terug  begin  verderprepost
[p. 18]origineel

Tweede afdeeling.
Opgave der dichters dezer eeuw.

Wij beginnen deze Eeuw met eenige Dichters, omtrent welke wij in het onzekere zijn, of zij tot deze of de vorige Eeuw moeten gebragt worden; Abraham Boogaert, Claas Bruin, Daniël Willink en Mattheus Brouërius van Nidek, allen niet zonder verdiensten, doch ook allen, mijns oordeels, zonder bijzondere stoutheid en ongewone verheffing.

+(1)BOOGAERT, wiens Treurspelen en werken in onrijm niet onbekend zijn, onderscheidt zich in zijne Gedichten meer door geleerdheid

[p. 19]origineel

dan door smaak, gelijk (1)BRUIN, in zijne+ Bijbel- en Zededichten meer door zedelijkheid en deftigheid, dan door stoutheid en oorspronkelijkheid. Men heeft van hem eene Redevoering wegens het Predik-ambt in verzen. Bruin's Leven van Paulus is eene reeks van Bijbelsche Treurspelen, waarvan men sommige voorbeelden omtrent dezen tijd ontmoet, en die uit hunnen aard, of liever uit hoofde van de gehechtheid der Dichters aan de heilige overleveringen, weinige versieringen, waarmede de dichtkunst zich toch zoo gaarne bevalligheid bijzet, toelaten. Luchtiger en vrolijker zijn deze zijne onderwerpen: Lustplaats Zoelen, Noordhollandsche, ook Kleefsche en Zuidhollandsche Arkadia, Speelreis langs den Vechtstroom; zij zijn in denzelfden trant behandeld als dergelijken van zijnen vriend (2)WILLINK+, die den Buiten-cingel van Amsterdam, deszelfs Plantage, en den Amstelstroom, in onderscheidene Werkjes bezongen heeft. Losse gang, bevallige zwier en geestige val van verzen en uitdrukkingen ontbreken beiden, Bruin en Willink. Alles heeft iets stijfs, iets gekleeds, dat den beminnaar der echte poëzij te rug stoot. Men heeft ook Zedelijke Gedichten en Gezangen van Willink. Niet veel meerder verdiensten heeft

[p. 20]origineel

+(1)BROUËRIUS VAN NIDECK. Zijne Zederijke Zinnebeelden der Tonge en andere Gedichten zijn beschaafd, doch zonder verbeeldingskracht of natuurlijke geestigheid. Hij was een zeer geschikt uitgever van Dichtwerken, gelijk zijne uitgave der Rijmoefeningen van de Decker bewijst. Ook heeft hij met vele geschied- en oudheidkundige werkjes onze letterkunde verrijkt.

 

Wij verkeeren in gelijke onzekerheid, tot welke eeuw bepaaldelijk moet gebragt worden de Dichteres Hoofman, die eene bijzondere onderscheiding verdient.

+(2)ELISABETH HOOFMAN, die reeds op haar zesde jaar rijmde, wier dichtlust met hare jaren aanwies, die de voornaamste Latijnsche en Grieksche Dichters las, en zich door vertalingen uit Anacreon en Horatius oefende, die ook de Romeinsche lier niet ongelukkig bespeelde, geeft ons in hare Gedichten de doorslaandste blijken, van den regten weg tot oefening gekozen te hebben. ‘Een weg, welken wij,’ zegt de verdienstelijke uitgever harer Werken, ‘allen durven aanprijzen, die zich willen toeleggen, om, door het beoefenen der poëzije, eenen roemrijken

[p. 21]origineel

naam te verwerven; te weeten het vlijtig leezen, daarnaa het vertaalen en naarvolgen van de meesterstukken der Ouden. Niets immers is beter geschikt, om den smaak eens Dichters te vormen, of om hem een recht denkbeeld van het waare schoon der dichtkunde te doen verkrijgen, dan het naarstig beoefenen der werken dier groote voorgangeren.’

Was deze Vrouw niet door hare kunne van de beschavende Dichtgezelschappen van haren tijd uitgesloten geweest, Kops zou misschien niet voor haar aldus verschooning hebben behoeven te vragen: ‘Het behaaglijke, zal, zoo ik vertrouw, het gebrekkige en de onnauwkeurigheden in taal en woordenschikking doen over 't hoofd zien;’ maar ook hare Gedichten zouden waarschijniijk die oorspronkelijkheid, die innerlijke waarde gemist hebben, welke zij nu bezitten. ‘De thans heerschende kieschheid,’ zegt de zoo evengemelde Schrijver, ‘let meer op de schors, dan het weezen der zaake.’

Deze Vrouw, die een gelukkig lot verdiende, worstelde met schaarschheid, door de spilzucht en zotte pracht van haren Man Pieter Koolaart, wien zij echter hartelijk beminde, blijkens hare uitnemende Klagten over de zware Krankheid van mijnen Echtgenoot.

 
(1)Daar 's lighaams ééne helft verteert in felle pijn,
[p. 22]origineel
 
Kan de ander niet gevoelloos zijn.
 
Zoo kwijnt het jeugdig gras, wanneer een worm den wortel
 
Doorknaagt; zo steent de trouwe tortel
 
In steenrotsreeten, om haars weêrgaes droeven ramp:
 
Zoo ziet de volle maan haar lamp
 
Bezwalken, als haar de aard verhindert, uit de straalen
 
Der gouden zon haar licht te haalen.

Ongewoon is zulk eene liefde, ongewoon zulk eene rijkheid van krachtige en veelal nieuwe beelden. Beide blinken telkens bij deze uitmuntende Dichteres. Den achtendertigsten verjaardag van haren Echtgenoot begroette zij aldus:

 
(1).... De guure vorst
 
Zijn kegellokken kemt,
 
En duin en dal bekorst,
 
En vlotte vloeden stremt;
 
En door de dunne lugt,
 
Op noorde wieken snuift,
 
En 't laatste loof, ter vlugt,
 
Uit bloem en boomgaard stuift. -
 
Maar schoon het jaartij kwijnt,
 
Geen nood, mijn lief, mijn licht!
 
Daar mij de zon beschijnt
 
Van uw vernoegd gezigt. enz.
[p. 23]origineel

Deze brave Vrouw en uitstekende Dichteres overleed als eene armoedige weduwe te Karelshaven bij Kassel, in den ouderdom van ruim 72 jaren.

 

Verdiensten, maar niet zoo vele, had eene ande-+re vermaarde Dichteres van dezen tyd (1)KATHARINA JOHANNA DE WITH. Deze is vermaard door hare Getrouwe Herderin, een landspel, hetwelk door vinding en eigenaardigheid behaagt; jammer dat de gebreken van haren leeftijd, platheid van uitdrukking en prozaïsche gang van denkbeelden, het veelal ontsieren. Over een en ander kan men uit deze regels oordeelen, waar Boxvoet dus een lied aanheft:

 
(2)Hier in dit hoekje, daar de bloeiende eglantier
 
Een geurge schaduw geeft; het beekje met een' zwier
 
En kronkelende bogt langs deze groene wallen
 
Van eike- en ijpenhout, komt over kaitjes vallen
 
En door de biesjes, duik ik neder. 't Lieflijk weer,
 
Dat deze zootjes door het lommer meer en meer
[p. 24]origineel
 
Schijnt toe te lagchen, lokt mij uit, om 't lied te spelen,
 
Dat ik gemaakt heb om mijn vrijsters oor te streelen;
 
Voor dat Bruinoogje, 't geen mijn hart gestolen heeft,
 
Dat lieve meisje, 't geen door mijn gedachten zweeft;
 
Des nachts mij dromen doet, en 's avonds droevig klagen.
 
Maar was 't niet best dat ik het zong? enz.

De denkbeelden zijn aardig, de uitdrukking is ongelijk, in het begin leest men geestige poëzij, op het eind proza.

Onder hare losse Gedichten heeft zij vele goede dichtstukjes, het zijn alle Veld-, Visschers- of Herderszangen.

Als eene bijzonderheid mag men aanmerken, dat zij nog twee Zusters gehad heeft, die mede de Hollandsche lier bespeelden, blijkens deze regels van Vlaming:

 
(1)Utrecht mede op lof verhit,
 
Boogt nu op drie Zanggodessen,
 
Drie Gezusters Dichteressen,
 
In het stamhuis van de With -
 
Vaderlantsche Poëzij,
 
Die uw heldre zonnestralen
 
Reets verslaeuwen ziet in 't dalen,
 
Nieuwe luister komt u bij;
[p. 25]origineel
 
Gij zijt nog niet gantsch verbannen,
 
Daer een tedre jonge Maegt
 
U zoo tedre liefde draegt,
 
En beschaemt maekt zo veel Mannen.

Om niet van eenen (1)Adriaan Hoppestein, veel min van eenen (2)Jan van Gijzen te gewagen, zullen wij van (3)JOAN de HAES dit aanteekenen, dat hij, onzes oor-+deels, met zijnen Overgrootvader Kasper van Baerle, noch met zijnen Grootvader Gerard Brandt in dichtverdiensten gelijk staat; maar beter met zijnen (4)Vader en Zoon, beiden Frans de Haes genaamd, overeenstemt. Judas de Verrader en Jonas de Boetgezant, zijn twee van die poëtische levensgeschiedenissen, welke mij zelden hebben bekoord; nu en dan echter heeft onze de Haes daarin eene levendige, doch bijna nimmer eene nieuwe vergelijking. Deze vergelijkingen, hoe fraai soms, bij hem en anderen, komen zoo plotselijk uit het berijmde proza, als gedwongen te voorschijn, dat men duidelijk ziet, dat de Dichter zich geweld aandoet, om eens

[p. 26]origineel

poëtisch te zijn, waarom hij dan ook even schielijk daalt als hij gerezen is; b.v.

 
(1)Hy hadt zyn rede nogh niet teenemaal geuit
 
Of hij werdt door 't gemor in 't spreken haest gestuit.
 
Gelijk een snelle vliet, die aan het overstroomen,
 
Door dijk noch dammen noch door paelwerk te betoomen,
 
De landen in een zee van water heeft gezet,
 
Op steenen wordt gestuit, en in zijn vaert belet
 
Met ijsselijk gedruis langs d'oevers neêr komt snorren.
 
Niet anders sloeg de Raet vol hevigheit aan 't morren.
 
Zij toonen Nikodeem door 't overstuursch gelaat,
 
Dat niemant is gedient met zulk een' ijdlen praet.
 
Zij smalen op zijn deugt, ontstelt van bijstren toren,
 
En vragen: zijt gij ook in Galileen geboren?

Wij zouden sommige voorbeelden kunnen bijbrengen, dat de Haes zich wel eens eene al te sterke overneming uit vroegere Dichters veroorloofde; b.v.

 
(2)O nare nacht van drie benaauwde jaren,
 
Sints ik mijn zon ter aerde zag gevaren;

Maar liever willen wij u zijnen bekenden doch fraaijen Tuinzang herinneren, beginnende:

[p. 27]origineel
 
(1)Mijn ziel het stadsgewoel ontweken,
 
Zoekt in deze aangenaame streken
 
De stilte en eenzaamheid, belust
 
Tot hooger kennis te geraken; enz.

hetwelk, mijns oordeels, het beste zijner Gedichten is. Minder bekend is het, dat hij in zijnen Kneppel onder de Hoenders eene goede poging gewaagd heeft tot verdediging van Vondel, die naauwelijks in het graf rustte, of hij werd door de Keurmeesters van dien tijd aangerand:

 
(2)Hij gaet het perk van plaets, dus roept men, steeds te buiten,
 
Of weet geen spel in zijn bepaelden tijd te sluiten.

Nogh is hem d'eenheid ook van handel onbekent -

 
(3)Bataafsche poëzij heeft voor de fraeie klanken
 
Van 't rijm het eel vernuft der Franschen te bedanken.

Maar te regt beantwoordt onze Dichter zulke bedillers op deze wijze:

 
(4)Zoo blijkt dat alles Fransch in Nederlant moet zijn.
 
In Vrankrijk is alleen de gout- en zilvermijn. -
[p. 28]origineel
 
Had Vondel naer de maet der Fransche luit gedanst,
 
Was d'Aprippiner hier en daar zoo wat verfranscht -
 
Dan zou Adonias, die zijnen oirsprong nam
 
Uit Koning Davids zaet en Judaes Leeuwenstam,
 
Met veel verliefder tael Abizags hart bestrijen,
 
Ja als een Fransch Daufin haar om het jawoort vrijen.

Dan hier genoeg van deze schermutseling tegen Vondels Treurspelen, waarover wij naderhand wat breedvoeriger zullen handelen;

 
(1)Hij is en blijft toch nogh dezelve, die hij was,
 
Dat is de Fenix in ons Neêrlant, uit wiens asch
 
Geen jonge, die zijn vlught op vleugels na kan streven,
 
Geen jonge, hem gelijk, ons oit is nagebleven.

Dat de Dichtkunst toen in weinig achting was, en geene ondersteuning bij kunstlievende aanzienlijken vond, kan blijken uit den vermaarden (2)JA-+COB ZEEUS, als hij zegt:

 
(3)D'aloude Dichtkunst, die haer troon
 
In Neêrlant veste, slaet aen 't weenen,
[p. 29]origineel
 
Herdenkende hoe zij voorhenen
 
Met eene diamantekroon
 
Aen Maes en Amstel plagt te pralen,
 
Begroet in allerhande talen.
 
 
 
Dat tuigen Hollants letterbraven,
 
Wier lof, al ging men ze voorbij,
 
Al zweeg de Maes, al zweeg het Y,
 
Gij in uw grafsteê nogh zout staven,
 
ô Hooft! ô Vondel! - maer, helaes!
 
Hoe is, hoe is de tijdt verbastert!
 
Nu wordt de kunst gehoont, gelastert
 
Door vuil en dartel straetgeraes;
 
En weinige zijn haer genegen,
 
Daer zij om broot loopt langs de wegen.
 
 
 
Men zal mij licht naer d'oorzaek vragen,
 
En, vraegt men 't mij, ik vraeg weerom,
 
Wat dichter oit den top beklom
 
Van Pindus, ('k zie op onze dagen)
 
Dien d' Afgunst niet heeft aengerant;
 
Daer ze, om haer wrok den toom te vieren,
 
Spuwt vuur en vlam op zijn laurieren,
 
En hem vervolgt met klaeu en tant.
 
'k Vrage ook, wie dat gedrocht zal binden,
 
Daer geen Mecenen zijn te vinden.

Men zou uit de bijgebragte proeven bijna be-

[p. 30]origineel

sluiten, dat ten minste Zeeus geene Mecenen verdiende, en echter hem waren goede raadslieden zeer noodig geweest. Hij had wel eenen goeden aanleg, maar hem ontbrak de regte wijze van zich te oefenen. Als jongeling voelende, dat zijne verzen zoo niet rolden als die van Vondel, Antonides, Cats en anderen, zocht hij zich niet door eene gedurige oefening eene gemakkelijke versificatie eigen te maken, maar (1)maakte dat in ieder vers even veel woorden, ja letters kwamen, als dergelijke bij oude Dichters; denkende dat het daaraan haperde. Dit strekke tot een staaltje van den trant van kunstoefening in die dagen.

Dat hij goeden aanleg had, kan uit deze vergelijking blijken:

 
(2)Gelijk een nachtegael, die zich in 't bosch onthoudt,
 
En onder 't groene loof het kunstig nestje bouwt,
 
Zijn jongen voedzel geeft, die zirkende hun bekken
 
Ten nest uitsteken en de dunne halsjes rekken
 
Van honger aengezet op 't risslen van de blaen,
 
Kwam mijn Mecenas, als een wit gepluimde zwaen.

Hij heeft meer goede vergelijkingen in zijne Gedichten, die, mijns oordeels, zelden boven het middelmatige zich verheffen.

[p. 31]origineel

Veel uitstekender Dichter bloeide toen in die Stad+ van ons Vaderland, waar de (2)Bosch- en Stroom najaden den Dichter als om strijd tot zang schijnen uit te lokken. (3)LUCAS SCHERMER, in den jare 1688 te Haarlem geboren, was een jongeling van alleruitmuntendste verdiensten. Zijn kortstondig leven, door het pijnlijk ongemak van den steen gefolterd, eindigde, toen hij twee- en twintig jaren bereikt had, en echter leefde hij zeer lang voor de kunst.

Zijne Herderszangen zijn teeder, natuurlijk en eenvoudig; hij weet zijne Bruilofsdichten, Lijkzangen en andere gelegenheids - gedichten zoo geestig in het herders, veld of vischerskleed te steken, en met krachtige zangen op te sieren, dat zij het stijve en drooge van dergelijke Gedichten geheel verliezen. Tot eene proeve strekke een gedeelte van den uitmuntenden lierzang, voorkomende in het Veldgedicht, ter Bruilofte van A. van den Berg en S. van Arckel:

 
(1)Wat heeft de Liefde een groot vermogen,
 
Gewapent met balijne boogen,
[p. 32]origineel
 
En scherpe pijlen fel van kracht!
 
Zij doedt een maacht, hoe fier van zinnen,
 
Hoe wars, hoe achteloos in 't minnen,
 
Neêrbuigen voor haar groote macht.
 
 
 
Heilrijke beemden, en waranden
 
Van Ciprus, daar d' altaaren branden,
 
Tot eer van Venus en haar Zoon,
 
Rijst hoger, met uw Mirtbosschaadje,
 
Als 't bron- en lommerrijk Arkaadje,
 
En d'eike bosschen van Dodoon.
 
 
 
De Mingodin heerst door alle eeuwen;
 
Zij muilbandt d' Afrikaansche leeuwen,
 
En op de steile noorderrots
 
Den wilden hoop der woeste beeren;
 
Niets kan haar scherpe flitsen keeren,
 
Meer machtig dan Alcides knodts.
 
 
 
Zij schraagt haar troon op Konings troonen;
 
Zij breidelt Mavors wreede zoonen;
 
Haar pijl drilt door den beukelaar
 
En borstharnas; zij dwingt de Goden
 
Te buigen onder haar' geboden,
 
En 't off'ren op haar reukaltaar.

Zulk eene dichtkracht was waarlijk gehee

[p. 33]origineel

ongewoon in dien tijd; maar Schermer, die reeds in zijn vijftiende jaar aan 's Lands Hoogeschool te Leijden als een bekwaam kweekeling bekend was, die zich daarna in het Grieksch en Latijn uitmuntend geoefend had, was ook een buitengewoon verdienstelijk jongeling, vol vuur voor de wetenschappen en dichtkunst, bijzonder voor de laatste. ‘Boven alle letteroefeningen,’ zegt Vlaming, ‘blonk in hem de liefde tot de dichtkunde uit, als waer aen hij door de natuur toegewijd scheen, die hem met goed geheugen, doordringend oordeel, en schilderachtige verbeeldingen versiert hadt, gaven, die hij volmaekter deed worden door gestadige oeffening in de goede letteren, en het dagelijks doorbladeren der aloude dichteren (de eenige meesters in de kunst, van welken alle nieuwe, die voor den val van Icarus bevreest zijn, de aenwijzing van hunnen weg dienen af te zien) en voornamelijk Virgilius en Ovidius, van welker eersten hij de eenvoudige schoonheit en natuurlijke bevalligheit in zijne Herderszangen trachtte te ontlenen, en uit welker laetsten hij de gestadige verandering der verdichtselen, een ongemeen sieraadt der poëzij, in zijne vaerzen wist over te brengen.’

Wij hebben reeds uit een zijner Veldzangen iets bijgebragt; het zoude onvergefelijk zijn, zoo wij u niet met zijne Heldendichten bekend maakten. Vol stoute gedachten, krachtige schildering en

[p. 34]origineel

grootsche verbeelding, volgt hij den uitmuntenden Antonides met vasten tred, zonder in deszelfs gebreken te deelen. Alles is bij Schermer vol vuur en leven:

 
(1)Zij rukken 't heir bij een uit d' omgeleege steden,
 
Dat heir, dat Vrankrijk durft zo moedig tegen treden.
 
Daar vloejen duizenden te saamen in het velt,
 
Elk schijnt een Hercules, een temmer van 't gewelt,
 
Een zeeklip tegens storm en bliksems opgewassen.
 
Hier ziet men 't Voetvolk op zijn Veltheers order passen:
 
Daar draaft de Ruiterij van Batavier en Brit
 
Op 't moedig oorlogspaart, dat schuimbekt op 't gebit
 
En wentelt, als een schim, dan hier dan gints gevloogen,
 
Het opgeworpe stof den Ruiter in zijne oogen.
 
Apollo spiegelt zich in 't glinst'rend krijgsgeweer; enz.

Men ziet zijn Heldendicht is vol beelden en tevens natuurlijk en krachtig. Alles wordt nog natuurlijker en levendiger door wel uitgewerkte vergelijkingen, hier niet, gelijk bij andere Dichters van dezen tijd, als bonte vlekken op een effen kleed afstekende, maar in den ganschen zamenhang als ingeweven en met den gang des Gedichts maat

[p. 35]origineel

houdende. De meest gebruikelijke vergelijkingen krijgen bij Schermer eene nieuwe wending:

 
(1)Gelijk de noordewint, wanneer hij, buiten toom
 
Aangonzende op de kruin van eenen eikeboom,
 
De zwaare takken schudt met vreeselijke slagen;
 
De boom staat pal, en schijnt zijn woeden uit te daagen
 
En recht zich ruk op ruk weêr moedig op in 't velt,
 
Maar, d' aarde los gemaakt door 't schuddende gewelt.
 
Wordt eind'lijk machteloos in 't klaver neêr gedreven:
 
Dus moet, enz.

Ik zoude nog vele uitmuntende proeven uit zijnen Meleager en Atalante en andere werken kunnen bijbrengen; maar een Dichter van nog verhevener aanleg en voortreffelijker kunstvermogen wacht mij. Gij gevoelt reeds, mijne Heeren! dat ik het oog heb op den uitmuntenden (2)HUBERT KORNELISZ. POOT.+

De Ouders van Poot waren landlieden. ‘In zijne eerste jeugd verslingert op Muzijk en Tekenkunst, begost,’ het zijn de woorden van

[p. 36]origineel

den Schrijver van zijn leven ‘vervolgens zijn Poëtische geest zich te ontdekken, en de Dichter, door de Natuur als met eige handen in den schoot der Zanggodinnen nedergezet, gaf blijken eerlang van zijne overhellende drift en geaartheid. Dus tot de rijmkunst overgeslagen, zagh onze jonge Lantman welhaest om naar menschen, die hem, ten minsten gelijk hij in dien tijd waande, hieromtrent met noodige onderrechtinge de hand zouden kunnen bieden. Bij de zoogenaemde Rederijkers dan van de Ketel, Schipluide en eenige andere plaatsen daar omstreeks gelegen, bekend geraakt, heeft hij in het gezelschap van die bende, meestal uit lantluiden bestaande, die, volgens eene aeloude gewoonte, de Nederduitsche Dichtkonst op hunne wijze hanteeren, ook nu en dan zich bevonden en met hun verkeert.’

Daar het misschien velen mijner Lezeren vreemd zal voorkomen hier nog van Rederijkers te hooren spreken, vergunne men mij den volgenden uitstap:

Met den aanvang dezer eeuw waren de Rederijkers nog eenigzins bekend, inzonderheid ten platten lande. Onder andere werden vragen uitgeschreven: te Hazerswoude (1701), te Pijnaker (1704), te Schiedam (1705), te Vlaardingen (1706), aan den Leijdschendam, te Delftgauw, te Scheveningen, te Poeldijk (1707), te Naaldwijk, in Gouda, te Stompwijk, Schipluide (1708), en zoo vervolgens, waarover men de Verhande-

[p. 37]origineel

deling van den naauwkeurigen (1)Kops kan inzien. De meesten, zoo niet allen, hadden niets dichterlijks dan den naam; dit blijkt onder andere uit (2)Poot zelven:

 
De Kamerwerken van 't fijn Rederijkerdom
 
Verrukten mijn gemoet, al gingen ze ook zoo krom
 
En kreupel als een wijf van driemaal dertigg jaren, enz.

De (3)Herbergiers, die het best bij de Rederijkers hunne rekening vonden, beschermden nu, in plaatse der Wethouderschap, deze kamers, en bekostigden, met de zweepen der Harddravers, de prijzen der Dichtkunst. Het is derhalve niet onnatuurlijk, dat der Rederijkeren gedrag allengs zoo buitensporig werd, dat (4)de Staten van Holland in 1711 een Plakkaat uitgaven, waarbij hunne optogten en vrijheden merkelijk bekort werden. Hierdoor raakten de meeste Kamers geheel te niet. (5)Te Haarlem, te Gouda en elders schijnen nog eenige kamers overgebleven te zijn, gelijk wij zien zullen bij onze vermelding van Langendijk, die vele jaren Factor

[p. 38]origineel

van eene kamer te Haarlem, geweest is. Dan laat ons tot Poot te rug keeren.

Naauwelijks had Poot eenige goede boeken gekregen, of hij begon der Rederijkeren verkeerden smaak en dichttrant te gevoelen. Een zijner eerste boeken schijnen de Gedichten van Antonides geweest te zijn; want (1)hem heeft hij dikwijls te veel gevolgd, en hierdoor heeft men in zijne fraaiste Gedichten wel eens iets dat luid klinkt, gelijk volgens sommiger oordeel de aanhef van het fraai Gedicht Arme Rijkdom:

 
(2)In uw goutkantoren wassen
 
Atlas appels, hoog en laeg,
 
En de tuimelende Taeg
 
Husselt 'er zijn blonde plassen;
 
Echter hoort men u van dorst
 
En verwoeden honger klagen,
 
Erizichtons onzer dagen,
 
Tantals, die Godts gramschap torst.
 
Laet Peru ook t' uwaert waeien,
 
Koffert Indië ter vlucht;
 
Water kan geen waterzucht,
[p. 39]origineel
 
Gout geen' droogen goutdorst paeien.
 
Arme Giérigaerts, hoe na
 
Zit gij bij uw zilver warmer?
 
Door uw rijkdom wort gij armer,
 
Met uw schatten groeit uw schâ:
 
Want die rinkelende banden
 
Houden u, met recht verfoeit,
 
Deerlijk op den hals geboeit:
 
Dit is 't goed dier waerde panden.
 
Ai, wordt wijzer toch, en houdt
 
Eindelijk op van mijnegraven;
 
Zijt niet langer rijke slaven.
 
Goude vrijheit gaet voor gout.
 
Vreest gij, dat de kerkhof kuilen
 
Zullen steigeren in prijs,
 
Dat gij dus, bedaegt en grijs,
 
Rust en lust om geld loopt ruilen?
 
Of denkt ge eens met fijn metael
 
't Straffe sterflot om te koopen?
 
Krezus zou dat vruchtloos hoopen:
 
Krassus sneuvelde door 't stael,
 
Daer hem gout ontzet noch staten.
 
Schoon de razende Fortuin
 
Iemants gelthoop tot een' duin
 
Aen doet groeien, 't zal niet baeten,
 
Als de dood hem, eer hij 't gist,
 
Voortstuwt, volgens last van boven,
[p. 40]origineel
 
Uit zijn hoven naer de hoven,
 
Van zijn kisten in de kist.
 
Vrekke heblust zal u kwellen,
 
Al verlaet ge uw zwangre kiel,
 
En van kommer krimpt uw ziel
 
Midlerwijl uw beurzen zwellen.
 
Doch, begeert ge, in 't gout verwart,
 
Beter kans bij 't hair te vatten,
 
Zoo ontsluit de boei der schatten
 
En verstoot uw gierig hart:
 
Dan, dan zult ge u eenmael sparen.
 
Maer al daelde ook Febus zelf
 
Van het hemelsche gewelf,
 
't Klinkent gelt verdooft de snaren.
 
Gaet dan, goutgriffioenen, zweeft
 
Met uw levendigh geraemte.
 
Al uw gout is root van schaemte,
 
Nu het zulke meesters heeft.

(1)Men moge misschien met eenigen grond hier en daar iets, als onnatuurlijk en al te gezocht, veroordeelen, het geheele Gedicht is zeker voortreffelijk.

In rijper ouderdom hield hij zich aan de schriften van Hooft en Vondel. In zijne Kenschets des Dichters schreef hij:

[p. 41]origineel
 
(1)Ik ben nogh jong, maer heb de Dichtkunst lang geprezen,
 
Waerin ik, wild en woest, bij wijlen iet begon,
 
Tot Hooft en Vondel mij het beste dichtspoor wezen.
 
Och of mijn traege vlucht die zwaenen volgen kon!

En in een ander Gedicht zegt hij:

 
(2)Ik oog, met eerbiedt en ontzagh,
 
Op fiere Helden, die in dichtkunst niemant wijken;
 
En schoon ik op geen' eenen dagh
 
Waert ben te noemen bij Hooftzwiergen en Vondrijken,
 
Zoo stel ik ze mij echter voor,
 
En klim en hink ze naer op Pindus wenteltrappen.
 
Dus volgde Askaen Eneas spoor,
 
Uit Troijes veege vest, met ongelijke stappen.

Hooftzwierigen en Vondrijken, Pindus wenteltrappen, enz. zullen hier weinigen behagen.

Zijne nederigheid en eerbied voor Hooft en Vondel kan uit het gezegde van hem blijken: ‘(3)dat het bijna buiten 't bereik scheen van

[p. 42]origineel

het menschelijk vermogen, den Ridderlijken Drost, die gezegt wordt door de wolken te wandelen en de starren te genaeken, of den Agrippijner, alom voor Vorst en Vader der Nederduitsche Dichtkunst erkent, in hemelsche gedachten en eenvoudige majesteit te willen evenaeren.’ De Heer Huijdecoper noemt Poot (1)den grootsten navolger van den grootsten onzer Dichters. Door zulke leidslieden geholpen, verkregen zijne Gedichten beschaving van taal, kracht en schildering van denkbeelden; hierdoor kreeg hij sierlijkheid, zoetvloeijendheid, geestigheid en bevalligheid; zoo dat men allezins erkennen moet, dat hij waardig den leeftijd van Hooft, Vondel, Cats en de Decker gedicht heeft. De laatste dezer Dichteren was bij hem zoodanig in achting, dat hij hem hield (2)in sommige schrandere slagen zelfs Vondel te boven te gaan.

De eerste, die in de verzameling zijner Gedichten zich voordoen, zijn Bijbeldichten. Zij zijn deftig en zoetvloeijend. Poot speelt ech-

[p. 43]origineel

ter nu en dan in dezelve wat te veel met gedwongene tegenstellingen; zoo zegt hij in zijnen Uitgang van Gods Zoon, b. v:

 
(1)- - Uw Schepper is ontschept.

Ook is hij, 't geen vooral toen ten tijde bij den Dichter fraai heette, en door (2)van Effen met reden geestig wordt afgekeurd, wel eens een te groote liefhebber van koppelwoorden; b.v. hetzelfde Gedicht noemt hij Jezus:

 
(3)Doônwekker, duivlezweep, wijnschenker, ziektverdrijver,
 
Ooröopener, oogenlicht, tongslaker, kreuplenschoor,
 
Brootdeeler, visschrenluk, zeetreeder, wintbekijver,
 
Waer vliedt gij, zielenheil, elxsnut, al 't aertrijk door.

Zijne Brieven zullen beter bevallen. Deze zijn wel in eenen eenvoudigen, maar leerzamen toon. Die aan (4)van Dam munt onder andere uit in oudheidkennis. Zijne (5)Algemeene Brief bevat zijne eersten levensloop en beginselen der Dichtkunst.

[p. 44]origineel

Men Ieest er niet alleen de plaats, maar zelfs het jaar en den dag van zijn geboorte:

 
(1)'t Groen Abtswout is vooreerst dan, met zijn graslandouwen
 
Poots Vaderlant en wieg, niet wijdt van 't prinslijk Delf.
 
Daer zagh ik 't eerste licht juist toen de Loumaent elf
 
En tweemael negen schreef met haer verkleumde handen;
 
In Jacobs schrikkeljaer, dat door de Kristelanden
 
Een M en D liet zien een C een L en nogh
 
Vier Xëns min een I. Dat Cijfren dient hier toch.

Zulke Cijferverzen zijn meer moeijelijk dan behagelijk. De gansche brief is in eenen luimigen en bevalligen toon gedicht, en bevat zeer vele natuurlijke aardigheden.

Zijne (2)Veldzangen mogen fraai zijn, de (3)Minnedichten zijn alleruitnemendst bevallig, liefelijk, geestig; en tevens hebben zij eene uitstekende kracht. (4)Naar het geestig exempel van Hooft zeide hij dezelve gevormd te hebben, en in der daad Hoofts pen zouden zij tot eere gestrekt hebben. (5)De verliefde Venus, (6)de Maen bij Edymion, (7)Wachten,

[p. 45]origineel

(1)Herdenking, (2)Vliegende Min, (3)Uchtendstond, (4)Zomersche Avond en (5)Minverlangen zijn allen natuurlijk, schilderachtig en liefelijk. Tot een voorbeeld kieze ik Wachten:

 
Hier heeft mij Rozemont bescheiden,
 
Hier, bij deez' boom, die weligh wast.
 
Waer mag de schoone zoo lang beiden,
 
Dat zij niet op het uurtje past?
 
Of ben ik wat te vroeg gekomen
 
Door drift der min, waarvan ik quijn?
 
ô Zaligh velt! o groene boomen!
 
't Kost hier te nacht wel bruiloft zijn.
 
Maer, och, hoe lang zijn thans de stonden!
 
Elk omzien duurt een jaer gewis.
 
Op achten was de komst gevonden:
 
Ik schat het al ruim negen is.
 
Val, avont, zoudt ge uw' plicht niet weten?
 
Of is de tijd zijn wieken quijt?
 
Of heeft Apol zijn zweep vergeten,
 
Dat hij dus traeglijk zeewaert rijdt?
[p. 46]origineel
 
Daghvoerder, laet u dit toch lusten:
 
Verkort den dag en rek den nacht.
 
Spoei voort: gij zult bij Thetis rusten,
 
En ik bij 't meisje dat ik wacht.

Onder zijne Mengeldichten munten, behalve vele anderen, voornamelijk, naar mijn oordeel, uit: (1)Akkerleven en (2)Vrolijk Leven.

Het Akkerleven is te zeer bekend, dan dat ik het u zoude herinneren; gij weet, hoe bevallig, schilderachtig en natuurlijk alles is; en wij voorwaar zijn van oordeel, dat wij zeer weinige zulke meesterstukken hebben. Bevallig, vloeijend, en in eene naar het onderwerp geschikte maat is ook Vrolijk Leven:

 
Waer is mijn citer toe bereid?
 
Wat klanken wil ze geven?
 
Wat zing ik daer een ander schreit?
 
De vrolijke blijgeestigheid
 
Is 't leven van het leven.
 
 
 
Wat laet zich 't volk door ijdlen schrik
 
En mijmerende zorgen
[p. 47]origineel
 
Beknellen? Vrienden, doet als ik;
 
Gebruikt toch 's levens oogenblik
 
Zoo lang de dood wil borgen.
 
 
 
Al schokte zelfs de hemelspil
 
Uit haer metaele pannen,
 
Weest gij te vreên, gerust en stil:
 
Een die gelukkig leven wil
 
Moet hoop en vrees verbannen.
 
 
 
Zoudt gij gestaêg bekommert zijn?
 
Zou druk uw vreugd besnoeiën?
 
Neen, neen: verdrijf die boezempijn.
 
Gij woont zoo ver niet van den Rijn,
 
Daer muskadellen groeien.
 
 
 
Hoeft gij geen kleeren nochte kost
 
Van goede liên te prachen;
 
Wat scheelt 't u hoe de werelt host?
 
Daer Heraklyt om schrijen most
 
Most Demokryt om lachen.
 
 
 
Maer, zegt gij: och! het weer wort zwaer,
 
Ons dreigt een felle donder.
 
Geen noodt: ai beit een luttel maer.
[p. 48]origineel
 
De nevel scheurt: de lucht wordt klaer:
 
Het onweer is al onder.
 
 
 
Dan, 't licht is ook aan 't ondergaen.
 
De nacht zal u benarren.
 
Mij niet, nu komt de blanke maen
 
Met haer vergulde horens aen
 
En hondertduizent starren.

Onder zijne Geboortedichten munt boven anderen uit: Verjaargroet aan mijne Beminde Neeltje 't Hart. Alles is levendig, geestig en verstandig. Zie b.v. deze regels:

 
(1)Wat worstel ik met minëlenden!
 
Hoe treurigh moet ik, in die pijn,
 
Van ver mijn zuchtjes t' uwaert zenden,
 
Die warm, ja heet van liefde zijn!
 
'k Volhard in edelaerdigh prachen,
 
Om u te winnen, met den tijd.
 
Denk, hoe 't genoegen hem leer' lachen,
 
Die arbeit doet en armoê lijt.
 
Indien de min uw hart doorgriefde,
 
Gelijk 't koraelen mondje zeit,
 
Zoo eer 't gebiet der Huwelijksliefde
 
Met nijgende gehoorzaamheid.
[p. 49]origineel
 
Wat is de schoonheit die blijft pratten,
 
En enkel voor zich zelve leeft?
 
Wat baeten opgeleide schatten,
 
Daer niemant oit gebruik van heeft?
 
Wat nut verschaffen pronkjuweelen,
 
Die buiten beziging vergaen?
 
Of eêl gebloemt, dat op zijn steelen
 
Verwelkt, en ongeplukt blijft staen?
 
Gij kunt mij niet volstrekt beminnen,
 
Zoo lang gij 't zoete paren schuwt. -
 
Och! waren we al aeneengestrengelt!
 
Gehuwden, daer Godt lust in heeft,
 
Zijn als veredelt en verengelt,
 
Terwijl men lieft, zoo lang men leeft.

Welk eene voor verstand en hart vereerende minnetaal!

Om van zijne keurige Lof- en geestige Bruiloftsdichten niet te gewagen, zullen wij uit zijne Lijkdichten iets bijbrengen, en wel uit de uitmuntende (1)nagedachtenis over het afsterven mijner Moeder:

 
Och, waerom slooft de sterveling?
 
Een weinig eigen lants te ploegen,
[p. 50]origineel
 
En zoo veel vee als dagh aen dagh
 
Zijn' nijvren meester voeden magh,
 
En 't altijt rijke vergenoegen,
 
Het hooft der schatten kent hij niet,
 
Die, overal van rust versteken,
 
De dartele Fortuin blijft smeken,
 
En nimmermeer te rugge ziet.
 
't Genoegen laet ons zachter sterven,
 
Dan of men 't Fransche aen 't Spaensche lant
 
Gehecht had door een' koningsbant.
 
De hoogheit doet gerustheit derven.
 
Mijn Moeder hield den laegen voet
 
Van haer' Gemael, die haer geleidde.
 
't Genoegelijk gelaet van weide
 
En akker streelde 't stil gemoet.
 
Wat Vaders arbeidzame handen
 
Verworven door gestaêge vlijt,
 
Daer 't land van gloênde hitte splijt,
 
Wanneer de zonnestralen branden;
 
Of daer men melkt in 't weligh groen,
 
Hield zij te rade, en liet het strekken,
 
Om haere kinders op te trekken,
 
En arme menschen goet te doen. -
 
Hoe streelde zij zijn moede leden,
 
Wanneer hij, nat van eerlijk zweet,
 
Ten dienst van 't huisgezin besteet,
 
Des avonts t' huiswaert was getreden!
[p. 51]origineel
 
ô Ongeschonde huwlijkstrouw!
 
ô Vrouw! wel waerdig, dat uw liefde
 
Het hart van zulk een' man doorgriefde.
 
ô Man! wel waerdig zulk een vrouw.

Hoe roerende zijn ook deze regels!

 
(1)Een enge bus, een linnen kleet
 
Betaelt in 't end haer zorg en zweet.
 
Wat is de wereldt? magh men vragen.
 
Zoo wert mij dat lieftaligh woort
 
Van Moeder, 't geen den droeven kinderen
 
Een toevlucht strekt om 't leet te minderen,
 
Voor eeuwig in den mont gesmoort.

Uit de geheele houding van het gedicht kan men zien, dat hij daarin den regten toon, den trant van de decker, gevat heeft.

Om ook van zijne korte Gedichten, zijne Graf- en Bijschriften, een voorbeeld bij te brengen, diene dit (2)Grafschrift op zijne Moeder:

 
Dees zerk bedekt het kout gebeent
 
Van Katharijn, die eêl gesteent
[p. 52]origineel
 
Noch gout, noch rijk gewaedt,
 
Maer deugdt droeg voor sieraet.
 
Zij wert van vrient en maeg beschreit,
 
Om dat de oprechtheit bij haer leit,
 
En zedigheid en trouw.
 
Men eer' de waarde vrouw.

Deze uitmuntende Dichter overleed den laatsten dag van het jaar 1733, in den ouderdom van 44 jaren, geene kinderen nalatende, (1)‘zijnde,’ gelijk de Schrijver van zijn leven zegt: ‘zijn eenig Dochtertje, een bloempje van slechts dertien dagen oud, omtrent vijf maenden voor hem gestorven; en is het Gedicht op haer overlijden de laetste snik geweest zijner poëzij:’

 
(2)Jacoba tradt met tegenzin
 
Ter snoode werelt in;
 
En heeft zich aen het endt geschreit;
 
In haere onnozelheit.
 
Zij was hier naeu verscheenen,
 
Of ging wel graeg weêr heenen.
 
De moeder kuste 't lieve wicht
 
Voor 't levenloos gezicht,
[p. 53]origineel
 
En riep het zieltje nogh te rug:
 
Maer dat, te snel en vlug,
 
Was nu al opgevaren
 
Bij Godts verheugde scharen.
 
Daer lacht en speelt het nu zoo schoon
 
Rontom den hoogsten troon;
 
En spreit de wiekjes luchtigh uit,
 
Door wee noch smert gestuit.
 
ô Bloem van dertien dagen!
 
Uw heil verbiedt ons 't klagen.

Zie daar eenige proeven uit Poots heerlijke Poëzij bijgebragt. Ik twijfel geenszins, of gij zult met mij hem vereeren als een Dichter van zeer groote waarde, die met regt onder de eerste Dichters van ons Vaderland geteld wordt. Huijdecoper, een allezins bevoegd regter, geeft hem daarom de streelendste namen, hem nu eens noemende den (1)voortreffelijken, den (2)netten, den (3)sierelijken, den (4)zuiveren

[p. 54]origineel

Dichter, dan weder den (1)zoetvloeienden, den (2)schranderen, den (3)verstandigen Poot.

De scherpzinnige Hesselink, een man, die in zoo vele vakken van geleerdheid en wetenschap uitmunt, heeft, op eene krachtige en bevallige wijze, in zijne Verhandeling de Natuur vormt den Dichter overwogen in H.K. Poot, getoond, dat Poot zijnen aanleg, door hulp van de hem vereerde boeken, door de Werken van Hooft, Vondel en Antonides, en door het vlijtig beoefenen der oude Latijnsche Dichters, stevigheid bijzette. De oude Schrijvers, onzen Dichter volgens vertalingen kenbaar, waren bij Poot als in merg en bloed veranderd. Het zoude weinig moeite kosten, dit door eene menigte voorbeelden te bewijzen. ‘Het zou,’ zegt (4)de Bosch, ‘eene gantsche afzonderlijke verhandeling vereisschen, om alle de navolgingen van Poot, zo uit de Schriften der Ouden als andere Dichters, op te zaamelen.’ Deze oefening, deze navolging zet zijne Gedichten eenen ongemeenen luister bij; echter nog helderder glans ontleenen dezelve van zijn gadeslaan, en als 't ware begluren der schoone en eenvoudige na-

[p. 55]origineel

tuur. (1)Hierdoor wordt een morgen- en avondstond met de juiste en eigenaardigste kleuren ons voor oogen gesteld; hierdoor hooren wij het vee in de bogtige vallei, van bosschen omringd, loeijen, en zien het grazen. Inderdaad door natuurlijken aanleg met oefening te paren is Poot tot zulk eene uitmuntende hoogte van kunst gestegen. Jammer, dat hij niet eens zijne krachten in het Heldendicht gewaagd heeft. Poot is schilderachtig, levendig, eenvoudig, geestig; en tevens vol verbeelding, krachtig en stout, wanneer het onderwerp zulks vordert. Men weet niet wat mem meerder in hem loven zal, natuur of kunst.

 
(2)Dus nam Natuur een proef wat zij wist uittewerken
 
Aen Poot, en stortte hem haer geest en gaven in.
 
De Kunst boodt haer de hant, om zijne kracht te sterken,
 
Waerdoor Natuur en Kunst vereenigden uit min,
 
Om, door dien band verknogt, een proefstuk voort te teelen,
 
Dat zich vertoonen zou volmaekt in alle deelen.
[p. 56]origineel

Ik geloof niet, dat wij bevalliger Landdichter hebben dan Poot. Meerdere dergelijke Dichters heeft deze tijd opgeleverd. Wij hebben reeds van Wellekens, de With en Schermer gewag gemaakt, en moeten nog nader spreken van derzelver Vriend (1)PIETER VLAMING, van wien wij reeds eene kleine (2)proeve hebben bijgebragt.

+Deze was niet alleen in de levende talen, maar ook in het Latijn, zeer bedreven, ja in het Grieksch geoefend. Met vele uitmuntende werken heeft hij onze letterkunde verrijkt. Hij bragt onder andere den Hertspieghel van Spieghel en de Rederijkkonst van Hoogstraten aan het licht, gaf de Gedichten van Schermer en eene Nederduitsche overzetting van Sannazarius uit. Wij zullen hier van zijnen (3)Latijnschen arbeid niet gewagen, maar alleen u herinneren, hoe hij met Wellekens te zamen door de uitgave van Dichtlievende Uitspanningen, een schoon aantal Landdichten gemeen maakte. Dat op Ho-

[p. 57]origineel

gerwoerd van Vlaming onderscheidt zich door kracht en zachtheid:

 
(1)Geen dwingeland zuipt hier de burgers uit,
 
Noch knaagt met staal gebit het dor gebeente,
 
De schonken, die uitpuilen uit den huid
 
Van zijn verdrukte en schamele gebeente.
 
Veel zachter is de boer, die 't vee ontlast
 
Van zijnen melk, of scheert de witte vlokken
 
Van 't schaapje, daar de zuivre wol op wast,
 
Dat melk ons schenkt en warme winterrokken.
 
Geen bitze tong ontrust hier ons gemoed,