dezer Eeuw te staven.
+(2)LODEWIJK van VELTHEM. Een Brabandsch Priester. Wij hebben van hem een Spiegel Historiaal, waarvan hij echter slechts voor een gedeelte vervaardiger is, hebbende hij van andere Dichters, en bijzonder van Helu, zeer veel overgenomen en uitgeschreven. Deze Spiegel is in den jare 1727 door Isaac le Long in het licht gegeven. Zijne dichterlijke verdiensten zijn minder dan
die van Maerlant. Zijn dichttrant is, volgens Huijzinga Bakker en Van Wijn als die van Maerlandt en Stoke, doorgaans van ongelijke regels van zeven, acht, negen of tien lettergrepen, in den verhalenden trant, en zijn werk heeft als dichtstuk weinig of geene waarde. Het is vol bijgeloovigheid; zoo vertelt hij b.v. van eene wonderdadige genezing te Velthem geschied aan een
Niet zonder Latijnsche bastaardwoorden zijn zijne rijmen; zoo zegt hij:
en van den Zondvloed:
Men ziet hoe weinig zuiver, verheven, en hoe ongelijkmatig zijne rijmelarij is.
de KLERCK, dus genaamd, om dat hij een Geestelijke en Geheimschrijver te Antwerpen geweest is. Men denkt, dat hij omtrent het jaar 1280 geboren, en omtrent 1350 overleden is. Men heeft van hem Brabantsche Yeesten, zijnde een Rijmkronijk van Braband. Men zie over hem den kundigen Van Wijn, die zegt: ‘zijne rijmwijze is eenvoudig op den gewonen chronijktrant, en mede van agt, negen of tien lettergrepen. Meêr bastaard-woorden dan de voorgaande bevat zijne Chronijk.’ De Klerck betuigt, dat het werk van Maerlant in zijnen tijd reeds menigen onbekend was, en daarom spreekt hij van
Deze Kronijk is nimmer uitgegeven.
Wij laten hier op met (1)Van Wijn volgen den +Dichter van Die Dietsche Doctrinael, een werk uit het Latijn vertaald; waar en wanneer het voltooid is blijkt uit deze regels:
Het rijm is eenvoudig, en bestaat uit het gewoon getal van zeven tot tien lettergrepen; de taal is krachtiger, de denkbeelden zijn minder bijgeloovig. Over het geheel is dit werk boven dat van van Velthem en de Klerck te roemen.
De gedachte, dat God, die in geene steden, kerken of kloosters bijzonder gehuisd is, door inwendige reinheid des harten verheerlijkt wordt, drukt hij dus uit:
Dit werk is in den jare 1489 te Delft gedrukt.
Nog schijnt tot deze Eeuw gebragt te moeten wor-+den het Handschrift: Der Minnenloep door (2)CLAES WILLEMSZ. Het bevat liefdesgevallen, meerendeels ontleend uit aloude Fabelen, doormengd met sommige verhalen van later tijd. De taal is zuiver, en de denkbeelden zijn juist. Zeer verstandig is b.v. deze berijmde redenering, waar hij van zijn eigen werk zegt:
Van dichterlijke sieradiën, ziet men, was deze Schrijver geenszins ontbloot. De vergelijkingen zijn zeer wel gekozen; hij verdient des bijzonderen lof.
Geene meerdere Dichtwerken tot dit tijdperk wetende te brengen, gaan wij over tot de volgende Eeuw.