Wij beginnen deze Eeuw met eenige Dichters, omtrent welke wij in het onzekere zijn, of zij tot deze of de vorige Eeuw moeten gebragt worden; Abraham Boogaert, Claas Bruin, Daniël Willink en Mattheus Brouërius van Nidek, allen niet zonder verdiensten, doch ook allen, mijns oordeels, zonder bijzondere stoutheid en ongewone verheffing.
+(1)BOOGAERT, wiens Treurspelen en werken in onrijm niet onbekend zijn, onderscheidt zich in zijne Gedichten meer door geleerdheid
dan door smaak, gelijk (1)BRUIN, in zijne+ Bijbel- en Zededichten meer door zedelijkheid en deftigheid, dan door stoutheid en oorspronkelijkheid. Men heeft van hem eene Redevoering wegens het Predik-ambt in verzen. Bruin's Leven van Paulus is eene reeks van Bijbelsche Treurspelen, waarvan men sommige voorbeelden omtrent dezen tijd ontmoet, en die uit hunnen aard, of liever uit hoofde van de gehechtheid der Dichters aan de heilige overleveringen, weinige versieringen, waarmede de dichtkunst zich toch zoo gaarne bevalligheid bijzet, toelaten. Luchtiger en vrolijker zijn deze zijne onderwerpen: Lustplaats Zoelen, Noordhollandsche, ook Kleefsche en Zuidhollandsche Arkadia, Speelreis langs den Vechtstroom; zij zijn in denzelfden trant behandeld als dergelijken van zijnen vriend (2)WILLINK+, die den Buiten-cingel van Amsterdam, deszelfs Plantage, en den Amstelstroom, in onderscheidene Werkjes bezongen heeft. Losse gang, bevallige zwier en geestige val van verzen en uitdrukkingen ontbreken beiden, Bruin en Willink. Alles heeft iets stijfs, iets gekleeds, dat den beminnaar der echte poëzij te rug stoot. Men heeft ook Zedelijke Gedichten en Gezangen van Willink. Niet veel meerder verdiensten heeft
+(1)BROUËRIUS VAN NIDECK. Zijne Zederijke Zinnebeelden der Tonge en andere Gedichten zijn beschaafd, doch zonder verbeeldingskracht of natuurlijke geestigheid. Hij was een zeer geschikt uitgever van Dichtwerken, gelijk zijne uitgave der Rijmoefeningen van de Decker bewijst. Ook heeft hij met vele geschied- en oudheidkundige werkjes onze letterkunde verrijkt.
Wij verkeeren in gelijke onzekerheid, tot welke eeuw bepaaldelijk moet gebragt worden de Dichteres Hoofman, die eene bijzondere onderscheiding verdient.
+(2)ELISABETH HOOFMAN, die reeds op haar zesde jaar rijmde, wier dichtlust met hare jaren aanwies, die de voornaamste Latijnsche en Grieksche Dichters las, en zich door vertalingen uit Anacreon en Horatius oefende, die ook de Romeinsche lier niet ongelukkig bespeelde, geeft ons in hare Gedichten de doorslaandste blijken, van den regten weg tot oefening gekozen te hebben. ‘Een weg, welken wij,’ zegt de verdienstelijke uitgever harer Werken, ‘allen durven aanprijzen, die zich willen toeleggen, om, door het beoefenen der poëzije, eenen roemrijken
naam te verwerven; te weeten het vlijtig leezen, daarnaa het vertaalen en naarvolgen van de meesterstukken der Ouden. Niets immers is beter geschikt, om den smaak eens Dichters te vormen, of om hem een recht denkbeeld van het waare schoon der dichtkunde te doen verkrijgen, dan het naarstig beoefenen der werken dier groote voorgangeren.’
Was deze Vrouw niet door hare kunne van de beschavende Dichtgezelschappen van haren tijd uitgesloten geweest, Kops zou misschien niet voor haar aldus verschooning hebben behoeven te vragen: ‘Het behaaglijke, zal, zoo ik vertrouw, het gebrekkige en de onnauwkeurigheden in taal en woordenschikking doen over 't hoofd zien;’ maar ook hare Gedichten zouden waarschijniijk die oorspronkelijkheid, die innerlijke waarde gemist hebben, welke zij nu bezitten. ‘De thans heerschende kieschheid,’ zegt de zoo evengemelde Schrijver, ‘let meer op de schors, dan het weezen der zaake.’
Deze Vrouw, die een gelukkig lot verdiende, worstelde met schaarschheid, door de spilzucht en zotte pracht van haren Man Pieter Koolaart, wien zij echter hartelijk beminde, blijkens hare uitnemende Klagten over de zware Krankheid van mijnen Echtgenoot.
Ongewoon is zulk eene liefde, ongewoon zulk eene rijkheid van krachtige en veelal nieuwe beelden. Beide blinken telkens bij deze uitmuntende Dichteres. Den achtendertigsten verjaardag van haren Echtgenoot begroette zij aldus:
Deze brave Vrouw en uitstekende Dichteres overleed als eene armoedige weduwe te Karelshaven bij Kassel, in den ouderdom van ruim 72 jaren.
Verdiensten, maar niet zoo vele, had eene ande-+re vermaarde Dichteres van dezen tyd (1)KATHARINA JOHANNA DE WITH. Deze is vermaard door hare Getrouwe Herderin, een landspel, hetwelk door vinding en eigenaardigheid behaagt; jammer dat de gebreken van haren leeftijd, platheid van uitdrukking en prozaïsche gang van denkbeelden, het veelal ontsieren. Over een en ander kan men uit deze regels oordeelen, waar Boxvoet dus een lied aanheft:
De denkbeelden zijn aardig, de uitdrukking is ongelijk, in het begin leest men geestige poëzij, op het eind proza.
Onder hare losse Gedichten heeft zij vele goede dichtstukjes, het zijn alle Veld-, Visschers- of Herderszangen.
Als eene bijzonderheid mag men aanmerken, dat zij nog twee Zusters gehad heeft, die mede de Hollandsche lier bespeelden, blijkens deze regels van Vlaming:
Om niet van eenen (1)Adriaan Hoppestein, veel min van eenen (2)Jan van Gijzen te gewagen, zullen wij van (3)JOAN de HAES dit aanteekenen, dat hij, onzes oor-+deels, met zijnen Overgrootvader Kasper van Baerle, noch met zijnen Grootvader Gerard Brandt in dichtverdiensten gelijk staat; maar beter met zijnen (4)Vader en Zoon, beiden Frans de Haes genaamd, overeenstemt. Judas de Verrader en Jonas de Boetgezant, zijn twee van die poëtische levensgeschiedenissen, welke mij zelden hebben bekoord; nu en dan echter heeft onze de Haes daarin eene levendige, doch bijna nimmer eene nieuwe vergelijking. Deze vergelijkingen, hoe fraai soms, bij hem en anderen, komen zoo plotselijk uit het berijmde proza, als gedwongen te voorschijn, dat men duidelijk ziet, dat de Dichter zich geweld aandoet, om eens
poëtisch te zijn, waarom hij dan ook even schielijk daalt als hij gerezen is; b.v.
Wij zouden sommige voorbeelden kunnen bijbrengen, dat de Haes zich wel eens eene al te sterke overneming uit vroegere Dichters veroorloofde; b.v.
Maar liever willen wij u zijnen bekenden doch fraaijen Tuinzang herinneren, beginnende:
hetwelk, mijns oordeels, het beste zijner Gedichten is. Minder bekend is het, dat hij in zijnen Kneppel onder de Hoenders eene goede poging gewaagd heeft tot verdediging van Vondel, die naauwelijks in het graf rustte, of hij werd door de Keurmeesters van dien tijd aangerand:
Nogh is hem d'eenheid ook van handel onbekent -
Maar te regt beantwoordt onze Dichter zulke bedillers op deze wijze:
Dan hier genoeg van deze schermutseling tegen Vondels Treurspelen, waarover wij naderhand wat breedvoeriger zullen handelen;
Dat de Dichtkunst toen in weinig achting was, en geene ondersteuning bij kunstlievende aanzienlijken vond, kan blijken uit den vermaarden (2)JA-+COB ZEEUS, als hij zegt:
Men zou uit de bijgebragte proeven bijna be-
sluiten, dat ten minste Zeeus geene Mecenen verdiende, en echter hem waren goede raadslieden zeer noodig geweest. Hij had wel eenen goeden aanleg, maar hem ontbrak de regte wijze van zich te oefenen. Als jongeling voelende, dat zijne verzen zoo niet rolden als die van Vondel, Antonides, Cats en anderen, zocht hij zich niet door eene gedurige oefening eene gemakkelijke versificatie eigen te maken, maar (1)maakte dat in ieder vers even veel woorden, ja letters kwamen, als dergelijke bij oude Dichters; denkende dat het daaraan haperde. Dit strekke tot een staaltje van den trant van kunstoefening in die dagen.
Dat hij goeden aanleg had, kan uit deze vergelijking blijken:
Hij heeft meer goede vergelijkingen in zijne Gedichten, die, mijns oordeels, zelden boven het middelmatige zich verheffen.
Veel uitstekender Dichter bloeide toen in die Stad+ van ons Vaderland, waar de (2)Bosch- en Stroom najaden den Dichter als om strijd tot zang schijnen uit te lokken. (3)LUCAS SCHERMER, in den jare 1688 te Haarlem geboren, was een jongeling van alleruitmuntendste verdiensten. Zijn kortstondig leven, door het pijnlijk ongemak van den steen gefolterd, eindigde, toen hij twee- en twintig jaren bereikt had, en echter leefde hij zeer lang voor de kunst.
Zijne Herderszangen zijn teeder, natuurlijk en eenvoudig; hij weet zijne Bruilofsdichten, Lijkzangen en andere gelegenheids - gedichten zoo geestig in het herders, veld of vischerskleed te steken, en met krachtige zangen op te sieren, dat zij het stijve en drooge van dergelijke Gedichten geheel verliezen. Tot eene proeve strekke een gedeelte van den uitmuntenden lierzang, voorkomende in het Veldgedicht, ter Bruilofte van A. van den Berg en S. van Arckel:
Zulk eene dichtkracht was waarlijk gehee
ongewoon in dien tijd; maar Schermer, die reeds in zijn vijftiende jaar aan 's Lands Hoogeschool te Leijden als een bekwaam kweekeling bekend was, die zich daarna in het Grieksch en Latijn uitmuntend geoefend had, was ook een buitengewoon verdienstelijk jongeling, vol vuur voor de wetenschappen en dichtkunst, bijzonder voor de laatste. ‘Boven alle letteroefeningen,’ zegt Vlaming, ‘blonk in hem de liefde tot de dichtkunde uit, als waer aen hij door de natuur toegewijd scheen, die hem met goed geheugen, doordringend oordeel, en schilderachtige verbeeldingen versiert hadt, gaven, die hij volmaekter deed worden door gestadige oeffening in de goede letteren, en het dagelijks doorbladeren der aloude dichteren (de eenige meesters in de kunst, van welken alle nieuwe, die voor den val van Icarus bevreest zijn, de aenwijzing van hunnen weg dienen af te zien) en voornamelijk Virgilius en Ovidius, van welker eersten hij de eenvoudige schoonheit en natuurlijke bevalligheit in zijne Herderszangen trachtte te ontlenen, en uit welker laetsten hij de gestadige verandering der verdichtselen, een ongemeen sieraadt der poëzij, in zijne vaerzen wist over te brengen.’
Wij hebben reeds uit een zijner Veldzangen iets bijgebragt; het zoude onvergefelijk zijn, zoo wij u niet met zijne Heldendichten bekend maakten. Vol stoute gedachten, krachtige schildering en
grootsche verbeelding, volgt hij den uitmuntenden Antonides met vasten tred, zonder in deszelfs gebreken te deelen. Alles is bij Schermer vol vuur en leven:
Men ziet zijn Heldendicht is vol beelden en tevens natuurlijk en krachtig. Alles wordt nog natuurlijker en levendiger door wel uitgewerkte vergelijkingen, hier niet, gelijk bij andere Dichters van dezen tijd, als bonte vlekken op een effen kleed afstekende, maar in den ganschen zamenhang als ingeweven en met den gang des Gedichts maat
houdende. De meest gebruikelijke vergelijkingen krijgen bij Schermer eene nieuwe wending:
Ik zoude nog vele uitmuntende proeven uit zijnen Meleager en Atalante en andere werken kunnen bijbrengen; maar een Dichter van nog verhevener aanleg en voortreffelijker kunstvermogen wacht mij. Gij gevoelt reeds, mijne Heeren! dat ik het oog heb op den uitmuntenden (2)HUBERT KORNELISZ. POOT.+
De Ouders van Poot waren landlieden. ‘In zijne eerste jeugd verslingert op Muzijk en Tekenkunst, begost,’ het zijn de woorden van
den Schrijver van zijn leven ‘vervolgens zijn Poëtische geest zich te ontdekken, en de Dichter, door de Natuur als met eige handen in den schoot der Zanggodinnen nedergezet, gaf blijken eerlang van zijne overhellende drift en geaartheid. Dus tot de rijmkunst overgeslagen, zagh onze jonge Lantman welhaest om naar menschen, die hem, ten minsten gelijk hij in dien tijd waande, hieromtrent met noodige onderrechtinge de hand zouden kunnen bieden. Bij de zoogenaemde Rederijkers dan van de Ketel, Schipluide en eenige andere plaatsen daar omstreeks gelegen, bekend geraakt, heeft hij in het gezelschap van die bende, meestal uit lantluiden bestaande, die, volgens eene aeloude gewoonte, de Nederduitsche Dichtkonst op hunne wijze hanteeren, ook nu en dan zich bevonden en met hun verkeert.’
Daar het misschien velen mijner Lezeren vreemd zal voorkomen hier nog van Rederijkers te hooren spreken, vergunne men mij den volgenden uitstap:
Met den aanvang dezer eeuw waren de Rederijkers nog eenigzins bekend, inzonderheid ten platten lande. Onder andere werden vragen uitgeschreven: te Hazerswoude (1701), te Pijnaker (1704), te Schiedam (1705), te Vlaardingen (1706), aan den Leijdschendam, te Delftgauw, te Scheveningen, te Poeldijk (1707), te Naaldwijk, in Gouda, te Stompwijk, Schipluide (1708), en zoo vervolgens, waarover men de Verhande-
deling van den naauwkeurigen (1)Kops kan inzien. De meesten, zoo niet allen, hadden niets dichterlijks dan den naam; dit blijkt onder andere uit (2)Poot zelven:
De (3)Herbergiers, die het best bij de Rederijkers hunne rekening vonden, beschermden nu, in plaatse der Wethouderschap, deze kamers, en bekostigden, met de zweepen der Harddravers, de prijzen der Dichtkunst. Het is derhalve niet onnatuurlijk, dat der Rederijkeren gedrag allengs zoo buitensporig werd, dat (4)de Staten van Holland in 1711 een Plakkaat uitgaven, waarbij hunne optogten en vrijheden merkelijk bekort werden. Hierdoor raakten de meeste Kamers geheel te niet. (5)Te Haarlem, te Gouda en elders schijnen nog eenige kamers overgebleven te zijn, gelijk wij zien zullen bij onze vermelding van Langendijk, die vele jaren Factor
van eene kamer te Haarlem, geweest is. Dan laat ons tot Poot te rug keeren.
Naauwelijks had Poot eenige goede boeken gekregen, of hij begon der Rederijkeren verkeerden smaak en dichttrant te gevoelen. Een zijner eerste boeken schijnen de Gedichten van Antonides geweest te zijn; want (1)hem heeft hij dikwijls te veel gevolgd, en hierdoor heeft men in zijne fraaiste Gedichten wel eens iets dat luid klinkt, gelijk volgens sommiger oordeel de aanhef van het fraai Gedicht Arme Rijkdom:
(1)Men moge misschien met eenigen grond hier en daar iets, als onnatuurlijk en al te gezocht, veroordeelen, het geheele Gedicht is zeker voortreffelijk.
In rijper ouderdom hield hij zich aan de schriften van Hooft en Vondel. In zijne Kenschets des Dichters schreef hij:
En in een ander Gedicht zegt hij:
Hooftzwierigen en Vondrijken, Pindus wenteltrappen, enz. zullen hier weinigen behagen.
Zijne nederigheid en eerbied voor Hooft en Vondel kan uit het gezegde van hem blijken: ‘(3)dat het bijna buiten 't bereik scheen van
het menschelijk vermogen, den Ridderlijken Drost, die gezegt wordt door de wolken te wandelen en de starren te genaeken, of den Agrippijner, alom voor Vorst en Vader der Nederduitsche Dichtkunst erkent, in hemelsche gedachten en eenvoudige majesteit te willen evenaeren.’ De Heer Huijdecoper noemt Poot (1)den grootsten navolger van den grootsten onzer Dichters. Door zulke leidslieden geholpen, verkregen zijne Gedichten beschaving van taal, kracht en schildering van denkbeelden; hierdoor kreeg hij sierlijkheid, zoetvloeijendheid, geestigheid en bevalligheid; zoo dat men allezins erkennen moet, dat hij waardig den leeftijd van Hooft, Vondel, Cats en de Decker gedicht heeft. De laatste dezer Dichteren was bij hem zoodanig in achting, dat hij hem hield (2)in sommige schrandere slagen zelfs Vondel te boven te gaan.
De eerste, die in de verzameling zijner Gedichten zich voordoen, zijn Bijbeldichten. Zij zijn deftig en zoetvloeijend. Poot speelt ech-
ter nu en dan in dezelve wat te veel met gedwongene tegenstellingen; zoo zegt hij in zijnen Uitgang van Gods Zoon, b. v:
Ook is hij, 't geen vooral toen ten tijde bij den Dichter fraai heette, en door (2)van Effen met reden geestig wordt afgekeurd, wel eens een te groote liefhebber van koppelwoorden; b.v. hetzelfde Gedicht noemt hij Jezus:
Zijne Brieven zullen beter bevallen. Deze zijn wel in eenen eenvoudigen, maar leerzamen toon. Die aan (4)van Dam munt onder andere uit in oudheidkennis. Zijne (5)Algemeene Brief bevat zijne eersten levensloop en beginselen der Dichtkunst.
Men Ieest er niet alleen de plaats, maar zelfs het jaar en den dag van zijn geboorte:
Zulke Cijferverzen zijn meer moeijelijk dan behagelijk. De gansche brief is in eenen luimigen en bevalligen toon gedicht, en bevat zeer vele natuurlijke aardigheden.
Zijne (2)Veldzangen mogen fraai zijn, de (3)Minnedichten zijn alleruitnemendst bevallig, liefelijk, geestig; en tevens hebben zij eene uitstekende kracht. (4)Naar het geestig exempel van Hooft zeide hij dezelve gevormd te hebben, en in der daad Hoofts pen zouden zij tot eere gestrekt hebben. (5)De verliefde Venus, (6)de Maen bij Edymion, (7)Wachten,
(1)Herdenking, (2)Vliegende Min, (3)Uchtendstond, (4)Zomersche Avond en (5)Minverlangen zijn allen natuurlijk, schilderachtig en liefelijk. Tot een voorbeeld kieze ik Wachten:
Onder zijne Mengeldichten munten, behalve vele anderen, voornamelijk, naar mijn oordeel, uit: (1)Akkerleven en (2)Vrolijk Leven.
Het Akkerleven is te zeer bekend, dan dat ik het u zoude herinneren; gij weet, hoe bevallig, schilderachtig en natuurlijk alles is; en wij voorwaar zijn van oordeel, dat wij zeer weinige zulke meesterstukken hebben. Bevallig, vloeijend, en in eene naar het onderwerp geschikte maat is ook Vrolijk Leven:
Onder zijne Geboortedichten munt boven anderen uit: Verjaargroet aan mijne Beminde Neeltje 't Hart. Alles is levendig, geestig en verstandig. Zie b.v. deze regels:
Welk eene voor verstand en hart vereerende minnetaal!
Om van zijne keurige Lof- en geestige Bruiloftsdichten niet te gewagen, zullen wij uit zijne Lijkdichten iets bijbrengen, en wel uit de uitmuntende (1)nagedachtenis over het afsterven mijner Moeder:
Hoe roerende zijn ook deze regels!
Uit de geheele houding van het gedicht kan men zien, dat hij daarin den regten toon, den trant van de decker, gevat heeft.
Om ook van zijne korte Gedichten, zijne Graf- en Bijschriften, een voorbeeld bij te brengen, diene dit (2)Grafschrift op zijne Moeder:
Deze uitmuntende Dichter overleed den laatsten dag van het jaar 1733, in den ouderdom van 44 jaren, geene kinderen nalatende, (1)‘zijnde,’ gelijk de Schrijver van zijn leven zegt: ‘zijn eenig Dochtertje, een bloempje van slechts dertien dagen oud, omtrent vijf maenden voor hem gestorven; en is het Gedicht op haer overlijden de laetste snik geweest zijner poëzij:’
Zie daar eenige proeven uit Poots heerlijke Poëzij bijgebragt. Ik twijfel geenszins, of gij zult met mij hem vereeren als een Dichter van zeer groote waarde, die met regt onder de eerste Dichters van ons Vaderland geteld wordt. Huijdecoper, een allezins bevoegd regter, geeft hem daarom de streelendste namen, hem nu eens noemende den (1)voortreffelijken, den (2)netten, den (3)sierelijken, den (4)zuiveren
Dichter, dan weder den (1)zoetvloeienden, den (2)schranderen, den (3)verstandigen Poot.
De scherpzinnige Hesselink, een man, die in zoo vele vakken van geleerdheid en wetenschap uitmunt, heeft, op eene krachtige en bevallige wijze, in zijne Verhandeling de Natuur vormt den Dichter overwogen in H.K. Poot, getoond, dat Poot zijnen aanleg, door hulp van de hem vereerde boeken, door de Werken van Hooft, Vondel en Antonides, en door het vlijtig beoefenen der oude Latijnsche Dichters, stevigheid bijzette. De oude Schrijvers, onzen Dichter volgens vertalingen kenbaar, waren bij Poot als in merg en bloed veranderd. Het zoude weinig moeite kosten, dit door eene menigte voorbeelden te bewijzen. ‘Het zou,’ zegt (4)de Bosch, ‘eene gantsche afzonderlijke verhandeling vereisschen, om alle de navolgingen van Poot, zo uit de Schriften der Ouden als andere Dichters, op te zaamelen.’ Deze oefening, deze navolging zet zijne Gedichten eenen ongemeenen luister bij; echter nog helderder glans ontleenen dezelve van zijn gadeslaan, en als 't ware begluren der schoone en eenvoudige na-
tuur. (1)Hierdoor wordt een morgen- en avondstond met de juiste en eigenaardigste kleuren ons voor oogen gesteld; hierdoor hooren wij het vee in de bogtige vallei, van bosschen omringd, loeijen, en zien het grazen. Inderdaad door natuurlijken aanleg met oefening te paren is Poot tot zulk eene uitmuntende hoogte van kunst gestegen. Jammer, dat hij niet eens zijne krachten in het Heldendicht gewaagd heeft. Poot is schilderachtig, levendig, eenvoudig, geestig; en tevens vol verbeelding, krachtig en stout, wanneer het onderwerp zulks vordert. Men weet niet wat mem meerder in hem loven zal, natuur of kunst.
Ik geloof niet, dat wij bevalliger Landdichter hebben dan Poot. Meerdere dergelijke Dichters heeft deze tijd opgeleverd. Wij hebben reeds van Wellekens, de With en Schermer gewag gemaakt, en moeten nog nader spreken van derzelver Vriend (1)PIETER VLAMING, van wien wij reeds eene kleine (2)proeve hebben bijgebragt.
+Deze was niet alleen in de levende talen, maar ook in het Latijn, zeer bedreven, ja in het Grieksch geoefend. Met vele uitmuntende werken heeft hij onze letterkunde verrijkt. Hij bragt onder andere den Hertspieghel van Spieghel en de Rederijkkonst van Hoogstraten aan het licht, gaf de Gedichten van Schermer en eene Nederduitsche overzetting van Sannazarius uit. Wij zullen hier van zijnen (3)Latijnschen arbeid niet gewagen, maar alleen u herinneren, hoe hij met Wellekens te zamen door de uitgave van Dichtlievende Uitspanningen, een schoon aantal Landdichten gemeen maakte. Dat op Ho-
gerwoerd van Vlaming onderscheidt zich door kracht en zachtheid: