terug  begin  verderprepost
[p. 95]origineel

Tweede afdeeling.
Opgave der dichters dezer eeuw.

Één voorbeeld is meer, dan duizend raadgevin-+gen; één stout voorganger, één schitterend vernuft is meer der Dichtkunst bevorderlijk, dan een honderdtal van de uitgewerktste vertoogen, waarin betoogd wordt, hoe de Dichtkunst 's menschen geest veradelt, tot de hoogste hemelkringen opvoert, ja, een goddelijke, geen menschelijke kunst mag genaamd worden. Zulk een voorbeeld nu was, in het begin der 17de Eeuw, (1)PIETER CORNELISZOON HOOFT.

Nadat zoo vele verdienstelijke Mannen, ook in onzen leeftijd, den lof van Hooft hebben ver-

[p. 96]origineel

meld, zou het overdadig schijnen, iets daarbij te willen voegen; hoe zouden ook wij een lauwerblad hechten aan dien nooit te verwelken krans, dien Hooft even regtmatig omtrent onze Taal- en Dichtkunde heeft verdiend, als Petrarcha den zijnen voor de Italiaansche Poëzij en het doen herleven der Letteren. (1)Hooft zeg ik, zonder d'allerminste titel, want ik en kan geen bijwoorden ter wereld vinden, die mij niet en schijnen of in dien naam besloten te wezen, of die niet oneindig minder en zijn, als die naam is;

Hooft, zeg ik, wien ik vereer als:

(2)Dat Doorluchtig Hooft der Hollandsche Poëten,

als: (3)den keurigsten Opbouwer der Duitsche Taele, den Hooftdichter des Vaderlands, een wonder van Geleerdheid, den Vorst der Nederlandsche Vernuften, de opgaande Zon der Hollandsche Letterwijsheid, wien nog jongeling de oude Wijsheid ten pen uitvloeide, en grijze hersenen in het hooft droeg, die onze verbasterde tael gezuivert heeft, en het cieraet der Onlatijnsche, de triumpheerster over alle de Barbarische

[p. 97]origineel

talen heeft doen worden, die de palen der Hollandsche tael uitgebreid heeft, zo ver als de dag strekt. - Dan, mijne Heeren! verlaten wij den weelderigen Brandt, en volgen wij liever den meer bezadigden schrijftrant van eenen Huijzinga Bakker, als hij zegt: (1)Hooft, reeds in zijne vroege jeugd een Lid van de vermaerde Kamer in Liefde Bloeijende geweest zijnde, reisde in den jaere 1598, nog maer agtien jaeren oud, naer Frankrijk en Italie. 't Gene hij voor dien tijd gerijmd hadt, was plat en zenuwloos. Leest men nu den Brief, welken hij uit Florence, in 1601, aen zijne Amsterdamsche Kunstbroederen schreef, dan moet men zig verwonderen over de verbeteringe in den zwier, trant en stijl deezer versen, en vraegen, van waer toch heeft de jonge Hooft die bekwaemheid, en zulke eene vordering, in een vreemd gewest, zoo ras gehaeld? Waer dat nodig iet geleerd, welk hem en zijne konstgenooten tot heden ontbroken hadt? 't Antwoord is gereed: In Italië heeft hij 't geleerd; van daer heeft hij 't te huis gebragt. Te weeten: Hooft, een jongeling zijnde van veel verstand, van een ongemeen vernuft, opgevoed in de beschaevende taelen en wetenschappen, van nature een Dichter, en heet naer kennis, verkeerde met de schranderste geesten van dien tijd te Florence en elders; las en sprak de zoetvloeiende Dichters

[p. 98]origineel

van Italie in hunne eigene spraeke: vondt bij deezen dat zagte, dat tedere, dat zangrijke, in de Poëzije, welke hem in Ovidius behaegd hadt, maer dat hij als nog in zijne Vaderlandsche taele niet hadt weeten naer te volgen. Hij wordt verrukt, ontmoetende die bevallige melodij in de gedichten eener levende spraeke. Hij ziet het den Italiaen af: past het toe op zijn Nederduitsch. - Toen ontdekt hij de Cadans, het hooge en laege der lettergreepen, kunstig bij een geplaetst: voorts de maet, de rust, de snede, den trant, den dans en de muzijk in zijne vaderlandsche versen, en keert met deeze kundigheden naer huis. Alhier deelt hij zijnen kunstbroederen zijne ontdekking, opmerking en gedagten mede: hij schrijft Zangen en Minnedichten naer den trant en aertigheden der Italiaenen.’ En wat verder: (1)‘Die muzijk en melodij der versen, dat verhevene en bevallige, en te gelijk die kragt van zeggen, waervan Hooft meester was, waren bij de ovrigen nog verre te zoeken. Het begin deezer Eeuwe dan, van 1601, toen Hooft uit Italie te huis kwam, tot 1650 of 1625, noem ik het tijdperk, waerin de Nederduitsche Versen hunne bevalligheid, en den tegenwoordigen trant en toon verkregen hebben. - De eer van den aenvang en voortgang deezer fraeiheden geef ik, en met reden meen ik, den Heere Hooft alleen.’ Inderdaad, deze getuigenis is naar waarheid. Hooft, uit

[p. 99]origineel

een aanzienlijk geslacht, en van een braven en kundigen Vader afkomstig, gevoelde van jongs af eene sterke neiging tot de Dichtkunst. Hij had van de natuur eenen helderen en vluggen geest. Dezen gelukkigen aanleg beschaafde hij door zijne waarnemingen in andere landen. Daar was het, dat hij zich eigen maakte die musicale zachtheid en gehoorigheid, welke aan hem en aan zijne tijdgenooten die ruwheid en stooterigheid ontnam, welke de Werken van Coornhert, Spieghel en anderen ontsieren. Met de ware verhevenheid van denkbeelden en 't gevoel voor het schoone had hij zich reeds te voren bekend gemaakt aan Hollands Hoogeschool; den goeden smaak had hij te voren reeds gezogen uit de Grieksche en Latijnsche bloemen. Deze Schrijvers bleven zijne geliefdste metgezellen. Men slaat in der daad als versteld, wanneer men ziet, hoe dezelfde Hooft kracht, merg en stoutheid vereenigt met al wat bevallig, liefelijk, zacht en zoetvloeijend mag genoemd worden. Kort in een gedrongen, vol kern en pit, mannelijk is zijn proza, ook somwijlen zijn rijm; echter rollen zijne Gedichten meestal zoo vol melodij, zoo lieftallig, dat men niets geestiger, niets natuurlijker, niets liefelijker kan verlangen.

 
(1)Haasjen op het rennen stelde
 
Beid' haar' loopertjens; zoo gauw,
[p. 100]origineel
 
Dat ze met haar' zoolen nauw
 
Kreukte 't kruidtje van den velde,
 
Dat gelaên was met den dauw.
 
Denkt oft 't binnenst haerder ziele
 
Was van vrees in zwaare smart.
 
Geeraardt was haar op haar' hiele'.
 
Welhem lagh haar in haar hart.

Of wil men, onder zoo groot eene menigte aller-uitnemendste Gezangen, die ons hier belemmert, een ander voorbeeld:

 
(1)Klaare, wat heeft 'er u hartjen verlept,
 
Dat het verdrietjes in vroolijkheidt schept,
 
En t' aller tijd even beneepen, verdort,
 
Gelijk als een bloempjen, dat dauwetjen schort?
 
 
 
Krielt het van vrijers niet om uwe deur?
 
Moogh je niet gaan niet te kust' en te keur?
 
En doeje niet branden, en blaaken, en braên,
 
Al, waar 't u op lust een lonkjen te slaan?
 
 
 
Anders en speelt 'er 't windetjen niet
 
Op elzetakken, en leuterigh riet,
 
Als: lustighjes, lustighjes. Lustighjes gaat
 
Het watertjen, daar 't tegen 't walletjen slaat.
 
 
 
Ziet d'openhartige bloemetjens staen,
 
Die u tot alle blijgeestigheidt raên.
 
Zelf 't zonnetjen wenscht' u wel beter te moê;
 
En werpt u een lieffelijk oogelijn toe.
[p. 101]origineel
 
Maar zoo ze kunnen, door al hun vermaan,
 
Niet steeken met vreughd uw' zinnetjens aan,
 
Ik leg u te maaken aan 't schreijen de bron,
 
De boomen, de bloemen, de zuivere zon.

Welk eene zachte, gemakkelijke en liefelijke Versificatie, welk een onderscheid bij de stootende en harde Verzen zijner voorgangeren! ‘Bij Hooft’ zegt zeker (1)Schrijver te regt, ‘eindigt onze gebrekkelijke Versmaekkunde, en van hem begint derzelver beschaevinge. Hooft staet dus in het midden; hij keerde der ruwheid de rugge, en boodt de waere schoonheid en bevalligheid onzer Nederduitsche Poëzije zijne hand, en veel vermogende hulp.’

In den jare 1581, waarin wij gezien hebben, dat zoo vele aanzienlijke Mannen, de Amsterdamsche Kamer in liefde bloeijende, versierden, was Hooft geboren; negentien jaren oud zijnde, was hij reeds lid van dit gezelschap. Men moet, naar mijne gedachten, in het beoordeelen der Rederijkers groot onderscheid maken tusschen de zoo even genoemde Kamer, en de overige, in dezen tijd bloeijende. De eerste alleen was, om met (2)Brandt te spreken, een vrugtbaare enthof van schrandere geesten, een vermaard oefenschool van taal- en dichtkunst; zij hield geene of zeer geringe gemeenschap met de laatste, (3)wier ongeregeldheden, in den jare

[p. 102]origineel

1595 en 1596, door de Staten van Holland moesten bedwongen worden. Dat zij zich van de overige Kamers eenigzins afzonderde, kan daaruit blijken, dat zij bij die talrijke en plegtige zamenkomst van zoo vele Kamers in het naburig Haarlem, de aanzienlijkste die in Holland voorviel (1606), niet tegenwoordig was. Deze vermaarde bijeenkomst is omstandig beschreven in het (1)Constthoonend Juweel, zijnde eene verzameling van Spelen van Zinnen, Intreden, Refereinen, Balladen, Blazoenen, en wat bij die gelegenheid meer te borde kwam. Dit zoogenaamde Juweel ligt voor ons, en nevens hetzelve is de Granida van Hooft, omtrent dezen zelfden tijd vervaardigd, opengeslagen. Welk een onderscheid! Men behoeft inderdaad hier geen geoefend Kenner te zijn, om tusschen het valsche en echte Juweel te kiezen. Verwerpen wij dan het eerste, en beschouwen wij met verwondering het laatste, een Treurspel, dat, volgens getuigenis van den kundigen (2)Siegenbeek, op bevalligheid van uitdrukking en schildering, op welluidendheid

[p. 103]origineel

en zoetvloeijendheid van Verzen roemen kan. De Dichters hadden tot dus verre zich weinig toegelegd, om door kunstige en natuurlijke vergelijkingen hunne Gedichten leven en zwier bij te zetten. Hooft ging hen ook hierin voor; men leze b.v. in hetzelve de volgende:

 
(1)Wanneer als d'aarde van des ruwen winters plaagen
 
En zijn ontijdigh koudt omhelzen wordt ontslaagen,
 
Gevoelt zij in haar hart oprekenen de schier
 
Heel uitgedoofde kracht van haar begraven vier;
 
Doordien de zoete Lente in haar' verliefde weeken
 
Haar streelt, en ondergaat met minnelijker treeken,
 
Wanneer dat die vernieuwt den oudts - bekenden brandt;
 
Een leefbre ritseling doorkruipt haar 't ingewandt.
 
Alzoo gevoel ik, enz.

Hoe wel gekozen, hoe natuurlijk, hoe schilderachtig is hier bijna ieder woord! Meerdere proeven zoude ik uit dit Treurspel kunnen bijbrengen, en alsdan zoude ik den (2)Aanvang, en de uitnemende Alleenspraak, beginnende:

[p. 104]origineel
 
(1)Vaart schepters wel, vaartwel, vaartwel verheven tronen, enz.

niet vergeten, maar ik wil liever nog iets uit den Geraardt van Velzen bijbrengen. Uitnemend is bij voorbeeld al aanstonds de alleenspraak, waarmede Machteld van Velzen hetzelve begint. Hoe zacht, dieptreurig, gevoelig en verstandig, is daarin het volgende!

 
(2)Doch, is de doodt, de doodt, een van de zwaarste vloeken,
 
Te waard een gast, om mij verfoeide te bezoeken?
 
Zo zijt ghij welkoom mij in mijnen bangen noodt,
 
O zorghzachtende slaap, ghij naamaagh van de doodt,
 
Die stillen kunt alleen het knaagen van mijn smarten,
 
Die u ontsarmen laat der afgepijnde harten,
 
En noodight 't matte lijf, en afgetreurt gemoedt
 
Nu tot den vollen kroes van het vergeetelzoet.
 
Och oft de togen zoo mijn harssenen bevingen,
 
Dat 's lighaams rust den geest beschutte voor 't bespringen
 
Der beelden ijsselijk, voetstappen diep geplant,
 
Van 's daaghs verloopen' angst, in 't weekelijk verstandt!
[p. 105]origineel

Is het begin van dit Treurspel fraai, veel schooner is nog het slot, de (1)Aanspraak van de Vecht, waarvan de vermaarde Broekhuizen getuigt, dat ‘(2)de Hollandsche Poëzij, zijns oordeels, niets diergelijks aan den dag heeft gebragt, nochte in verhevenheid van gedachten, nochte in deftige zwier van sterk gezenuwde Verzen.’ Zal ik nu nog den Rei uit het vierde bedrijf aanheffen:

 
(3)Den openbaren Dwingelandt
 
Met moed te bieden wederstandt,
 
En op de harssenpan te treeden;
 
Om met het storten van zijn bloedt
 
Den Vaderlande 't waarste goedt
 
De gulde Vrijheid te bereeden, enz.

Neen, liever melde ik u, hoe Hooft omtrent dien zelfden tijd, waarop hij het zoo evengemelde Treurspel uitgaf, eene Klucht Warenar (gevolgd naar de Aulularia van Plautus) in het licht bragt, en vier jaren daarna (1617) den (4)Baeto, hetwelk hij voor het beschaafdste en vol-

[p. 106]origineel

komenste zijner Tooneelspelen hield. Twijfelt gij aan het oordeel van Hooft, zoo ziet Baeto vlugten met de zijnen:

 
(1)Hier
 
Voeteert de Vrouw van kinde groot.
 
Deez' draaght den zuigling in haar schoot,
 
En tsiddert, duchtend' even zeer
 
Voor man, voor kindt, voor lijf, voor eer,
 
Waar dat zij hoort den minsten schreeuw.
 
Hier gaat de naegelate Weeuw
 
Zo kinderrijk, als zonder kindt:
 
En elk zijn' staat bekommerst vindt.
 
Hier gaat de rijpe maaght verlooft;
 
Die minnewalmt den boezem stooft:
 
En treedt voor haren bruigom uit,
 
In plaats van ingehaalde bruidt.
 
Hier gaat de deirne vol van vrees,
 
Der wereldt onverzocht: de wees
 
Onmondigh, voor zijn' vooghden heen.
 
Hier strekt de stok het derde been
 
Den ouden man, die niet als slaaf
 
Gezind te vaaren is te graaf. enz.

Waarom kan ik het geheel u niet mededeelen? Vergelijkt dezen dichttrant bij dien van Coornhert, Spieghel en Visscher, en ziet wat reuzenstappen Hooft gedaan heeft.

[p. 107]origineel

Zijn zijne Treurspelen krachtig, menschkundig en schilderend, niet minderen lof verdienen zijne Minnedichtjes, waarvan ik reeds een paar tot proeven heb bijgebragt. Keur van zachtvloeijende woordjes, liefelijkheid en bevalligheid blinken allerwegen. Hooft kneedt de taal tot allerlei buigzaamheid en minzaamheid.

Onder de uitnemendste Gedichten van Hooft behoort ook (1)de Klagte der Prinsesse van Oranjen over 't Oorlogh voor 's Hartogenbosch. Wij bevelen het den onderzoeklievende aan, en spoeden ons ten besluite met te vermelden, hoe ook Hooft in het moeijelijk Werk der Bijschriften lof verdient. Tot een voorbeeld strekke dat op den grijzen Vossius:

 
(2)Een' inborst, blanker noch van deught,
 
Dan 't hooft van vlokken, die 't besneeuwen,
 
Draaght Vossius. ô Griek, wat meught
 
Ghij van uw Nestors kennis schreeuwen?
 
Heughd' hem van drie: den onzen heught
 
Van meer dan een half hondert Eeuwen.

Om ook met Brandt weder (3)de handt van dit tafereel, of deeze schets, zoodanig als ze is, af te trekken, betuigen wij: de Poëzij van Hooft is tot dat punt van lof opgeklommen, dat haar lof door geen laster vermindert, noch door geen lof vermeerdert kan worden. Niemandt aanschouw

[p. 108]origineel

dan des Drossaards Vaerzen met oneerbiedige oogen.

 

+Daar de meeste Gedichten van (1)JACOB CATS na die van Hooft zijn vervaardigd, hebben wij gemeend, eerst van den laatsten, schoon in orde van geboorte later dan de eerste, te moeten spreken. Hooft dichtte bijna geheel alleen in zijne jeugd; Cats veelal in zijnen ouderdom. Cats, schoon in stouten stijl, bondigheid, zenuwkracht en hoogdravendheid voor Hooft verre moetende wijken, heeft weder zijne eigene en inderdaad groote verdiensten. Geen onzer Dichteren is zoo miskend, als Cats. ‘Zo iemand, schreef de schrandere (2)van Effen in den jare 1732, met lof van 's mans werken durft spreken, men ziet hem, als of hij uit de andere wereld kwam, en het hem in de herssenen scheelde. - Bij de meesten onzer Rijmers is er zo weinig onderscheid tusschen Cats en Jan van Gijsen, dat het bijkans de moeite niet waard is daarvan te spreken.’ Waar zulk een dwaas oordeel aan

[p. 109]origineel

te wijten geweest zij, is niet moeijelijk na te gaan; aan de waanwijsheid der zoogenaamde Vernuften dier tijden, die, ongedachtig aan het zeggen van Horatius:

(1)Ubi plura nitent in carmine, non ego paucis
Offendar maculis,

zich stoorden aan ik en weet niet wat kleine gebreken, de deugden over het hoofd zagen, en niets fraai noemden, dat niet, als sommige plaatsen van den ouden Vondel en vele van den jongen Antonides, luid en schel klonk.

Cats was een man van groote belezenheid en diepe kennis, niet alleen der Grieksche en Latijnsche, maar ook der levende talen. Hij was niet ontbloot van vernuft, had een helder verstand, een scherp oordeel, en grondige kennis van 't menschelijke hart, waarin hem geen Schrijver overtreft. Zuiverheld, zoetvloeijendheid, gemakkelijkheid, schildering, sierlijke wending en velerlei natuurlijke bekoorlijkheden schitteren in zijne Gedichten. De Dichtkunst was voor hem, met de grootste waardigheden bekleed, eene verlustigende uitspanning. Zijne Dichtwerken zijn menigvuldig. Het is waar, het hoogdravende, stoute en verhevene, dat in de Werken van Hooft en Vondel

[p. 110]origineel

heerscht, is dun gezaaid in zijne Schriften; echter zij, die Cats goed gelezen hebben, en die zijn inderdaad niet zeer menigvuldig, zullen op vele plaatsen sporen van een stout vernuft ontmoeten. Cats kon zich tot eenen vurigen toon stemmen, gelijk onder andere uit deze eenvoudige aansporing van Neêrlands Zeevolk blijkbaar is:

 
(1)Zeehelden, wacker volck, peck-broeken, rappe-gasten,
 
Op, rukt nu wederom de vlaggen van de masten;
 
Gaet, jaegt eens op een nieuw den Spanjaert over boort,
 
En haelt eens wederom dat ghij ter Zee verloort.
 
't Is lang genoegh gegeeuwt, 't is al te lang geslapen!
 
Komt word' eens dat je waert, en als je zijt geschapen! -
 
De Leeuw vegt met de klaeuw, de Stier gebruickt den horen,
 
Het Peert slaat met den voet, een Haen met felle sporen;
 
De Zee is uw geweer, gebruickt daer uw gewelt.
 
Daer is geen twijfel aen; de Spanjaert moet gevelt.

Dan wij moeten Cats in zijnen meest gewonen

[p. 111]origineel

dichttrant leeren kennen, om zijne waarde met juistheid te bepalen, en duidelijk te zien, welk een schat in dezen Cats besloten is, om den mensch met goede en vermakelijke zedekunde te verrijken.

Om hem als naief Minnedichter te leeren kennen, behoeft men zijne Galatea slechts in te zien. Kan er iets naiever en eenvoudiger gedacht worden, dan de taal van Daphnis over zijne Karsseboompjens?

 
Dese worden nu geplant
 
In mijn alderbeste lant;
 
En, terwijl ick spit en delf,
 
Zegh ick sagjens bij mijn self:
 
‘Spaar die boompjen, kerssedief!
 
D'eerste vrucht is voor mijn lief.’

Het is bij zulk een overvloed van liefelijke Gedichtjes, welke bij Cats te vinden zijn, ten uiterste moeijelijk eene goede keuze te doen; laat het ons des geoorloofd zijn, onzen Daphnis te blijven volgen, daar hij zijne Galatea van de steedsche pracht en onrust tot de eenvoudige en kalme genoegens des landlevens poogt te lokken.

 
Wie sijn schaepjens 's avonds telt
 
Alsse komen uijt het velt,
 
En hij vint het vol getal,
 
Die en vraeght dan niet met al,
 
Wat eens Koopmans treurigh hooft
 
Van den soeten slaep berooft.
[p. 112]origineel
 
Hij en vreest niet, dat sijn schip
 
Mocht verseijlen op een klip;
 
Dat sijn waren hier ofdaer
 
Mochten komen in gevaer;
 
Dat een roover met gewelt,
 
Mochte nemen schip en gelt;
 
Dat sijn schipper is een dief;
 
Dat men sijnen wisselbrief
 
Mochte laeten onbetaelt.
 
Denckt! hoe een, die leijt en maelt
 
Op dees saken nacht en dagh,
 
Wijf en Kint vermaken magh.
 
Ik en houw niet van het goet,
 
Dat moet sweven metten vloet,
 
Dat moet komen over zee.
 
Ik ben liever bij het vee,
 
Bij den ploegh, en bij de biên;
 
Daer kan ick mijn rijkdom sien,
 
Daer speel ick een geestig liet
 
Op een mousel, of een riet;
 
Daer heb ick een stille siel,
 
Schoon de gantsche hemel viel.

En vervolgens:

 
Dan soo dees al niet te min
 
U mocht komen in den sin,
 
Somtijts eens de stadt te sien,
 
En al wat er magh geschiên,
 
Soo woud' ick mijn beste peert
[p. 113]origineel
 
Geestigh vlechten aen de steert,
 
En dan nemen eenigh kleet
 
Overlangh hiertoe gereet,
 
En soo lustigh van ter sij
 
U geen setten nevens mij.
 
Als je dan geseten waert,
 
Wel gesint en wel gepaert,
 
Reed ick eerst om onsen bou,
 
Eer ick elders rijden wou:
 
Daer soo wees ick metter hant
 
U de vruchten van het lant. -
 
En als 't peert dan op de baen
 
Eens wat harde mochte gaen,
 
Sou je mij, als tot u scherm,
 
Vaster grijpen in den erm,
 
Vaster hangen aen het lijf,
 
En dan zeggen: niet te slijf.
 
Maer soo aengenaemen hant,
 
En soo langh-gewensten bant,
 
Soo een knoop om mij geleijt,
 
Die mij soete dinghen seijt,
 
Sou mij soo bevalligh sijn,
 
Dat ick uijt een loosen schijn,
 
Ligt om onsen gantschen bou
 
Vrij wat harder reijden sou. -
 
Als ick dus geseten waer
 
Soo en gaf ick niet een haer
 
Om het gelt of om het goet,
[p. 114]origineel
 
Daer men soo om leijt en wroet;
 
Oock niet om een hoger staet,
 
Enckel nijt en enckel haet.
 
Wat heeft nu het Steeds gerij,
 
Wat heeft hier een wagen bij?
 
Wat een koets, vol enckel pracht,
 
Onlancks hier in 't lant gebracht,
 
Daer gheen joffer in en rijt,
 
Als om meer te zijn benijt,
 
Daer men eeuwigh sit en praet,
 
Wat er elders ommegaet,
 
En schier niet een woort en spreeckt,
 
Als dat iemants eere breeckt?
 
Ick en wilse niet benijen,
 
Die soo prachtigh henen rijen,
 
Schoon sij voeren menigh peert
 
Dicwijls hondert kroonen weert;
 
Want haer sorrigh is soo groot,
 
Datse weeght, gelijck het loot,
 
En tot soo een swaeren geest
 
Hoeft men ja soo menigh beest,
 
Overmits een kleijn gespan
 
Haer verdriet niet trecken kan.

Zoo eenvoudig sprekende zien wij den boer, en hij behaagt ons met zijnen ongekunstelden praat. Op spraakregelen gaf Cats niet veel acht; zijne taal is echter doorgaans zuiver.

In beelden en vergelijkingen is Cats meestal

[p. 115]origineel

oorspronkelijk, hierin geheel ongelijk aan dezulken, die, met eenen kleinen kring van beelden te vrede, zulke alleen verwerken, die zij uit vreemden of landgenooten hebben overgenomen; niet dat wij zulks geheel afkeuren, maar het heeft oneindig meerdere moeite en verdiensten, nieuwe voorwerpen ter vergelijking en toepassing op te sporen. De Ouden bevlijtigden zich hieromtrent zeer in hunne Zinnebeelden; dus b.v. zingt Cats in een derzelve:

 
(1)Als van twee gepaerde schelpen
 
D'eene breeckt of wel verliest,
 
Niemant sal u konnen helpen,
 
Hoe men soeckt, hoe nau men kiest,
 
Aen een, die met effen randen
 
Juijst op d'ander passen sou.
 
D'oudste zijn de beste panden,
 
Niet en gaet voor d'eerste trou. enz.

Of wil men eene andere proeve, men sla Cats Werken slechts open; overal heerscht eenvoudigheid en oorspronkelijkheid, b.v.

 
(2)Als de most, te nau bedwongen
 
Leijt en worstelt, leijt en sucht,
 
Sonder adem sonder lucht;
 
Siet! dan doet hij vreemde sprongen,
[p. 116]origineel
 
Siet! dan rieckt de gansche vloer
 
Nae de dampen van de moer:
 
Alle banden, alle duijgen,
 
Die het vrij, het edel nat
 
Hielden in het enge vat,
 
Moeten wijcken, moeten buijgen
 
Voor de krachten van den wijn;
 
Hoe geweldigh dat se sijn.
 
Als een Koningh vrije lieden
 
Op een ongewoonen voet,
 
Uijt een trotsen overmoet,
 
Al te vinnigh wil gebieden,
 
Daer en is geen twijffel aen,
 
Of het moet 'er qualick gaen. enz.

In zijne meer uitgebreide zedekundige Gedichten, waarin Cats zoo uitnemend is, geeft deze oorspronkelijkheid en rijkheid van beelden overal leven en schildering. Een enkel voorbeeld is uit vele honderden genoeg.

 
(1)Wel schijdt dan, weerde ziel, van dit ellendig leven,
 
Als sachtjens wechgelijdt, en niet als uijtgedreven.
 
Doet als een eerlijck man, die van de tafel gaet
 
Niet vol, maer sonder dorst, niet sat, edoch versaet.
[p. 117]origineel
 
En, op dat u de doodt reijsveerdigh moghte vinden,
 
Als God te sijner tijdt u leden sal ontbinden,
 
Soo lieft u leven niet, als op den eijgen voet,
 
Gelijck een kreupel mensch sijn houte krucken doet.
 
Wie swack van beenen is, bemint sijn houte krucken,
 
Ja draeght se met 'er handt, gelijck als weerde stucken.
 
Doch 't waer hem echter lief, indien 'er ijemant quam,
 
Die van hem sijn gebreck, en oock de krucken, nam.

Zijn zulke en dergelijke vergelijkingen niet nieuw en door hare eenvoudigheid treffend? Zijn zij niet juist berekend voor de bevatting van allen? Dat spreukrijke, dat eenvoudige, zelfs die herhalingen maken Cats tot den besten Zededichter. Waarheid verzelt overal zijne Gedichten, en eenvoudigheid bezegelt dezelve.

Het is derhalve buiten tegenspraak, dat Cats zijne bijzondere verdiensten heeft. Ik beken, zijne Gedichten heeft hij voor een ieder te verstaanbaar willen maken. Zij zijn hier en daar plat, vol van stopwoorden en herhalingen. Ook maakt de juiste snede altijd in het midden der verzen door een-

[p. 118]origineel

toonigheid dezelve op den duur vervelend. Wij geven dit toe, gelijk ieder onpartijdig beoordeelaar zulks moet toegeven. Maar zijn ze niet levendig en natuurlijk? Zijn ze niet verstandig, niet der deugd bevorderlijk? En blijkt het niet, dat het doel van Cats zulks geweest is? Hij schikt zijn stijl, zijn dichttrant naar zijn onderwerp. Cats is niet hoogdravend, als Hooft en Vondel, en moet het ook niet zijn, omdat zijn doel, zijne stof niet dezelfde is: ‘Waar vindt men Schilders,’ zegt de geestige (1)Spectator, ‘die eene keukenmeid met fluweel bekleeden, of eene vischvrouw, met paerlen, diamanten en goudlaken opgepronkt, baars en carper doen schoonmaken? Is het derhalve niet oogschijnlijk, dat hoogdravendheid van Cats te vorderen, en stoffen als de zijne daartoe te willen verheffen, de dwaaste pedanterie is, die ooit beschimpt kan worden?’ Doch wij herhalen het, toegegeven, dat dit ook gebreken zijn, hebben deze hem niet doen worden de nuttigste en vermakelijkste Dichter, die ooit geleefd heeft? ‘Ik hoorde,’ zeide reeds voor bijna twee eeuwen een toen vermaard (2)Schrijver: ‘Ik hoorde onlanxs de boecken van den Heer Raadpensionaris Cats, de Bibel des Jeugts, noemen. Gewisselik zijnder honderden van jongelui, dewelke die schriften neerstiger doorneuzelen, dan zij de heilige blaren doen.’ En inderdaad, de eenvoudige,

[p. 119]origineel

godvreezende en deugdlievende eerbiedigt nog heden ten dage, in spijt der waanwijsheid van, zoo zij meenen, meer verlichte betweters, Cats als een heiligen Schrijver, en zijne Gedichten als godgewijde Werken, die hem vermaken en stichten tevens.

Ik weet wel, dat sommigen het onderwerp geheel en al van de beoordeeling der Dichtwerken afzonderen, en voorzeker kan men alle onderwerpen dichterlijk behandelen, maar het is daarom niet om het even, welke onderwerpen er behandeld worden.

Geen onpartijdige kan aan Cats den roem betwisten, van zeer vloeijend, bevallig, schilderachtig, levendig en menschkundig gedicht te hebben. Onder hoe vele bekleedselen weet hij zijne denkbeelden duidelijk te maken! Hoe rijk is hij in vinding en wending! Hoe kunstig bovenal in ééne zaak van vele kanten met geestig bewijs voor te dragen! Hoe leerzaam door voorbeelden, zoo verstaanbaar bijgebragt! Welk een schat bezat hij van geleerdheid en diepe kennis van 't menschelijk hart! Cats, vooral in den tijd, waarin hij leefde, beschouwd, heeft uitnemende verdiensten. Hij moge de gebreken van Ovidius hebben, hij heeft ook de verdiensten van dezen. Daarenboven de brave, de eerlijke man straalt door in alle zijne Gedichten. Ik wil met (1)van Effen toegeven, dat de eerlijke man van den Dichter moet onderscheiden worden; maar ook dit weet ik met de-

[p. 120]origineel

zen, dat niets den Dichter, en vooral den Zededichter, zoo krachtdadiglijk ondersteunt, als het geluk van den eerlijken man tot zijn onafscheidelijken gezel te hebben, en dat afbeeldingen der deugd, die uit het hart opwellen, vrij wat sterker en levendiger zijn, dan die genen, die maar uit de harsenen geparst worden.

+(1)LAURENS REAEL, de vriend van Hooft, Vondel en andere vermaarde Dichters, heeft ter dier tijd de Nederduitsche lier mede niet zonder roem en bevalligheid bespeeld. Een man van het grootste aanzien en geleerdheid, deed hij zijn Vaderland en der Dichtkunde de gewigtigste diensten. Hij was onder andere Ridder en Gouverneur-Generaal der Indiën, vanwaar hij onmetelijke schatten naar Holland telken jare afzond. Als Vice-Admiraal en Gezant is hij mede beroemd. Naderhand had hij te Amsterdam hoog gezag en veel invloed. Jan Vos noemt hem:

Een Febus op de lier, een Tijfus op de baren.

Zijne Gedichten, hoe weinig in getal, geven blijken van uitnemende begaafdheden. Hoe gemakkelijk is zijne Versificatie! Zie b.v. het Gedichtje Oorsprongh van de Kusjens:

 
(2)Aen een van Idaes beecken
 
Had sich Aeneas Soon
[p. 121]origineel
 
Eens heijmelijck versteecken,
 
Als kleene Minnegôon
 
Hem hadden doen vermoeijen
 
Door haer stoeijen.
 
 
 
Als Venus 't schoone knaepjen
 
Ontstelt sagh door 't gewoel,
 
Bevangen met een slaepjen
 
In lommers dicht en koel,
 
Leijse op viooltjens teder
 
Hem wat neder.
 
 
 
En om sijn sachte zijtjes
 
Een wolck sij henen schoot,
 
Van soo veel bloempjens blijtjens,
 
Van roosjes wit en root,
 
En bleef aen 't lieffelijck slapen
 
Sich vergapen.
 
 
 
Terstondt quam ingekroopen
 
In haer vermandt gemoedt.
 
En, eer sij 't wist, gesloopen
 
Adonis eerste gloedt;
 
Dies 't vijerigh hart ontrusten
 
D'ouwe lusten.
[p. 122]origineel
 
Hoe dick wou sij omvangen
 
Haer lieven neefjen teer,
 
En in haer armpjens prangen;
 
‘Dus plagh’ seijd sij ‘wel eer
 
Adonis uitgeleesen
 
Oock te wesen.’
 
 
 
Doch schreumende te steuren
 
Het soete sluijmrend wicht,
 
En uijt sijn slaep te scheuren,
 
Soo kuste sij wel dicht
 
De naestgelegen roosjens
 
Al met poosjens.
 
 
 
De roosjens die ontstaken,
 
Beginnende terstondt
 
Rondom haer blancke kaecken
 
Tot aen haer roode mondt
 
Veel kusjens in te aemen
 
Al te saemen.
 
 
 
Vrouw Venus gingh vergaren
 
Dees levendige blaên,
 
Die niet als kusjens waren
 
Als sijse raeckten aen,
 
En voer met dit gewemel
 
Soo ten Hemel.
 
 
 
Dees' schat had sij gekregen
 
Maer dees Godin was mildt,
[p. 123]origineel
 
En heefts' als in een regen
 
Weêr mildelijck gespilt,
 
En daer mee gaen bedouwen
 
Schoone vrouwen.
 
 
 
Dit is de soete waesem
 
Op lipjens lief gesprenght,
 
Met daeuw van geurigen aesem
 
In 't roode roodt gemenght,
 
Die minnaers veel kan geven,
 
Jae doet leeven.
 
 
 
Wilt dan soo schaers niet wesen,
 
Mijn waerde Rosemondt!
 
Met die gift uijtgelesen
 
Waer meê u lipjes rondt,
 
Soo mildelijck van hier boven,
 
Zijn bedooven.

Hoe geestig is hier gespeeld! Hoe gemakkelijk rolt hier alles! In het minnedicht schijnt hij bijzonder uitgemunt te hebben. Hij is overal zuiver, zachtvloeijend, natuurlijk, geestig en schilderachtig. Tot eene andere proeve kunnen deze regels dienen uit zijne Maeghdeklacht, waar eene Herderin, eenen rozenkrans voor haren Herder gevlochten hebbende, onder andere dus zingt:

 
(1)Moght ick nu mijn krans van roosen
 
Stellen op sijn lieflijck hooft,
[p. 124]origineel
 
Dan sou 't immers zijn gelooft,
 
Dat ick d'Herder heb verkoosen;
 
En of 't niemandt looven wou,
 
Met mijn mondt ick 't zeeglen sou.
 
 
 
Als mijn lief zijn vee gaet weijen
 
En hij op zijn rietjen fluijt,
 
Andre weijmans komen uijt;
 
Kan ick, laes! mijn lust niet peijen.
 
Doch, 't en waer uijt loutre schaemt,
 
k Seij wat meer dan mij betaemt. -
 
 
 
Dickmaels wensch ick mij verandert
 
In een lam of geijtjen teer,
 
Want dan sou mijn waerde Heer
 
Mij oock streelen neffens d'ander,
 
Als hij doet zijn lieve veê,
 
'k Wensch mij in 't geselschap meê.
 
 
 
Lieve vee, gedooght mijn quellen,
 
Klapt als ghij mijn Herder siet,
 
Schaduw, klaeght hem mijn verdriet!
 
Boomen, wilt het hem vertellen.
 
Liever ick hem selver spraeck,
 
Daer ick, arme wicht, nae haeck.
 
 
 
Windt, die al 't geboomt' doet drillen,
 
Seght hem, wat ghij hebt gehoort,
 
Alles vrij van woordt tot woordt;
 
Opdat hij mijn klaght magh stillen;
[p. 125]origineel
 
Ruijscht met sulcken soeten toon,
 
Dat ick weerliefd' krijgh tot loon.

Met regt is zijn lof wijd en zijd verspreid in de schriften der eerste vernuften dier tijden, die zijn vertrek uit het vaderland betreurden, zijn afwezen rusteloos droegen, zijne terugkomst met blijdschap te gemoet zagen, zijne gevangenis te Weenen euvel namen, en hem als een Maecenas der kunst ten vaderlande weder inhaalden. Om hem nog als Puntdichter te doen kennen, strekke dit Grafschrift op den dapperen Zeeheld Kornelis Janszoon de Haen:

 
(1)Hier rust die Helt, die van sijn vijands schepen
 
In sevenmael quam seven vlaggen sleepen,
 
En gaf voor 't laetst op twee soo dapper vonck,
 
Dat 't eene vlood, en 't andre bij hem sonck.

Het was niet genoeg, dat hij als Vroedschap, Bewindhebber der Kompagnie, Schepen, Weesmeester enz. in zijne geboortestad in het grootste aanzien was, maar men noemde zelfs een gedeelte der stad naar zijnen naam: Het Reaalen Eiland. Hij overleed in 1637.

 

Onder de vermaarde Dichters van het begin de-+zer Eeuw mogen wij niet voorbijgaan (2)GERBRANT ADRIAENSZ. BREDERO. Zijne Dichtwerken zijn echter met die van Hooft

[p. 126]origineel

en andere beroemde tijdgenooten, waarmede hij gemeenzaam verkeerde, niet te vergelijken. Zij zijn boertig, doch meestal (1)plat, onbeschaafd en zonder eenige merkelijke verheffing. Hier en daar is hij echter zinrijk. Zijn rijmtrant is meestal vrij vloeijend.

 
Wist een dwaes, dat hij waer zot,
 
En bad den goeden grooten God;
 
Hij zou, dat's wis, wel haest geneesen.
 
Maer zotheid is van dier gedaent',
 
Dat zij haer zelf de wijste waent.
 
Dus blijft de nar in 't narre wesen.

Men heeft in zijne losse Gedichten meer proeven van geestigen ernst. Bijzonder troffen onzen aandacht deze regels uit een zijner aandachtige liederen:

 
't Sonnetje steeckt zijn hoofjen op,
 
En beslaet der bergen top
 
Met zijn lichjes.
 
Wat gesichjes,
 
Wat verschietjes, verd en flauw
 
Dommelter tusschen 't grauw en blauw!
[p. 127]origineel
 
't Vochtige beeckje blinckt verciert,
 
't Vrolijck vinckje tiereliert
 
Op de tackjes
 
Wild en mackjes,
 
En weer strackjes op een aer
 
Huppeltet met zijn weder-paer.
 
 
 
d'Hemelen werden meer begroet
 
Van de Diertjes kleijn en soet,
 
Als van Menschen,
 
Die maer wenschen
 
Nae het aerts vergancklijk goet;
 
Dat men hier doch al laten moet, enz.

Had hij in dezen trant meer gedicht, hij zou nog heden zijnen roem behouden hebben; of liever, was Bredero niet zoo (1)vroeg gestorven, en had zijn geest de noodige beschaving erlangd, hij had misschien als een ster van de eerste grootte geschitterd. Hij was van de kennis van de zoogenaamde geleerde talen geheel verstoken. Vondel vervaardigde op hem dit Grafschrift:

 
(2)Hier rust Brero, heen gereist,
 
Daer de boot geen veergelt eischt
 
Van den Geest, die met zijn kluchten
 
Holp aan 't lachen al die zuchten.
[p. 128]origineel

+Was Bredero als Blijspeldichter toen in aanzien, (1)SAMUEL COSTER, de beroemde Treurspeldichter en Oprigter van den eersten Schouwburg in Amsterdam, in den jare 1617, onder den naam van Academie, verdient niet minder melding. Hij voerde beteren smaak in de Treurpoëzij in, bragt Vondel's stukken ten Tooneele, en verbande allengskens van daar de duistere en smaakelooze Zedespelen der Rederijkers. Hij geeft hier en daar in zijne Treurspelen schitterende blijken van vernuft, doch schijnt alles niet genoeg bewerkt te hebben. (2)Brandt zegt te regt van hem, dat hij de grootste Dichters hadt naar de kroon gestooken, indien hij zijne geestige invallen hadt willen bearbeiden. Wij zullen, om zijnen dichttrant te doen zien, deze plaats uit zijne Iphigeniae bijbrengen, waar Calchas den twist der Grieksche Vorsten dus poogt tot bedaren tebrengen:

 
t'Is oock geen orbaer, dat men sich begeef op Zee
 
Met dit onstuijmigh weêr van deze luwe reê.
 
Wij mochten licht'lijck op een lager wal vervallen,
 
Daer wij't door quade grond af-reden geen van allen.
 
Laet dus, o Vorsten, doch 't onweer van u gemoed
 
Bedaren, so sult gij niet anders doen dan goed
[p. 129]origineel
 
In dese handeling. Blijst bij natuur en rechten,
 
Dan sult ghij dese saeck noch onder u wel slechten;
 
Want daer is niet so swaer, dat de natuur en 't recht
 
In den gestoorden mensch met reden niet en slecht.
 
Maer so ghij 't niet en doet, en soeckt dus eijgensinnigh
 
Te drijven dat ghij wilt, soo sie 'k u noch soo vinnigh
 
En bits te worden, dat de binnenlandsche twist
 
Sal moeten worden van uijtlanders noch beslist.
 
Dan wast met ons ghedaen; dan sijn wij so bedurven.
 
Gelijck een schip, dat mast en kabel heeft gekurven
 
Hoop'loos op lagerwal, daar 't strandend stuckend stoot. enz.

Of wil men liever iets uit zijne Polyxena? Men zie het tafereel, waar Ulijsses Astyanax, ondanks den tegenstand van de moedige Andromache, uit het graf van Hector rukt. Ulijsses, te vergeefs gepoogd hebbende Andromache over te halen tot het aanwijzen der plaats, waar Astyanax verscholen is, spreekt vol drift zijne rotgezellen aan:

 
Ulijsses.
 
Krijghsluijden! breeckt het al van boven uit den top
 
Tot in den grondt, vernielt en delft de graven op!
[p. 130]origineel
 
Laet self de dooden niet in d'onderaerdsche huijsen
 
Berusten, ruckt haer uit haer akelige kluijsen,
 
En werpt de rompen op tot aes van 't wild gediert'!
 
Andromache.
 
Ghij die der grote Goden Kercken niet gheviert
 
En hebt, maer die verdelgd, sult, denck ick, oock wel durven
 
Na uw' manhafticheid de graven der versturven
 
Bestormen. - Zo welaan! - Aanschouwt ghij dit, o Goôn?
 
So Griecken so, bevecht de weerelose doôn! -
 
Ulysses! och! laet af! laet af! en laet berusten
 
Mijn Hector in zijn graf. Wat mach u bloeddorst lusten? -
 
Astyanax.
 
Mijn moeder! -
 
Andromache.
 
Och, sal u sijn kindsheid dan niet moeijen? enz.

Dit is immers de ware taal van den Tooneeldichter? Men ziet dat hij de hartstogten zeer wel uitdrukte. Zijn dichttrant is krachtig. Zijne verzen rollen, gelijk men ziet, tamelijk wel; dit is doorgaans in zijne Treurspelen; in zijne overige Gedichten, in sommige Bloemlezingen van dien tijd hier en daar voorkomende, zijn dezelve echter meer hard en stootend.

[p. 131]origineel

De Geleerden dier tijden rekenden het zich tot+ genoegen, beurtelings de Latijnsche en Nederduitsche lier te bespelen. Bijzonder moeten wij te dezen opzigte roemen (1)DANIEL HEINSIUS, Casparus Barlaeus en Hugo Grotius, waarbij sommigen zouden voegen Petrus Scriverius, die met Samuel Ampzing en anderen toen te Haarlem bloeide, doch die, onzes oordeels, minder verdiensten heeft, waarom wij ook van hem geen gewag zullen maken.

Heinsius, te Gent omtrent den jare 1580 geboren, oefende zich in alle wetenschap en smaak hier te lande te Middelburg, Franeker en Leijden, in welke laatste Stad hij zelf naderhand tot Hoogleeraar verkoren werd. Was het ons oogmerk, hier iets van zijnen levensloop te melden, wij zouden niet voorbijgaan te berigten, hoe de Koning van Zweden hem tot zijnen Geschiedschrijver en Raadsheer van Staat verhief, hoe Venetie hem de Ridderorde van St. Marcus vereerde, hoe hij in 1619, als Geheimschrijver der Politieken op het Dordsche Synode, bij sommigen gunst, bij anderen ongunst behaalde, en vele andere levensbijzonderheden van dezen beroemden Geleerde hier aanstippen; nu zij het genoeg te melden, dat hij, die zich eenen uitnemenden roem bij landgenooten en vreemden ver-

[p. 132]origineel

worven heeft als Latijnsch Dichter, ook als Neduitsch Dichter zeer loffelijke vorderingen gemaakt heeft. Wat deze zijne Dichtwerken betreft, in 1616 door Petrus Scriverius bij een verzameld en uitgegeven, onder den naam van Danielis Heinsii Nederduitsche Poëmata; wanneer hij zich op dit vak meerder had willen toeleggen, blijkt het uit dezen kleinen bundel, dat hij met de eerste vernuften zou hebben gewedijverd. Met Cats door vriendschap en eenstemmigheid van gevoelens verbonden, schijnt hij als Dichter in deszelfs verdiensten en gebreken tevens deel genomen te hebben. De Verzen van Heinsius zijn zachtvloeijend, verstandig, en vol van geestige en natuurlijke vergelijkingen; maar alles is hier en daar te zeer gerekt, vol van herhalingen, en somwijlen laag van uitdrukking. Er heerscht echter overhoops meer kracht en stoutheid bij Heinsius dan bij Cats. Getuige zij het Gedicht op de doot ende treffelicke victorie van Jacob van Heemskerck. Hier is de Zeeslag bij Gibraltar met fiksche en stoute trekken geschilderd:

 
(1)Neptunus swam int bloet. Men sach zijn baren rollen
 
En steijgeren om hooch van dooden opgeswollen.
 
De Zee was heel ontstelt. De menschen op het landt
 
Vergingen half van vrees, en storven half van schandt. enz.
[p. 133]origineel

Meer in den trant van Cats is deze vaderland en vrijheid-lievende aanspraak tegen de Spanjaarden:

 
(1)Al daer de Hemel streckt en daer de Wolcken drijven,
 
Ist even waer men woont, als Kinders ende Wijven
 
Sijn buijten slavernij, sijn verre van u handt;
 
Al daer ghij niet en sijt, daer is ons vaderlandt.
 
De voghel is alleen geboren om te snijden
 
Met vleugelen de locht, de peerden om te rijden,
 
De Muijlen om het pack te dragen, of de lijn
 
Te trecken met den hals; en wij, om vrij te sijn.

Op schilderachtige trekken en roerende beelden mag het Gedicht op de Beschrijving van Leijden, door Jan Orlers, roemen.

 
(2)De honger was in stadt, de vijant voor de wallen.
 
De moeder sach haer vrucht voor haere voeten vallen.
 
Zij selve menichmael, nae datse sonder broot
 
Veel dagen was geweest, viel met haer kinders doot
 
Noch hangend aen de borst, noch besich om te buijgen
 
Haer leden naer het werck, en gevend' haer te suijgen.<