Één voorbeeld is meer, dan duizend raadgevin-+gen; één stout voorganger, één schitterend vernuft is meer der Dichtkunst bevorderlijk, dan een honderdtal van de uitgewerktste vertoogen, waarin betoogd wordt, hoe de Dichtkunst 's menschen geest veradelt, tot de hoogste hemelkringen opvoert, ja, een goddelijke, geen menschelijke kunst mag genaamd worden. Zulk een voorbeeld nu was, in het begin der 17de Eeuw, (1)PIETER CORNELISZOON HOOFT.
Nadat zoo vele verdienstelijke Mannen, ook in onzen leeftijd, den lof van Hooft hebben ver-
meld, zou het overdadig schijnen, iets daarbij te willen voegen; hoe zouden ook wij een lauwerblad hechten aan dien nooit te verwelken krans, dien Hooft even regtmatig omtrent onze Taal- en Dichtkunde heeft verdiend, als Petrarcha den zijnen voor de Italiaansche Poëzij en het doen herleven der Letteren. (1)Hooft zeg ik, zonder d'allerminste titel, want ik en kan geen bijwoorden ter wereld vinden, die mij niet en schijnen of in dien naam besloten te wezen, of die niet oneindig minder en zijn, als die naam is;
Hooft, zeg ik, wien ik vereer als:
(2)Dat Doorluchtig Hooft der Hollandsche Poëten,
als: (3)den keurigsten Opbouwer der Duitsche Taele, den Hooftdichter des Vaderlands, een wonder van Geleerdheid, den Vorst der Nederlandsche Vernuften, de opgaande Zon der Hollandsche Letterwijsheid, wien nog jongeling de oude Wijsheid ten pen uitvloeide, en grijze hersenen in het hooft droeg, die onze verbasterde tael gezuivert heeft, en het cieraet der Onlatijnsche, de triumpheerster over alle de Barbarische
talen heeft doen worden, die de palen der Hollandsche tael uitgebreid heeft, zo ver als de dag strekt. - Dan, mijne Heeren! verlaten wij den weelderigen Brandt, en volgen wij liever den meer bezadigden schrijftrant van eenen Huijzinga Bakker, als hij zegt: (1)‘Hooft, reeds in zijne vroege jeugd een Lid van de vermaerde Kamer in Liefde Bloeijende geweest zijnde, reisde in den jaere 1598, nog maer agtien jaeren oud, naer Frankrijk en Italie. 't Gene hij voor dien tijd gerijmd hadt, was plat en zenuwloos. Leest men nu den Brief, welken hij uit Florence, in 1601, aen zijne Amsterdamsche Kunstbroederen schreef, dan moet men zig verwonderen over de verbeteringe in den zwier, trant en stijl deezer versen, en vraegen, van waer toch heeft de jonge Hooft die bekwaemheid, en zulke eene vordering, in een vreemd gewest, zoo ras gehaeld? Waer dat nodig iet geleerd, welk hem en zijne konstgenooten tot heden ontbroken hadt? 't Antwoord is gereed: In Italië heeft hij 't geleerd; van daer heeft hij 't te huis gebragt. Te weeten: Hooft, een jongeling zijnde van veel verstand, van een ongemeen vernuft, opgevoed in de beschaevende taelen en wetenschappen, van nature een Dichter, en heet naer kennis, verkeerde met de schranderste geesten van dien tijd te Florence en elders; las en sprak de zoetvloeiende Dichters
van Italie in hunne eigene spraeke: vondt bij deezen dat zagte, dat tedere, dat zangrijke, in de Poëzije, welke hem in Ovidius behaegd hadt, maer dat hij als nog in zijne Vaderlandsche taele niet hadt weeten naer te volgen. Hij wordt verrukt, ontmoetende die bevallige melodij in de gedichten eener levende spraeke. Hij ziet het den Italiaen af: past het toe op zijn Nederduitsch. - Toen ontdekt hij de Cadans, het hooge en laege der lettergreepen, kunstig bij een geplaetst: voorts de maet, de rust, de snede, den trant, den dans en de muzijk in zijne vaderlandsche versen, en keert met deeze kundigheden naer huis. Alhier deelt hij zijnen kunstbroederen zijne ontdekking, opmerking en gedagten mede: hij schrijft Zangen en Minnedichten naer den trant en aertigheden der Italiaenen.’ En wat verder: (1)‘Die muzijk en melodij der versen, dat verhevene en bevallige, en te gelijk die kragt van zeggen, waervan Hooft meester was, waren bij de ovrigen nog verre te zoeken. Het begin deezer Eeuwe dan, van 1601, toen Hooft uit Italie te huis kwam, tot 1650 of 1625, noem ik het tijdperk, waerin de Nederduitsche Versen hunne bevalligheid, en den tegenwoordigen trant en toon verkregen hebben. - De eer van den aenvang en voortgang deezer fraeiheden geef ik, en met reden meen ik, den Heere Hooft alleen.’ Inderdaad, deze getuigenis is naar waarheid. Hooft, uit
een aanzienlijk geslacht, en van een braven en kundigen Vader afkomstig, gevoelde van jongs af eene sterke neiging tot de Dichtkunst. Hij had van de natuur eenen helderen en vluggen geest. Dezen gelukkigen aanleg beschaafde hij door zijne waarnemingen in andere landen. Daar was het, dat hij zich eigen maakte die musicale zachtheid en gehoorigheid, welke aan hem en aan zijne tijdgenooten die ruwheid en stooterigheid ontnam, welke de Werken van Coornhert, Spieghel en anderen ontsieren. Met de ware verhevenheid van denkbeelden en 't gevoel voor het schoone had hij zich reeds te voren bekend gemaakt aan Hollands Hoogeschool; den goeden smaak had hij te voren reeds gezogen uit de Grieksche en Latijnsche bloemen. Deze Schrijvers bleven zijne geliefdste metgezellen. Men slaat in der daad als versteld, wanneer men ziet, hoe dezelfde Hooft kracht, merg en stoutheid vereenigt met al wat bevallig, liefelijk, zacht en zoetvloeijend mag genoemd worden. Kort in een gedrongen, vol kern en pit, mannelijk is zijn proza, ook somwijlen zijn rijm; echter rollen zijne Gedichten meestal zoo vol melodij, zoo lieftallig, dat men niets geestiger, niets natuurlijker, niets liefelijker kan verlangen.
Of wil men, onder zoo groot eene menigte aller-uitnemendste Gezangen, die ons hier belemmert, een ander voorbeeld:
Welk eene zachte, gemakkelijke en liefelijke Versificatie, welk een onderscheid bij de stootende en harde Verzen zijner voorgangeren! ‘Bij Hooft’ zegt zeker (1)Schrijver te regt, ‘eindigt onze gebrekkelijke Versmaekkunde, en van hem begint derzelver beschaevinge. Hooft staet dus in het midden; hij keerde der ruwheid de rugge, en boodt de waere schoonheid en bevalligheid onzer Nederduitsche Poëzije zijne hand, en veel vermogende hulp.’
In den jare 1581, waarin wij gezien hebben, dat zoo vele aanzienlijke Mannen, de Amsterdamsche Kamer in liefde bloeijende, versierden, was Hooft geboren; negentien jaren oud zijnde, was hij reeds lid van dit gezelschap. Men moet, naar mijne gedachten, in het beoordeelen der Rederijkers groot onderscheid maken tusschen de zoo even genoemde Kamer, en de overige, in dezen tijd bloeijende. De eerste alleen was, om met (2)Brandt te spreken, een vrugtbaare enthof van schrandere geesten, een vermaard oefenschool van taal- en dichtkunst; zij hield geene of zeer geringe gemeenschap met de laatste, (3)wier ongeregeldheden, in den jare
1595 en 1596, door de Staten van Holland moesten bedwongen worden. Dat zij zich van de overige Kamers eenigzins afzonderde, kan daaruit blijken, dat zij bij die talrijke en plegtige zamenkomst van zoo vele Kamers in het naburig Haarlem, de aanzienlijkste die in Holland voorviel (1606), niet tegenwoordig was. Deze vermaarde bijeenkomst is omstandig beschreven in het (1)Constthoonend Juweel, zijnde eene verzameling van Spelen van Zinnen, Intreden, Refereinen, Balladen, Blazoenen, en wat bij die gelegenheid meer te borde kwam. Dit zoogenaamde Juweel ligt voor ons, en nevens hetzelve is de Granida van Hooft, omtrent dezen zelfden tijd vervaardigd, opengeslagen. Welk een onderscheid! Men behoeft inderdaad hier geen geoefend Kenner te zijn, om tusschen het valsche en echte Juweel te kiezen. Verwerpen wij dan het eerste, en beschouwen wij met verwondering het laatste, een Treurspel, dat, volgens getuigenis van den kundigen (2)Siegenbeek, op bevalligheid van uitdrukking en schildering, op welluidendheid
en zoetvloeijendheid van Verzen roemen kan. De Dichters hadden tot dus verre zich weinig toegelegd, om door kunstige en natuurlijke vergelijkingen hunne Gedichten leven en zwier bij te zetten. Hooft ging hen ook hierin voor; men leze b.v. in hetzelve de volgende:
Hoe wel gekozen, hoe natuurlijk, hoe schilderachtig is hier bijna ieder woord! Meerdere proeven zoude ik uit dit Treurspel kunnen bijbrengen, en alsdan zoude ik den (2)Aanvang, en de uitnemende Alleenspraak, beginnende:
niet vergeten, maar ik wil liever nog iets uit den Geraardt van Velzen bijbrengen. Uitnemend is bij voorbeeld al aanstonds de alleenspraak, waarmede Machteld van Velzen hetzelve begint. Hoe zacht, dieptreurig, gevoelig en verstandig, is daarin het volgende!
Is het begin van dit Treurspel fraai, veel schooner is nog het slot, de (1)Aanspraak van de Vecht, waarvan de vermaarde Broekhuizen getuigt, dat ‘(2)de Hollandsche Poëzij, zijns oordeels, niets diergelijks aan den dag heeft gebragt, nochte in verhevenheid van gedachten, nochte in deftige zwier van sterk gezenuwde Verzen.’ Zal ik nu nog den Rei uit het vierde bedrijf aanheffen:
Neen, liever melde ik u, hoe Hooft omtrent dien zelfden tijd, waarop hij het zoo evengemelde Treurspel uitgaf, eene Klucht Warenar (gevolgd naar de Aulularia van Plautus) in het licht bragt, en vier jaren daarna (1617) den (4)Baeto, hetwelk hij voor het beschaafdste en vol-
komenste zijner Tooneelspelen hield. Twijfelt gij aan het oordeel van Hooft, zoo ziet Baeto vlugten met de zijnen:
Waarom kan ik het geheel u niet mededeelen? Vergelijkt dezen dichttrant bij dien van Coornhert, Spieghel en Visscher, en ziet wat reuzenstappen Hooft gedaan heeft.
Zijn zijne Treurspelen krachtig, menschkundig en schilderend, niet minderen lof verdienen zijne Minnedichtjes, waarvan ik reeds een paar tot proeven heb bijgebragt. Keur van zachtvloeijende woordjes, liefelijkheid en bevalligheid blinken allerwegen. Hooft kneedt de taal tot allerlei buigzaamheid en minzaamheid.
Onder de uitnemendste Gedichten van Hooft behoort ook (1)de Klagte der Prinsesse van Oranjen over 't Oorlogh voor 's Hartogenbosch. Wij bevelen het den onderzoeklievende aan, en spoeden ons ten besluite met te vermelden, hoe ook Hooft in het moeijelijk Werk der Bijschriften lof verdient. Tot een voorbeeld strekke dat op den grijzen Vossius:
Om ook met Brandt weder (3)de handt van dit tafereel, of deeze schets, zoodanig als ze is, af te trekken, betuigen wij: de Poëzij van Hooft is tot dat punt van lof opgeklommen, dat haar lof door geen laster vermindert, noch door geen lof vermeerdert kan worden. Niemandt aanschouw
dan des Drossaards Vaerzen met oneerbiedige oogen.
+Daar de meeste Gedichten van (1)JACOB CATS na die van Hooft zijn vervaardigd, hebben wij gemeend, eerst van den laatsten, schoon in orde van geboorte later dan de eerste, te moeten spreken. Hooft dichtte bijna geheel alleen in zijne jeugd; Cats veelal in zijnen ouderdom. Cats, schoon in stouten stijl, bondigheid, zenuwkracht en hoogdravendheid voor Hooft verre moetende wijken, heeft weder zijne eigene en inderdaad groote verdiensten. Geen onzer Dichteren is zoo miskend, als Cats. ‘Zo iemand, schreef de schrandere (2)van Effen in den jare 1732, met lof van 's mans werken durft spreken, men ziet hem, als of hij uit de andere wereld kwam, en het hem in de herssenen scheelde. - Bij de meesten onzer Rijmers is er zo weinig onderscheid tusschen Cats en Jan van Gijsen, dat het bijkans de moeite niet waard is daarvan te spreken.’ Waar zulk een dwaas oordeel aan
te wijten geweest zij, is niet moeijelijk na te gaan; aan de waanwijsheid der zoogenaamde Vernuften dier tijden, die, ongedachtig aan het zeggen van Horatius:
(1)Ubi plura nitent in carmine, non ego paucis
Offendar maculis,
zich stoorden aan ik en weet niet wat kleine gebreken, de deugden over het hoofd zagen, en niets fraai noemden, dat niet, als sommige plaatsen van den ouden Vondel en vele van den jongen Antonides, luid en schel klonk.
Cats was een man van groote belezenheid en diepe kennis, niet alleen der Grieksche en Latijnsche, maar ook der levende talen. Hij was niet ontbloot van vernuft, had een helder verstand, een scherp oordeel, en grondige kennis van 't menschelijke hart, waarin hem geen Schrijver overtreft. Zuiverheld, zoetvloeijendheid, gemakkelijkheid, schildering, sierlijke wending en velerlei natuurlijke bekoorlijkheden schitteren in zijne Gedichten. De Dichtkunst was voor hem, met de grootste waardigheden bekleed, eene verlustigende uitspanning. Zijne Dichtwerken zijn menigvuldig. Het is waar, het hoogdravende, stoute en verhevene, dat in de Werken van Hooft en Vondel
heerscht, is dun gezaaid in zijne Schriften; echter zij, die Cats goed gelezen hebben, en die zijn inderdaad niet zeer menigvuldig, zullen op vele plaatsen sporen van een stout vernuft ontmoeten. Cats kon zich tot eenen vurigen toon stemmen, gelijk onder andere uit deze eenvoudige aansporing van Neêrlands Zeevolk blijkbaar is:
Dan wij moeten Cats in zijnen meest gewonen
dichttrant leeren kennen, om zijne waarde met juistheid te bepalen, en duidelijk te zien, welk een schat in dezen Cats besloten is, om den mensch met goede en vermakelijke zedekunde te verrijken.
Om hem als naief Minnedichter te leeren kennen, behoeft men zijne Galatea slechts in te zien. Kan er iets naiever en eenvoudiger gedacht worden, dan de taal van Daphnis over zijne Karsseboompjens?
Het is bij zulk een overvloed van liefelijke Gedichtjes, welke bij Cats te vinden zijn, ten uiterste moeijelijk eene goede keuze te doen; laat het ons des geoorloofd zijn, onzen Daphnis te blijven volgen, daar hij zijne Galatea van de steedsche pracht en onrust tot de eenvoudige en kalme genoegens des landlevens poogt te lokken.
En vervolgens:
Zoo eenvoudig sprekende zien wij den boer, en hij behaagt ons met zijnen ongekunstelden praat. Op spraakregelen gaf Cats niet veel acht; zijne taal is echter doorgaans zuiver.
In beelden en vergelijkingen is Cats meestal
oorspronkelijk, hierin geheel ongelijk aan dezulken, die, met eenen kleinen kring van beelden te vrede, zulke alleen verwerken, die zij uit vreemden of landgenooten hebben overgenomen; niet dat wij zulks geheel afkeuren, maar het heeft oneindig meerdere moeite en verdiensten, nieuwe voorwerpen ter vergelijking en toepassing op te sporen. De Ouden bevlijtigden zich hieromtrent zeer in hunne Zinnebeelden; dus b.v. zingt Cats in een derzelve:
Of wil men eene andere proeve, men sla Cats Werken slechts open; overal heerscht eenvoudigheid en oorspronkelijkheid, b.v.
In zijne meer uitgebreide zedekundige Gedichten, waarin Cats zoo uitnemend is, geeft deze oorspronkelijkheid en rijkheid van beelden overal leven en schildering. Een enkel voorbeeld is uit vele honderden genoeg.
Zijn zulke en dergelijke vergelijkingen niet nieuw en door hare eenvoudigheid treffend? Zijn zij niet juist berekend voor de bevatting van allen? Dat spreukrijke, dat eenvoudige, zelfs die herhalingen maken Cats tot den besten Zededichter. Waarheid verzelt overal zijne Gedichten, en eenvoudigheid bezegelt dezelve.
Het is derhalve buiten tegenspraak, dat Cats zijne bijzondere verdiensten heeft. Ik beken, zijne Gedichten heeft hij voor een ieder te verstaanbaar willen maken. Zij zijn hier en daar plat, vol van stopwoorden en herhalingen. Ook maakt de juiste snede altijd in het midden der verzen door een-
toonigheid dezelve op den duur vervelend. Wij geven dit toe, gelijk ieder onpartijdig beoordeelaar zulks moet toegeven. Maar zijn ze niet levendig en natuurlijk? Zijn ze niet verstandig, niet der deugd bevorderlijk? En blijkt het niet, dat het doel van Cats zulks geweest is? Hij schikt zijn stijl, zijn dichttrant naar zijn onderwerp. Cats is niet hoogdravend, als Hooft en Vondel, en moet het ook niet zijn, omdat zijn doel, zijne stof niet dezelfde is: ‘Waar vindt men Schilders,’ zegt de geestige (1)Spectator, ‘die eene keukenmeid met fluweel bekleeden, of eene vischvrouw, met paerlen, diamanten en goudlaken opgepronkt, baars en carper doen schoonmaken? Is het derhalve niet oogschijnlijk, dat hoogdravendheid van Cats te vorderen, en stoffen als de zijne daartoe te willen verheffen, de dwaaste pedanterie is, die ooit beschimpt kan worden?’ Doch wij herhalen het, toegegeven, dat dit ook gebreken zijn, hebben deze hem niet doen worden de nuttigste en vermakelijkste Dichter, die ooit geleefd heeft? ‘Ik hoorde,’ zeide reeds voor bijna twee eeuwen een toen vermaard (2)Schrijver: ‘Ik hoorde onlanxs de boecken van den Heer Raadpensionaris Cats, de Bibel des Jeugts, noemen. Gewisselik zijnder honderden van jongelui, dewelke die schriften neerstiger doorneuzelen, dan zij de heilige blaren doen.’ En inderdaad, de eenvoudige,
godvreezende en deugdlievende eerbiedigt nog heden ten dage, in spijt der waanwijsheid van, zoo zij meenen, meer verlichte betweters, Cats als een heiligen Schrijver, en zijne Gedichten als godgewijde Werken, die hem vermaken en stichten tevens.
Ik weet wel, dat sommigen het onderwerp geheel en al van de beoordeeling der Dichtwerken afzonderen, en voorzeker kan men alle onderwerpen dichterlijk behandelen, maar het is daarom niet om het even, welke onderwerpen er behandeld worden.
Geen onpartijdige kan aan Cats den roem betwisten, van zeer vloeijend, bevallig, schilderachtig, levendig en menschkundig gedicht te hebben. Onder hoe vele bekleedselen weet hij zijne denkbeelden duidelijk te maken! Hoe rijk is hij in vinding en wending! Hoe kunstig bovenal in ééne zaak van vele kanten met geestig bewijs voor te dragen! Hoe leerzaam door voorbeelden, zoo verstaanbaar bijgebragt! Welk een schat bezat hij van geleerdheid en diepe kennis van 't menschelijk hart! Cats, vooral in den tijd, waarin hij leefde, beschouwd, heeft uitnemende verdiensten. Hij moge de gebreken van Ovidius hebben, hij heeft ook de verdiensten van dezen. Daarenboven de brave, de eerlijke man straalt door in alle zijne Gedichten. Ik wil met (1)van Effen toegeven, dat de eerlijke man van den Dichter moet onderscheiden worden; maar ook dit weet ik met de-
zen, dat niets den Dichter, en vooral den Zededichter, zoo krachtdadiglijk ondersteunt, als het geluk van den eerlijken man tot zijn onafscheidelijken gezel te hebben, en dat afbeeldingen der deugd, die uit het hart opwellen, vrij wat sterker en levendiger zijn, dan die genen, die maar uit de harsenen geparst worden.
+(1)LAURENS REAEL, de vriend van Hooft, Vondel en andere vermaarde Dichters, heeft ter dier tijd de Nederduitsche lier mede niet zonder roem en bevalligheid bespeeld. Een man van het grootste aanzien en geleerdheid, deed hij zijn Vaderland en der Dichtkunde de gewigtigste diensten. Hij was onder andere Ridder en Gouverneur-Generaal der Indiën, vanwaar hij onmetelijke schatten naar Holland telken jare afzond. Als Vice-Admiraal en Gezant is hij mede beroemd. Naderhand had hij te Amsterdam hoog gezag en veel invloed. Jan Vos noemt hem:
Een Febus op de lier, een Tijfus op de baren.
Zijne Gedichten, hoe weinig in getal, geven blijken van uitnemende begaafdheden. Hoe gemakkelijk is zijne Versificatie! Zie b.v. het Gedichtje Oorsprongh van de Kusjens:
Hoe geestig is hier gespeeld! Hoe gemakkelijk rolt hier alles! In het minnedicht schijnt hij bijzonder uitgemunt te hebben. Hij is overal zuiver, zachtvloeijend, natuurlijk, geestig en schilderachtig. Tot eene andere proeve kunnen deze regels dienen uit zijne Maeghdeklacht, waar eene Herderin, eenen rozenkrans voor haren Herder gevlochten hebbende, onder andere dus zingt:
Met regt is zijn lof wijd en zijd verspreid in de schriften der eerste vernuften dier tijden, die zijn vertrek uit het vaderland betreurden, zijn afwezen rusteloos droegen, zijne terugkomst met blijdschap te gemoet zagen, zijne gevangenis te Weenen euvel namen, en hem als een Maecenas der kunst ten vaderlande weder inhaalden. Om hem nog als Puntdichter te doen kennen, strekke dit Grafschrift op den dapperen Zeeheld Kornelis Janszoon de Haen:
Het was niet genoeg, dat hij als Vroedschap, Bewindhebber der Kompagnie, Schepen, Weesmeester enz. in zijne geboortestad in het grootste aanzien was, maar men noemde zelfs een gedeelte der stad naar zijnen naam: Het Reaalen Eiland. Hij overleed in 1637.
Onder de vermaarde Dichters van het begin de-+zer Eeuw mogen wij niet voorbijgaan (2)GERBRANT ADRIAENSZ. BREDERO. Zijne Dichtwerken zijn echter met die van Hooft
en andere beroemde tijdgenooten, waarmede hij gemeenzaam verkeerde, niet te vergelijken. Zij zijn boertig, doch meestal (1)plat, onbeschaafd en zonder eenige merkelijke verheffing. Hier en daar is hij echter zinrijk. Zijn rijmtrant is meestal vrij vloeijend.
Men heeft in zijne losse Gedichten meer proeven van geestigen ernst. Bijzonder troffen onzen aandacht deze regels uit een zijner aandachtige liederen:
Had hij in dezen trant meer gedicht, hij zou nog heden zijnen roem behouden hebben; of liever, was Bredero niet zoo (1)vroeg gestorven, en had zijn geest de noodige beschaving erlangd, hij had misschien als een ster van de eerste grootte geschitterd. Hij was van de kennis van de zoogenaamde geleerde talen geheel verstoken. Vondel vervaardigde op hem dit Grafschrift:
+Was Bredero als Blijspeldichter toen in aanzien, (1)SAMUEL COSTER, de beroemde Treurspeldichter en Oprigter van den eersten Schouwburg in Amsterdam, in den jare 1617, onder den naam van Academie, verdient niet minder melding. Hij voerde beteren smaak in de Treurpoëzij in, bragt Vondel's stukken ten Tooneele, en verbande allengskens van daar de duistere en smaakelooze Zedespelen der Rederijkers. Hij geeft hier en daar in zijne Treurspelen schitterende blijken van vernuft, doch schijnt alles niet genoeg bewerkt te hebben. (2)Brandt zegt te regt van hem, dat hij de grootste Dichters hadt naar de kroon gestooken, indien hij zijne geestige invallen hadt willen bearbeiden. Wij zullen, om zijnen dichttrant te doen zien, deze plaats uit zijne Iphigeniae bijbrengen, waar Calchas den twist der Grieksche Vorsten dus poogt tot bedaren tebrengen:
Of wil men liever iets uit zijne Polyxena? Men zie het tafereel, waar Ulijsses Astyanax, ondanks den tegenstand van de moedige Andromache, uit het graf van Hector rukt. Ulijsses, te vergeefs gepoogd hebbende Andromache over te halen tot het aanwijzen der plaats, waar Astyanax verscholen is, spreekt vol drift zijne rotgezellen aan:
Dit is immers de ware taal van den Tooneeldichter? Men ziet dat hij de hartstogten zeer wel uitdrukte. Zijn dichttrant is krachtig. Zijne verzen rollen, gelijk men ziet, tamelijk wel; dit is doorgaans in zijne Treurspelen; in zijne overige Gedichten, in sommige Bloemlezingen van dien tijd hier en daar voorkomende, zijn dezelve echter meer hard en stootend.
De Geleerden dier tijden rekenden het zich tot+ genoegen, beurtelings de Latijnsche en Nederduitsche lier te bespelen. Bijzonder moeten wij te dezen opzigte roemen (1)DANIEL HEINSIUS, Casparus Barlaeus en Hugo Grotius, waarbij sommigen zouden voegen Petrus Scriverius, die met Samuel Ampzing en anderen toen te Haarlem bloeide, doch die, onzes oordeels, minder verdiensten heeft, waarom wij ook van hem geen gewag zullen maken.
Heinsius, te Gent omtrent den jare 1580 geboren, oefende zich in alle wetenschap en smaak hier te lande te Middelburg, Franeker en Leijden, in welke laatste Stad hij zelf naderhand tot Hoogleeraar verkoren werd. Was het ons oogmerk, hier iets van zijnen levensloop te melden, wij zouden niet voorbijgaan te berigten, hoe de Koning van Zweden hem tot zijnen Geschiedschrijver en Raadsheer van Staat verhief, hoe Venetie hem de Ridderorde van St. Marcus vereerde, hoe hij in 1619, als Geheimschrijver der Politieken op het Dordsche Synode, bij sommigen gunst, bij anderen ongunst behaalde, en vele andere levensbijzonderheden van dezen beroemden Geleerde hier aanstippen; nu zij het genoeg te melden, dat hij, die zich eenen uitnemenden roem bij landgenooten en vreemden ver-
worven heeft als Latijnsch Dichter, ook als Neduitsch Dichter zeer loffelijke vorderingen gemaakt heeft. Wat deze zijne Dichtwerken betreft, in 1616 door Petrus Scriverius bij een verzameld en uitgegeven, onder den naam van Danielis Heinsii Nederduitsche Poëmata; wanneer hij zich op dit vak meerder had willen toeleggen, blijkt het uit dezen kleinen bundel, dat hij met de eerste vernuften zou hebben gewedijverd. Met Cats door vriendschap en eenstemmigheid van gevoelens verbonden, schijnt hij als Dichter in deszelfs verdiensten en gebreken tevens deel genomen te hebben. De Verzen van Heinsius zijn zachtvloeijend, verstandig, en vol van geestige en natuurlijke vergelijkingen; maar alles is hier en daar te zeer gerekt, vol van herhalingen, en somwijlen laag van uitdrukking. Er heerscht echter overhoops meer kracht en stoutheid bij Heinsius dan bij Cats. Getuige zij het Gedicht op de doot ende treffelicke victorie van Jacob van Heemskerck. Hier is de Zeeslag bij Gibraltar met fiksche en stoute trekken geschilderd:
Meer in den trant van Cats is deze vaderland en vrijheid-lievende aanspraak tegen de Spanjaarden:
Op schilderachtige trekken en roerende beelden mag het Gedicht op de Beschrijving van Leijden, door Jan Orlers, roemen.