Proeve eener geschiedenis der Nederduitsche dichtkunde


auteur: Jeronimo de Vries


bron: Jeronimo de Vries, Proeve eener geschiedenis der Nederduitsche dichtkunde. Twee delen. Johannes Allart, Amsterdam 1810  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 18]origineel

Tweede afdeeling.
Opgave der dichters dezer eeuw.

Wij beginnen deze Eeuw met eenige Dichters, omtrent welke wij in het onzekere zijn, of zij tot deze of de vorige Eeuw moeten gebragt worden; Abraham Boogaert, Claas Bruin, Daniël Willink en Mattheus Brouërius van Nidek, allen niet zonder verdiensten, doch ook allen, mijns oordeels, zonder bijzondere stoutheid en ongewone verheffing.

+(1)BOOGAERT, wiens Treurspelen en werken in onrijm niet onbekend zijn, onderscheidt zich in zijne Gedichten meer door geleerdheid

[p. 19]origineel

dan door smaak, gelijk (1)BRUIN, in zijne+ Bijbel- en Zededichten meer door zedelijkheid en deftigheid, dan door stoutheid en oorspronkelijkheid. Men heeft van hem eene Redevoering wegens het Predik-ambt in verzen. Bruin's Leven van Paulus is eene reeks van Bijbelsche Treurspelen, waarvan men sommige voorbeelden omtrent dezen tijd ontmoet, en die uit hunnen aard, of liever uit hoofde van de gehechtheid der Dichters aan de heilige overleveringen, weinige versieringen, waarmede de dichtkunst zich toch zoo gaarne bevalligheid bijzet, toelaten. Luchtiger en vrolijker zijn deze zijne onderwerpen: Lustplaats Zoelen, Noordhollandsche, ook Kleefsche en Zuidhollandsche Arkadia, Speelreis langs den Vechtstroom; zij zijn in denzelfden trant behandeld als dergelijken van zijnen vriend (2)WILLINK+, die den Buiten-cingel van Amsterdam, deszelfs Plantage, en den Amstelstroom, in onderscheidene Werkjes bezongen heeft. Losse gang, bevallige zwier en geestige val van verzen en uitdrukkingen ontbreken beiden, Bruin en Willink. Alles heeft iets stijfs, iets gekleeds, dat den beminnaar der echte poëzij te rug stoot. Men heeft ook Zedelijke Gedichten en Gezangen van Willink. Niet veel meerder verdiensten heeft

[p. 20]origineel

+(1)BROUËRIUS VAN NIDECK. Zijne Zederijke Zinnebeelden der Tonge en andere Gedichten zijn beschaafd, doch zonder verbeeldingskracht of natuurlijke geestigheid. Hij was een zeer geschikt uitgever van Dichtwerken, gelijk zijne uitgave der Rijmoefeningen van de Decker bewijst. Ook heeft hij met vele geschied- en oudheidkundige werkjes onze letterkunde verrijkt.

 

Wij verkeeren in gelijke onzekerheid, tot welke eeuw bepaaldelijk moet gebragt worden de Dichteres Hoofman, die eene bijzondere onderscheiding verdient.

+(2)ELISABETH HOOFMAN, die reeds op haar zesde jaar rijmde, wier dichtlust met hare jaren aanwies, die de voornaamste Latijnsche en Grieksche Dichters las, en zich door vertalingen uit Anacreon en Horatius oefende, die ook de Romeinsche lier niet ongelukkig bespeelde, geeft ons in hare Gedichten de doorslaandste blijken, van den regten weg tot oefening gekozen te hebben. ‘Een weg, welken wij,’ zegt de verdienstelijke uitgever harer Werken, ‘allen durven aanprijzen, die zich willen toeleggen, om, door het beoefenen der poëzije, eenen roemrijken

[p. 21]origineel

naam te verwerven; te weeten het vlijtig leezen, daarnaa het vertaalen en naarvolgen van de meesterstukken der Ouden. Niets immers is beter geschikt, om den smaak eens Dichters te vormen, of om hem een recht denkbeeld van het waare schoon der dichtkunde te doen verkrijgen, dan het naarstig beoefenen der werken dier groote voorgangeren.’

Was deze Vrouw niet door hare kunne van de beschavende Dichtgezelschappen van haren tijd uitgesloten geweest, Kops zou misschien niet voor haar aldus verschooning hebben behoeven te vragen: ‘Het behaaglijke, zal, zoo ik vertrouw, het gebrekkige en de onnauwkeurigheden in taal en woordenschikking doen over 't hoofd zien;’ maar ook hare Gedichten zouden waarschijniijk die oorspronkelijkheid, die innerlijke waarde gemist hebben, welke zij nu bezitten. ‘De thans heerschende kieschheid,’ zegt de zoo evengemelde Schrijver, ‘let meer op de schors, dan het weezen der zaake.’

Deze Vrouw, die een gelukkig lot verdiende, worstelde met schaarschheid, door de spilzucht en zotte pracht van haren Man Pieter Koolaart, wien zij echter hartelijk beminde, blijkens hare uitnemende Klagten over de zware Krankheid van mijnen Echtgenoot.

 
(1)Daar 's lighaams ééne helft verteert in felle pijn,
[p. 22]origineel
 
Kan de ander niet gevoelloos zijn.
 
Zoo kwijnt het jeugdig gras, wanneer een worm den wortel
 
Doorknaagt; zo steent de trouwe tortel
 
In steenrotsreeten, om haars weêrgaes droeven ramp:
 
Zoo ziet de volle maan haar lamp
 
Bezwalken, als haar de aard verhindert, uit de straalen
 
Der gouden zon haar licht te haalen.

Ongewoon is zulk eene liefde, ongewoon zulk eene rijkheid van krachtige en veelal nieuwe beelden. Beide blinken telkens bij deze uitmuntende Dichteres. Den achtendertigsten verjaardag van haren Echtgenoot begroette zij aldus:

 
(1).... De guure vorst
 
Zijn kegellokken kemt,
 
En duin en dal bekorst,
 
En vlotte vloeden stremt;
 
En door de dunne lugt,
 
Op noorde wieken snuift,
 
En 't laatste loof, ter vlugt,
 
Uit bloem en boomgaard stuift. -
 
Maar schoon het jaartij kwijnt,
 
Geen nood, mijn lief, mijn licht!
 
Daar mij de zon beschijnt
 
Van uw vernoegd gezigt. enz.
[p. 23]origineel

Deze brave Vrouw en uitstekende Dichteres overleed als eene armoedige weduwe te Karelshaven bij Kassel, in den ouderdom van ruim 72 jaren.

 

Verdiensten, maar niet zoo vele, had eene ande-+re vermaarde Dichteres van dezen tyd (1)KATHARINA JOHANNA DE WITH. Deze is vermaard door hare Getrouwe Herderin, een landspel, hetwelk door vinding en eigenaardigheid behaagt; jammer dat de gebreken van haren leeftijd, platheid van uitdrukking en prozaïsche gang van denkbeelden, het veelal ontsieren. Over een en ander kan men uit deze regels oordeelen, waar Boxvoet dus een lied aanheft:

 
(2)Hier in dit hoekje, daar de bloeiende eglantier
 
Een geurge schaduw geeft; het beekje met een' zwier
 
En kronkelende bogt langs deze groene wallen
 
Van eike- en ijpenhout, komt over kaitjes vallen
 
En door de biesjes, duik ik neder. 't Lieflijk weer,
 
Dat deze zootjes door het lommer meer en meer
[p. 24]origineel
 
Schijnt toe te lagchen, lokt mij uit, om 't lied te spelen,
 
Dat ik gemaakt heb om mijn vrijsters oor te streelen;
 
Voor dat Bruinoogje, 't geen mijn hart gestolen heeft,
 
Dat lieve meisje, 't geen door mijn gedachten zweeft;
 
Des nachts mij dromen doet, en 's avonds droevig klagen.
 
Maar was 't niet best dat ik het zong? enz.

De denkbeelden zijn aardig, de uitdrukking is ongelijk, in het begin leest men geestige poëzij, op het eind proza.

Onder hare losse Gedichten heeft zij vele goede dichtstukjes, het zijn alle Veld-, Visschers- of Herderszangen.

Als eene bijzonderheid mag men aanmerken, dat zij nog twee Zusters gehad heeft, die mede de Hollandsche lier bespeelden, blijkens deze regels van Vlaming:

 
(1)Utrecht mede op lof verhit,
 
Boogt nu op drie Zanggodessen,
 
Drie Gezusters Dichteressen,
 
In het stamhuis van de With -
 
Vaderlantsche Poëzij,
 
Die uw heldre zonnestralen
 
Reets verslaeuwen ziet in 't dalen,
 
Nieuwe luister komt u bij;
[p. 25]origineel
 
Gij zijt nog niet gantsch verbannen,
 
Daer een tedre jonge Maegt
 
U zoo tedre liefde draegt,
 
En beschaemt maekt zo veel Mannen.

Om niet van eenen (1)Adriaan Hoppestein, veel min van eenen (2)Jan van Gijzen te gewagen, zullen wij van (3)JOAN de HAES dit aanteekenen, dat hij, onzes oor-+deels, met zijnen Overgrootvader Kasper van Baerle, noch met zijnen Grootvader Gerard Brandt in dichtverdiensten gelijk staat; maar beter met zijnen (4)Vader en Zoon, beiden Frans de Haes genaamd, overeenstemt. Judas de Verrader en Jonas de Boetgezant, zijn twee van die poëtische levensgeschiedenissen, welke mij zelden hebben bekoord; nu en dan echter heeft onze de Haes daarin eene levendige, doch bijna nimmer eene nieuwe vergelijking. Deze vergelijkingen, hoe fraai soms, bij hem en anderen, komen zoo plotselijk uit het berijmde proza, als gedwongen te voorschijn, dat men duidelijk ziet, dat de Dichter zich geweld aandoet, om eens

[p. 26]origineel

poëtisch te zijn, waarom hij dan ook even schielijk daalt als hij gerezen is; b.v.

 
(1)Hy hadt zyn rede nogh niet teenemaal geuit
 
Of hij werdt door 't gemor in 't spreken haest gestuit.
 
Gelijk een snelle vliet, die aan het overstroomen,
 
Door dijk noch dammen noch door paelwerk te betoomen,
 
De landen in een zee van water heeft gezet,
 
Op steenen wordt gestuit, en in zijn vaert belet
 
Met ijsselijk gedruis langs d'oevers neêr komt snorren.
 
Niet anders sloeg de Raet vol hevigheit aan 't morren.
 
Zij toonen Nikodeem door 't overstuursch gelaat,
 
Dat niemant is gedient met zulk een' ijdlen praet.
 
Zij smalen op zijn deugt, ontstelt van bijstren toren,
 
En vragen: zijt gij ook in Galileen geboren?

Wij zouden sommige voorbeelden kunnen bijbrengen, dat de Haes zich wel eens eene al te sterke overneming uit vroegere Dichters veroorloofde; b.v.

 
(2)O nare nacht van drie benaauwde jaren,
 
Sints ik mijn zon ter aerde zag gevaren;

Maar liever willen wij u zijnen bekenden doch fraaijen Tuinzang herinneren, beginnende:

[p. 27]origineel
 
(1)Mijn ziel het stadsgewoel ontweken,
 
Zoekt in deze aangenaame streken
 
De stilte en eenzaamheid, belust
 
Tot hooger kennis te geraken; enz.

hetwelk, mijns oordeels, het beste zijner Gedichten is. Minder bekend is het, dat hij in zijnen Kneppel onder de Hoenders eene goede poging gewaagd heeft tot verdediging van Vondel, die naauwelijks in het graf rustte, of hij werd door de Keurmeesters van dien tijd aangerand:

 
(2)Hij gaet het perk van plaets, dus roept men, steeds te buiten,
 
Of weet geen spel in zijn bepaelden tijd te sluiten.

Nogh is hem d'eenheid ook van handel onbekent -

 
(3)Bataafsche poëzij heeft voor de fraeie klanken
 
Van 't rijm het eel vernuft der Franschen te bedanken.

Maar te regt beantwoordt onze Dichter zulke bedillers op deze wijze:

 
(4)Zoo blijkt dat alles Fransch in Nederlant moet zijn.
 
In Vrankrijk is alleen de gout- en zilvermijn. -
[p. 28]origineel
 
Had Vondel naer de maet der Fransche luit gedanst,
 
Was d'Aprippiner hier en daar zoo wat verfranscht -
 
Dan zou Adonias, die zijnen oirsprong nam
 
Uit Koning Davids zaet en Judaes Leeuwenstam,
 
Met veel verliefder tael Abizags hart bestrijen,
 
Ja als een Fransch Daufin haar om het jawoort vrijen.

Dan hier genoeg van deze schermutseling tegen Vondels Treurspelen, waarover wij naderhand wat breedvoeriger zullen handelen;

 
(1)Hij is en blijft toch nogh dezelve, die hij was,
 
Dat is de Fenix in ons Neêrlant, uit wiens asch
 
Geen jonge, die zijn vlught op vleugels na kan streven,
 
Geen jonge, hem gelijk, ons oit is nagebleven.

Dat de Dichtkunst toen in weinig achting was, en geene ondersteuning bij kunstlievende aanzienlijken vond, kan blijken uit den vermaarden (2)JA-+COB ZEEUS, als hij zegt:

 
(3)D'aloude Dichtkunst, die haer troon
 
In Neêrlant veste, slaet aen 't weenen,
[p. 29]origineel
 
Herdenkende hoe zij voorhenen
 
Met eene diamantekroon
 
Aen Maes en Amstel plagt te pralen,
 
Begroet in allerhande talen.
 
 
 
Dat tuigen Hollants letterbraven,
 
Wier lof, al ging men ze voorbij,
 
Al zweeg de Maes, al zweeg het Y,
 
Gij in uw grafsteê nogh zout staven,
 
ô Hooft! ô Vondel! - maer, helaes!
 
Hoe is, hoe is de tijdt verbastert!
 
Nu wordt de kunst gehoont, gelastert
 
Door vuil en dartel straetgeraes;
 
En weinige zijn haer genegen,
 
Daer zij om broot loopt langs de wegen.
 
 
 
Men zal mij licht naer d'oorzaek vragen,
 
En, vraegt men 't mij, ik vraeg weerom,
 
Wat dichter oit den top beklom
 
Van Pindus, ('k zie op onze dagen)
 
Dien d' Afgunst niet heeft aengerant;
 
Daer ze, om haer wrok den toom te vieren,
 
Spuwt vuur en vlam op zijn laurieren,
 
En hem vervolgt met klaeu en tant.
 
'k Vrage ook, wie dat gedrocht zal binden,
 
Daer geen Mecenen zijn te vinden.

Men zou uit de bijgebragte proeven bijna be-

[p. 30]origineel

sluiten, dat ten minste Zeeus geene Mecenen verdiende, en echter hem waren goede raadslieden zeer noodig geweest. Hij had wel eenen goeden aanleg, maar hem ontbrak de regte wijze van zich te oefenen. Als jongeling voelende, dat zijne verzen zoo niet rolden als die van Vondel, Antonides, Cats en anderen, zocht hij zich niet door eene gedurige oefening eene gemakkelijke versificatie eigen te maken, maar (1)maakte dat in ieder vers even veel woorden, ja letters kwamen, als dergelijke bij oude Dichters; denkende dat het daaraan haperde. Dit strekke tot een staaltje van den trant van kunstoefening in die dagen.

Dat hij goeden aanleg had, kan uit deze vergelijking blijken:

 
(2)Gelijk een nachtegael, die zich in 't bosch onthoudt,
 
En onder 't groene loof het kunstig nestje bouwt,
 
Zijn jongen voedzel geeft, die zirkende hun bekken
 
Ten nest uitsteken en de dunne halsjes rekken
 
Van honger aengezet op 't risslen van de blaen,
 
Kwam mijn Mecenas, als een wit gepluimde zwaen.

Hij heeft meer goede vergelijkingen in zijne Gedichten, die, mijns oordeels, zelden boven het middelmatige zich verheffen.

[p. 31]origineel

Veel uitstekender Dichter bloeide toen in die Stad+ van ons Vaderland, waar de (2)Bosch- en Stroom najaden den Dichter als om strijd tot zang schijnen uit te lokken. (3)LUCAS SCHERMER, in den jare 1688 te Haarlem geboren, was een jongeling van alleruitmuntendste verdiensten. Zijn kortstondig leven, door het pijnlijk ongemak van den steen gefolterd, eindigde, toen hij twee- en twintig jaren bereikt had, en echter leefde hij zeer lang voor de kunst.

Zijne Herderszangen zijn teeder, natuurlijk en eenvoudig; hij weet zijne Bruilofsdichten, Lijkzangen en andere gelegenheids - gedichten zoo geestig in het herders, veld of vischerskleed te steken, en met krachtige zangen op te sieren, dat zij het stijve en drooge van dergelijke Gedichten geheel verliezen. Tot eene proeve strekke een gedeelte van den uitmuntenden lierzang, voorkomende in het Veldgedicht, ter Bruilofte van A. van den Berg en S. van Arckel:

 
(1)Wat heeft de Liefde een groot vermogen,
 
Gewapent met balijne boogen,
[p. 32]origineel
 
En scherpe pijlen fel van kracht!
 
Zij doedt een maacht, hoe fier van zinnen,
 
Hoe wars, hoe achteloos in 't minnen,
 
Neêrbuigen voor haar groote macht.
 
 
 
Heilrijke beemden, en waranden
 
Van Ciprus, daar d' altaaren branden,
 
Tot eer van Venus en haar Zoon,
 
Rijst hoger, met uw Mirtbosschaadje,
 
Als 't bron- en lommerrijk Arkaadje,
 
En d'eike bosschen van Dodoon.
 
 
 
De Mingodin heerst door alle eeuwen;
 
Zij muilbandt d' Afrikaansche leeuwen,
 
En op de steile noorderrots
 
Den wilden hoop der woeste beeren;
 
Niets kan haar scherpe flitsen keeren,
 
Meer machtig dan Alcides knodts.
 
 
 
Zij schraagt haar troon op Konings troonen;
 
Zij breidelt Mavors wreede zoonen;
 
Haar pijl drilt door den beukelaar
 
En borstharnas; zij dwingt de Goden
 
Te buigen onder haar' geboden,
 
En 't off'ren op haar reukaltaar.

Zulk eene dichtkracht was waarlijk gehee

[p. 33]origineel

ongewoon in dien tijd; maar Schermer, die reeds in zijn vijftiende jaar aan 's Lands Hoogeschool te Leijden als een bekwaam kweekeling bekend was, die zich daarna in het Grieksch en Latijn uitmuntend geoefend had, was ook een buitengewoon verdienstelijk jongeling, vol vuur voor de wetenschappen en dichtkunst, bijzonder voor de laatste. ‘Boven alle letteroefeningen,’ zegt Vlaming, ‘blonk in hem de liefde tot de dichtkunde uit, als waer aen hij door de natuur toegewijd scheen, die hem met goed geheugen, doordringend oordeel, en schilderachtige verbeeldingen versiert hadt, gaven, die hij volmaekter deed worden door gestadige oeffening in de goede letteren, en het dagelijks doorbladeren der aloude dichteren (de eenige meesters in de kunst, van welken alle nieuwe, die voor den val van Icarus bevreest zijn, de aenwijzing van hunnen weg dienen af te zien) en voornamelijk Virgilius en Ovidius, van welker eersten hij de eenvoudige schoonheit en natuurlijke bevalligheit in zijne Herderszangen trachtte te ontlenen, en uit welker laetsten hij de gestadige verandering der verdichtselen, een ongemeen sieraadt der poëzij, in zijne vaerzen wist over te brengen.’

Wij hebben reeds uit een zijner Veldzangen iets bijgebragt; het zoude onvergefelijk zijn, zoo wij u niet met zijne Heldendichten bekend maakten. Vol stoute gedachten, krachtige schildering en

[p. 34]origineel

grootsche verbeelding, volgt hij den uitmuntenden Antonides met vasten tred, zonder in deszelfs gebreken te deelen. Alles is bij Schermer vol vuur en leven:

 
(1)Zij rukken 't heir bij een uit d' omgeleege steden,
 
Dat heir, dat Vrankrijk durft zo moedig tegen treden.
 
Daar vloejen duizenden te saamen in het velt,
 
Elk schijnt een Hercules, een temmer van 't gewelt,
 
Een zeeklip tegens storm en bliksems opgewassen.
 
Hier ziet men 't Voetvolk op zijn Veltheers order passen:
 
Daar draaft de Ruiterij van Batavier en Brit
 
Op 't moedig oorlogspaart, dat schuimbekt op 't gebit
 
En wentelt, als een schim, dan hier dan gints gevloogen,
 
Het opgeworpe stof den Ruiter in zijne oogen.
 
Apollo spiegelt zich in 't glinst'rend krijgsgeweer; enz.

Men ziet zijn Heldendicht is vol beelden en tevens natuurlijk en krachtig. Alles wordt nog natuurlijker en levendiger door wel uitgewerkte vergelijkingen, hier niet, gelijk bij andere Dichters van dezen tijd, als bonte vlekken op een effen kleed afstekende, maar in den ganschen zamenhang als ingeweven en met den gang des Gedichts maat

[p. 35]origineel

houdende. De meest gebruikelijke vergelijkingen krijgen bij Schermer eene nieuwe wending:

 
(1)Gelijk de noordewint, wanneer hij, buiten toom
 
Aangonzende op de kruin van eenen eikeboom,
 
De zwaare takken schudt met vreeselijke slagen;
 
De boom staat pal, en schijnt zijn woeden uit te daagen
 
En recht zich ruk op ruk weêr moedig op in 't velt,
 
Maar, d' aarde los gemaakt door 't schuddende gewelt.
 
Wordt eind'lijk machteloos in 't klaver neêr gedreven:
 
Dus moet, enz.

Ik zoude nog vele uitmuntende proeven uit zijnen Meleager en Atalante en andere werken kunnen bijbrengen; maar een Dichter van nog verhevener aanleg en voortreffelijker kunstvermogen wacht mij. Gij gevoelt reeds, mijne Heeren! dat ik het oog heb op den uitmuntenden (2)HUBERT KORNELISZ. POOT.+

De Ouders van Poot waren landlieden. ‘In zijne eerste jeugd verslingert op Muzijk en Tekenkunst, begost,’ het zijn de woorden van

[p. 36]origineel

den Schrijver van zijn leven ‘vervolgens zijn Poëtische geest zich te ontdekken, en de Dichter, door de Natuur als met eige handen in den schoot der Zanggodinnen nedergezet, gaf blijken eerlang van zijne overhellende drift en geaartheid. Dus tot de rijmkunst overgeslagen, zagh onze jonge Lantman welhaest om naar menschen, die hem, ten minsten gelijk hij in dien tijd waande, hieromtrent met noodige onderrechtinge de hand zouden kunnen bieden. Bij de zoogenaemde Rederijkers dan van de Ketel, Schipluide en eenige andere plaatsen daar omstreeks gelegen, bekend geraakt, heeft hij in het gezelschap van die bende, meestal uit lantluiden bestaande, die, volgens eene aeloude gewoonte, de Nederduitsche Dichtkonst op hunne wijze hanteeren, ook nu en dan zich bevonden en met hun verkeert.’

Daar het misschien velen mijner Lezeren vreemd zal voorkomen hier nog van Rederijkers te hooren spreken, vergunne men mij den volgenden uitstap:

Met den aanvang dezer eeuw waren de Rederijkers nog eenigzins bekend, inzonderheid ten platten lande. Onder andere werden vragen uitgeschreven: te Hazerswoude (1701), te Pijnaker (1704), te Schiedam (1705), te Vlaardingen (1706), aan den Leijdschendam, te Delftgauw, te Scheveningen, te Poeldijk (1707), te Naaldwijk, in Gouda, te Stompwijk, Schipluide (1708), en zoo vervolgens, waarover men de Verhande-

[p. 37]origineel

deling van den naauwkeurigen (1)Kops kan inzien. De meesten, zoo niet allen, hadden niets dichterlijks dan den naam; dit blijkt onder andere uit (2)Poot zelven:

 
De Kamerwerken van 't fijn Rederijkerdom
 
Verrukten mijn gemoet, al gingen ze ook zoo krom
 
En kreupel als een wijf van driemaal dertigg jaren, enz.

De (3)Herbergiers, die het best bij de Rederijkers hunne rekening vonden, beschermden nu, in plaatse der Wethouderschap, deze kamers, en bekostigden, met de zweepen der Harddravers, de prijzen der Dichtkunst. Het is derhalve niet onnatuurlijk, dat der Rederijkeren gedrag allengs zoo buitensporig werd, dat (4)de Staten van Holland in 1711 een Plakkaat uitgaven, waarbij hunne optogten en vrijheden merkelijk bekort werden. Hierdoor raakten de meeste Kamers geheel te niet. (5)Te Haarlem, te Gouda en elders schijnen nog eenige kamers overgebleven te zijn, gelijk wij zien zullen bij onze vermelding van Langendijk, die vele jaren Factor

[p. 38]origineel

van eene kamer te Haarlem, geweest is. Dan laat ons tot Poot te rug keeren.

Naauwelijks had Poot eenige goede boeken gekregen, of hij begon der Rederijkeren verkeerden smaak en dichttrant te gevoelen. Een zijner eerste boeken schijnen de Gedichten van Antonides geweest te zijn; want (1)hem heeft hij dikwijls te veel gevolgd, en hierdoor heeft men in zijne fraaiste Gedichten wel eens iets dat luid klinkt, gelijk volgens sommiger oordeel de aanhef van het fraai Gedicht Arme Rijkdom:

 
(2)In uw goutkantoren wassen
 
Atlas appels, hoog en laeg,
 
En de tuimelende Taeg
 
Husselt 'er zijn blonde plassen;
 
Echter hoort men u van dorst
 
En verwoeden honger klagen,
 
Erizichtons onzer dagen,
 
Tantals, die Godts gramschap torst.
 
Laet Peru ook t' uwaert waeien,
 
Koffert Indië ter vlucht;
 
Water kan geen waterzucht,
[p. 39]origineel
 
Gout geen' droogen goutdorst paeien.
 
Arme Giérigaerts, hoe na
 
Zit gij bij uw zilver warmer?
 
Door uw rijkdom wort gij armer,
 
Met uw schatten groeit uw schâ:
 
Want die rinkelende banden
 
Houden u, met recht verfoeit,
 
Deerlijk op den hals geboeit:
 
Dit is 't goed dier waerde panden.
 
Ai, wordt wijzer toch, en houdt
 
Eindelijk op van mijnegraven;
 
Zijt niet langer rijke slaven.
 
Goude vrijheit gaet voor gout.
 
Vreest gij, dat de kerkhof kuilen
 
Zullen steigeren in prijs,
 
Dat gij dus, bedaegt en grijs,
 
Rust en lust om geld loopt ruilen?
 
Of denkt ge eens met fijn metael
 
't Straffe sterflot om te koopen?
 
Krezus zou dat vruchtloos hoopen:
 
Krassus sneuvelde door 't stael,
 
Daer hem gout ontzet noch staten.
 
Schoon de razende Fortuin
 
Iemants gelthoop tot een' duin
 
Aen doet groeien, 't zal niet baeten,
 
Als de dood hem, eer hij 't gist,
 
Voortstuwt, volgens last van boven,
[p. 40]origineel
 
Uit zijn hoven naer de hoven,
 
Van zijn kisten in de kist.
 
Vrekke heblust zal u kwellen,
 
Al verlaet ge uw zwangre kiel,
 
En van kommer krimpt uw ziel
 
Midlerwijl uw beurzen zwellen.
 
Doch, begeert ge, in 't gout verwart,
 
Beter kans bij 't hair te vatten,
 
Zoo ontsluit de boei der schatten
 
En verstoot uw gierig hart:
 
Dan, dan zult ge u eenmael sparen.
 
Maer al daelde ook Febus zelf
 
Van het hemelsche gewelf,
 
't Klinkent gelt verdooft de snaren.
 
Gaet dan, goutgriffioenen, zweeft
 
Met uw levendigh geraemte.
 
Al uw gout is root van schaemte,
 
Nu het zulke meesters heeft.

(1)Men moge misschien met eenigen grond hier en daar iets, als onnatuurlijk en al te gezocht, veroordeelen, het geheele Gedicht is zeker voortreffelijk.

In rijper ouderdom hield hij zich aan de schriften van Hooft en Vondel. In zijne Kenschets des Dichters schreef hij:

[p. 41]origineel
 
(1)Ik ben nogh jong, maer heb de Dichtkunst lang geprezen,
 
Waerin ik, wild en woest, bij wijlen iet begon,
 
Tot Hooft en Vondel mij het beste dichtspoor wezen.
 
Och of mijn traege vlucht die zwaenen volgen kon!

En in een ander Gedicht zegt hij:

 
(2)Ik oog, met eerbiedt en ontzagh,
 
Op fiere Helden, die in dichtkunst niemant wijken;
 
En schoon ik op geen' eenen dagh
 
Waert ben te noemen bij Hooftzwiergen en Vondrijken,
 
Zoo stel ik ze mij echter voor,
 
En klim en hink ze naer op Pindus wenteltrappen.
 
Dus volgde Askaen Eneas spoor,
 
Uit Troijes veege vest, met ongelijke stappen.

Hooftzwierigen en Vondrijken, Pindus wenteltrappen, enz. zullen hier weinigen behagen.

Zijne nederigheid en eerbied voor Hooft en Vondel kan uit het gezegde van hem blijken: ‘(3)dat het bijna buiten 't bereik scheen van

[p. 42]origineel

het menschelijk vermogen, den Ridderlijken Drost, die gezegt wordt door de wolken te wandelen en de starren te genaeken, of den Agrippijner, alom voor Vorst en Vader der Nederduitsche Dichtkunst erkent, in hemelsche gedachten en eenvoudige majesteit te willen evenaeren.’ De Heer Huijdecoper noemt Poot (1)den grootsten navolger van den grootsten onzer Dichters. Door zulke leidslieden geholpen, verkregen zijne Gedichten beschaving van taal, kracht en schildering van denkbeelden; hierdoor kreeg hij sierlijkheid, zoetvloeijendheid, geestigheid en bevalligheid; zoo dat men allezins erkennen moet, dat hij waardig den leeftijd van Hooft, Vondel, Cats en de Decker gedicht heeft. De laatste dezer Dichteren was bij hem zoodanig in achting, dat hij hem hield (2)in sommige schrandere slagen zelfs Vondel te boven te gaan.

De eerste, die in de verzameling zijner Gedichten zich voordoen, zijn Bijbeldichten. Zij zijn deftig en zoetvloeijend. Poot speelt ech-

[p. 43]origineel

ter nu en dan in dezelve wat te veel met gedwongene tegenstellingen; zoo zegt hij in zijnen Uitgang van Gods Zoon, b. v:

 
(1)- - Uw Schepper is ontschept.

Ook is hij, 't geen vooral toen ten tijde bij den Dichter fraai heette, en door (2)van Effen met reden geestig wordt afgekeurd, wel eens een te groote liefhebber van koppelwoorden; b.v. hetzelfde Gedicht noemt hij Jezus:

 
(3)Doônwekker, duivlezweep, wijnschenker, ziektverdrijver,
 
Ooröopener, oogenlicht, tongslaker, kreuplenschoor,
 
Brootdeeler, visschrenluk, zeetreeder, wintbekijver,
 
Waer vliedt gij, zielenheil, elxsnut, al 't aertrijk door.

Zijne Brieven zullen beter bevallen. Deze zijn wel in eenen eenvoudigen, maar leerzamen toon. Die aan (4)van Dam munt onder andere uit in oudheidkennis. Zijne (5)Algemeene Brief bevat zijne eersten levensloop en beginselen der Dichtkunst.

[p. 44]origineel

Men Ieest er niet alleen de plaats, maar zelfs het jaar en den dag van zijn geboorte:

 
(1)'t Groen Abtswout is vooreerst dan, met zijn graslandouwen
 
Poots Vaderlant en wieg, niet wijdt van 't prinslijk Delf.
 
Daer zagh ik 't eerste licht juist toen de Loumaent elf
 
En tweemael negen schreef met haer verkleumde handen;
 
In Jacobs schrikkeljaer, dat door de Kristelanden
 
Een M en D liet zien een C een L en nogh
 
Vier Xëns min een I. Dat Cijfren dient hier toch.

Zulke Cijferverzen zijn meer moeijelijk dan behagelijk. De gansche brief is in eenen luimigen en bevalligen toon gedicht, en bevat zeer vele natuurlijke aardigheden.

Zijne (2)Veldzangen mogen fraai zijn, de (3)Minnedichten zijn alleruitnemendst bevallig, liefelijk, geestig; en tevens hebben zij eene uitstekende kracht. (4)Naar het geestig exempel van Hooft zeide hij dezelve gevormd te hebben, en in der daad Hoofts pen zouden zij tot eere gestrekt hebben. (5)De verliefde Venus, (6)de Maen bij Edymion, (7)Wachten,

[p. 45]origineel

(1)Herdenking, (2)Vliegende Min, (3)Uchtendstond, (4)Zomersche Avond en (5)Minverlangen zijn allen natuurlijk, schilderachtig en liefelijk. Tot een voorbeeld kieze ik Wachten:

 
Hier heeft mij Rozemont bescheiden,
 
Hier, bij deez' boom, die weligh wast.
 
Waer mag de schoone zoo lang beiden,
 
Dat zij niet op het uurtje past?
 
Of ben ik wat te vroeg gekomen
 
Door drift der min, waarvan ik quijn?
 
ô Zaligh velt! o groene boomen!
 
't Kost hier te nacht wel bruiloft zijn.
 
Maer, och, hoe lang zijn thans de stonden!
 
Elk omzien duurt een jaer gewis.
 
Op achten was de komst gevonden:
 
Ik schat het al ruim negen is.
 
Val, avont, zoudt ge uw' plicht niet weten?
 
Of is de tijd zijn wieken quijt?
 
Of heeft Apol zijn zweep vergeten,
 
Dat hij dus traeglijk zeewaert rijdt?
[p. 46]origineel
 
Daghvoerder, laet u dit toch lusten:
 
Verkort den dag en rek den nacht.
 
Spoei voort: gij zult bij Thetis rusten,
 
En ik bij 't meisje dat ik wacht.

Onder zijne Mengeldichten munten, behalve vele anderen, voornamelijk, naar mijn oordeel, uit: (1)Akkerleven en (2)Vrolijk Leven.

Het Akkerleven is te zeer bekend, dan dat ik het u zoude herinneren; gij weet, hoe bevallig, schilderachtig en natuurlijk alles is; en wij voorwaar zijn van oordeel, dat wij zeer weinige zulke meesterstukken hebben. Bevallig, vloeijend, en in eene naar het onderwerp geschikte maat is ook Vrolijk Leven:

 
Waer is mijn citer toe bereid?
 
Wat klanken wil ze geven?
 
Wat zing ik daer een ander schreit?
 
De vrolijke blijgeestigheid
 
Is 't leven van het leven.
 
 
 
Wat laet zich 't volk door ijdlen schrik
 
En mijmerende zorgen
[p. 47]origineel
 
Beknellen? Vrienden, doet als ik;
 
Gebruikt toch 's levens oogenblik
 
Zoo lang de dood wil borgen.
 
 
 
Al schokte zelfs de hemelspil
 
Uit haer metaele pannen,
 
Weest gij te vreên, gerust en stil:
 
Een die gelukkig leven wil
 
Moet hoop en vrees verbannen.
 
 
 
Zoudt gij gestaêg bekommert zijn?
 
Zou druk uw vreugd besnoeiën?
 
Neen, neen: verdrijf die boezempijn.
 
Gij woont zoo ver niet van den Rijn,
 
Daer muskadellen groeien.
 
 
 
Hoeft gij geen kleeren nochte kost
 
Van goede liên te prachen;
 
Wat scheelt 't u hoe de werelt host?
 
Daer Heraklyt om schrijen most
 
Most Demokryt om lachen.
 
 
 
Maer, zegt gij: och! het weer wort zwaer,
 
Ons dreigt een felle donder.
 
Geen noodt: ai beit een luttel maer.
[p. 48]origineel
 
De nevel scheurt: de lucht wordt klaer:
 
Het onweer is al onder.
 
 
 
Dan, 't licht is ook aan 't ondergaen.
 
De nacht zal u benarren.
 
Mij niet, nu komt de blanke maen
 
Met haer vergulde horens aen
 
En hondertduizent starren.

Onder zijne Geboortedichten munt boven anderen uit: Verjaargroet aan mijne Beminde Neeltje 't Hart. Alles is levendig, geestig en verstandig. Zie b.v. deze regels:

 
(1)Wat worstel ik met minëlenden!
 
Hoe treurigh moet ik, in die pijn,
 
Van ver mijn zuchtjes t' uwaert zenden,
 
Die warm, ja heet van liefde zijn!
 
'k Volhard in edelaerdigh prachen,
 
Om u te winnen, met den tijd.
 
Denk, hoe 't genoegen hem leer' lachen,
 
Die arbeit doet en armoê lijt.
 
Indien de min uw hart doorgriefde,
 
Gelijk 't koraelen mondje zeit,
 
Zoo eer 't gebiet der Huwelijksliefde
 
Met nijgende gehoorzaamheid.
[p. 49]origineel
 
Wat is de schoonheit die blijft pratten,
 
En enkel voor zich zelve leeft?
 
Wat baeten opgeleide schatten,
 
Daer niemant oit gebruik van heeft?
 
Wat nut verschaffen pronkjuweelen,
 
Die buiten beziging vergaen?
 
Of eêl gebloemt, dat op zijn steelen
 
Verwelkt, en ongeplukt blijft staen?
 
Gij kunt mij niet volstrekt beminnen,
 
Zoo lang gij 't zoete paren schuwt. -
 
Och! waren we al aeneengestrengelt!
 
Gehuwden, daer Godt lust in heeft,
 
Zijn als veredelt en verengelt,
 
Terwijl men lieft, zoo lang men leeft.

Welk eene voor verstand en hart vereerende minnetaal!

Om van zijne keurige Lof- en geestige Bruiloftsdichten niet te gewagen, zullen wij uit zijne Lijkdichten iets bijbrengen, en wel uit de uitmuntende (1)nagedachtenis over het afsterven mijner Moeder:

 
Och, waerom slooft de sterveling?
 
Een weinig eigen lants te ploegen,
[p. 50]origineel
 
En zoo veel vee als dagh aen dagh
 
Zijn' nijvren meester voeden magh,
 
En 't altijt rijke vergenoegen,
 
Het hooft der schatten kent hij niet,
 
Die, overal van rust versteken,
 
De dartele Fortuin blijft smeken,
 
En nimmermeer te rugge ziet.
 
't Genoegen laet ons zachter sterven,
 
Dan of men 't Fransche aen 't Spaensche lant
 
Gehecht had door een' koningsbant.
 
De hoogheit doet gerustheit derven.
 
Mijn Moeder hield den laegen voet
 
Van haer' Gemael, die haer geleidde.
 
't Genoegelijk gelaet van weide
 
En akker streelde 't stil gemoet.
 
Wat Vaders arbeidzame handen
 
Verworven door gestaêge vlijt,
 
Daer 't land van gloênde hitte splijt,
 
Wanneer de zonnestralen branden;
 
Of daer men melkt in 't weligh groen,
 
Hield zij te rade, en liet het strekken,
 
Om haere kinders op te trekken,
 
En arme menschen goet te doen. -
 
Hoe streelde zij zijn moede leden,
 
Wanneer hij, nat van eerlijk zweet,
 
Ten dienst van 't huisgezin besteet,
 
Des avonts t' huiswaert was getreden!
[p. 51]origineel
 
ô Ongeschonde huwlijkstrouw!
 
ô Vrouw! wel waerdig, dat uw liefde
 
Het hart van zulk een' man doorgriefde.
 
ô Man! wel waerdig zulk een vrouw.

Hoe roerende zijn ook deze regels!

 
(1)Een enge bus, een linnen kleet
 
Betaelt in 't end haer zorg en zweet.
 
Wat is de wereldt? magh men vragen.
 
Zoo wert mij dat lieftaligh woort
 
Van Moeder, 't geen den droeven kinderen
 
Een toevlucht strekt om 't leet te minderen,
 
Voor eeuwig in den mont gesmoort.

Uit de geheele houding van het gedicht kan men zien, dat hij daarin den regten toon, den trant van de decker, gevat heeft.

Om ook van zijne korte Gedichten, zijne Graf- en Bijschriften, een voorbeeld bij te brengen, diene dit (2)Grafschrift op zijne Moeder:

 
Dees zerk bedekt het kout gebeent
 
Van Katharijn, die eêl gesteent
[p. 52]origineel
 
Noch gout, noch rijk gewaedt,
 
Maer deugdt droeg voor sieraet.
 
Zij wert van vrient en maeg beschreit,
 
Om dat de oprechtheit bij haer leit,
 
En zedigheid en trouw.
 
Men eer' de waarde vrouw.

Deze uitmuntende Dichter overleed den laatsten dag van het jaar 1733, in den ouderdom van 44 jaren, geene kinderen nalatende, (1)‘zijnde,’ gelijk de Schrijver van zijn leven zegt: ‘zijn eenig Dochtertje, een bloempje van slechts dertien dagen oud, omtrent vijf maenden voor hem gestorven; en is het Gedicht op haer overlijden de laetste snik geweest zijner poëzij:’

 
(2)Jacoba tradt met tegenzin
 
Ter snoode werelt in;
 
En heeft zich aen het endt geschreit;
 
In haere onnozelheit.
 
Zij was hier naeu verscheenen,
 
Of ging wel graeg weêr heenen.
 
De moeder kuste 't lieve wicht
 
Voor 't levenloos gezicht,
[p. 53]origineel
 
En riep het zieltje nogh te rug:
 
Maer dat, te snel en vlug,
 
Was nu al opgevaren
 
Bij Godts verheugde scharen.
 
Daer lacht en speelt het nu zoo schoon
 
Rontom den hoogsten troon;
 
En spreit de wiekjes luchtigh uit,
 
Door wee noch smert gestuit.
 
ô Bloem van dertien dagen!
 
Uw heil verbiedt ons 't klagen.

Zie daar eenige proeven uit Poots heerlijke Poëzij bijgebragt. Ik twijfel geenszins, of gij zult met mij hem vereeren als een Dichter van zeer groote waarde, die met regt onder de eerste Dichters van ons Vaderland geteld wordt. Huijdecoper, een allezins bevoegd regter, geeft hem daarom de streelendste namen, hem nu eens noemende den (1)voortreffelijken, den (2)netten, den (3)sierelijken, den (4)zuiveren

[p. 54]origineel

Dichter, dan weder den (1)zoetvloeienden, den (2)schranderen, den (3)verstandigen Poot.

De scherpzinnige Hesselink, een man, die in zoo vele vakken van geleerdheid en wetenschap uitmunt, heeft, op eene krachtige en bevallige wijze, in zijne Verhandeling de Natuur vormt den Dichter overwogen in H.K. Poot, getoond, dat Poot zijnen aanleg, door hulp van de hem vereerde boeken, door de Werken van Hooft, Vondel en Antonides, en door het vlijtig beoefenen der oude Latijnsche Dichters, stevigheid bijzette. De oude Schrijvers, onzen Dichter volgens vertalingen kenbaar, waren bij Poot als in merg en bloed veranderd. Het zoude weinig moeite kosten, dit door eene menigte voorbeelden te bewijzen. ‘Het zou,’ zegt (4)de Bosch, ‘eene gantsche afzonderlijke verhandeling vereisschen, om alle de navolgingen van Poot, zo uit de Schriften der Ouden als andere Dichters, op te zaamelen.’ Deze oefening, deze navolging zet zijne Gedichten eenen ongemeenen luister bij; echter nog helderder glans ontleenen dezelve van zijn gadeslaan, en als 't ware begluren der schoone en eenvoudige na-

[p. 55]origineel

tuur. (1)Hierdoor wordt een morgen- en avondstond met de juiste en eigenaardigste kleuren ons voor oogen gesteld; hierdoor hooren wij het vee in de bogtige vallei, van bosschen omringd, loeijen, en zien het grazen. Inderdaad door natuurlijken aanleg met oefening te paren is Poot tot zulk eene uitmuntende hoogte van kunst gestegen. Jammer, dat hij niet eens zijne krachten in het Heldendicht gewaagd heeft. Poot is schilderachtig, levendig, eenvoudig, geestig; en tevens vol verbeelding, krachtig en stout, wanneer het onderwerp zulks vordert. Men weet niet wat mem meerder in hem loven zal, natuur of kunst.

 
(2)Dus nam Natuur een proef wat zij wist uittewerken
 
Aen Poot, en stortte hem haer geest en gaven in.
 
De Kunst boodt haer de hant, om zijne kracht te sterken,
 
Waerdoor Natuur en Kunst vereenigden uit min,
 
Om, door dien band verknogt, een proefstuk voort te teelen,
 
Dat zich vertoonen zou volmaekt in alle deelen.
[p. 56]origineel

Ik geloof niet, dat wij bevalliger Landdichter hebben dan Poot. Meerdere dergelijke Dichters heeft deze tijd opgeleverd. Wij hebben reeds van Wellekens, de With en Schermer gewag gemaakt, en moeten nog nader spreken van derzelver Vriend (1)PIETER VLAMING, van wien wij reeds eene kleine (2)proeve hebben bijgebragt.

+Deze was niet alleen in de levende talen, maar ook in het Latijn, zeer bedreven, ja in het Grieksch geoefend. Met vele uitmuntende werken heeft hij onze letterkunde verrijkt. Hij bragt onder andere den Hertspieghel van Spieghel en de Rederijkkonst van Hoogstraten aan het licht, gaf de Gedichten van Schermer en eene Nederduitsche overzetting van Sannazarius uit. Wij zullen hier van zijnen (3)Latijnschen arbeid niet gewagen, maar alleen u herinneren, hoe hij met Wellekens te zamen door de uitgave van Dichtlievende Uitspanningen, een schoon aantal Landdichten gemeen maakte. Dat op Ho-

[p. 57]origineel

gerwoerd van Vlaming onderscheidt zich door kracht en zachtheid:

 
(1)Geen dwingeland zuipt hier de burgers uit,
 
Noch knaagt met staal gebit het dor gebeente,
 
De schonken, die uitpuilen uit den huid
 
Van zijn verdrukte en schamele gebeente.
 
Veel zachter is de boer, die 't vee ontlast
 
Van zijnen melk, of scheert de witte vlokken
 
Van 't schaapje, daar de zuivre wol op wast,
 
Dat melk ons schenkt en warme winterrokken.
 
Geen bitze tong ontrust hier ons gemoed,
 
Niets kwetst ons, of het bijtje moest het wezen,
 
Dat weer de wond met honing ruim verzoet,
 
Uit rozen, tijm en hijacint geleezen.
 
De Noordewind zal wel met schriklijk woên
 
En fel geblaas het gansche bosch doen beeven;
 
Maar kan aan 't stil gepijns geen nadeel doen.
 
De donder, door de wolken heen gedreven,
 
Scheurt wel een eik van boven tot beneên;
 
Maar 't schuldeloos gemoed is niet t' ontstellen,
 
't Staat pal en blijft vernoegd en wel te vreên,
 
En is door storm noch bliksem neer te vellen.

Dat hij als Puntdichter zou uitgeblonken heb-

[p. 58]origineel

ben, kan men afleiden uit dit eenige, bekende van hem, op de Afbeelding van Socrates:

 
(1)Waarom of 's mans gelaat gansch zonder schoonheid viel?
 
Natuur had al haar schoon besteet aan zijne ziel.

+Veel minder Dichter was de geleerde (2)HENDRIK SNAKENBURG, bekend door zijne uitgave van Curtius. Zijne Bijbelstoffen en zijn Leven van Jozef zijn bijna beneden het middelmatige. Iets beter zijn zijne Mengeldichten; doch ook deze ontberen de noodige geestverheffing. De sterkste onderwerpen, de treffendste tafereelen, hoewel van sieraden bij hem niet verstoken, blijven koud en hard. Wie, die het vreesselijk woeden van eenen (3)zwaren storm schilderen wil, zal dus aanheffen?

 
Tot nog toe is de Wind hier mijn vermaek geweest,
 
Maer nu bevangt de schrik mijn ingekrompen geest.
[p. 59]origineel

Beter zijn de daarop volgende regels:

 
Het donderend geweld der worstelende stormen,
 
Ten kerker uitgerukt, dreigt alles te misvormen,
 
Mengt aerde, zee, en lucht wanvoeglijk onder een,
 
En vult met doodschen angst het hart van groot en kleen,
 
Geen paelwerk is bestand, om 't water af te sluiten,
 
Geen dijk zoo vast, waer op de zeeslag af zal stuiten.
 
De vast geheide werf spoelt weg als enkel niet. enz.

Snakenburg schijnt, over het geheel genomen, den regten smaak uit de oude Dichters, waarin hij de Latijnsche jeugd te Leyden als Rector onderwees, niet gevat te hebben.

 

Was dezelfde goede en vaste grondslag in eenen+ Dichter als (1)PIETER LANGENDIJK gevestigd geweest, deze, wiens uitmuntende aanleg overal doorstraalt, zou met edeler en treffender glans schitteren.

Langendijk leerde wel de beginselen der Latijnsche taal bij (2)Willem Sewel, een

[p. 60]origineel

niet ongeacht Schrijver van dien tijd, maar verwaarloosde wel ras deze oefening. Hij was niet zonder verdiensten in de teekenkunde. Langendijk worstelde met schaarschheid in huisselijke omstandigheden; doch hoe zeer hij door het ongeluk vervolgd werd, zijne geestige en luchtige geaardheid, die in zijne dichtwerken doorstraalt, bleef hem bij, en beurde hem gedurig op. In het laatst zijns levens genoot hij eenige rust, toen de Regering van zijne geboortestad Haarlem hem tot Stads-Historieschrijver aanstelde, en voor zijn leven vrijen kost en inwoning in het Proveniershuis aldaar vergunde. Hij overleed in 1755, in den ouderdom van 73 jaren.

Zijne Werken zijn meest van eenen geestigen of liever boertigen aard. Op zijn zestiende jaar vervaardigde hij reeds het bekende stuk, (1)Don Quichot op de Bruiloft van Kamacho, 't geen hij naderhand echter verbeterd heeft. Dit Blijspel is vol geest en luim; men moet verbaasd staan over des Dichters vernuft in zoo jonge jaren; somwijlen is het ook wel eens laag van uitdrukking. (2)Krelis Louwen, (3)de Wiskunstenaars en andere zijner Blijspelen zijn in den zelfden trant.

De zelfde geest van boertigheid vertoont zich

[p. 61]origineel

mede in zijne (1)Punt- en Sneldichten, onder welke b.v. (2)de belofte van een Prediker, (3)Broer Knelis in zijn preek gestuit, en dat (4)op een Barbiersknecht, geenen der minste zijn. Het laatste luidt aldus:

 
Hij leert de Chirurgie, volkomen op - dat leertie;
 
Hij scheert de menschen zagt en zindelijk - dat scheertie;
 
Hij laat mij zagt en snel, als hij mij laat - dat laatie;
 
Hij praat altijd wat nieuws, als hij mij scheert - dat praatie;
 
Hij zoent zijn meesters meid en doet nog meer - dat doetie;
 
Zoo dat de vroome knecht haar trouwen moet - dat moetie;
 
Hij zeid: 'k ben nog te jong: 'k moet eerst mijn proef doen, - zeidtie;
 
Zoo Griet niet wachten wil, scheid hij er uit - dat scheidtie.
[p. 62]origineel

Men ziet, hier is wel geest, maar het helt te zeer over tot het dubbelzinnige; minder is dit zigtbaar in het volgende, (4)op een Roskammer:

 
Gij klaagt ons de pacht op paarden, 't ooregeld
 
Tot schade van uw beurs, is al te hoog gesteld.
 
Nu zucht gij: maar hoe ver zou elk uw balken hooren,
 
Indien er wierd een pacht gezet op de ezelsooren?

of in dit:

 
(1)Twee haspelden op straat: maar stonden eindlijk pal.
 
‘'k Wijk voor geen gek,’ sprak de een. De wijste zeide: ‘ik al.’

Om u een juist denkbeeld te geven van den trant, waarin Langendijk het meest behagen schepte, en waarin hij zeker niet ongelukkig geslaagd is, en tevens u te doen zien, hoe gemakkelijk en zangerig dikwerf zijne versificatie is, strekke het volgende op zekere Advertentie in de Haagse Courant:

 
(2)Hans Michel Goudvink van Hanover,
[p. 63]origineel
 
Professor in de vogelkunst,
 
Brengt zeer geleerde vinken over,
 
En vraagt een ijder om de gunst.
 
Zij doen hun stemmen lieflijk klinken,
 
Zij fluiten deuntjes, grof en fijn,
 
Hij heeft veel geestelijke vinken,
 
En vinken die ook waerelds zijn:
 
Hij hoeft zo niet als andere Poepen
 
Met vogelkorven op zijn naars,
 
Koop! koop! Kanarie koop, te roepen;
 
Zijn kunst is al iets wonderbaars.
 
Zo Her Hans Michel kon besluiten,
 
Na Leiden met zijn school te gaan,
 
Om daar een Vink-Consert te fluiten,
 
Men nam hem voor Hoogleeraar aan:
 
Mij dunkt hij moest daar heenen springen,
 
Daar worden de Professors rijk,
 
Die jonge Spreeuwen leeren zingen
 
In 't geestelijk en waereldlijk.

Van gelijke houding is de (1)Eneas in zijn Zondagspak, zijnde eene kluchtige navolging

[p. 64]origineel

van het vierde boek van Virgilius. De schrandere van Engelen zegt: ‘(1)Scarron heeft zijn Enée Travesti en Fokkenbroch, gelijk naderhand Langendijk voor een gedeelte Eneas in zijn' Zondagspak gegeven. Men heeft hen in eene min beschaafde Eeuw aartig gevonden, maar thans leest geen fatzoenlijk mensch die vodden meer. Waarom niet? Om dat zij, behaiven de ruwheid, monsteragtig zijn in de eenheid. IJdere grol, daar men ons om wil doen lagchen, is een ding op zig zelven, 't welk nergens 't huis hoort. Het wordt wanstaltig, zodra het op den Held wordt toegepast; het doet daarom het gepeupel lagchen.

Offenduntur enim, quibus est equus, et pater, et res. Want schoon dit aan 't gemeen misschien behagen zal, Het beste deel des volks verwerpt het heel en al.

Wijze lieden lagchen zelden lang, of hun verstand moet mede lagchen. Daar is een ander soort van Gedichten, waarin wij hartelijk lagchen en met verstand lagchen.’

Men kan voorwaar niet ontkennen, dat Langendijk met den geest van Fokkenbroch, ik zal niet zeggen te zeer ingenomen, maar besmet geweest is. Dikwijls straalt een verstandi-

[p. 65]origineel

ge boert in Langendijks werken door, meermalen echter eene lage en ruwe soort van aardigheid, welke het gemeen alleen behagen kan.

Ik herinner mij hier een uitmuntend gezegde van Cicero in het werk (1)over de pligten: ‘Het schertsen zelfs moet niet buitensporig zijn, noch de palen van zedigheid te buiten gaan; het moet beschaafd en geestig zijn. Gelijk wij toch den kinderen tot alle spelen geene onbepaalde vrijheid geven, maar alleen tot zulke, welke aan loffelijke bedrijven verbonden zijn; zoo moet ook in het schertsen eenig licht van eenen goeden geest uitblinken. Voorwaar er is tweederlei soort van scherts, het eene onëdel, dartel, slecht en morsig, het andere, bevallig, betamelijk, vernuftig en geestig.’

Deze twee soorten heeft Langendijk niet genoeg onderscheiden, en zijne losse verbeelding en spelend vernuft niet genoeg door welvoegelijkheid

[p. 66]origineel

en smaak betoomd. ‘Dan,’ vervolgt Cicero, ‘is de boert den mensch onwaardig, (1)zoo schandelijke zaken of morsige woorden daar in gebruikt worden.’

(2)De Graven van Holland, door Langendijk, is een werk door hem in Jaardichten, voor de Kamer Trouw moet blijken, waarvan hij Factor was, vervaardigd; het is van eenen ernstigen en geschiedkundigen aard, echter hier en daar met eenige dichterlijke versierselen omkleed. Over zijn Gedicht (3)de Stad Kleef, en zijn Treurspel (4)Julius Cezar en Cato, hetwelk, naar het Fransch gevolgd, op geene bijzondere verdiensten roemen kan, zal ik niet spreken; maar u liever melden, dat zijne (5)Herders-, Visschers- en Veldzangen inderdaad veel verdiensten hebben, en met die van Wellekens en Vlaming kunnen vergeleken worden.

Om ook eene ernstige proeve uit zijne Mengeldichten bij te brengen, diene het Gedicht op de

[p. 67]origineel

Dichtlievende Verlustigingen van Bernardus de Bosch, in welke de Geboorte des Heilands het eerste en voornaamste Gedicht uitmaakt.

 
(1)ô Godgewijde Poëzij!
 
ô Zielverquikster, honigbij,
 
Die nectar zuigt uit bijbelbloemen,
 
En met uw cherubijne stem
 
Ons lokt naa 't nedrig Bethlehem,
 
Wie zou uw' hemelzang niet roemen?
 
Waarheen vervoert gij mijnen geest,
 
Als hij uw goude nooten leest!
 
'K zie 't heir des hemels nederdaalen,
 
Dat aan de herders in het veld
 
Immanuels geboorte meldt;
 
Ik zie de star der wijsheid straalen.
 
De dichtkunst looft, in snaarenspel,
 
De hoop, de troost van Israël,
 
Gekoesterd in een slegte wooning,
 
Door de allernederigste maagd,
 
Die haren zoon en schepper draagt,
 
Dien priester, dien profeet en koning.
 
ô Dichtkunst, gij ontvonkt mijn ziel,
 
En leid mij daar ik nederkniel
[p. 68]origineel
 
In 't stof voor mijnen Heilands voeten.
 
De stal, waarin de kribbe staat,
 
Blinkt schooner dan de dageraat.
 
Hier zal ons niets dan heil ontmoeten.
 
‘Ik kniel voor uwe kribbe, o Heer!
 
Naast deeze onnoosle herders neêr,
 
En offer u met de Oosterwijzen,
 
In plaats van wierook, mirre en goud,
 
Een hart, dat op uw gunst vertrouwt,
 
Terwijl we uw' naam in dichtmaat prijzen.’
 
Zoo ver, De Bosch, ontfonkte mij
 
Uw Godgewijde Poëzij,
 
Dat ik des Heilands lof moest zingen.
 
Gij maakt mijn dichtkunst los van de aard,
 
Zij vliegt met de uwe hemelwaard,
 
En wil door lucht en wolken dringen.
 
Maar ach! zij is te zwak en teêr,
 
Zij strijkt haar slappe vlerkjes neer,
 
En poogt vergeefsch u naa te streeven.
 
Loof, loof de hoogste Majesteit!
 
Zij kroone u met de onsterflijkheid,
 
De kroon des heils, in 't eeuwig leven.

Uit alle deze (1)proeven twijfel ik geenszins

[p. 69]origineel

of gij zult met mij bijzondere verdiensten in Langendijks Gedichten erkennen. Had hij, gelijk Poot, bij wiens Poëzij de zijne voorwaar niet te vergelijken is, oefening bij natuurlijken aanleg gevoegd, hij zou eenen eersten rang onder onze Dichters bekleed hebben, daar hij zich nu, ondanks vele verdiensten, met den tweeden moet vergenoegen.

 

Wij zullen nu melding maken van eenige mindere Dichters, die in het begin dezer Eeuw gebloeid hebben, en wel in de eerste plaats van (1)PIETER RABUS, den bekenden Schrijver+ der Boekzaal van Europa.

Weinig smaak heerscht in zijn Dichtwerk. ‘In dezen tijd, walgende van de poëzij,’ zegt hij in zijn voorberigt, ‘besta ik den Nederlanderen voor te dissen deze mijne Zegen- en Vloekdichten.’ Inderdaad Rabus had beter gedaan deze zoo tegenstrijdige geregten voor zich te houden, ten minste zijn Zoon, die deze Gedichten eerst in 1741 uitgaf, had dezelve niet moeten voordienen.

Rabus meende zich geschikt voor het Heldendicht; ik wil u laten beslissen, of hij

[p. 70]origineel

juist over zich zelven oordeelde. Zie b.v. deze regels uit het zeer uitgebreid Gedicht: Verlost Britanje.

 
(1)Maar twijl Hij met veel drifts vast haakt om groter sprongen
 
Te maken, lukt het hem, dat Karel kinderloos
 
In flauwte en stuipen valt, en binnen korte poos
 
Het leven met de dood verwisseld hier op aarde.
 
(Ik rep niet wat de faam van 's Konings dood verklaarde:
 
Die stoffe stap ik liefst om reden thans voorbij.)
 
Zoo word Jork opgeleid tot d' Opperheerschappij:
 
Hij eenig Erfgenaam zijns Broeders, die de zaken
 
Des Rijks bevlijtigde, steeds ijverig in 't waken,
 
Word strax verklaard voor Koning, wettig en bequaam,
 
Jacobus Englands Vorst en Tweeden van dien naam.

Waarlijk het is of men ons tot de Eeuw van Melis Stoke te rug voert! -

+Beter klinkt de krijgstrompet bij eenen nu minder bekenden, maar toen niet ongeachten Dichter (2)ABRA-

[p. 71]origineel

HAM ALEWIJN, die ook in andere soorten eenen zeer goeden dichterlijken aanleg ten toon spreidt. Men vergelijke met de zoo even aangehaalde regels van Rabus deze van Alewijn uit zijnen Zegezang ter eere van Eugenius:

 
(1)ô Zuil van 't Roomsche Rijk, die 's Keizers Oorlogsvanen
 
Hebt in Piemont geplant, ten troost der Italjaanen,
 
En snoode Tirannij en Staatzucht ingetoomt.
 
Ten blijk, dat d' Adelaar voor Vrankrijks Zon niet schoomt,
 
Maar durft, in vuur en gloed, door wakkerheid gedreeven,
 
Met opgespart gezicht haar onder d' oogen streeven. -
 
Daar gij, als 't Opperhoofd, aan 't Hoofd der Leegerbenden,
 
Het uitgetoogen zwaard stoot zelfs in's Vijands lenden,
 
En voert het Leeger aan in vuur en zwavelgloed,
 
En felle Krijgs Orkaan, die uitspat, als verwoed,
 
En ijselijk rammeit met nare donderslagen
 
Van 't zwangere kartouw, vermengt met hagelvlaagen
[p. 72]origineel
 
Van handgranaten, loot, en heete Blixemstraal,
 
Terwijl men ziet alom het scherpgeslepen staal
 
Met opgestroopten arm van uwe Helden zwaajen,
 
Het bloedig oorlogsveld met lijken digt bezaajen, enz.

Welk een onderscheid! Waar Rabus als Heldendichter ons slaap verwekt, doet Alewijn ons bijna met zijn afgrijsselijk vuur van angst wegvlugten!

 

+Omstreeks denzelfden tijd bezong (1)FRANS GREENWOOD de Overwinning der Bondgenoten bij Hochstet in eenen fraaijen Heldenzang, beginnende:

 
(2)'t Was lang genoeg den Adelaar
 
Getergt, getrotst, door helsch gebaar
 
Van t' saamgerotte krijgsharpeijen,
 
Die door een woedende oorlogszucht
 
Hem deeden in de dunne lucht
 
Zijn ingetrokken wieken spreijen.
 
Dit dult geen Brit noch Batavier, enz.

Greenwood overtreft, mijns oordeels, weder

[p. 73]origineel

Alewijn. Schilderachtig en krachtig zijn b.v. deze regels:

 
(1)Straks toonde zich op 't moorttooneel
 
Gravidus met een schorre keel,
 
Na 't openen der bloedgordijnen,
 
En zwaait den bliksem met zijn vuist,
 
Van 't zwart geronnen bloet begruist.
 
Hier zou Alcides moedt verdwijnen.
 
Hem volgt de woedende Belloon.
 
Haar helm schijnt, trots de zon, te blinken.
 
Men zag haar als een Tisifoon
 
Doldriftig langs het veld rinkinken,
 
Ten enkel toe met bloed bemorst,
 
Waarmeê zij lescht haar helsche dorst.
 
Geen Etna kan zoo vreeslijk donderen,
 
Wanneer de dolle Reus van onderen
 
Zich rept, door 't wichtig pak bezwaart,
 
En zwarte wolken schijnt te braken,
 
Als 't buldren der metale kaken
 
Van 't bliksemende schutgevaart.

Onder de mij bekende Gedichten van Green-

[p. 74]origineel

wood zijn meer fraaije, ook in den zachten trant:

 
(1)Snelle bootjes, die de baren
 
Van de zilvre Maas bevaren,
 
Bij een zoelen zomerwint;
 
Die om prijs met vlugge wieken,
 
Als een zwaan bij 't morgenkrieken,
 
Heen en weer zwiert zoo gezwint! enz.

Dan wij mogen ons niet te lang bij een en denzelfden Dichter ophouden, ten zij hij geheel buitengewone verdiensten heeft.

 

+Ik zal u daarom met geenen (2)Laurens Steversloot, noch (3)CAROLUS TUINMAN ophouden, waarvan de laatste, door zijnen Oorsprong en uitlegging der Nederduitsche Spreek-

[p. 75]origineel

wooden, en Fakkel der Nederduitsche Taale, zoo zeer bekend, gebrek aan smaak in iederen regel ten toon spreidt. Zijne stichtelijke Puntdichten uit het Oude Verbond, zijne Koppelversjes, zijne Zedenrijmen allen, even gelijk weleer bij den ouden Roemer Visscher, in schocken, in plaats van boeken, verdeeld, zijn waarlijk minder dan de Gedichten van dien Hollandschen Martiael der zestiende Eeuw. Liever zal ik u bekend maken met eenen schaars genoemden en toch verdienstelijken Herder- en Minnedichter (1)PIETER VISSCHER.

 

+Men ziet uit de Voorrede zijner Herderszangen en Mengeldichten, gelijk uit zoo vele van dien tijd, hoe angstig hij met anderen voor de gezagvoerende Keurmeesters van taal- en dichtkunst geweest is, en echter mogt hij, hoe onnaauwkeurig somwijlen in taal, en stooterig in dichtmaat, zich met eenige gerustheid, zoo ik meene, in den rei der toen bloeijende Dichters stellen. Zie b.v. den aanhef van het dichtstukje Aan Rossella op een Kusjen:

 
(2)Gelijk een bei, die zijne hooning gaard
 
Uit bloeme en teere spruitjes,
[p. 76]origineel
 
En d'aangenaamste kruidjes,
 
Die groeien op der aard,
 
Verlokt door haar cierlijk prijken,
 
En zich door 't voedsel van haar blaaren komt verrijken,
 
En liefelijk verzaad,
 
Verkwikt, weêr keerd, en vrolijk t'huiswaarts gaat;
 
Zoo gingtme als ik de tippen
 
Van uwe malze lippen,
 
Genaakte met een kus, godin
 
Zo edel van gemoed, en aard, en zacht van zin.
 
Mijn ziel verdronk door die wellustigheeden,
 
En waar bijna ten lichaam uitgegleeden,
 
Had gij, mijn zielsvoogdes, hem niet,
 
Met mij, door eene kus geholpen uit 't verdriet,
 
En mij dus wederom het leven,
 
Op d'oever van de dood,
 
Door eene kus, dien ik genood;
 
Geschonken en gegeven. enz.

Meerdere goede dichtproeven zouden wij kunnen bijbrengen. Het was wel eens der moeite waard, de verdiensten van dezen Herder- en Minnedichter, naar gedachten in een zeer jeugdigen leeftijd overleden, meerdere en afzonderlijke hulde toe te brengen.

[p. 77]origineel

De Herderszangen van Visscher herinneren mij aan die van (1)KORNELIS BOON van+ Engelant, die toen ook Herderszangen, en met dezelve Helden- en Mengeldichten, in het licht gaf.

In het Herdersdicht is hij plat. Hij dichtte als niet dichtende, b. v:

 
(2)Zijt gij daer, Veenrijk? vrient, zijt gij daer? kan het wezen?
 
Mijn Veenrijk, man en maegt vroeg ik naer u voor dezen;
 
Maer niemand wist van u. Wij schatten altemael
 
U doodt, dewijl geen mensch in al dien tijd noch tael
 
Noch teeken van u kreeg. enz.

In het Heldendicht is hij iets beter. Het beste zijner Gedichten komt mij voor de Zeetriomf voor Vigos te zijn; beginnende:

 
(3)Is u, Spanje, dan vergeten,
 
Hoe zich Hollants waterleew
 
Voor uwe oogen heeft gequeten
 
In de jeugt der vorige eew.
 
Toen uw dootbleeke oever schuimde, enz.
[p. 78]origineel

of is er in dezen aanval van den Hollandschen Waterleeuw op Vigos en de Vloot, die het verdedigde, niet veel schilderachtigs?

 
(1)Zie, daer springt hij uit den neste,
 
Zie, daer komt hij u ter straf. -
 
Hoor eens zijn afgrijslijk brullen,
 
Zie hoe 't schuim druipe uit zijn bek,
 
Hoe zijn manen, los van krullen,
 
Steigren langs den stellen nek. -
 
Maer daer valt hij aen het entren,
 
Rukt de kielen, hemelhoog,
 
Als het dunste rach aen flenteren. enz.

Zijne versificatie is in andere Gedichten zeer ongelijk, nu eens vloeijend, dan weder hortend en stootend.

Zijne Tooneelpoëzij, hoe sierlijk (2)uitgegeven, hoe aanlokkend ingeleid door eenen Brief, rakende de behandeling der Tooneelpoëzij, gerigt aan den vermaarden Hoogvliet, verdient, mijns oordeels, geene bijzondere vermelding.

 

Het was omtrent dezen tijd dat de Leerzame Zinnebeelden van (3)Hendrik Grauw-

[p. 79]origineel

hart, en die van Adriaan Spinneker in het licht kwamen. Men vergelijke deze met dergelijke Werkjes in het begin der zestiende Eeuw, en men zal duidelijk zien, dat dicht- en plaatkunst merkelijk verachterden. De regte smaak ontbrak bij hen, zoo wel als bij den anders geestigen (1)Jan Goeree, bij eenen (2)Robbert Hennebo en (3)HERMANUS van den BURG. De laatste, willende andere Dich-+ters navolgen, die, om eenen gemakkelijken en

[p. 80]origineel

rijken dichttrant te erlangen, oude Latijnsche dichtvruchten in den Nederduitschen dichthof met teedere zorg en onvermoeiden arbeid hadden overgeplant, koos daartoe noch den oorspronkelijken Virgilius, noch Horatius, noch Ovidius, maar den Geschiedschrijver in onrijm Justinus, volgens eene vertaling. Wij verwonderen ons wel, dat hij, reeds bejaard, dit werk (1)moeilijk en gedwongen, gelijk hij zelf getuigt, heeft durven ondernemen; dan geenszins, dat het, volgens eigene belijdenis, zo vele tusschenvoegingen en instoppingen, om aan de rijmklanken te voldoen, bevat. Wij verwonderen ons wel, dat hij alle de vier en veertig boeken voldragen heeft, en nog tijdig verlost is; maar geenszins, dat hij het kind met bittere weeën ter wereld bragt. Het kind zelf werd in den geest van dien tijd stijf en prachtig gebakerd, maar schijnt na deszelfs geboorte spoedig aan het kwijnen geraakt, en in zijne eerste kindsheid overleden te zijn. De Verzameling van uitgekozene Zinspreuken, noch die van Schriftuurlijke Klinkdichten overleefde hare zuster lang. De Mengeldichten, als met de meeste levensgeesten voorzien, bereikten eenen meer gevorderden ouderdom. Deze vertoonen zich hier en daar in een luchtig en bevallig gewaad; men zie b.v. dezen aanhef van een Huwelijksdichtje:

[p. 81]origineel
 
(1)Lachjes, lonkjes, toverlusjes,
 
Kneepjes, wenkjes, zachte kusjes;
 
Kusjes geurig als muskaat,
 
Zoet als versche honigraat;
 
Straaljes van aantreklijke oogjes,
 
Schichjes van verliefde boogjes,
 
Zuchjes, in de ziel gevoed,
 
Balsem voor 't verlieft gemoed,
 
Zult g', ô Bruidegom! erlangen,
 
Als gij van de poesle wangen
 
Van uw Bruid zult zuigen 't waas,
 
Dat de Min gebruikt voor aas,
 
Als hij 't harte wil belaagen
 
Dat, bestormd door zijne vlaagen,
 
Zulke tochten niet gewent,
 
Hem voor Oppervorst erkent. enz.

Wat verschilt toch het onderwerp! Wat doet eene goede en juiste keuze! Hoogvliet, zijn tijdgenoot, koos, even als van den Burg, zich te oefenen door eene vertaling in rijm, doch deed eene betere keuze. De jonge Hoogvliet - maar zulk een Dichter eischt eene meer bepaalde, afzonderlijke en aandachtige beschouwing.

[p. 82]origineel

+(1)ARNOLD HOOGVLIET, in den jare 1687 uit een deftig geslacht geboren, had bijna den ouderdom van 20 jaren bereikt, toen hij, voelende wat hem ontbrak, met ijver zich op het Latijn begon toe te leggen. De Vaderlandsche voorraad was kleen, zegt (2)de Kruijff in het Leven van Hoogvliet; wij zouden liever zeggen, de Vaderlandsche voorraad was hem niet genoeg; Hoogvliet wilde liever uit de bronnen zelve, dan uit de daarvan afgeleide beken, zijnen dorst naar wetenschappen en dichtkunst lesschen. ‘(3)Het gemis der noodige taalkunde,’ dus vervolgt de verdienstelijke de Kruijff, ‘verstak hem van den dienst der Ouden of Vreemden. Deze laatste hinderpaal echter kon door vlijt uit den weg geruimd worden, en, daar laage zielen alleen voor een' loffelijken maar ongewoonen arbeid bukken, was de liefde voor de kunst ten vollen

[p. 83]origineel

genoegzaam, om alle zwarigheden te verzwakken, en den moedigen Dichter tot het leren van één of meer vreemde taalen te doen besluiten. Zoo lang een goede smaak Rechter blijve over het schoone, zullen de verdienstelijke Dichters der Oudheid hunnen grijzen roem bewaaren, en als Meesters in de kunst geleezen, bewonderd en nagevolgd worden.’

Op het voetspoor van den grooten Vondel en anderen bepaalde hij zich tot het overbrengen van een geheel Latijnsch werk, om eene gemakkelijke versmaakkunde te verkrijgen, en geheel en al doordrongen te worden van de sieraden, in dergelijke dichtstukken vervat. Hij koos hiertoe de Feestdagen van Ovidius. Bij de beschouwing van dit werk, hetwelk Hoogvliet, gelijk getuigd wordt, (1)als 't ware een nieuw wezen gaf, zullen wij eenige oogenblikken stilstaan.

Wij zouden echter van overtolligheid niet zonder reden te beschuldigen zijn, indien wij, na het schrander oordeel van den kundigen de Kruijff, waarmede wij geheel overeenstemmen,

[p. 84]origineel

over deze vertaling wilden uitweiden: wij bevelen met den meesten ernst deze onpartijdige en verstandige (1)oordeelsvelling aan, en zullen alleen daar uit overnemen het zeggen: ‘dat des Dichters Nederduitsche berijming der Feestdagen, schoon in veele opzigten verdienstelijk, echter niet volledig aan de vereischten eener recht Dichterlijke vertaling beantwoordt.’ En geen wonder - Hoogvliet zelf (2)betuigde bij ondervinding geleerd te hebben: ‘dat er ligt wat gestort wordt, hoe voorzichtig men de wateren van Parnas wil overgieten.’ Echter durven wij betuigen, dat uit deze zelfde Feestdagen vele uitmuntende proeven zouden zijn bij te brengen, en dat Hoogvliet zijn voornaam oogmerk met deze berijmde vertaling bereikt heeft, nu namentlijk had hij door eene gestadige en ingespannen oefening geleerd, ‘dat de schriften en Fabeldichters der Ouden allen jeugdigen oeffenaaren, die dezelve bij het rechte einde grijpen, het verstant verfraaijen en verrijken met oud-

[p. 85]origineel

heid- en geschietkunde, dat ze het oordeel uitzetten door derzelver aardigheden en vindingen, de gedachten leiden door hunne orde en aangenaame schikkinge.’ - ‘Wie zal ontkennen,’ dus vervolgt (1)Hoogvliet, van wien zelven wij het vorige hebben overgenomen, ‘dat de Heidensche Dichtkunde, toen tot zulk eenen hogen trap gesteegen, allen Dichteren onzes tijds een onvermijdelijke volgdraad is in den doolhof hunner gedachten; een kabinet vol geestigheeden, en een open hof, daar ze, als 't met oordeel geschiedt, allerlei bloemtjes konnen en moogen plukken, om in hunnen tuin te planten, en daar ze de orde der plantazij moeten afkijken.’

(2)Hoogvliet eens bij zijnen kranken Vader bezig drukproeven te verbeteren van zijne Feestdagen, sprak de Vader tot hem: ‘hoe aangenaam zoude het mij zijn, indien dit stuk, in plaats van het Heidensch bijgeloof op te sieren, de eer van den éénen waaren God konde bevorderen;’ en kort daarna overleed de Grijsaard. Ziet daar, mijne Heeren! den eersten spoorslag tot het uitvoerig gedicht, Abraham den Aartsvader, waarover wij nu zullen spreken.

(3)Veel, zeer veel is over dit werk geschre-

[p. 86]origineel

ven, bijzonder of het den naam van een Heldendicht met regt dragen kan, dan niet; wij echter zullen ons hierover niet vermoeijen, maar, zulke twisten aan andere Regters overlatende, slechts vragen, welke verdiensten heeft het als Dichtstuk?

De aanleg, de gansche houding van het werk, het geheel kan ik niet zeggen dat mij behaagt.

(1)Eene poëtische Levensbeschrijving, gevolgd naar eenige oorkonden, waaraan men zich heilig houden wil, moest uit haren aard Hoogvliet te veel beperken, te prozaïsch worden. Noch sieradiën van Heidenen ontleend, noch stout gewaagde gissingen, noch eige vinding, noch vrije schildering konden hier haren invloed ten goede doen gelden. Van hier het gezochte in het geheele werk; van hier zoo vele kunstige beschrijvingen van morgen- en avondstonden, die soms wonderlijk afsteken, als hoorden wij den Dichter zichzelven aansporen, om weder regt poëtisch te zijn; van hier eindelijk zoo vele Godspraken, ver-

[p. 87]origineel

zeld van donder en bliksem, als of daar uit de kracht moest gehaald worden. De vrome Hoogvliet dorst zich derhalve, mijns oordeels, niet genoeg los geven, en deed hij zulks, dan viel dit bij het overige al te zeer in 't oog.

Men begrijpe mij echter wel; ik houde den Abraham des niet te min voor een zeer uitmuntend en verdienstelijk werk, leerzaam van zaken en rijk in dichterlijke schoonheden; maar het geheel, de aanleg, de houding des werks, is mij, naar den geest dier tijden, te stijf. Een Dichtstuk moet in het geheel, en in de bijzondere deelen, dichterlijk zijn; men moet, wat gedeelte men ook op zich zelve neme, altijd iets dichterlijks vinden. Onderzoekt dit eens, bid ik, met de uitmuntendste Dichtwerken; kiest wat gij wilt:

(1)Invenies etiam disjecti membra poëtae;

Maar, wanneer gij eens de volgende woorden, b.v. (2)‘Maar Godt, d'Alweter, die het menschelijk bedrijf met alziende oogen ziet, zei tot mijn' Helt: wat reden van ongeloof beweegt

[p. 88]origineel

het hart van Sara heden? of waarom heeft zij toch gelachen? en gezeit: zoude ik nogh baren?’ Indien, vraag ik, men deze en honderd dergelijke regels, dus geschreven, las, zoude men wel kunnen droomen Poëzij te lezen? Daarom betuigde een voorwaar bevoegd (1)Kunstregter: ‘Men kan tegenwoordig meer dan vijf- en twintig agtereenvolgende regelen uit een dichtstuk neemen, welke, van het rijm ontbloot, volstrekt prosa zijn, waarvan ik meer dan eens de proef genomen heb.’

Men vergunne ons nu nog den Abraham in zijne bijzondere deelen gade te slaan. De onpartijdige de Kruijff betuigt: (2)‘Hier vertoont zich de Abraham in een geheel ander licht. Schoon met veelen over den aanleg en de schikking des Dichtstuks, om der kunst en des kunstenaars wille, niet ten volle te vreeden, bewonderen wij niet te min hetselve hoogelijk in de uitvoering; en deselvde onpartijdigheid, welke zo even vrijmoediglijk feilen heeft aangewezen, mag zig hier naar waarheid verlustigen in den lof van duizend kunstverdiensten. Immers, buiten de meenigvuldige proeven van Aardrijks- Geschied- Oudheid en Letterkunde, buiten de gewigtige verdiensten eener zuivere taal, vloeien-

[p. 89]origineel

de berijming, en deftige voordragt, buiten eene aangenaame verscheidenheid van toneelen en bespiegelingen, buiten alle deze aanzienelijke voorrechten, welke als zo veele bijzondere deugden ieder heuren bijzonderen lof verdienen, ontdekken wij bovenal in den Abraham eenen rijken voorraad van zulke schoonheeden, die, gelijk zij uit eigenen aart het doel der kunst helpen bevorderen, zo ook bij uitstekenheid den naam van dichterlijke schoonheden dragen mogen. Onder deezen rang mag men zekerlijk plaats geven aan gelijkenissen, bloemspraaken, overbrengingen, persoonsverbeeldingen, en andere kunstsieraaden van dien aart meer; sieraaden, van welke Hoogvliet zich, ter verlevendiginge en verfraaijinge zijnes werks, veelal gelukkig bediend heeft, en wier schrandere vinding, voordeelige plaatsing, gepast gebruik, en inwendige juistheid meer vernufts, kunde, smaaks en oordeels vorderen, dan misschien veelen, wier schriften er tot walgens toe meede overlaaden zijn, immer geweeten, of althans naar eisch bedagt hebben: deze evenwel, hoe zeer ook noodzakelijke, hoe zeer ook verdienstelijke, deze zijn nog eigenlijk de voornaame schoonheden niet, welke wij in den Abraham meest bewonderen; wij bedoelen vooral die meesterlijke trekken van gevoel en verbeeldingskragt, van echte poëtische schildering, waarin natuur en kunst, als 't ware, om den voorrang strijden, en die, alomme in over-

[p. 90]origineel

vloed verspreid, den dichterlijken geest van Hoogvliet zoo gunstig kenmerken.’

Bijzonder behagen ons, onder andere, de (1)beschrijving van Egypte, in het eerste Boek, het (2)vreedzaam herdersleven van Abraham bij Bethel gelegerd, in het vierde, en in dat zelfde het (3)genoegelijke verblijf aan de eikenbosschen van Mamre, (4)de Herderszang bij de geboorte van Isaak in het achtste, en, om niet meerder te noemen, geheel het tiende Boek, vol van poëzij en fijn gevoel. In deze en vele andere gedeelten zal men vinden, dat, schoon dan ook de Abraham, als Dichtstuk, in aanleg en houding niet vrij van berisping zijn moge, en hier en daar eenig valsch vernuft aan den dag legt, dezelve echter zoo vele dichterlijke beschrijvingen, zoo vele fraaije vergelijkingen, zoo vele gevoelvolle en treffende schilderingen bevat, en tevens eene zoo stichtelijke en aangename lezing geeft, dat wij met reden denzelven onder onze beste Dichtwerken rangschikken. Wij moeten echter nog met een enkel woord aanmerken, dat sommige gedeelten, om derzelver wonderbare gezochtheid, ons mishagen. Hieronder rekenen wij b.v. de

[p. 91]origineel

(1)beschrijving der Hemelsche Stad, en de Redevoeringen der Goddelijke Eigenschappen; ja, geheel het tweede Boek. Dan het wordt tijd, dat wij van dit onderwerp afstappen.

Verdient Hoogvliet lof om zijne vertaling van Ovidius, en zijnen Abraham, meerder lof verdient hij in sommige zijner Mengeldichten; boven al in het Hof- dicht de Zijde balen, wel waardig den (2)zilveren Penning, met 's Dichters borstbeeld versierd, en hem door van Mollem geschonken. Hoe krachtig zijn deze regels over den Zijdehandel:

 
(3)ô Wondre Koopmanschap! ô nutte Handeling,
 
Die uit het spinsel van een wormtje, zoo gering,
 
Zoo teêr, uw' oorsprong hebt! ô wondre, ô tedre wormen!
 
Die voor uw sterven, voor 't verandren van uw vormen,
 
U zelf een tombe bouwt van zijde, om naderhant
 
Daar uit te worstelen, om in heerelijker stant
 
Herlevende, en gelijk een Fenix, bij het krieken
[p. 92]origineel
 
Des vroegen morgens, heen te zweven op uw wieken!
 
Hoe dier, hoe krachtig zien we ons tot uw' lof verplicht!
 
Wat openen zich al tafreelen voor mijn Dicht,
 
Indien 't mij luste in uw beschouwing uit te weiden!
 
Het boschgedierte geeft zijn vachten te bereiden
 
Ten dienste van den Mensch in 't killigh jaargetij;
 
De Kemel zet zijn hair, het Schaap zijn wol, hem bij:
 
Gij, gij, ô kleine Worm, moogt met de glorie prijken,
 
Dat gij gewaden spint voor d' Edelen en Rijken:
 
Gij, naakte Worm, gij kleedt den Mensch in rijk gewaat,
 
Den Mensch, bij u zoo groot, zoo heerelijk van staat;
 
En echter in zich zelf een aardworm in dit leven:
 
Zoo zien we d' eene Worm den andren kleedren geven.

(1)De Eerkroon voor Vlaerdinge is ook geene zijner minste Gedichten. Onder zijne Mengeldichten zijn, onder andere, nog twee verjaardichtjes op zijne Zoontjes, welke mij altijd zeer bevallig zijn voorgekomen. Het eene (2)Op den eersten Verjaardag van mijn Zoontje Joannes Hoogvliet, luidt aldus:

[p. 93]origineel
 
Moet mijn Dichtnimf, lieslijk Jantje,
 
Teeder Wichtje, dierbaar Pandtje,
 
Spruitje van mijn trouverbond,
 
Moet ik reeds, ô eenig Zoontje,
 
Kusjes drukken op uw koontje,
 
Root gelijk de Morgenstond?
 
 
 
Ja, ô ja, wie kan het weeren?
 
't Is uw Moeders harts begeren,
 
Op uw eerste jaargetij,
 
Dat we, hare vreugd tot teken,
 
Roosjes op nw Valhoet steken,
 
Bloemtjes van mijn Poëzij.
 
 
 
Herfstmaand, die wij daarom prijzen,
 
Zag u in de Waerelt rijzen
 
Met een lachend aangezicht:
 
Zij berooft van bloem en lover,
 
Gaf u aan den Winter over,
 
Bij het flaauwend zonnelicht.
 
 
 
Maar die Grijsaart, al te grillig,
 
Tot uw koestering onwillig,
 
Spoedde zich en liep voorbij,
 
Tot de Lente bloemtjes plukte,
 
Roosjes op uw kaakjes drukte,
 
d' Eêlste van haar jaargetij.
[p. 94]origineel
 
Doch de Zomer, al 't eenzijdigh,
 
Was op uwe welvaart nijdigh,
 
Roofde weêr dat schoon sieraat,
 
Toen de koorts in de ingewantjes,
 
Bij het groeijen van uw tantjes,
 
Deed verbleeken 't frisch gelaat.
 
 
 
Maar de Herfst, vol mededoogen,
 
Geeft u weder nieu vermogen,
 
Nu ze uw eerste Jaar vervult;
 
Daar gij, onder 't streelen, kussen,
 
Met uw hantjes ondertusschen
 
Wijst hoe groot gij worden zult.
 
 
 
Is het waar, mijn lieve Jantje,
 
Groei nog hooger dan uw handje
 
Reiken mag, als ge opwaarts ziet!
 
Groei, ja groei iu deugt en zeeden!
 
Leer de Waarheid naar de reden;
 
Leer, maar leer de zonden niet.

Het andere, (1)Op den tweeden Verjaardag van mijn Zoontje Willem Hoogvliet, in denzelfden trant, is niet minder zacht en bevallig.

[p. 95]origineel
 
Lieve Willem, tweede Zoontje,
 
Paerel aan ons huwlijks kroontje,
 
Aartigh Snappertje, ai bedwing
 
Voor een oogenblik uw tongetje,
 
Luister toe, mijn lieve Jongetje,
 
Hoe ik u ter eere zing -
 
 
 
's Hemels Oog zag uw beginsel,
 
Blijdschap sloot het eerste windsel,
 
Toen gij in de waerelt trad;
 
Voorspoet bleef twee zonnekringen
 
Staâg u in den sluimer zingen,
 
Daar zij bij uw slaapkoets zat.
 
 
 
Welvaart geeft, door de Oppergoetheit
 
U gestadigh nieuwe zoetheit,
 
Zet uw leedjes krachten bij,
 
Om te vaardiger te loopen,
 
Leert uw woordenklanken knoopen
 
Tot een lieve vleierij.
 
 
 
Groei, ô Willem; aartig wichtje,
 
Met een blozend aangezichtje!
 
Groei uw' Ouderen tot vreugt,
 
Groei in krachten uwer leeden,
 
Groei in geest en aartigheden,
 
In gehoorzaamheit en deugt.
[p. 96]origineel

Zulk eene naïve en gevoelige wijze van dichten bezat de edele Hoogvliet, ‘die,’ om weder (1)de Kruijff te volgen, ‘wat de natuurlijke kunstvermogens betreft, volkoomen ter beoeffening der poezije was toegerust; wiens liefde voor de kunst en werkzaame ijver deeze groote gaven verdienden, en wien door meer dan gewoone vorderingen de roem van een verdienstelijk Dichter ongetwijfeld toekoomt.’

Neemt men in aanmerking, dat Hoogvliet in mannelijken ouderdom zich eerst regt begon toe te leggen, om, door het beoefenen der Latijnsche taal en van velerlei wetenschap, aan zijn natuurlijk vermogen smaak en stevigheid bij te zetten; -- neemt men in aanmerking, dat hij in latere jaren, door de lasten en zorgen van zijn tijdelijk beroep gedrukt, die opgeruimdheid menigwerf miste, die hij door zijn braaf en godvreezend leven allezins verdiende, en die den Dichter verheffing van geest bijzet; -- neemt men eindelijk in aanmerking, dat hij zich naar den geliefkoosden smaak van zijnen tijd heeft moeten schikken, eenen tijd, waarin aan de beoefening der taal, dat is van eene genootschaps-taal, de versificatie, en aan de versificatie de dichterlijke denkbeelden werden opgeofferd: dan moet men zich ten uiterste verwonderen, dat hij zich in den kring zijner kunstgenooten zoo loffelijk on-

[p. 97]origineel

derscheiden heeft, en boven allen zoo zeer heeft uitgemunt. Hoogvliet verhief zich, volgens (1)de Kruijff, aan den eenen kant boven die magere geesten van zijnen tijd, die, schoon door geduld en oefening in het werktuigelijke der kunst beter dan hij ervaren, door gebrek aan gevoel geene dan koude en smakelooze verzen, op zijn best den naam van berijmd proza waardig, voor den dag bragten; en hij verviel aan den anderen kant niet zoo zeer als vele flikkerlichten van zijnen tijd tot het ander uiterste, dat van winderige voorstelling met velerlei pronk van valsche sieraden en schitterende ongerijmdheden, waarvan het gezond verstand en de goede smaak walgt. Inderdaad Hoogvliet moet, mijns oordeels, door ieder bevoegd regter een zeer vereerende rang op den Nederduitschen Zangberg waardig geacht worden.

 

(2)Hoogvliet,’ zegt de Kruijff, ‘zag zich begunstigd met de toegenegenheid van drie rechtschapen Vrienden, Targier, van Bracht en de Bak, alle mannen van smaak, en, inzonderheid de beide laatsten, beminnaars der Nederduitsche Dichtkunst.’ Het verwondert ons, dat de anders zoo naauwkeurige Schrijver niet liever voor de beide laatsten, de +beide eersten gesteld heeft; immers is ABRA-

[p. 98]origineel

HAM de BAK, de Dordsche Geneesheer, van wien, zoo ver mij bewust is, geen afzonderlijke Dichtbundel het licht ziet, niet zoo bekend als de anderen.

De Bak voelde wel den verheven aanleg, de stoute drift, die voor den Dichter, in eenen heiligen gloed ontstoken, als 't ware de gantsche schepping ontsluit:

 
(1)Dan is 't Heelal het doelwit van zijn' lust:
 
Dan kan geen hoogte of diepte hem bedwingen:
 
Natuur word zelf door zijn' bespiegelingen
 
In 't diep vertrek van haar geheim ontrust,
 
En legt haar schat vrijwillig voor hem open:
 
Wijl hij 't Panneel beschildert, en verbeelt
 
Den rijken zwier, die door zijn' zinnen speelt;

Maar of hij zelf zoo kunstig de Natuur als in hare schuilhoeken heeft opgespoord, en dezelve schilderachtig in het licht gesteld, dit kunnen wij, bij gebrek van nadere bewijzen, niet beslissen. +Dit is zeker, dat (2)TIELEMAN en HENDRIK van BRACHT, vooral de eerste, meer als Dichters beroemd zijn, dan de Bak. De

[p. 99]origineel

geestelijke Dichtwerken echter, Christus in het Vleesch en Uitbreiding van het Hooglied van den oudsten Tieleman, behagen mij geenszins; en de weinige Treurspelen van (1)Hendrik, deels naar het Fransch gevolgd, verdienen niet, dat wij er bij stilstaan. Maar (2)JACOB TARGIER,+ wien de Kruijff als den minsten acht, zoude ik den meesten lof waardig keuren.

 

Deze Dichter, in 1688 te Dordrecht geboren, en reeds vroeg van het edelst zintuig, het gezigt, beroofd, was echter geenszins blind voor den helderen glans der echte en natuurlijke schoonheden. (3)De uitgever zijner Gedichten behoefde voorwaar hun, die waanden, dat Targier van de geboorte af geheel blind geweest was, niet tegen te spreken, maar had hun liever deze of geene der Dichtproeven moeten aanwijzen; b.v. den aanhef van het Gedichtje (4)Ter Verjaringe van mijn Nigte Maria Terwen:

 
Schoon de Winter met zijn tanden
 
Berg en bosch en beek en bron
[p. 100]origineel
 
Gansch verschriklijk aan durft randen,
 
Bij het schemerlicht der zon,
 
Die, uit onze lucht geweken,
 
Flaauwer stralen van omhoog,
 
Op deze akelige streken
 
Uitschiet, en ontrooft het oog
 
Geur en kleur van frisse bloemen,
 
Daar de jufferlijke rei
 
In de Lente op pleeg te roemen,
 
Tartende den blonden Mei,
 
Die, met lachend groen en loveren,
 
Eu met roosjes op zijn kleet,
 
Zielen aartig kan betoveren:
 
Schoon de koude, fel en wreed,
 
't Vloeiend zilver stuit in 't dartelen,
 
Dat, in marmersteen verkeert,
 
Ziet geen blanke vischjes spartelen,
 
Door haar strengheid overheert; -
 
Schoon er thans geen Veldelingen,
 
Op het spigtig herdersriet
 
Teedre minnezangen zingen,
 
Bij het ruisschen van een' vliet; -
 
Elk ontduik' de wintervlagen,
 
Noorderstormen, sneeuw en vorst
 
Bij den haart, en schuw' de plagen
 
Met een half bevroze borst;
 
Febus, als voor 't hooft geslagen,
[p. 101]origineel
 
Roer' de gouden snaren niet:
 
En het Zusterdom aan 't klagen,
 
Deele in 't algemeen verdriet: -
 
Echter voel ik in mijn aderen
 
't Edel dichtvuur tans vergaderen. enz.

Zulk een Schilder der natuur, dunkt mij, moet hare schoonheden gezien hebben, en door dezelve getroffen geweest zijn, al ware het dan slechts in zijne kindsche jaren. Deze verdienstelijke man overleed, na een leven vol smarten, in den ouderdom van 47 jaren.

 

Hadden wij ten oogmerk, eene volledige Geschiedenis onzer Dichtkunde, of een beredeneerd Dichtkundig Woordenboek, te schrijven, wij zouden breedvoeriger uitweiden en naauwkeuriger onderzoek doen omtrent vele Dichters, wier namen wij nu slechts zullen aanstippen, en die, zoo ik meen, alle door uitgegeven Dichtwerken in de eerste helft der achttiende Eeuw bekend zijn: (1)van den Abeele, (2)Alberthoma, (3)J. Bent, (4)Jan van Braam,

[p. 102]origineel

(1)Lambert van den Broek, die zich Paludanus noemde, (2)Jacob Clijburg, (3)Guiljam Tousain Domis, (4)J. Dusart, (5)W. den Elger, (6)M. Gargon, (7)Wijnand de Geest, (8)Cornelis van der Gon, (9)Hendrik van Halmael, (10)Johannes Haverkamp, (11)A. Heems, (12)P. van

[p. 103]origineel

der Hoek, (1)Emmanuel en (2)Willem van der Hoeven, (3)N.W. op den Hooff, (4)Jan van Hoven, (5)Pieter Adriaan de Huibert, (6)Gerard Kempher, (7)J. Klaarbout, (8)Rudolf Marcus, (9)Cornelis Gerardus Moerink, (10)A. Clement Nagtegaal, (11)A. van Overstraaten, (12)Christoffel Pier-

[p. 104]origineel

son, (1)C. van Reijssen, (2)Jacob Rosseau, (3)J. Rotterdam, (4)Frans Rijk, (5)Jacob van Rijnsdorp, (6)D. Schelte, (7)Charles Sebille, (8)D. Smout, (9)W. Swanke, (10)Gijsbert Tijssens, (11)H. Vos, (12)J. van Westerhoven, en (13)Jacob Campo Wij-

[p. 105]origineel

erman. Welk eene menigte! Hoe gemakkelijk, vreesden wij niet u te vermoeijen, zouden wij die kunnen verdubbelen! Hoe vele andere, meer verdienstelijke Dichters zelfs, moeten wij hier onwillig als met stilzwijgen voorbijgaan! Een (1)Adriaan van Cattenburg, (2)Koenraet Droste, (3)Fredrik Duim, (4)Pieter le Clercq, (5)Jan van Hoogstraten, (6)Govert Klinkhamer,

[p. 106]origineel

(1)Everard Kraaivanger, (2)Bartholomeus van Leuvening en (3)Johan Steengracht; hoe gaarne meldde ik iets van hun, om u met den aard des dichttrants van dezen tijd meer en meer bekend te maken! Ik durf mijne gedachten naauwelijks laten gaan op zoo vele Genootschappen en Gezelschappen van dien tijd: Nil volentibus arduum, Natura et arte, In magnis voluisse sat est, Constantia et labore, Magna molimur parvi, Fabricando fabri sumus, Dulces ante omnia musae, Meliora latent, Minima crescunt, Industria et labore, Ars usu juvanda, Door ijver bloeit de kunst, Oefening beschaaft de kunst, enz. enz. alle door uitgegevene Dichtwerkjes toen ter bevordering der Poëzij werkzaam. Indien men aan zeker Schrijver, zeggende: (4)‘dat niets meer in staat is, om

[p. 107]origineel

de Dichtkunst voort te zetten, dan eenpaarige vlijt in Maatschappijen,’ geloof moest geven, dan behoefde dit tijdperk in dichtverdiensten dat van Augustus, noch Pericles te wijken.

Mag ik niet breedvoeriger van Dichters of Genootschappen gewagen, het zou echter de palen van wellevendheid al te verre te buiten gaan, zoo ik de Dichteressen geheel met stilzwijgen voorbijging. (1)Algond Ilberti, huisvrouw van A. Alberthoma, (2)Adriana van der Veer, (3)Francina Jacoba van Westrem, (4)Agatha Maria Sena, (5)Anna Maria Vincen

[p. 108]origineel

tius en (1)JETSKE REINOU van der MALEN bloeiden omtrent dezen tijd. De+ laatste verdient bijzondere onderscheiding.

 

Van der Malen heeft in sommige harer Gedichten eene vastheid en levendigheid, die men in haren tijd bij de beste Dichters niet vond, en die den geeest van den grooten Vondel ademen. Zie b.v. deze regels:

 
(2)'t Metaalen moordgeweer braakte alvernielbre ballen:
 
Hier zag men arm en been en ginder koppen vallen.
 
Hoe wierd de blanke kling tot 's Vijands ramp gewet,
 
Gedreeven door de borst, bepurperd en besmet!
 
De Peerden trappelden die eerst hun rug beschreden;
 
Zij kneusden 't bekkeneel, zij morsselden de leden
 
Huns Meesters, die, gewond door vuur, door staal, door lood,
 
Zich wentelden in 't slijk, en smeekten om de dood.
 
Men zag de Moordvoogdes, verzeld van Vloekverwanten,
 
Als Woede en Razernij, haar bloedstandaarden planten:
[p. 109]origineel
 
De Hemel gaf nauw licht beswalkt door rook en damp.
 
Het aardrijk was 't Tooneel van jammer, smert en ramp.

Bezong deze lofwaardige Dichteres op zulk eenen klinkenden en krachtigen heldentoon den Oorlog, met niet minder stille en zachte trekken maalt zij ons den Vrede:

 
(1)Nu mag Titer Galathe
 
Weêr zijn tedre liefde melden,
 
Daar zij 't witgewolde Vee
 
Vreedzaam drijven langs de Velden,
 
En blijjuichend, hand aan hand,
 
Wandelen langs 't veilig land. -
 
 
 
De afgesloofde Veldsoldaat,
 
Vaek vermoeid door harde slagen,
 
Rust in dees gewensten staat,
 
Bij zijn haard, vol welbehagen:
 
Daar hij 't leed van 't oorlogsveld
 
Echtgenoot en Kroost verteld.
 
 
 
Zoo bekoorlijk is uw wezen,
 
Zulke vruchten brengt gij meê,
[p. 110]origineel
 
Aangenaamste, nooit volpresen
 
Deugdekweekster, zoete Vreê!

De dichttrant van deze verdienstelijke. Vrouw is naar eisch krachtig of zacht; hij is rollend, en schittert met ongewonen glans. Lucas Pater vereerde te regt haar afbeeldsel met deze regels:

 
(1)Dus maalt de Vriesche Apel de Sapho van zijn land;
 
Den roem van haare Kunne, in Poëzije ervaaren.
 
't Is van der Malen, die, beroemd door vlug verstand,
 
Van Deugd en Godsvrucht word bekranst met lauwerblaêren.

Wij hebben in de reeks der Dichteren, door ons opgenoemd, voorbedachtelijk geene melding +gemaakt van (2)WILLEM SWANENBURG, om dat wij konden gissen, dat het niet onaangenaam zoude zijn, eene proeve van zijnen zoo wijdgapenden en woesten Wildzang (Dichttrant durven wij het niet noemen) bij te brengen.

[p. 111]origineel

Dus begint terstond zijn (1)Chaös:

 
Het lust mij op een bas, met hartgespanne snaaren,
 
Van stijven wind gezweept, den aardbol om te vaaren;
 
Te zien van 't bruissend zout, hoe 't in de wereld gaat,
 
En of Jupijn de vlag, als 't hoort, nog waaijen laat:
 
Of Mars in 't ijzer brult, bij 't blaffen der kartouwen;
 
Die ruggen van arduin, met schorfte nagels krouwen;
 
Of dat hij borsten kneet, op dons van armelijn,
 
En lelijbronnen tapt uit tepels van robijn.

Chaos! Chaos! Waarlijk, de gantsche Parnas van Swanenburg is niet anders dan een (2)rollende rijmstem, brommende in de woestijnen.

Dit is opmerkelijk, hoe zijn klaterende razernij, vruchtbaar in dichterlijke beelden, hoe zijn stout geratel afsteekt bij den zoetkruipenden keuveltoon zijner tijdgenooten. Zoo ziet men ook hier, dat de uitersten zich raken. Één gebrek was gemeen; - juiste smaak, echt gevoel voor het schoone in de kunst ontbrak.

[p. 112]origineel

‘Ik geloove niet,’ zegt de (1)Schrijver van den Hollandschen Spectator, ‘dat er in één land van de wereld zo veel, ik zeg niet Dichters, maar Verzenmakers gevonden worden, dan in 't onze.’ Dit is zeker, dat de Dichtkunst in ons Vaderland talrijker en ijveriger beoefenaars dan ergens anders gevonden heeft, ja dat de trek tot het dichtmatige een der karaktertrekken van onzen Landaard uitmaakt. Welk eene menigte namen hebben wij nu reeds in de achttiende Eeuw opgenoemd! Hoe vele komen ons nog in den zin! Hoe weinig zijn wij nog in deze Eeuw gevorderd! Van hoe vele moeten wij nog spreken! Dit alles bedenkende, zou de pen ons schier moedeloos ontvallen, zoo wij niet, hopende op uwe toegevendheid, besloten, ook van toen zeer bekende Dichters slechts als in het voorbijgaan te gewagen.

 

+Onder deze behoort in de eerste plaats (2)JAN JACOB MAURITIUS, wiens Lijdende Heiland, Gezangen op Zee en Dichtlievende Uitspanningen in hooge achting geweest zijn. Het Treurspel Sesostris, om geene Tooneel- of Kluchtspelen te noemen, is lang een der lievelingen op het Tooneel geweest. Mauritius was een man van

[p. 113]origineel

groot aanzien, eerst Pensionaris van Purmerend, daarna Resident der Algemeene Staten te Hamburg en eindelijk Gouverneur Generaal van Suriname. Hij gaf Taal- Oudheid- en Regtskundige Werkjes uit, en hield in zijnen ouderdom met Wagenaar eene belangrijke briefwisseling. Mauritius overleed in den jare 1768, in den ouderdom van 76 jaren.

Als Dichter, zoo ver mij toeschijnt, is hij meer stichtelijk, oordeelkundig en welmeenend, dan stout en krachtig.

 

Niet minder aanzienlijk in stand, niet minder verdienstelijk in dichtvermogen was ter zelver tijd +de Zeeuwsche Dichter (1)PIETER BODDAERT. Hij was een man van kunde en Godsvrucht; zijne Stichtelijke Gedichten munten uit door eene gevoelige en hartelijke dichtwijze. Onder zijne Nagelaten Mengeldichten wordt de Herders- en Visscherszang Dafne bijzonder geroemd. Om de kortheid zullen wij het Gedichtje, Raad om geen Zotten te zien, hier tot proeve bijbrengen:

 
(2)Die nimmer zot wil zien, moet deur en vensters sluiten,
[p. 114]origineel
 
Koom nimmer uit zijn huis, en hou 'er andren buiten;
 
Maar opdat hem zijn wensch onseilbaar moog gelukken,
 
Sla hij de spiegels door zijn gantsche huis aan stukken.

Boddaert bragt de Gedichten van (1)Anna Rethaan en (2)JOHAN MOORMAN aan het licht. De laatste, een Vlaamsch+ Regtsgeleerde, onderscheidt zich door een bevalligen en deftigen dichttrant, en toont allerwegen de goede vruchten van het onderwijs aan 's Lands Hoogeschool te Leijden genoten.

 

Wij hebben meerdere bekendheid met, meerdere +betrekking op den Amsterdammer, (3)JAN de MARRE. Bedenkt men, dat hij, steeds ter zee zwervende, echter niets van die ruwheid, den zeevarenden eigen, in Zeden en Gedichten overnam; bedenkt men, dar zijne verzen doorgaans meerdere sierlijkheid en natuurlijker schildering met zich voeren, dan die der meesten zijner kunstgenooten; bedenkt men eindelijk, dat de Batavia, de Bespiegelingen over Gods Wijsheid, de Eerekroon voor de Kaap de Goede Hoop, vele wetenswaardige zaken en oordeelkundige toepassingen behelzen - men kan hem den naam van verdienstelijk Dichter

[p. 115]origineel

niet weigeren; te meer, daar deze zijne Dichtwerken nog verre overtroffen worden door zijne Hof- en Mengeldichten, die onderscheiding verdienen. (1)De Dageraad, (2)Rustrijk, (3)Groeneveld, (4)Boom en Bosch, alle Hofdichten, zijn eenvoudig schoon. Onder zijne Mengeldichten trekt bijzonder de aandacht dat (5)Op de uitmuntende Schilderkunst van Rachel Ruisch. Hoe verlustigen wij ons:

 
Daar 't Vernuft, door Rachels vingren,
 
't Kunstvertrek met vruchten tooit,
 
Leliën en Roozen strooit;
 
Daar de Wijngaardranken slingren
 
Om de geurige Granaat;
 
Alles even vrolijk staat:
 
 
 
Daar de Bloemen, eêl van verven,
 
Tulp, Narcis, en Anemoon,
 
Hiacinth en Koninkskroon,
 
Nooit verflenssen, nimmer sterven;
 
Wondre kleuren in ons oog
 
Flonkren als de regenboog: -
[p. 116]origineel
 
Daar, in rimpeltjes en kreukjes
 
De uchtenddauw als traantjes leit;
 
Daar der Vruchten wolligheid,
 
Of door steeltjes, of door deukjes,
 
Of door neepjes zagt gedrukt,
 
't Oog verbaast, de ziel verrukt. -
 
 
 
Ziet de strootjes, rankjes, takjes,
 
Nesjes, eitjes, schoon gestipt;
 
't Veêrtje, dat het doek ontglipt;
 
Ziet de blaartjes, puntjes, vlakjes,
 
Adertjes, als rach zo fijn,
 
Die zo veele wondren zijn. -
 
 
 
Bloementeelster, wier panneelen,
 
Tot beschaming der Natuur,
 
Eeuwig flonkren door het vuur
 
Van uw weelige penseelen!
 
't Belge u niet dat ik dees spin....
 
Hoe!... daar is geen leven in. -
 
 
 
Dichtkunst! Daal, ei daal toch neder;
 
Zie uw Zusters rijk Vernuft,
 
Daar Natuur voor wijkt en suft.
 
Stier, ei stier mijn zwakke veder;
 
Dat ik Vruchten, Kruid en Bloem,
 
Dat ik all' dees wondren roem'.
[p. 117]origineel
 
Roemen? Neen, dat waar verduistren.
 
IJder Diertje, Bloem of Kruid,
 
Beeld den lof van Rachel uit.
 
't Waar' den glans van 't werk ontluistren;
 
't Zonlicht, daar 't op 't heerlijkst straalt,
 
Met een zwarte kool gemaald.
 
 
 
Houding, snelheid, zwier en schikking,
 
Diepzels, hoogzels, net gepast
 
Op de blaadjes, schel en bast
 
Baren zulk een zielverkwikking,
 
Dat, daar 't hart inwendig juicht,
 
't Zwijgen 't allermeest betuicht.

Het was eene prijzenswaardige gewoonte in dezen tijd, dat den Bestuurderen des Amsterdamschen Schouwburgs kunstkundige Adsistenten werden toegevoegd. Zoodanig een was onze de Marre, die door zijn Eeuwfeest, Marcus Curius, en vooral door zijne zoo geliefde Jacoba van Beieren toonde; wat hij zelf in de Tooneelpoëzij vermogt. Ook had toen +veel invloed op dien Schouwburg (1)SIJBRAND FEITAMA, van wien wij nu zullen gewagen.

 

Feitama, in 1694 geboren, genoot het voorregt van in de Latijnsche taal onderwezen te

[p. 118]origineel

worden. (1)De onderrigtingen van den Zededichter Claas Bruin stemden zijne ziel tot ernst. De taalkundige lessen van den uitmuntenden Lambert ten Kate maakten hem kiesch op bijzondere netheid van taal. De kleine kring van ter beschaving neigende Vrienden, Sebille, van Steenwijk en anderen, waardin Feitama zich, als bij uitsluiting van ander verkeer, bepaalde, maakte hem angstvallig. Alles te zamen bragt te weeg, dat oordeel, verstand, juistheid en smaak, meer dan vinding, stoutheid, verheffing en geestdrift in zijne Werken uitblinken. (2)Niet alleen door eigen arbeid in de Teekenkunde geacht, maar ook door eene zeer keurige kunstverzameling als een der bedrevenste liefhebbers geroemd, was hij omgeven van kundige beminnaars en ervarene Meesters, die hem gedurig raadpleegden. Eene hem bijzonder eigene bekwaamheid tot het emphasiesch lezen van verzen deed hem den toen zoo (3)dicht- en kunstlievenden Tooneelspelers nuttig zijn. Daarenboven de vraagbaak zijnde van jeugdige Dichters, welke hij, door wel juiste, maar tevens scherpe, aanmerkingen gewoon was te onderwijzen, was hij alom zoo geëerd als gevreesd. Dit zelfde gaf hem voor zijne

[p. 119]origineel

eigen Werken eene geheel buitengewone beschroomd heid en nadeeligen beschavingslust Om den (1)Telemachus te beschaven, werd de helft van Feitama's twee-en-zestigjarig leven verspild; aan de vertaling en polijsting van den (2)Hendrik den Grooten bijkans twintig jaren te koste gelegd. Het was in dezen tijd eene ziekte onder de Dichters, hunne eigene Werken te verwerken, of, zoo zij het noemden, te verbeteren. Een (3)Hoogvliet was Feitama hierin voorgegaan, een (4)de Bosch en anderen volgden; en wat won men met dit alles? - meerdere vloeijendheid van berijming, meerdere juistheid van geliefkoosde taalregelen; - maar de regte gang, de eigenaardige kracht van eene voortbruischende dichtader verloor zich in het zand eener drooge taal- en rijmvitterij.

[p. 120]origineel

(1)Wij erkennen Feitama voor een verdienstelijk man, die door onvermoeide oefening zijn verstand beschaafd, en zijn geest met kennis verrijkt hebbende, anderen zijne kundigheden door eene nutte werkzaamheid mededeelde; wij erkennen hem voor eenen met regt geroemden Vertaler, die de schilderachtigste en meest treffende tafereelen op ander doek met beleid en omzigtigheid overbragt, en allezins, als zoodanig, lof verdient; doch die, als oorspronkelijk Dichter, door eene gedwongene stijfheid en geestelooze flaauwheid, den lossen zwier en zinrijke kracht verwaarloosde.

Was ik niet altijd schroomvallig iets uit Vertalingen bij te brengen, koos ik niet steeds liever vruchten van eigen grond, dan die van uitheemschen stam geënt; ik zoude hier door proeven, van mijn gezegde bewijs bijbrengen; nu wil ik nog een woord van zijne Tooneelpoëzij en Mengeldichten gewagen.

(2)De eerste voortbrengsels van zijnen geest waren het Tooneel gewijd, en bestonden voornamentlijk in eenige zeer gelukkige Vertalingen. Fabricius, een oorspronkelijk Treurspel, is van zijne eerste jongelingschap, en draagt eenige kenmerken van eene krachtige Dichtpen; door eene merkelijke Verbetering heeft het, zoo men wil, merkelijk

[p. 121]origineel

verloren. Mij voldeden deze woorden van Fabricius:

 
(1)o Goud, o voorwerp van mijn' haat!
 
Uw glans zal nooit mijne eer verduistren,
 
Noch aan uw slaafsche ketens kluistren.
 
Neen oorsprong van het snoodste kwaad!
 
Gij zoud me op 't hart, als gloeijend ijzer, branden,
 
En pijnigen, als Midas ingewanden.
 
 
 
Weg dan, o heilloos glinstrend slijk!
 
Betoon op dwaazen uw vermogen:
 
Vergeefs zult gij op mij iets poogen.
 
Niet hij, die veel begeert is rijk,
 
Maar hij, die met het weinig' vergenoegd is,
 
Dat, door 't bestuur der Goôn, hem toegevoegd is.
 
 
 
Al lang genoeg mij dan beraên;
 
Nadien het nooit in mij zal komen
 
Voor dreigen of gevlei te schroomen.
 
Hou moed, Fabricius! Welaen. -

Zijne Mengeldichten onderscheiden zich noch door verheffing, noch door die losheid en be-

[p. 122]origineel

valligheid, welke uit een fijn gevoel voor het reste schoon voortspruit.

1‘Smaak, vernuft, verstand en oordeel vormen eigenlijk den oorsprongelijken Dichter. - Sommigen treffen door eene verrukkende stoutheid, door vernuftige vinding, maar luisteren, in de hitte der vervoeringe, naar den teugel van het bestierend oordeel niet; anderen overtuigen het verstand, zonder het hart te roeren. - Vraagt men nu, aan welke zijde Feitama als oorsprongelijk Dichter behoore geplaatst te worden, wij oordeelen aan die, welke meer naar den kant des bedaarden oordeels dan eener vindingrijke verbeeldingkragt overhelt. 's Mans meeste Dichtstukken zijn bestand tegen den scherpsten toets des verstands, doch treffen weinig, en laaten de ziel in eene zagte kalmte; zelden voelt zich de verwonnen Leezer in eene streelende verrukking wegvoeren, zelden klimt de meesterlijke toon des Dichters tot eene verhevene stoutheid, maar nog zeldsamer tevens wordt de gezonde rede het aanstootelijk slachtoffer des ongebreidelden vernufts.’

2Feitama,’ om met den oordeelkundigen de Kruijff, wien wij zoo even gevolgd zijn, ook te besluiten, ‘Feitama, wiens

[p. 123]origineel

stukken meer juist dan treffende, meer vloeijend dan verheven, meer behaaglijk dan verrukkende zijn, is, over het geheel beschouwd, zijner verkregene achting niet onwaardig, schoon de verdiensten des oorsprongelijken Dichters, naar ons oordeel, die des kundigen Vertaalers niet kunnen evenaaren.’

 

(1)PIETER de la RUE is ons als Schrij-+ver van het (2)Geletterd Zeeland nu en dan te zeer in onze nasporingen behulpzaam geweest, om hem als Dichter zelven geheel met stilzwijgen voorbij te gaan. Behalve de Gedichten, in de Dichtlievende Tijdkortingen voorkomende, gaf hij in het licht Christelijke Geloofsbelijdenis en het Gebed des Heeren in rijm, Bijbelstoffen, Stichtelijke Gedichten, Vertalingen van Christelijke Klinkdichten, enz. Alles is meer vroom, dan zielverheffend. De la Rue verdient lof door zijne Schriften in onrijm, eenigzins ook door zijne uitgave van de Gedichten van Anna Maria Vincentius, welke uitgave hij met deze regels aan haar begeleidde:

 
Uw rijm vloeit aangenaam; uw stijl heeft zwier en kragt;
 
Uw tedre vrouwevoet houd mannelijke schreden.
[p. 124]origineel
 
Uw toon klinkt, naar den eisch der zaken, sterk of zagt.
 
Mogt d' IJstad eens met een' dichtkundige (1)Anna praalen;
 
Verzierde eene (2)Anna ook eens Zwol met heldre straalen
 
Van haar' verheven geest, door Moonens pen vermeld:
 
Twee (3)Annaas, Middelburg, zijn 't, op wier geurge bloemen
 
Gij met geen minder regt, dan die twee Steên, moogt roemen.

De la Rue heeft hier en daar in zijne Gedichten iets sierlijks, dat men in eenen Bijbel- en Zededichter zelden aantreft. Hij heeft echter geenszins dat weelderige en krachtige, dat in een ander Bijbeldichter van dezen tijd uitnemend uitblonk. Ik +heb het oog op (4)HENDRIK SCHIM, die, in denzelfden jare, 1695, als de la Rue geboren, eenen meer dichterlijken aanleg ten toon spreidt.

[p. 125]origineel

De Bijbelpoëzij, de Zededichten, de Heerlijkheid van Kristus en de Kerk, alsmede de Dicht- Tafereel- en Zinnebeelden, alle dragen blijken van een vernuft, dat zich boven het dagelijksch standpunt tot edeler dichttrant verheft. Zijne Bijbelpoëzij, niet minder dan die van Bake, is niet als vastgeketend aan de woorden der Heilige Schrift, maar offert nieuwe en geurige Bijbelbloemen op het altaar van smaak en kiesch gevoel. Het (1)Gezang van Adam, de (2)Uitbreiding van Jeremias, die van (3)Joël, en zoo vele andere Dichtstukken, hebben ongemeen vele fraaije en krachtige teekeningen. Het is niet te ontkennen, dat de geest dier Godgeleerden, die, als 't ware, geen spijker aan de Arke des Verbonds dulden zonder geestelijken zin en toepassing, ook Schims Dichtwerk meermalen ontsiert; maar zulke gebreken worden rijkelijk vergoed door andere stoute, en tevens natuurlijke, trekken. Ik bedwing mij, om hieruit, of uit zijne Mengeldichten of Zinnebeelden, hoe verdienstelijk alle, iets bij te brengen, om van eene andere dichtsoort, waarin hij schittert, meer bepaald te spreken; ik bedoel het Landdicht.

[p. 126]origineel

Zijn Zalig Lantleven, in drie boeken, is zoo vol van regt natuurlijke en geestige trekken, deze dichtsoort passende, dat het mij ten uiterste verwondert, dat het niet als zoodanig onder de eerste kunstjuweelen geteld wordt. Dus b.v. schetst ons Schim een voorjaars ochtendstond:

 
(1)Nu ziet hij het dachlicht krieken
 
En den nuchtren morgenstont,
 
Met zijn goutgepluimde wieken,
 
Roosjes schildren op den grond -
 
Dan komt op bebloemde wegen,
 
Met een eêl en groen gewaad,
 
Hem de lieve Lente tegen,
 
Op wiens ongefronst gelaet
 
Lelien en rozen bloeijen. -

Maar neen - kiezen wij liever eene meer uitgewerkte teekening van den winter en deszelfs gezelligen avondstond.

 
(2)... Als 't water in de bronnen,
 
Door de koude en felle vorst
 
Is verstijft, en 't saemgeronnen,
[p. 127]origineel
 
Tot een kristalijne korst,
 
Hecht hij, om zijn lust te boeten,
 
Op de glaze spiegelbrug,
 
Kromme schaetsen aen zijn voeten,
 
IJzre wieken, die hem vlug
 
Als een vogel voort doen snellen,
 
Daer hij vrolijk wort verzelt
 
Van de kleppers met hun bellen,
 
En de knapen van het velt.
 
Keert hij 's avonts, moe gereden,
 
Naer zijn huis, hij vint zijn Vrou,
 
Die hem met veel vriendlijkheden,
 
Liefde, en ongeveinsde trou,
 
Welkom kust, en komt omarmen,
 
En in 't hoekje van den haert
 
Wil verkwikken en verwarmen;
 
Daer zijn kinders, lief van aert,
 
Om den hals des Vaders hangen,
 
En der Moeder, nimmer moe,
 
Die van enkle vreucht bevangen,
 
Staeg elkander lonken toe.
 
Onder een aenminnig praetje,
 
Tapt de huisvrou voor haer' man
 
Lekkre most uit 't versche vaetje:
 
Braet kastanjes in de pan.
 
Dan begint zijn kroost te springen,
 
Braef te dansen om het vuur,
[p. 128]origineel
 
En gulhartig op te zingen,
 
't Lietje, flus, bij Albertbuur,
 
Vers uit eigen mont onthouwen. -

Dan bedwingen wij ons. Zoo natuurlijk, zoo eenvoudig is alles geschilderd! En deze Dichter was bijna in geen aanzien, terwijl een Feitama en anderen in den hoogsten roem, in de algemeenste lofspraak deelden! Ik zal niet verder over hem hier uitweiden. Om zijne dichtverdiensten in het regte licht te stellen, zou eene afzonderlijke Verhandeling vereischt worden.

 

Wij zien door het voorbeeld van Schim, hoe vele goede vruchtboomen in onzen dichthof als in het wilde groeijen; wij zien, hoe zeer de Geschiedenis onzer Taal- en Dichtkunde tot dus verre is verwaarloosd. Een Schim, een (1)Lambert ten Kate Hermansz., die uitmuntende Taal- en Oudheidkenner van dezen tijd, een Huijdecoper, (2)naast ten Kate de grootste bevorderaar onzer Taalkunde, hoe schuilen hunne levensberichten en ware verdiensten nog in het duister! Ten Kate heeft, zoo

[p. 129]origineel

ver wij weten, zich nimmer op de beoefening der Poëzij toegelegd; (1)BALTHAZAR HUIJ-+DECOPER was een vlijtig opmerker, en gelukkig beoefenaar tevens.

Huijdecoper's dichterlijke navolging van Horatius Hekeldichten en Brieven heeft iets eigenaardigs, het geen ik mij niet herinneren kan, in eenige vertaling, buiten die van Pels, te hebben aangetroffen; de meening van Horatius heeft Huijdecoper meestal ten volle uitgedrukt, en te gelijk dezelve toepasselijk gemaakt op zijne tijdgenooten. Ook (2)eigene Gedichten hebben wij van Huijdecoper's hand, waaronder zeer uitstekende en schitterende. Wij vereeren hem ook als Treurspeldichter. De Arzases en Achilles hebben in onze oogen zeer groote waarde; vooral bekoren ons daarin zulke lierzangerige alleenspraken, die het gebrek van Reijen, welke de zedekundige toepassing aan de Treurspelen bij de Ouden gaven, eenigzins vergoeden; zoo doet Huijdecoper b.v. Arzases spreeken:

 
(3).. Stiet het lot mij van den troon,
 
't Heeft mij den rijksstaf, maar mijn deugden niet ontnomen,
 
De deugd weegt zwaarer, dan een kroon.
[p. 130]origineel
 
Is 't mij geweigerd, uwe stappen,
 
O Vaderen! in 't rijksgebied
 
Te volgen, daar ge een' dwingland ziet,
 
Die mij zelfs op den nek durft trappen:
 
Mijn deugden volgen de uwe naar,
 
En tarten onheil en gevaar.
 
't Klinkt heerelijk en schoon, dat ons de volkren vreezen,
 
Zich buigende voor onzen troon:
 
Maar, van den troon beroofd, dien echter waard te weezen,
 
Klinkt in mijne ooren ruim zo schoon.

Vervolgens sprekende van zijnen trouweloozen Oom, gaat hij dus voort:

 
Doch gij, gij moet het meeste derven.
 
Gij mist uw deugd, ik slechts een kroon.
 
Maar weet, men kan wel zonder troon,
 
Niet zonder deugd, gelukkig sterven.
 
Gij zucht, en zwoegt in slavernij,
 
Mijn ziel in tegendeel is vrij,
 
En vreest noch dwingeland, noch wederwaardigheden.
 
Hij, die een' rijkstroon missen kan,
 
Geen wetten volgt, dan die gestaafd zijn door de reden,
 
Ontziet geen' haat van een' tieran.
[p. 131]origineel

en Varanes, de dwingeland zelf, betuigt:

 
(1)Hij, die het recht heeft aan zijn zijde,
 
Van geene gruweldaad bewust,
 
Leeft vreedsaam, vrolijk en gerust,
 
Leeft zonder zorgen t' allen tijden.
 
Maar die, in weerwil van zijn deugd,
 
Die zich nog somtijds eens laat vinden,
 
Zich durft een schelmstuk onderwinden,
 
Is nooit gerust, is nooit verheugd.

Zulke lessen of zangen, in een Treurspel gevlochten, doen, behalve het zedelijk nut, veel tot verlevendiging. Zoo zegt Patroclus in den Achilles:

 
(2)Achilles wreeder in zijn woede
 
Als hongerige wolf, of leeuw,
 
Verheugt zich in ons bang geschreeuw,
 
En kan, maar wil zulks niet vergoeden.
 
ô Wraakzucht! gramschap! bittre haat!
 
Wat brouwt gij 't Vaderland al kwaad!
 
Als vrienden zich van vrienden scheiden,
 
Wie zal den vijand in zijn' woede dan weerstaan?

Hierop in tweestrijd bij zich zelven, of hij Achilles zal bijblijven, dan hem afvallen, en

[p. 132]origineel

Hector bestrijden, besluit hij tot het laatste, en zegt:

 
(1)ô Vriendschap! wil 't mij dan vergeven.
 
De eer, de eer is mij veel meerder waard.
 
'k Zal zonder eer hier niet op aard,
 
Al moest ik zonder vrienden leeven.
 
De vriendschap wankelt in den nood,
 
De eer blijft ons bij, zelfs na de dood.
 
Deze is onsterflijk, die kan enden.
 
Ik gaa. ens.

Dan genoeg, om u de verdiensten van Huijdecoper te doen beseffen; wij gaan over tot hem, op wien Rotterdam zich met reden, als haren liefe-+lijksten Dichter, verhest, den bevalligen (2)DIRK SMITS.

 

(3)Van zijne vroegste jeugd af op loffelijke kunsten, inzonderheid op de muzijk, zich toeleggende, vervaardigde hij reeds op zijn veertiende jaar Gedichtjes. De Werken van (4)Hooft,

[p. 133]origineel

Vondel, Huijgens, en inzonderheid van de Decker, in welken laatsten hij een bijzonder behagen schepte, waren hem, met eene aanhoudende oefening in de Toonkunst, tot leidslieden, waar door hij tot dien trap van dichtvermogen geklommen is, dat hij voor zijne voorgangers wel in kracht, doch geenszins in sierlijkheid en bevalligheid behoeft te wijken. Smits oefende zich vlijtig in de taal, en leide zich inzonderheid toe op het zwierige en schilderachtige. (1)Eenen grooten askeer had hij van al wat brommende en oneigen was. Hij paarde een juist oordeel met eene eigenaardige bevalligheid van uitdrukking, welke laatste men bijna als onnavolgbaar erkennen moet.

(2)In het jaar 1737, toen Smits den ouderdom van vijf en dertig jaren bereikt had, gaf hij zijne Israëls Baälfegorsdienst, of Gestrafte Wellust, in het licht. Over het geheel genomen, is dit Dichtwerk, mijns oordeels niet genoeg geroemd, boven den Abraham van Hoogvliet te stellen. Hoe bevallig gaat in het (3)eerste boek een jufferen-stoet

 
Ter trotsche steêpoort uit, met een' gepasten tred.
 
Waer die aenminnig heir zijn dartle voeten zet,
[p. 134]origineel
 
Verliest het veldt zijn' glans, 't gebloemt zijn frissche kleuren,
 
De lelij al haer wit, de roos haer blos en geuren.

Zwier en kracht blinken alom in dit Gedicht. (1)Een ander uitvoerig Dichtwerk van Smits is de Rottestroom. Hetzelve is meer in dien bevalligen rijmtrant vervaardigd, welken wij ook hierna in Smits Werken zullen vereeren. Om u eenige weinige verzen tot een voorbeeld te geven, kunnen deze dienen, uit de beschrijving van de Rotte op haren wagen:

 
(2)Blanke zwanen zien wij spelen,
 
In sneeuwitte vlietgareelen,
 
Voor haer' wagen; blijder, dan
 
Cypris duiven immer vlogen
 
Voor de koets dier Aertsgodinn';
 
IJder schijnt met fieren zinn'
 
Op de schoone vracht te bogen,
 
Slaet, doorklieft het kabblend nat,
 
Met de wieken, borst en pluimen,
 
Dat het water, onder 't schuimen,
 
Spelende om de stroomkar spat.

Het is in de daad te verwonderen, wanneer

[p. 135]origineel

men het stijve en bepaalde eener plaatselijke beschrijving in aanmerking neemt, dat de voortreffelijke Smits zoo veel bevalligheid, zoo veel liefelijkheid, zoo veel zachtheid hier heeft weten aan te voeren.

Zijne Mengeldichten, in den jare 1740 uitgegeven, zijn wel niet vrij van de gebreken zijnes tijds, doch echter vol van dat luimige, bevallige, naïve en zoetvloeijende, het geen Smits zoo zeer eigen was.

Onder het zwakke rekenen wij eene menigte onnatuurlijke benamingen, b.v. IJapollo, Keulsche en Goesche Zwanen, in plaats van Vondel en Antonides, met vele dergelijke; dan het ware ons niet te vergeven, bij zulke kleine gebreken stil te staan, daar wij zulke groote schoonheden voor oogen hebben. Hoe veel fraais en verstandigs bevatten zijne Bijbeldichten! Hoe veel wijsheid zijn (1)Lof der Vergenoegsaemheid! Hoe geestig is het Gedichtje (2)Op den Goudvink van den Heer de Haes! Hoe zacht en naar het onderwerp geschikt is de (3)Wiegezang op mijn Dochtertje! Het laatste strekke tot voorbeeld:

 
Stil! stil! lief Lijsje! sus! ei sus!
 
Wat slaekt gij droeve toontjes!
[p. 136]origineel
 
Hoe rollen uwe traentjes dus
 
Langs 't blosje van uw koontjes?
 
Uw wiegje huist nog geen verdriet.
 
Waerom sluit gij uw oogjes niet?
 
 
 
Wat of uw hartje toch beschreit?
 
Wat doet u zuchtjes geven?
 
Uw minnelijke onnoozelheid
 
Leeft nog een hemelsch leven.
 
Gij zoogt uw lijfje pas vol zog,
 
Wat deert u? wat begeert ge nog?
 
 
 
Of jokt en speelt uw zoete jeugdt
 
Dus wat met simple klagjes?
 
Ei schep dan liever uwe vreugdt
 
In lodderige lachjes;
 
Die staen uw aenzichtje eens zoo wel.
 
De droefheit is geen kinderspel.
 
 
 
Bevallig Kindje! neen: gij moet
 
De tintelende vonkjes
 
Van uwen lieven morgengloed,
 
Noch de aengename lonkjes,
 
Die ge uit uw glinsterende oogjes schiet,
 
Verdrinken in een' tranenvliet.
 
 
 
Mijn zorg, die op uw welzijn let,
 
Zal, als uw krachtjes rijpen,
[p. 137]origineel
 
En gij uw voetjes neder zet,
 
Uw poezle handjes grijpen,
 
En leiden u, vol teedre min,
 
In 's Hemels naem, de weereldt in.
 
 
 
Mijn Dichtmaegdt zal, met blij geluidt,
 
Uw jeugdige oortjes streelen;
 
En noôn de Rottewichtjes uit,
 
Om zoet met u te spelen,
 
Daer 't zwaentje door de golfjes zwiert,
 
Op 't neuriën van 't pluimgediert.
 
 
 
Schep moedt; wees blij en wel te vreên;
 
Gij zult uw levenspaedjes,
 
Door de allereêlste zaligheên,
 
Met zachte rozeblaedjes,
 
En violetjes zien bestrooit.
 
Smertdorens schaên de kinders nooit.
 
 
 
'K heb nog iet groots voor u gehoort,
 
Ei wil geen onheil schromen.
 
Gods Zoon zegt, door zijn hemelsch woordt,
 
Dat gij tot hem moogt komen;
 
Ja, dat het rijk der zaligheit
 
Den kindertjes is toegezeit.
 
 
 
Hij zend u zijne Boodjes neêr,
 
Met teedre liefdemerkjes,
[p. 138]origineel
 
Die Englenvlugt bedekt u teêr,
 
Met haer sneeuwitte vlerkjes,
 
Die kust uw rozekoontjes zacht,
 
En houdt, wanneer gij slaept, de wacht.
 
 
 
Zoet Meisje! rust dan vrij gerust,
 
U zal geen moeite moeijen.
 
Mijn Echtsieraed! mijn Liefstes lust!
 
Laet u een slaepje boeijen!
 
Slaep, Lijsje! - slaep! - wees wel te moê!
 
Ik zwijg: - zij doet haer oogjes toe.

Smits bezat de kunst, onze taal in zijne verzen tot die teederheid, innemendheid en welluidendheid te brengen, dat ze onze ooren als op het liefelijkst streelt. Iets muzijkaals straalt in alle zijne Gedichtjes door. Wie kan, als hij, spelen met de uitgezochtste en keurigste woordjes? Wie, als hij, kan ze kneden tot allerlei zachtheid en bevalligheid? Hoe vol geest en vinding is (1)de Hof der Ruste! Hoe teekenachtig, hoe zachtrollende is het bekende (2)Op verscheide Serafijntjes door Dionijs van Nijmegen geteekend! Ik behoef u slechts deze regels te herinneren:

 
Ei let hoe blij elk hemelt,
 
En waelt, en woelt, en wemelt.
[p. 139]origineel
 
'k Zie ieder, op zijn wijs,
 
Nu keeren, wenden, draeijen,
 
Dan tuimelen en zwaeijen,
 
Den Hemelvoogd ten prijs.
 
 
 
Dees kromt de winkbraeuwboogjes,
 
En staert, met heldere oogjes,
 
Op 't schoon van 't schoonste rijk;
 
Die, luistrend toegeschoten,
 
Vangt de eeuwig blijde noten,
 
Van 't heiltriomfmuzijk.
 
 
 
Dees rust, gerust en veilig;
 
Die zingt het driemael heilig,
 
Met edlen zwier en val!
 
Een ander schijnt te vragen,
 
Met de oogjes neêrgeslagen:
 
‘Waar ligt het tranendal?’
 
 
 
Zoo ver is 't hier van schreijen. enz.

Dan, gij kent het, Mijne Heeren! - Is dit Gedichtje uitnemend, geestig in wending van woorden en zaken, de (1)Lijkkrans voor mijn Dochtertje is niet minder zwierig en tevens krachtig. Het denkbeeld, dat Margarita in het Latijn een Paerel beteekende, bragt hem op de

[p. 140]origineel

fraaije speling in dit Dichtstukje, 't welk het vernust van eenen Hooft en Vondel tot eere zou gestrekt hebben:

 
Een rei van Englen zag
 
Door 't dunne wolkfloers heen,
 
Of ergens, hier beneên,
 
Een zuivre parel lag,
 
Die waardig was te pralen
 
In 't gout van s' Hemels zalen.
 
 
 
In 't einde viel het oog
 
Op Margareetje, een wicht,
 
Dat pas door 't levenslicht
 
Bestraelt werd van omhoog,
 
En blijdschap, noch elende,
 
Noch deugdt, noch ondeugdt kende.
 
 
 
Dat Pareltje vol glans
 
Behaegde 't Engeldom,
 
Des daelde 't, in een' drom,
 
Van 's Hemels hoogen trans,
 
En streek, met penne en veder,
 
Bij Grietjes wiegje neder.
 
 
 
Hier nam het, met een vaert,
 
Dat Pareltje in zijn magt,
 
Belonkte en kuste 't zacht,
[p. 141]origineel
 
En vloog er meê, van de aerd'
 
Naer 't rijk der zaligheden;
 
Doch liet de schulp beneden.

(1)Het is mij niet geheel duidelijk voorgekomen, of Smits de Grieksche en Latijnsche talen geheel en al onkundig geweest zij; dit is zeker, dat hij eenige vertalingen naar het Grieksch en Latijn vervaardigd heeft; wij gelooven echter, dat, gelijk dit door den Schrijver van zijn Leven getuigd wordt omtrent een Gedicht, gevolgd naar het Latijn van den Hoogleeraar (2)Burman, hij

[p. 142]origineel

mede de overige Vertalingen met behulp van kundige Vrienden vervaardigd heeft. In zijn Leven vinden wij aangeteekend, dat hij zich de verkeering met daaromtrent kundiger lieden ten nutte maakte, dat een Pieter Fontein, Josua van der Poorte, Frans de Haes en anderen hem hieromtrent behulpzaam waren. Verre van zonder oefening aan het dichten te gaan, lezen wij, (1)dat hij de Werken der oude Nederduitsche Dichters eerst doorlas, en zoo lang de handen van de geheiligde Dichtlier afhield. Dus prentede hij de aan hem zoo behagelijke schoonheden diep in het geheugen, makende zich die als geheel eigen, en vergoedde dus daardoor het gebrek van nodige kennis aan de voortbrengsels van Griekenland en Italie. Zijne Vertalingen uit levende talen zijn keurig, ten minste de (2)Navolging van den Brief van Eloisa aen Abelaard, naar het Engelsch van Pope, is inderdaad den hoogsten lof waardig.

In zijne Nagelaten Gedichten heerscht meestal mede dat zoetvloeijende en schilderachtige, hetwelk de Minnedichten van Poot kenmerkt. De Poëzij van dezen zijnen voorganger scheen hem ten uiterste te bekoren; (3)‘hij las en herlas ze, en

[p. 143]origineel

kon zich nooit verzadigen ann de wonderbare schoonheid van het schilderachtige, de bevallige wijs van woordenschikkingen, uitgezogte bijwoorden, en aartige slagen, die zich overal in die Gedichten vertonen.’

In deze Nagelaten Gedichten troffen onze aandacht, behalve den (1)Vredezang, waarin zoo vele heerlijke en schilderachtige beschrijvingen voorkomen, de (2)Dichtluim en (3)de Tijd, Gedichtjes, zoo vol geest, zoo rollend van dichttrant, en zoo geheel naar het onderwerp geschikt, dat ik mij niet herinner iets kunstiger gelezen te hebben. Zijn (4)Laatste Dichtsnak is mede zeer behagelijk; gelijk mede ons bekoorden vele uitmuntende Bruiloftszangen, welke door de losse dichtpen van Smits zelden iets van hunne gewone en natuurlijke eentoonigheid laten blijken, even gelijk de Geboorte- en Lijkdichten hier vol zijn van dichterlijke schoonheden en lossen zwier. Tot eene proeve strekke de (5)Troost aan mijne Nicht Agatha over het afsterven van haer beide Dochtertjes:

[p. 144]origineel
 
Zucht, zucht niet, Agatha!
 
Ai wil uw tranen drogen;
 
Zie met geen weenende oogen
 
Uw lieve Wichtjes na.
 
Wat smaelt gij op den doodt?
 
Waertoe al 't droevig kermen?
 
Zij vliegen uit uw ermen,
 
De Godheit in den schoot.
 
Ontwijken ze uw gezicht;
 
Zij worden met gezangen
 
Van de Engelen ontfangen
 
In 't ongenaekbaer licht.
 
Schoon gij ze trouw en teêr
 
Gehoedt hebt met behagen,
 
En liefde toegedragen,
 
De Hemel schenkt ze meêr.
 
Hier zaegt gij hen in pijn,
 
En zwakheit licht bederflijk,
 
Daer zullen zij onsterflijk,
 
Twee Cherubijntjes zijn.
 
Uw Lijsje, die haar stem
 
Zoo lief aen de uwe paerdde,
 
Zingt thans, ontlast van de aerde,
 
In 't nieuw Jeruzalem.
 
Zij blinkt in 't Engeldom,
 
En heet met kusje op kusje,
[p. 145]origineel
 
Haer lieve en jongste Zusje,
 
Blijmoedig wellekom.
 
Uw Keetje omhelst haer blij:
 
Dus leven zij hier boven,
 
In 't eeuwig hof der hoven,
 
Verhemelt zij aen zij;
 
Dus zien ze al 't Hemelsch schoon,
 
Op aerd' nooit recht te kennen;
 
Dus zweven ze op haer pennen
 
Al juichende om Gods troon.
 
Des wensch haer niet beneên
 
Met uw bedrukte klachten;
 
Wat is hier toch te wachten,
 
Dan rampen en geween? -
 
Loof dan, ô Agatha!
 
Den wil van 't Alvermogen,
 
En zie met vrolijke oogen
 
Uw lieve Wichtjes na.

Ik zal u uit den schoonen (1)Lijkzang op de Echtgenote van den Heer Bisdom, om de kortheid van mijn bestek, nu niets bijbrengen; maar, ten slotte der proeven uit Smits Gedichten, u me-

[p. 146]origineel

dedeelen dat (1)aan den Westewind, zoo ik mij niet bedriege, Hooft's dichtpen overwaardig.

 
Levenwekker, Westewindt,
 
Lenteblazer, die gezwindt
 
Door de frissche telgjes spartelt,
 
Huppelt, tuimelt, danst en dartelt,
 
Als gij luchtig zwiert en zweeft,
 
Daer mijn vreugdt, Lykoris, leeft,
 
En haer eerste minnezuchtjes
 
Offert aen uw zwoele luchtjes;
 
't Zij ge door haer lokjes speelt,
 
Of de roode roosjes streelt
 
Op haer lelijwitte kaken;
 
't Zij ge uw koelheit zelfs voelt blaken
 
Door het vlammenstokend licht
 
Van haer tooverend gezicht;
 
't Zij ze u strookt met lonkje op lonkje;
 
Blaes dan 't kleene minnevonkje,
 
Dat ze in haren boesem voedt,
 
Tot een' reine minnegloedt,
 
Die haer koelheit eeuwig were,
 
En in felle vlam verkeere,
[p. 147]origineel
 
Die haer borst zoo stove en raek',
 
Dat zij gloeije, brande en blaek'!
 
Duik dan stil in groente en Iover.
 
Laet vrij 't blusschen voor mij over.

Dan men mag in de Gedichten van Smits vrijelijk zijne oogen overal laten rondweiden; zelden zal men iets aantreffen, dat niet sierlijk en geestig mag genoemd worden. Smits heeft eene bijzondere netheid en eenstemmigheid gekregen in zijne Gedichten, omdat hij zich al vroeg gewende (1)zelden eenig Gedicht te beginnen, voor dat hij het geheele beloop daervan in zijne gedachten ontworpen hadde. Hierdoor gaf hij zijne dichtstukken eene goede houding en geregelden gang. Na zulk eene schikking en orde vloeiden de woorden als van zelve Smits toe, wiens gemakkelijke dichttrant, met zekere vurigheid van geest, hem bijzonder eigen, overal doorstraalt.

Ik heb dikwerf hooren aanmerken, dat Smits wel bevallig, maar niet krachtig en verheven gedicht heeft; en, over het geheel genomen, willen wij dit wel erkennen, vooral, wanneer men zulks bijzonder van zijne laatste Werken zegt; doch zijne Baälfegorsdienst is vol van krachtige en stoute uitdrukkingen.

[p. 148]origineel

Wanneer men den tijd, waarin Smits geleefd heeft, en de gebreken zijner tijdgenooten gadeslaat, moet men erkennen, dat hij zich, als met eene adelaarsvlugt, boven het logge en lage van den toen heerschenden rijmtrant zoodanig heeft verheven, dat hij onder de eerste Dichters van ons Vaderland moet gesteld worden.

 

Het Leven van Smits is keurig beschreven +door (1)NICOLAES VERSTEEG, die zelf toen als Dichter beroemd was. Het uitvoerig dichtwerk Mozes, in twaalf boeken, is, als vele dergelijke Levensbeschrijvingen, op rijm. Zijne Zegepralende Liefde en enkelde losse Gedichten hebben eenige meerdere waarde.

 

Onder de Vrienden van Smits moet ook +geteld worden (2)ADRIAEN van der VLIET, wien men in het toen zoo veel geruchts makend Pan Poeticum eene plaats gunde. Hij was als Helden- en Herdersdichter geacht, en heeft in zijne losse verzen veel goeds. Ik meen eens een werk, de Spanjaart in Rotterdam, in drie boeken, van hem gezien te hebben.

[p. 149]origineel

Nog andere Dichtvrienden van Smits waren (1)Joan Couck, (2)Arij Wijs, (3)Lucas Burgvliet, en de meer beroemde+ (4)WILLEM van der PÓT, wiens Endeldijk langen tijd van groote waarde gehouden is. Men kan niet ontkennen, dat hier en daar iets natuurlijks daarin doorstraalt; b. v:

 
(5)Wat liefelijke lucht! wat zoete geuren zweven
 
Hier om ons? Kan 't geboomt' dien balsemwasem geven?
 
Neen; 't is liguster, 't is jasmijn, 't is riekend kruid,
 
Dat overal, in 't wild, hier uit het aardrijk spruit,
 
Wier geuren, omgevoerd op hare onzichtbre wieken,
 
Ons, in die lieflijkheid, doen 's Hemels Goedheid rieken.
[p. 150]origineel
 
Hoe heeft die kamperfoelje, ontbindbaar in den echt,
 
Zich met haar ranken om haar' waarden olm gehecht!
 
Hoe weeldrig pronkt zij hier met velerhande kleuren,
 
En kan het geurig hoofd nu rustig opwaarts beuren!

Zijn dichttrant is echter over het geheel genomen stijf, waarom ook zijne Mengeldichten door kieschheid, bevalligheid noch lossen zwier behagen. Zijn broeder Cornelis werd in jeugdigen leeftijd aan de goede verwachting veler Dichtlievenden ontrukt.

 

Het is der opmerking waardig, hoe weinige onzer Dichters tot het Roomsch Kerkgenootschap behoord hebben. Ik weet wel, dat Vondel en Anslo tot hetzelve overgingen, maar zij waren geboren van Doopsgezinde ouders, en bleven lang aan hunne eerste gevoelens getrouw. Ik weet wel, dat Spiegel, Visscher en zijne Dochters hetzelve niet vaarwel zeiden, maar het schijnt mij toe, dat zij inwendig de gevoelens der Protestanten begunstigden. Wellekens alleen, zoo ver ik weet, behoorde geheel tot de Roomsche kerk. Omtrent dezen tijd beoefen-+de een Roomsch-Katholiek Pastoor, (1)JOANNES NANNING genaamd, de Dichtkunst,

[p. 151]origineel

en bragt uit het Latijn de Lofzangen over van den Christelijken Dichter, die

 
(1)... Vlogt om 't hoofd der vrome Martelaren,
 
Die om hunn' moed, voor 't Kruisgeloof betoond,
 
Met stralen zijn van 't zalig ligt gekroond,
 
Een zegekrans uit eeuw'ge lauwerblaren.

Dan Nanning's dichtwerk, hoe prachtig aan het licht gebragt, verdient niet dat wij er lang bij stil staan.

 

Ieder tijdperk onzer Dicht-Geschiedenis heeft bijzondere soorten gekweekt; zoo was het laatste gedeelte der Zeventiende, en het begin der Achttiende Eeuw vruchtbaar in Herders- en Velddichten; zoo was het midden der jongstverloopene Eeuw rijk in dichtmatige Levensbeschrijvingen, verkeerdelijk toen voor Heldendichten uitgebazuind. Hoogvliet's Abraham wekte deze laatste bijzonder op: ‘Hoe velen zijn 'er, die door het lezen van den Aartsvader Abraham gaande zijn geworden Heldendichten in Quarto te schrijven,’ zegt de geestige Filosoof. Eene andere dichtsoort, op Hoogvliet's voorbeeld mede algemeen gevolgd, was in dit zelfde tijdperk het Hofdicht. Ik heb reeds van velen, die deze soort niet ongelukkig bewerkten, gesproken; en

[p. 152]origineel

+wil u nu nog aan (1)PHILIP ZWEERTS herinneren, die door zijn Scheibeek roem verworven heeft.

 

Op deze lustplaats, weleer die van den edelen Bake, was het, dat de Vader onzer Dichtkunst eene veilige schuilplaats vond.

 
(2)ô Vondel! die weleer bij 't lieflijk loof der linden
 
Van Scheibeek zelve kon uw zagte rustplaats vinden,
 
Wanneer men in de Stad u 't leven maakte bang,
 
Omdat gij de onschuld hadt verdedigt in uw zang;

zong Zweerts bij den aanhef van dit Dichtwerk. Ook op deze lustplaats was het, dat het vermaarde beekje, door van Baerle zoo geestig, gelijk wij gezien hebben, bezongen, vloeide:

 
(3)Het ruischend Beekje, de eer der zilvre watervlieten -
 
ô Klaare Beek! alree vereeuwigd door den zang
[p. 153]origineel
 
Van Baerle, en Vondel, gij zult leeven eeuwen lang:
 
Geen bron van Pegazus, geen beek der Zanggodinnen,
 
Die vloeide in vroeger tijd, zou 't van u mogen winnen.

Men ziet, dat hij den klemtoon niet altijd behoorlijk plaatste. Over het geheel genomen vonden wij noch bijzondere vinding, noch zeer vloeijende versisicatie in dit Hofdicht. Beter zijn zijne Mengeldichten. Het Treurspel Semiramis blinkt met helderen glans. Zijn Scipio, zijne Merope verdienen mede onze lofspraak.

 

Men moet het Zweerts dank zeggen, dat +hij de Gedichten van (1)HUBERTUS GREGORIUS van VRIJHOFF aan het licht bragt.

Deze, Hoogleeraar in de Regten, eerst te Harderwijk, en daarna aan de Doorluchtige School te Amsterdam, schoon onder de middelmatige Dichters te tellen, had echter verdiensten, en was vol van (2)Liefde tot de Dichtkunst, gelijk hij zelf getuigt:

[p. 154]origineel
 
Een die heerschzuchtig is zal steets naer kroonen trachten;
 
En alles waegen om 't bezit van hoge magten.
 
Een die verlieft is, zal vaek wenschen om die geen,
 
Die van hem wort bemint, en nedrig aangebeên.
 
En een geltzuchtigen, zal waegen lijf en leven,
 
Op hoop, dat de Fortuin aen hem een schat zal geven.
 
Dus heeft elk een zijn' lust. De dolle krijgsman mint
 
Het dond'ren van 't geschut, dat andren maekt ontzint.
 
Een Bachus-vrient zal wijn zijn eêlsten Nektar noemen.
 
Maer ik min schoner zaek, meer waerdig om te roemen;
 
Dat 's d' eedle Poëzij! die, zo vol majesteit,
 
Ons smaken doet het nut gemengt met lieflijkheit,
 
Een onwaerdeerb're schat, aen weinigen gegeven.
 
In 't kort, de Poëzij is mijne ziel en leven.

Vrijhoff overleed aan eene ziekte, die menig Geleerde, en bijzonder vele Dichters schijnt gefolterd te hebben, en onder den naam van (1)melancholie bekend is, in den ouderdom van nog geen vijftig jaren.

[p. 155]origineel

Van de Doorluchtige Voorbeelden, Leerzame Zinnebeelden en andere Werken van (1)ROELAND van LEUVE hadden wij bijna vergeten+ te spreken. Zijne (2)Treurspelen hebben hier en daar eenige goede beelden, die echter in dezelve, even min als in zijne Brieven, Minnedichten, enz. worden volgehouden. Gebrek aan smaak heerscht overal. Hierdoor stuiten de beste regels ellendig af; b. v:

 
(3)Wat rampen heeft de Staatzorg in?
 
Wat angst, wat kommer doet ons vrezen?
 
Het ritz'lend blad, of iet nog min,
 
Doet schromen 't ergste waar te wezen;
 
De schaduw, 't ruischen van den wind,
 
Jaagt schrik aan 't hart; ja zelf een Vrind.

Hoe lam komt die Vrind daar achter aan! Het zoude ons weinig moeite kosten duizend dergelijke voorbeelden in vele der middelmatige Dichters aan te wijzen, dan wij vreezen meerdere namen te noemen. Deze tijd was vruchtbaar in weinig beduidende Dichters, wier rijmzucht niet te be-

[p. 156]origineel

+dwingen was. (1)M. BODE, een niet verwerpelijk Dichter van dien tijd, ook als Treurspeldichter door zijne Orestes en Pylades in Polyxena bekend, klaagde toen te regt:

 
(2)'t Getal der Rijmers te besnoeijen,
 
Is stroo gedorst, het vreest geen roe.
 
Dat kaak'lend Gild neemt daag'lijks toe:
 
't Wil als het onkruid welig groeijen.

Ieder was in die dagen tot de Poëzij aangegord. Ieder Ambachtsman bijna rekende zich om-+trent de Poëzij stemgeregtigd. De Smit (3)ADRIAAN de KRAMER roemde, dat hij bij het aanbeeld verzen smeden kon.

 
(4)... Zeg alom, hoe gij wierdt bij den gloet
 
Van 't vuur, en 't schor muzijk der hamerslagen,
 
Gebooren als breinschepzels van een Smit!

was zijne taal tegen zijn Rijmwerk, hetwelk, hoe nietsbeduidend, na zijnen dood, met eene Levens-

[p. 157]origineel

beschrijving, tot de minste bijzonderheid uitgeplozen, in twee stevige Kwartijnen, als Gedichten, werd uitgegeven. - Dan laten wtj zulke verzensmeders daar; en wenden wij ons tot edeler Dichters.

 

Onder deze bekleedt eene luisterrijke plaats (1)JAN de KRUIJFF, wiens dichtpen zoo+ wel door kunde, goeden smaak en fijn gevoel voor het schoone, als door kracht en stoutheid van uitdrukking bestuurd werd. Dat hij tot eenen lossen en boertigen trant zich stemmen kon, toont zijne (2)Huwelijks Celebratie aan Jacobus van Eems; dan wij bepalen ons liever tot eenige ernstige en krachtige regels uit zijn fraai Gedicht, waarin hij de zucht naar (3)eer met fiksche en juiste trekken onder andere dus afbeeldt:

 
Gij, Trotsche, gij, die zoo vermeetel
 
In 't menschlijk hart den vasten zetel
 
Geplant hebt van uw heerschappij;
 
Van waar toch haalt gij dat vermogen?
 
Of worden wij door schijn bedrogen?
 
Toon, toon uw afkomst, uw waardij. -
[p. 158]origineel
 
Gij helpt, door helsche tweegevechtend,
 
Den fel ontsteken twist beslechten,
 
En port uw lieveling tot wraak.
 
't Geschil mag voor geen rede buigen:
 
Men vecht, in 't aanzien van getuigen,
 
En moordt elkandren met vermaak.
 
 
 
Gij leidt de strijdb're legerschaaren,
 
Dwars door verachte krijgsgevaaren,
 
Blijmoedig naar het aak'lig graf.
 
Gij houdt den grijsaard zelfs gevangen;
 
En, om u na zijn' dood te erlangen,
 
Perst gij hem 't dierbaar leven af.
 
 
 
Gij gaaft het woord, gij waart de stander
 
Van d' onverwinb'ren Alexander,
 
Toen hij de heele waereld dwong.
 
Gij wist, door 't streelende in uw lonken,
 
Den moed van Curtius te ontvonken,
 
Dat hij te Rome in d' afgrond sprong.
 
 
 
Gij heerscht op aller Vorsten troonen,
 
En al de Helden zijn uw zoonen,
 
Die ge aan uw borsten hebt gevoed.
 
Het aad'lijk en doorluchtig wapen,
 
Daar duizenden zich aan vergaapen,
 
Is naauw vermaagdschapt aan uw bloed. -
[p. 159]origineel
 
Gij zijt de zangster der Poëeten,
 
Die ijvrig zwoegen, werken, zweeten,
 
In 't klauwtren op den Helicon.
 
En die ten toppunt is geklommen,
 
Dien opent gij uw heiligdommen,
 
Dien drenkt gij uit uw Hengstebron.

Schoon de Kruijff het toppunt van den Helicon niet altijd bereikte, dikwerf echter dronk hij eene goede teug uit de Hengstebron.

De Kruijff's Gedichten zijn beschaafd, en toonen, dat hij, wars van een slechts gladgeschaafd dichtwerk, zich op vinding, natuurlijkheid en stoutmoedigheid toeleide, en alzoo onder die Dichters van dezen tijd behoorde, welke den weg baanden tot eene veel edeler dichtwijze.

 

Het is hier de plaats, melding te maken van (1)JACOB SPEX, den Vriend en Leerling+ van den vermaarden Poot, blijkens het geen Spex bij Poot's overlijden zelf getuigde:

 
(2)Ik mis uw goude lessen.-
 
Uw scheiden treft, beroert mij allermeest.
 
Uw heuscheit, nooit bezweken,
[p. 160]origineel
 
Uw gulle gunst voor anderen mij gebleken,
 
Quam, vroeg ook zelfs en spâ,
 
Met onderwijs, vol arbeits, mij te stâ.

Het Gedicht van Spex de (1)Uitvaert van Eugenius enz. heeft veel krachtigs en natuurlijks; gelijk ook de (2)Opgang van Willem Karel Henrik Frizo; enz. b. v:

 
(3)De pekton brant. De nacht neemt schier een keer.
 
De vierpijl rijst, en gonst, en klapt, en klatert,
 
Brengt starren voort, of stort een vierstroom neer. enz.

Zijne Klinkdichten zijn somwijlen krachtig; zijne Bijschriften nu en dan zinrijk; men zie b.v. dat op den bejaarden Konstantijn Huigens:

 
(4)Aanschou hier Zeulichem, 't sieraet der Letterlichten,
 
Daer 's Gravenhaege op roemt, ja heel ons Nederlant;
 
Die, in zes taelen zelfs, Apolloos kerk holp stichten,
[p. 161]origineel
 
Drie Prinsen hield verknocht aen zijn doorkneet verstant,
 
En, eindlijk afgeslooft, na tienmael negen jaeren,
 
Nogh blanker bleek van hart, dan zilvergrijs van haeren.

Oplettenden zullen hier eenige navolging van Vondel bespeuren. Ook in (1)andere Bijschristen van Spex straalt somwijlen eene te groote overneming door.

Daar Spex in het vak der Bijschriften zich eenen bijzonderen naam verworven heeft, zullen wij nog eene proeve bijbrengen, en kiezen daartoe dat op Joannes Secundus, hetwelk eenvoudig naïef mag genoemd worden:

 
(2)'k Ontfing in 's Gravenhaeg, te Doornik liet ik 't leven.
 
Neëra most ik, och! in 's levens lent begeven.
 
't Zijn vruchten van mijn brein de kusjes die elk leest:
 
Maar die ik gaf en kreeg zijn zoeter nogh geweest.

Spex volgde in sommige zijner Bijschriften de zedekundige Puntdichten van de Decker,

[p. 162]origineel

+welken Dichter hij, benevens Poot, onder zijne voorgangers bijzonder hoogachtte.

(1)JACOB ELIAS MICHIELSZ., die ter dezer tijd door aanmoediging, hulpvaardigheid en een goed voorbeeld, tot bevordering der Dichtkunst medewerkte, vereerde de Dichtkunst van Spex met deze regels:

 
(2)Waar ben ik? welk een klank! wat zwier! wat kracht van taal!
 
Wat lieflijk maatgeluid dringt in mijn ziel deur d' ooren!
 
Doet ons de Decker weêr zijn hemelgalmen hooren?
 
Of is 't de schelle keel van Delfslands Nachtegaal?
 
Neen. 't Is de schrandre Spex, die bloem van Febus Zonen,
 
Die Decker volgt en Poot, op even fixe toonen.

Gelijk Amsterdam in het algemeen eene vruchtbare kweekschool geweest is voor alle kunsten, zoo heeft zij bijzonder voor de Dichtkunst goede beoefenaars aangekweekt. Anderen mogen de oor-

[p. 163]origineel

zaak hiervan bij den Schouwburg, of dichtkweekende gezelschappen en vriendenkringen, zoeken, wij zullen liever van de zaak zelve bewijs bijbrengen.

Lucas Pater, Abraham de Haan, Bernardus de Bosch, Frans van Steenwijk, Jan Jacob Hartsinck, Anthonij Hartsen, Jacob Lutkeman, Rutger Schutte, waren toen met vele anderen, door onderlinge oefening, gemeenzaam verkeer en heilzamen naijver, der Poëzij bevorderlijk.

Het zoude eene al te luchtige pen verraden, zoo wij het slechts bij het noemen van dezer Dichteren namen lieten berusten; laat ons hunne verdiensten kortelijk gadeslaan, te meer, daar zij op den staat der Poezij in dit tijdperk zoo veel invloed gehad hebben.

 

(1)LUCAS PATER, niet ongelukkig in+ zijne werkzaamheid voor het Tooneel, onderscheidt zich in zijne overige Poëzij door beschaafdheid, juistheid en keurigheid, somwijlen ook door zinrijkheid en bevalligheid, blijkens het Gedichtje (2)Op den Eersten Verjaardag van mijn Zoontje; zie b.v. deze regels:

[p. 164]origineel
 
Waarde Gilles! speelziek Wichtje! Vaders lust en Moeders vreugd!
 
Die, door lagchjes, lonkjes, kusjes dag aan dag ons hart verheugt! -
 
Wij, wij lagchen om uw spelen, om uw poppen, om uw bel;
 
Maar wat is 't gewoel der menschen? - immers louter poppenspel.

Dat hij voor eene luimige dichtwijze geschikt was, kan ons het Gedichtje (1)Op den Ouderdom, leeren:

 
Wanneer de jaren ons ontvliên,
 
Dan is 'er geen meer vreugd te hoopen:
 
Dan moet men op drie beenen loopen:
 
Dan moet men door vier oogen zien.
 
Men kan ons bijzijn niet verdragen:
 
Men hoort ons steenen, kugchen, klagen;
 
De jicht maakt onze leden krom.
 
ô Welk een last is de Ouderdom!
 
 
 
De Veenzon, aan den warmen haard,
 
Moet in dien staat ons koestren, stooven:
 
Wij zitten in een' hoek verschoven:
[p. 165]origineel
 
Ons leed wordt dag aan dag verzwaard:
 
De krachten hebben 't lijf begeven:
 
Ons leven is bijna geen leven.
 
ô Welk een last is de Ouderdom!
 
Nochtans elk Sterfling wenscht 'er om.

Gevoelig en teeder is Paters Gedichtje (1)op het afsterven van het eenig Dochtertje van Hermanus Asschenbergh. Zinrijk zijn eenige Bijschriften en Puntdichten; ook zal men veel eigenaardigs in den Herderszang, (2)Matelief, vinden.

 

In het Herdersdicht was toen bijzonder in aanzien (3)ABRAHAM de HAEN, ook als+ teekenaar bekend.

 
(4)De Haen, wiens vlug vernuft aan 't kunstschool was gewijd,
 
Verwisselde onvermoeid de veldsluit en penseelen.
[p. 166]origineel

Zijn veldfluit gaf eenvoudige, maar treffende toonen; het schilderachtige, waartoe zich het Herdersdicht bepaalt, en dat het als van zelve aanbiedt, blinkt zeer juist en natuurlijk bij hem uit. Zie, om slechts enkelde verzen tot bewijs bij te brengen, dezen aanhef:

 
(1)De milde Herfst, gehuld met druif- en appelvlechten,
 
Zag 't noeste landvolk reeds de bogaardladders rechten
 
Aan 't ooftrijk hout, dat krom van rijpe vruchten hing,
 
Die 't vrolijk huisgezin in teenen korven ving, enz.

Of deze regels:

 
(2)Geen wolf zal stil, bij nacht,
 
De teedre lammrenvacht
 
Verscheuren met zijn tanden.
 
De druiftros, rood en bol,
 
Maak' dan den persbak vol
 
Van most, tot aan de randen.

Wij zouden hier vele schilderijen van het Landleven kunnen ophangen, vele Herderskouten, Veldvermaken, Beschrijvingen van

[p. 167]origineel

Jaargetijden, van Morgen- en Avondstonden kunnen mededeelen, die de vernuftige de Haen veelal met lossen zwier voorstelt; wij zouden uit zijne Brieven kunnen bewijzen, dat hij in deze laatste soort niet zoo gelukkig als in het Herdersdicht slaagde: dan liever bepalen wij ons tot nog eene proeve uit zijn Gedichtje Silvia, en toonen uit hetzelve, dat hij als Minne-dichter niet zonder verdiensten was; dus zingt hij onder andere:

 
(1)Mogt ik dat geluk beleeven,
 
Silviaatje! dat uw mond
 
Mij slechts kwam één kusje geeven,
 
't Was een balsem voor de wond,
 
Voor de wond, waarmêe de liefde
 
Al te diep mijn hartje griefde. -
 
 
 
Wat is 't toch een kus te geeven?
 
Kusjes hebben nooit gedeerd;
 
Schoone! wierd gij meê gedreeven
 
Van den gloed, die mij verteert,
 
Gij zoudt u zo straf niet draagen,
 
Maar om 't geen ik bid licht vraagen.
 
 
 
Laatst, in eenen mijner droomen,
 
(Denk eens hoe ik was te moê,)
[p. 168]origineel
 
Dacht mij, dat ik u zag komen
 
Met een lachje naar mij toe,
 
En me een minlijk kusje geeven.
 
'k Had nooit zoeter droom mijn leven.
 
 
 
'k Hield u in mijn' arm omvangen;
 
'k Voelde hoe uw hartje joeg;
 
En aan 't blosje op beide uw wangen
 
Merkte ik uwen zin genoeg;
 
Uit de trekjes van uw wezen
 
Kon ik klaar uw lustjes leezen.
 
 
 
'k Zag uw flaauw gelookene oogjes
 
Loddrig drijven af en aan;
 
't Was als of zij uit haar boogjes
 
Riepen: ‘kunt ge ons niet verstaan?’
 
Op mijn borst zeegt gij toen neder.
 
Ach! kwam zulk een droom eens weder.
 
 
 
'k Gaf u meer dan duizend kusjes;
 
Gij gaaft mij wel duizend weêr;
 
'k Smolt in vonkjes weg, en lustjes,
 
En... Maar, Schoone! ik kan niet meer.
 
Kost de Min uw hart ooit raaken,
 
Wil mijn' droom dan waarheid maaken!

Deze verdienstelijke Dichter, in het Latijn bedreven, tot de Regtsgeleerdheid opgeleid, geeft

[p. 169]origineel

vele blijken van eenen goeden aanleg. Zijne Gedichten zijn door de vermaarde Dichteres van der Wilp in het licht gegeven. Hij stierf, tot droefheid der Teeken- en Dichtlievenden, in den ouderdom van slechts 41 jaren, doch

 
(1)leeft... met roem...
 
In schildrend dichtmuzijk en sprekende tafreelen,

gelijk zijn Vriend de Bosch getuigt, van wien wij nu zullen spreken.

 

(2)BERNARDUS de BOSCH onder-+scheidt zich meer door eenen stichtelijken, keurigen, beschaafden en vloeijenden dichttrant, dan door vinding of stoute verbeelding. Het onderwerp, waartoe hij zich bepaalde, gaf hiertoe aanleiding. Het godvruchtige en zedekundige was zijne Dichtlievende Verlustiging. Met raad en dienstvaardigheid was hij velen jeugdigen Dichters behulpzaam, en verkreeg met regt deswegens grooten lof. Indien stichtelijk onderwerp, kiesche behandeling, behagelijke voorstelling, keu-

[p. 170]origineel

righeid van taal en eene rollende versmaat op dichtverdiensten regtmatige aanspraak geven, dan kan men den braven, den keurigen, den godvreezenden de Bosch dezelve niet weigeren. Schildering kan men hem ten minsten niet ontzeggen, als hij ons de blindheid zijner dierbare Gade dus teekent:

 
(1)'k Zie u, met uitgestrekte handen,
 
Bevreesd op d' effen vloer,
 
De deurpost zoeken langs de wanden.

noch juiste vergelijking, wanneer hij haar overlijden dus gevoelig beschreit:

 
(2)Geen droeve tortel, wier gekir weêrgalmt in 't woud,
 
Betreurt een Gade meer op 't afgeknotte hout,
 
Dan ik mijn zielsvriendin... Maar klacht noch traanen baaten.
 
Zij, hoop ik, heeft mij niet in eeuwigheid verlaaten. -
 
Ach! zou 'k haar wederzien bij God, in 't zalig licht!...
 
Waar ben ik?... hoe!... 'k verbeeld mij 't straalend aangezicht,
[p. 171]origineel
 
Waarmeê zij, hoog verukt in hemelsche gezangen,
 
Haare armen uitbreidt, om in 't Godsrijk mij te ontfangen.

Met eene niet minder gelukkige en nieuwe vergelijking spreekt hij dus den Ouderdom aan:

 
(1)Gelijk de winter, die de kabbelende stroomen
 
Met killig ijs bevloert, de vreugd niet kan betoomen
 
Der sleevaart, die naar 't doel in oogenblikken snelt,
 
Daar bij den zomerbrand, door bogten, bosch en veld,
 
Die reistogt uuren kost: gij, verr' van om te doolen
 
Langs ruwe paden van nog kinderlijke schoolen,
 
Volgt de ondervinding, die den langen weg verkort,
 
En op haare effen baan het minst verhinderd wordt. enz.

Zulke vergelijkingen zijn onontbeerlijk voor die dichtsoorten, waarin men onderwijst, gelijk het Leer- en Zededicht; hierdoor krijgen ook deze eenen glans van beelden, zonder welke de Poëzij hare onmisbare versiersels derft, en tot berijmd proza afdaalt.

Bernardus had eenen Broeder (2)Joannes, als teekenaar door zijne navolgingen van

[p. 172]origineel

Everdingen, Moucheron, van Huizum en anderen bekend. Een ander niet minder +verdienstelijk Broeder (1)HENDRIK volgde in Nederduitsche dichtmaat zeer gelukkig sommige Latijnsche Gedichten van Adrianus van Roijen en Petrus Burmannus Secundus. Hij was een kundig Geneesheer, een man vol smaak en fijn gevoel voor het schoone, doch overleed in eenen niet hoogen ouderdom, tot droefheid van allen, die op zijne kunde en oordeel hoogen prijs stelden.

 

+De dichttrant van (2)FRANS van STEENWIJK, den begunstigden vriend en kweekeling van Feitama, is in den beschaafden smaak van zijnen voorganger. Het uitgebreide Dichtstuk Gideon heeft enkelde levendige brokken; doch de regte smaak, waardoor het geheel moet verbonden worden, ontbreekt; hierdoor ook krijgt men veel strijdigs bij elkander; zoo daalt b.v. de Waarheid, vergezeld van het Geloof, ter Helle, om Lucifer tegen Gideon op te zetten. Minder levendig, minder afwisselend is de Claudius Civilis, wiens geschiedkundige houding zich bijna nimmer boven den verhalenden toon verheft, en die derhalve van dichterlijke beeldsieraden schaars

[p. 173]origineel

voorzien is. Als Treurspeldichter verdient Steenwijk onderscheiding. Gevormd door zijnen vriend, wiens verdiensten in dit vak uitstekend genoemd mogen worden, volgde hij Feitama in deze loopbaan met vasten tred, en verwierf veel aanmoediging en lofspraak. Steenwijk was geboren in 1715 en overleed in 1788.

 

Een ander geacht Amsterdamsch Dichter was (1)JAN JACOB HARTSINCK, een man+ van aanzien, goed oordeel en vele kundigheden. Als Bestuurder van den Schouwburg, was hij niet alleen door een naauwkeurig toevoorzigt, maar ook door goeden voorgang en gepaste werkzaamheid, nuttig. Zijne Tooneelspelen zijn geenszins verwerpelijk. Daarenboven moedigde hij vele Dichters tot het tooneel aan, bijzonder Hartsen en Lutkeman.

 

(2)ANTHONIJ HARTSEN is beroemd+ door zijne Vertalingen, zoo van de beste Fransche Treurspelen, als van eenige Latijnsche Dichtstukken. Zijn werk toont smaak en beschaafdheid. Zijne losse Gedichten zijn niet afzonderlijk uitge-+geven, gelijk die van zijnen Vriend (3)JACOB LUTKEMAN, wiens Tooneelpoëzij mede veel

[p. 174]origineel

goedkeuring verworven heeft. Onder Lutkeman's Gedichten munt dat (1)op het afsterven van Rachel Ruisch bijzonder uit. De korte Gedichtjes van hem zijn hier en daar snedig, b.v. (2)de Verdreeven Duivel:

 
Toen Bekker's pen weleer den duivel stout verdreef,
 
En 't orthodoksche volk daar tegen morde en schreef,
 
Riep Satan: ‘Met wat drift verweert mij dorp en stad!
 
'k Wist niet, dat ik op de aard' nog zoo veel vrienden had!’

Hartsen en Lutkeman werden in het zelfde jaar 1782 ontrukt aan dien Vriendenkring, van welken wij hierna nog meer verdienstelijke leden zullen opnoemen.

 

+Tot dezen kring schijnt zoo zeer niet behoord te hebben (3)RUTGER SCHUTTE, de geachte Gereformeerde Kerkleeraar te Amsterdam. Eerbied hebben wij voor zijne Stichtelijke Gezengen; doch eene verkeerde hoogdravendheid en smakelooze opgeblazenheid ontnemen dezelve, onzes oordeels, dat stille, zachte, gevoelige en zielverheffende, hetgeen in deze dichtsoort moet door-

[p. 175]origineel

stralen. Het Kerkgezang is zoo gemakkelijk niet, als velen meenen.

 

+Omtrent dezen tijd bloeiden (1)JOANNES BADON, en zijne Echtgenoote (2)CLARA GHIJBEN, welker gezamentlijke Mengeldichten+ luisterrijk zijn uitgegeven; buiten eene gladde versificatie hebben dezelve, onzes oordeels, weinig of geene waarde.

 

Bijzonder vruchtbaar was de middag en avond der achttiende Eeuw in dergelijke Dichters, die, behalve eenen rollenden en gladden rijmtrant, geene verdiensten hadden; doch ik schroom met reden hier hunne namen aan te stippen; slechts een korte tijd is er verloopen sedert hunnen bloei; door velen mijner beoordeelaars zijn zij gekend; hunne nabestaanden, hunne kinderen verkeeren onder ons. Ik wil niet gaarne aanstootelijk zijn. Zou ik alle deze nieuwere Dichters optellen, hen naar mijn eigen inzigt beoordeelen, daar nog geen genoegzaam tijdsverloop eene standhoudende oordeelvelling bepaald heeft, daar mij de gelegenheid ontbreekt, om alle deze Dichtwerken, waarmede dit tijdperk zoo rijkelijk voorzien, ja als overladen is,

[p. 176]origineel

naauwkeurig en met gezette vlijt door te lezen? Niemand kan mij zulks vergen. Ik zal mij, om mij als 't ware van de menigte los te rukken, nu meer bijzonder bij de voornaamste en meest beroemde Dichters bepalen; en, vertrouwende op uwe inschikkelijkheid, Mijne Heeren! mijnen ongebaanden weg rustig volgen; want noch terug te treden, noch stil te staan gedoogt uwe uitnoodiging en mijn bijna volbragte arbeid.

 

Het is ons uit het dus verre verhandelde gebleken, dat de Dichters, welke omtrent het midden der achttiende Eeuw gebloeid hebben, door eene al te groote keurigheid en beschroomde naauwgezetheid der Dichtkunst hare noodige kracht en zenuwrijke stoutheid hebben ontnomen; dat zij, hoe welmeenend, door angstvallig alle denkbeelden der Heidensche oudheid en derzelver sieradien te ontwijken, vele fraaije bloemen hebben verwaarloosd; dat zij, vol vrees van al te hoogdravend te worden, wel net en beschaasd, wel zuiver en rollend, wel natuurlijk en liefelijk, maar niet krachtig, niet stout, niet rijk in beelden, niet vol pit en merg van zaken, met één woord, niet zoo verheven gedicht hebben, als de schitterendste vernuften der zeventiende Eeuw. Het zal nu tijd zijn te onderzoeken, of die zelfde flaauwe dichttrant ook bij de beste en meestgeachte Dichters van het laatste gedeelte der achttiende Eeuw heeft stand gehouden. Wij hopen

[p. 177]origineel

door proeven aan te toonen, dat, over het geheel genomen, de Dichtkunst in stoutheid, geestverheffing, en waar gevoel voor het schoone en bevallige der natuur, groote vorderingen gemaakt heeft; wij zullen daarom bijzonder ons beijveren, om, als bij uitsluiting, dankbaar te gedenken aan allen, welke het eerst de banden, waarmede men de vrije kunst toen lang had gekluisterd, hebben losgerukt, en getoond, dat de Dichtkunst, onttrokken aan de eigendunkelijke voorschriften van altijd schavende en herschavende meesters, en onderschraagd door den smaak, getrokken uit Grieksche en Latijnsche dichtbloemen, al weliger en weliger bloeit. Onder zulke munten bijzonder uit Willem en Onno Zwier van Haren.

Door geboorte en aanzien boven de meeste hunner landgenooten verheven, was natuurlijk het bekrompen oordeel van kunstregters en zoogenaamde zuiveraars niet zoo zeer voor hun gevaarlijk; zich op zaken van Staat toeleggende, boden zij hunne Werken aan geene Genootschappen angstvallig aan; zij vierden hunnen vrijen geest den teugel, waardoor zij eenen beteren dichttrant erlangden. Eene levendige verbeeldingskracht, eene grondige oefening in alle oude en levende talen, zie daar wat hun boven hunne tijdgenooten heeft doen uitblinken. In alle vakken van geleerdheid bekwaam gemaakt, voorzien met eene grondige kennis der Geschiedenis, met den aard en de zeden van ieder volk bekend, in de hoogste ambten werk-

[p. 178]origineel

zaam, kregen zij door zulke gelukkige omstandigheden den waren smaak, het echte gevoel voor dichterlijke schoonheden. Zij verzamelden, uit die rijke voorraadschuur hunner oefeningen, zulk een schat van vergelijkingen en beeldspraken, zulke natuurlijke aardigheden, zulke stoute en krachtige trekken, zulk eene hoogdravendheid, dat men als 't ware van hun zekere herleving der Dichtkunst in de laatste helft der vorige Eeuw, mijns bedunkens, gerust rekenen mag. Dan het wordt tijd, dat wij deze onze gezegden door proeven uit hunne Gedichten pogen te staven, en daarom hen wat naauwkeuriger dan anderen beschouwen.

 

+WILLEM van HAREN, uit een (1)oud

[p. 179]origineel

adelijk geslacht geboren, was Grietman, en Ontvanger Generaal van het Bilt. Hij had zitting in de Vergadering der Algemeene Staten dezer Landen en was Gevolmagtigde Afgezant van den Staat aan het Hof des Hertogs van Lotharingen, den toenmaligen Gouverneur Generaal der Oostenrijksche Nederlanden. Geleerdheid, menschenkennis, geschiedeniskunde versierden zijnen geest; eene levendige verbeeldingskracht, een scherp oordeel en een stout vernuft gaven hem natuurlijk als Dichter groote bekwaamheden. Het Gedicht, genaamd (1)de Gevallen van Friso, is het grootste Werk door Willem van Haren ons nagelaten. Het is misschen het eenige eigentlijke Heldendicht dat wij bezitten, ten minste het eenige, dat op de ware leest van den grooten Vader der Dichtkunst geschoeid is. Voor hetzelve heeft men

[p. 180]origineel

onder andere een (1)Gedichtje van den beroemden Voltaire, waarin hij van Haren bij Demosthenes, Pindarus, en Tyrtaeus vergelijkt; hieruit kan men zien, in welk eene achting, zelfs bij de beroemdste buitenlandsche vernuften van dien tijd, deze geweest is. In het vervaardigen van dit uitvoerig Heldendicht schijnen hem onder de ouden Homerus, onder de nieuweren Fenelon tot voorbeeld gestrekt te hebben. Ik beken, de Geschiedenis van Friso, Koning der Gangariden en Prasiaten, Stamvader der Friesen, een Indiaan van geboorte, is voor allen niet even belangrijk en

[p. 181]origineel

aanlokkend; (1)meestal worden wij verplaatst in al te vreemde gewesten, bij volkeren, in wier godsdienst en zeden, wij door afstand van plaats en tijd, te weinig belang stellen; echter, zoo ik mij niet bedriege, is dit Werk vol dichterlijke schoonheden, stout en schilderachtig, vervuld met de heerlijkste lessen; dus teekent hij ons b.v. in het eerste boek den Wijzen, die

 
(2)...ijverd om de deugd, en niet om een beloning.
 
't Gemoed is hem een Troon. Is daar de rust ten Koning
 
Verheven, dan besit hij straks een hoog geslacht,
 
Gesag en rijkdom en eene onbepaalde magt.
 
Hij tempd de rampen, daar de Koningen voor bukken;
 
Geen wisselvalligheid kan hem dien schat ontrukken;
 
En 's vijands zwaarste woede, en allerhevigst vuur
 
Stuit van zijn' boezem af, als van een' stalen muur.
[p. 182]origineel

Of wil men een dergelijk voorbeeld uit het tweede boek, men leze deze regels, waar een afgezonderd Wijsgeer tegen Friso zegt:

 
(1)De lust naar wetenschap en kennis is een bron
 
Van vreugd, die 't aardsch geluk nooit evenaaren kon,
 
En die de ziel gestaag, in plaats van af te matten,
 
Verkwikt met nieuwe spijs, vercierd met nieuwe schatten.
 
Gij zult welhaast de vrugt dier levenswijze zien,
 
En leeren op uw hart, en driften te gebien;
 
De waare heerschappij, die hemelwaarts doet stijgen!
 
Ontsterfelijke roem! niet in een Hof te krijgen,
 
Daar 't woelende gemoed nooit op zich zelven denkt,
 
Der ijd'le en dwaaze pragt zijn dierbare uuren schenkt
 
En zwemmende in een' vloed van wezenloze schimmen,
 
Den Goddelijken Geest belet om hoog te klimmen.

of deze:

 
(2).... Eisch niet meer vergankelijke schatten,
 
Maar een gezond begrip om alles regt te vatten.
 
De kennis van zich zelv' is de eenige overvloed.
 
De Wijsheid is en blijft, het allerhoogste goed.
[p. 183]origineel
 
De Wetenschap is meer dan scepters te waardeeren,
 
En blijft onwrikbaar staan, daar troonen ommekeeren.

Het spreukrijke, het geen mij in de oude Dichters, bijzonder in Cats, zoo zeer bevalt, is bij W. van Haren zeer gemeen; dit uit het vijfde boek is geheel in den trant van dien verdienstelijken Zededichter:

 
(1)Helaas! wie weet hoe lang mij 't licht gebeuren mag?
 
Wis is de dood, onwis onz' laatste levensdag.
 
Deez' rijst om kort, en deez' om langen tijd te praalen;
 
Maar beide rijzen ze op, om in het graf te daalen.

Hoe vol wijsheid is de volgende wijsgeerige aanmerking, welke ik genomen heb uit de uitmuntende twistrede tusschen den jeugdigen Friso en den wijzen Teuphis, bij hun gesprek over de Romeinsche staatsgesteltenis! Friso had onder andere gezegd, dat, zoo hij immer het verloren Rijk der Gangariden magtig werd, hij de éénhoofdige regering aldaar zoude afschaffen. - De Wijsgeer antwoordt hem:

 
(2)Gelukkig, die den loop dier dingen regt mag leeren,
[p. 184]origineel
 
Te pas gehoorzaam zijn, en weer te pas regeeren!
 
Maar ieder volk is niet van zoo verheven aart;
 
En minder vind zich een door slavernij bezwaard,
 
Dan door de moeite, om 't juk bestendelijk te ontvlieden:
 
't Gehoorzaam zijn is ligt, maar lastig het gebieden.
 
De geest van recht te doen word niet zo ras verspreid,
 
Men deeld ligt in 't gezag, maar moeilijk in 't beleid.
 
Hoewel uw goede wil dit voor hun had gekooren,
 
Uw volkeren zijn niet tot zulken staat gebooren,
 
(1)Geen wet is algemeen; het zij zulks de Natuur
 
Of Luchtgesteltnis werkt, door een geheim bestuur.
 
Elk volk heeft zijnen aart, en eigen wijz' van denken
 
Nooit te overmeesteren, gevaarelijk te krenken,
 
En even als een Vorst voor Rome doodlijk is,
 
Zoo waar de vrijheid ook voor 't volk van Gangaris.
 
De grootte van 't gevaart, door d'Oppermacht te bannen,
 
Zag haast, in plaats van een', ontelbaare Tijrannen:
 
Gij zoudt in korten tijd gedwongen zijn den staf
 
Op nieuws in uwe hand te neemen, tot hun straf;
 
(2)Dewijl tot wis verderf de Vrijheid word geschonken,
[p. 185]origineel
 
Ligt de eigenbaat niet eerst in ketenen geklonken.
 
Hou dan de middelmaat. Gelukkig is het land
 
Daar 't recht den scepter zwaaid, al is 't in ééne hand.

Doch men zal misschien aanmerken: dit alles is verstandig en fraai, maar niet regt dichterlijk en krachtig. Wij erkennen dit eenigzins; maar is deze beschrijving van den Oosten-wind, bij eenen storm, in het negende boek, dan niet dichterlijk?

 
(1)Hij rees met groote kragt en vreesselijk geweld,
 
En, zwoegend, bulderend, en brullende langs 't veld,
 
Alleen door d'Oppersten des Hemels te beteuglen,
 
Treft tevens woedend beî de Aspunten met zijn vleuglen,
 
En, hellende naar 't West, doorvliegt het wijde zwerk,
 
Genaakt Alcides straat, met minder moeite en werk,
 
Dan 't uitgespannen oog des menschen na zou volgen,
 
En maakt de wateren onzinnig en verbolgen.
 
Hij werpt zich dwarlend neer in de ouden Oceaan:
 
Hij jaagt het onderste der zeë ten wolke aan,
 
Strooit vlooten van elkaer door 't wentlen van de baaren,
 
En brengt niets voor het oog, dan wisse doodsgevaaren.
[p. 186]origineel

De beschrijving des vreesselijken storms, bij den straf voor den Godtergenden Koning Bosiris, na het moorden eener Priesterschaar, is niet minder krachtig:

 
(1)Op eens betrekt de lucht. Het glansrijk licht verdwijnt
 
Aan 't groot azuuren plein. De zwarte nacht verschijnt,
 
En heerscht in 't middaguur. De holle schimme zweeven.
 
Het water spat van zelf om hoog. De heuvels beeven.
 
Het aardrijk splijt van een. Het loeid met naar geluid.
 
Het vuur barst met geweld ten diepe spleeten uit.
 
Daar rijst een wervelwind, die muuren slaat te mortel,
 
En rukt, met eene vlaag, de bosschen van hun wortel.
 
De op een getastte wolk werpt, in dit ijslijk weêr,
 
Als keijen van om hoog, de zwaarste hagels neêr,
 
Die, met een schel geluid, of klaatrende op malkandren,
 
Het rijk gehalmde veld in woestenij veranderen,
 
En wat in d' open lucht ter deez' tijd wierd gezien,
 
Met slag op slag gekneust, verplett'ren onder 't vlien.

Het is bekend, hoe zeer Vergelijkingen leven en sierlijkheid de Gedichten bijzetten; de

[p. 187]origineel

Vergelijkingen zelve moeten eenvoudig en eigenaardig, doch ook schilderachtig zijn. Hieromtrent is (1)Homerus de meester. Van Haren, gelijk men uit vele plaatsen merken kan, heeft hem hier in nagevolgd, met dat gelukkig gevolg, dat wij bijna geenen Nederduitschen Dichter kennen, welke dit zoo treffende in zijne Gedichten ten uitvoer bragt. Om u hiervan te overtuigen, en te doen zien, hoe onbillijk zulke dichtstukken, als de Friso, verworpen liggen zal ik u door eenige voorbeelden van Haren's kunstvermogen hieromtrent kenbaar maken.

 

De aanval van een leger beschrijft hij aldus:

 
(2)Gelijk een sterke troep van hongerige leeuwen
 
Heet op een kudde valt, en woed in 't aklig schreeuwen,
 
En brullende vernield, en 't knagende ingewand,
 
Door fellen ramp verstoord, verzaad op 't bloedig land;
 
Zoo valt mijn krijgsvolk aan.

Het tweegevecht tusschen Diocaar, den zoon van Segon, en eenen reusachtigen Marder, is ge-

[p. 188]origineel

heel schilderachtig; de laatste valt op den eersten aan met zijne vreestelijke knods:

 
(1)Maar Segons zoon, zoo wel door vaardigheid vermaard
 
Als kragt, ontwijkt bij tijds, en springt hem met het zwaard,
 
(2)Terwijl de knods het slijk vergeefs in 't rond doed spatten,
 
(3)Regt op 't wanschapen lijf; en weet hem stijf te vatten,
 
En drukt hem 't doodlijk staal dwars door de leeuwenhuid
 
In 't week des buiks, en scheurd het, snijdend, daar weer uit.
 
Hij brult van stonden aan, en knerst op zijne tanden,
 
Gelijk een beer, die lang de Samojeedsche stranden
 
Onveilig heeft gemaakt, en eindlijk, in een woud,
 
In touwen listiglijk verstrikt word aangeschouwd,
 
En 't uitgetogen staal der jagers ziet genaken,
 
Om van zijn leven beide en woede een eind te maaken.
[p. 189]origineel

Hoe fraai en kunstig schildert hij ons den vergramden Bagoas, die van kwaad tot erger vervalt, in het zesde boek.

 
(1)Gelijk een heete koorts, die nog in 't allereerst
 
Wat ademtocht vergunt, maar haast ontembaar heerscht,
 
En 't bloed op 't vreesselijkst in de aderen doed kooken,
 
En niets voor de oogen zwenkt, dan ijsselijke spooken,
 
Zoo raast de Booswigt. enz.

Het volgende beeld is voorzeker niet minder schilderachtig en krachtig:

 
(2)Maar naauw word dit geval Bacoas aangebragt,
 
Of hij bemerkt den tijd, met ongeduld verwagt,
 
Waarin hij zijne wraak, met vrugt, in 't werk kan stellen.
 
Een woeste vreugde doet hem 't bloed in d' aadren zwellen.
 
Hij staat, gelijk een Gier, door honger lang getergd,
 
Op 't hemelhoog en koud Emodische gebergt,
 
Die teed're lamm'ren ziet in vruchtb're en groene dalen,
 
En zijn roofzugtig hart daarmee denkt op te haalen,
[p. 190]origineel
 
Die loert op 't oogenblik van dienst voor zijne vlugt,
 
Zijn vleug'len spreid, en rijst, en kerst de dunne lugt.

Denzelfden Bagoas, vol vreugd over een gepleegden koningsmoord, en reikhalzende naar meerdere gruweldaden, vergelijkt hij aldus bij een draak:

 
(1)Gelijk een helsche Draak, geen dorstverligting krijgend
 
Door ingezwolgen bloed, en nog naar meerder hijgend,
 
Met open muil door veld en bosschen heenen streeft,
 
En 't doodlijkst gift uitaêmt voor al wat om hem zweeft;
 
Zijn oogen staan gelijk twee sterren, en geluiden
 
Gaan uit den zwarten mond, die pest en krijg deduiden:
 
Zoo gaat hij, smedende weer nieuwe gruweldaên. enz.

En wat verder schildert hij hem dus:

 
(2)Niet anders dan een Stier, die, langs de woestenijen
 
Van 't groot Numidië, zijn leven moet bevrijen,
 
Door jagers agtervolgd, en 't vreesselijk gebas
 
Der honden reeds aanhoord, als of het naast hem was;
[p. 191]origineel
 
Hij stoot, met woest geweld, en breekt van alle zijden
 
Wat hem verpligten mag den naasten weg te mijden,
 
Den zwaarsten tak van 't woud wipt hij met zijnen hoorn
 
En schuimbekt van verdriet, en loeid en brult van toorn. enz.

De schrik, die echter naderhand bevonden werd ongegrond geweest te zijn, heldert hij dus op:

 
(1)Fluks word een felle schrik in ieder hart gebooren,
 
Men agt zich wederom rampspoedig en verlooren;
 
Geen grooter vrees bevangt een' wankelbaaren geest
 
Voor spooksels in den nacht, en eenzaamheid bevreesd,
 
Wanneer hij, door het licht der zilvre maan bedroogen,
 
Zijn hersen-schimmen meent te hebben voor zijn'oogen,
 
Gedaanten, wezens ziet, verschriklijk van gebaar,
 
Ja zelfs zich inbeeld, dat een stem hem, luid en klaar,
 
Een naderenden ramp of dood koomt voor te spellen;
 
Als konde een spooksel hem Gods raadsbesluit vertellen!
 
Niet anders dan, wanneer het oog een dier bemerkt,
 
Van jongs af aan gehaat, (het zij natuur zulks werkt
 
Of toeval,) en het zelve op 't onverwagtst ziet nadren;
[p. 192]origineel
 
De leden trillen, en het bloed bevriest in de aadren;
 
Zoo ziet men, enz.

In het zevende boek schildert hij de stilte van een Romeinsch Leger, dat aandachtig luistert, aldus:

 
(1)Het gansche Leger stond, aandagtig, opgetoogen,
 
En lette, met ontzag, op des Dictators oogen,
 
Stil, even als, op 't end van eenen zomerdag,
 
De wijde zee zich toont: waar't ooge reiken mag
 
Is geen beweging, jaa geen adem zelv der winden,
 
Of ligte golv, de kust langs glippende, te vinden:
 
De zee gelijkt ook strand: zij, die nog onlangs vol
 
Verwoede baaren was, hier hemelhoog, daar hol,
 
En dreigende, door dijk, en dammen te overromplen,
 
Het aardrijk wederom in d' ouden nagt te domplen.

Van het voortgaand mompelen en morren der krijgslieden zegt hij:

 
(2)Hun toorn groeid, als een Vuur, dat voor aan in een woud
 
Met een verheven vlam word, onverwagt, aanschouwd,
[p. 193]origineel
 
Niet bluschbaar is, en, door een harden wind gedreeven,
 
In korten wijd en zijd verslindende aan koomt streeven,
 
Met ijsselijk gekraak het hoog geboomt verteerd,
 
In eenen modderpoel het loofrijk oord verkeerd,
 
En het bevallige der schaduwrijke hoeken,
 
Aan 's meesters oog vergeefsch in asch en damp doed zoeken.

Den Dictator Papirius, onverzet midden in zijn muitend leger, dat hem dreigt met het blank geweer, teekent hij ons dus af:

 
(1)Papirius wierd nog verstoorder op deez taal,
 
Maar niet in 't minst ontzet voor 't rondom schitt'rend staal.
 
Zoo ziet men, midden in Neptuins Egeesche rijken,
 
Den hoogen Athos staan, als uit zijn duistre wijken
 
Eöol de Winden lost. Zij storten magtloos op
 
De ontzachelijke kruin en onbeweegb'ren top:
 
Niets is er wijd en zijd dan onrust te bespeuren,
 
Het aardrijk loeid, en beeft, en schud, en voeld zich scheuren,
 
Alleen weerstaat hij 't al; kaast dwarlwind en orcaan
 
Met grooter kracht te rug, en jaagt ze zeewaarts aan.

De verwondering van den genen, aan wien een

[p. 194]origineel

gewigtig geheim geopenbaard wordt, drukt hij uit met deze vergelijking:

 
(1)Niet anders dan wanneer men uit een' droom ontwaakt,
 
En, worstlend met den slaap, geen zeker denkbeeld maakt,
 
Jaa twijfelt of men nog in 't ijdel rijk der schimmen
 
Gedompeld legt, dan weer vermogt om hoog te klimmen:
 
Zoo stond de jonge Vorst, wantrouwende in 't begin
 
Zijn oog en zijn gehoor.

Ik zoude uit dit werk, bovenal uit het uitmuntende laatste boek, nog zeer veel fraais kunnen bijbrengen; doch ik ben reeds over dit Heldendicht te breedvoerig geweest. Dit is echter daarom geschied, omdat de Friso, mijns oordeels een tijdperk in onze Dichtgeschiedenis uitmakende, niet genoeg naar waarde geacht, ja bij velen, die prijs stellen op voortreffelijke Dichtwerken, te vergeefs gezocht wordt. Hier en daar zal men, ik beken het, den geest van van Haren's tijd, het geschiedkundig berijmde, nog eenigzins aantreffen, echter zeer zeldzaam.

 

Heeft Willem van Haren uitstekende verdiensten als Heldendichter, hij is nog voortreffelijker als Lierdichter. Wij zullen nu niet

[p. 195]origineel

spreken van zijnen (1)Leonidas en andere afzonderlijk uitgegevene Lierdichten, maar u in zijn geheel mededeelen het voortreffelijk Gedicht, met het opschrift (2)het Menschelijk Leeven, omdat deze Lierzang zeer weinigen bekend, en echter de hoogste toejuiching verdient van allen, die ware dichtkunst hoogschatten.

 
Helaas! helaas! hoe vlieden onze dagen!
 
Hoe spoed zich ieder uur met onzen luister heen!
 
Hoe flaauwe vreugd! hoe bittre plagen!
 
Hoe min vermaak, hoe veel geween!
 
 
 
ô Dierbaar perk van drie tot zeven jaren,
 
Als ieder voorwerp 't oog bekoord, het harte streelt,
 
Och of ze zonder einde waren,
 
Als alles lacht, als alles speelt!
[p. 196]origineel
 
Beminlijk Kind! speel, nuttig u deez' dagen,
 
Want 's Waerelds grootheid schaft aan ons 't genoegen niet,
 
Dat u, door uwen houten wagen,
 
En door uw kaarten huis geschied.
 
 
 
Haast zal men u door strenge meesters leeren,
 
Wat taal Demosthenes verkondde in Pallas stad,
 
En Cicero voor 's Waerelds Heeren,
 
Toen Rome nog de kroon op had.
 
 
 
ô Moeilijk werk, benaauwde en pijnlijke uuren!
 
Ze is maar een schets deez' roe, waarmeê men u kastijd,
 
Der slagen, die ge eens zult verduuren
 
Van 't stuursche lot, in later tijd.
 
 
 
Wat open veld verschijnt daar voor ons oogen?
 
ô Jongeling! hoe werkt uw geest, hoe kookt uw bloed!
 
De driften, in het hart gevlogen,
 
Ontsteeken een' ondoofb'ren gloed.
 
 
 
Jaa! goot gij dan de onafgepeilde stromen
 
Des Oceaans daar op, gij bluschte 't vuur niet uit:
 
Hoe zal de reden het betomen,
 
Zij, die haare oogen pas ontsluit?
[p. 197]origineel
 
Gelijk Aurore, in 't Oosten doorgeblonken,
 
Jaa nog veel schoonder staat de Wellust in haar praal,
 
Haar adem is de pest; haar lonken
 
Verdelgen, als de blixemstraal.
 
 
 
In zulk een strijd ziet gij de dagen klimmen,
 
Gelijk het fris gebloemt zich opheft in een tuin,
 
En wordt een Man. Maar, ach! wat schimmen
 
Omcingelen op nieuws uw kruin?
 
 
 
Nu vlugt de slaap reeds in den vroegen morgen,
 
Jaa, zomtijds heeft de nagt geheel voor u geen rust.
 
Vermoeden, vrees, wantrouwen, zorgen,
 
Verdoven kennis, ijver, lust.
 
 
 
Nu ziet ge eerst klaar de broosheid aller dingen;
 
Hoe min het wuft geluk naar breidel hoort en toom;
 
En hoe de staat der Stervelingen
 
Gelijk is aan een vlugge droom.
 
 
 
Terwijl de vreugde u bloemen schijnt te geven,
 
Ach zieldoorgrievend nieuws! ontrukt u't lot een'vrind,
 
Een' vrouw, beminder dan het leven,
 
Of 't waardste pand, het liefste kind.
[p. 198]origineel
 
Vlugt dan, reis vrij naar afgelegen Staten,
 
Zeil door de middellijn naar 't verre Zuiderland;
 
Hun denkbeeld zal u nooit verlaten;
 
Het staat, het wagt u reeds op strand.
 
 
 
De droefheid is gelijk aan wreede dieren,
 
Verwoeder dan een leeuw, in netten stijf verwart,
 
Doorknagende, als een worm, de nieren,
 
Verscheurende, als een Gier, het hart.
 
 
 
Wie koomt daar aan, vermoeid, en neergebogen?
 
Zijn wenkbraauw is gelijk aan 't ingaan van den nagt;
 
De glans der maan is in zijne oogen;
 
Zijn kruin is 't zwerk met sneeuw bevragt.
 
 
 
't Is de Ouderdom. Waar mag hij toch op wijzen?
 
Wat teekend hij daar gints met zijnen vinger af?
 
Wat hoop van aarde doet hij rijzen?
 
't Is 't eind van alles; - 't is het graf.
 
 
 
Hoe veelen is nog min geluk beschoren,
 
Die de ijzere armoe fel met scherpe tanden bijt,
 
Die nagt en dag het kermen horen
 
Van 't teeder kind, dat honger lijd.
[p. 199]origineel
 
Heeft de aarde dan geen voedsel voor ons allen?
 
ô Hemel! .. and'ren prangt een lighaamskwaal, en doet
 
Hun 't leven onverduurbaar vallen,
 
In 't midden van den overvloed.
 
 
 
Zomwijlen rukt, voor 't eind van uwe dagen,
 
Fortuin uw staat ter neer, gelijk men in het woud
 
Een hogen eik omver' geslagen,
 
Na 't woeden van den wind, aanschouwd.
 
 
 
Dan wordt een dwaas op uwen stoel verheven.
 
't Geweld verwoest uw erf; de laster verft uw kleed;
 
Geen vriend durft zich naar 't huis begeven,
 
Daar 't bleek gebrek den vloer betreed.
 
 
 
Wat is de Mensch, hoe magtig, hoe vermetel?
 
Genaakt het uur, al staat een Heir rondom het Hof,
 
De Koning valt van zijnen zetel,
 
En wordt een handvol asch en stof.
 
 
 
Gij, Gij alleen, oneindig Opperwezen!
 
Gij, Vader en Monarch van al wat was, en word,
 
Hebt geen verandering te vreezen,
 
Noch dat uw' Scepter zij verkort.
[p. 200]origineel
 
D' oude Eeuwen, die voor't menschdom gantsch verdwijnen,
 
En zij, die zullen zijn in laater tijdsgewrigt,
 
ô God! die roept ge? en zij verschijnen
 
Te zamen voor uw' aangezicht.
 
 
 
Gij ziet hen voor uw zeetel henen drijven,
 
Als kielen, langs de zee genoopt door wind en vloed.
 
De eene is bekroond met Vrede-olijven,
 
En de andere bevlekt met bloed.
 
 
 
Gij hebt den Tijd van de Eeuwigheid gescheiden,
 
Gij hebt zijn vleugelen met uwe hand gewrogt,
 
Opdat hij niet te lang verbeiden,
 
En niet te snel vervliegen mogt.
 
 
 
Het Noodlot zit geknield voor uwe voeten,
 
En leest in't heilig boek uw onweerstaanb'ren wil:
 
Maar, als uw oogen het ontmoeten,
 
Verandert alles, of staat stil.
 
 
 
Daar 't Eeuwig Licht een zee verspreid alle uuren
 
Van heil en van geluk uit 's Allerhoogsten schoot,
 
Daar kan geen rouw, geen droefheid duuren,
 
Daar vlugt de smart, daar sterft de Dood.
[p. 201]origineel

Was Willem van Haren, waaraan ik niet geloof dat nu iemand uwer twijfelen zal, een voortreffelijk Helden- en Lierdichter, zijn Broeder (1)ONNO ZWIER heeft hem voor-+zeker nog overtroffen. In den jare 1713 werd hij, waarschijnlijk te Leeuwaarden, geboren; hij was Grietman in Stellingwerf - Westeinde, en een der aanzienlijkste en bekwaamste Staatsmannen van zijnen tijd. Hij had, even gelijk zijn Broeder, zitting in de Vergadering der Algemeene Staten, ook in den Raad der Staten en de Admiraliteit van Amsterdam; als Gevolmagtigd Afgezant in Zwitserland, en als buitengewoon Ambassadeur op de Vredehandeling te (2)Aken, was hij den Staat van zeer veel nut. Schoon

[p. 202]origineel

hij in (1)zoo vele hooge posten werkzaam was, kon dit in hem echter niet verdooven een bijzonderen lust tot de Wetenschappen, en voornamelijk tot de Dichtkunst, welke hij in eenen eenigzins gevorderden ouderdom geheel botvierde, toen

 
(2)Zijn oog, niet meer ontroerd door Staatsveranderingen,
 
Zag uit zijn stil verblijf 't gewoel der stervelingen,
[p. 203]origineel
 
Gelijk de nijvre beij, die honing gaart in 't woud,
 
Het gonsend wespenheir, dat om hem zweeft, beschouwd.

(1)Van zijne volbragte studiën te (2)Franeker en Utrecht tot aan zijne afzondering op het vreedzaam Wolvega, was zijn leven zoo rijk in voor als tegenspoed. (3)De uitgezochtste gaven der goede, maar ook der kwade fortuin waren zijn deel. (4)Aanzienlijk van geboorte boven

[p. 204]origineel

alle Friezen, tot den grootsten invloed en aanzien in dit Gemeenebest verheven, en echter door de bitterste (1)huiskrakeelen vernederd, ja tot (2)tweemalen van huis en aanzienlijke boekerij

[p. 205]origineel

door brand beroofd, geeft hij ons in zijn leven een treffend tafereel der menschelijke wisselvalligheid.

(1)Hij was,’ zegt zijn Lijkredenaar, van een vlug en doordringend verstand, van een scherp en welwikkend oordeel, van een staalen geheugen, welke gaven, indien er gebruik, en vlijt, en in de vlijt aanhoudendheid, en alles overwinnende arbeid bijkomt, gelijk die in den overleedenen onbe-

[p. 206]origineel

twistbaar gezien zijn, eenen groot man vormen, hoedanig een de overledene waarlijk was. Hij blonk bijkans in alle soorten van geleerdheid uit; hij sprak verscheiden talen en zeer vaardig; meer nogtans verstondt hij: hij was een groot geschiedkundige, zo in de algemeene geschiedenissen der wereld, en onderscheidene koningrijken en natien, onder verschillende lugtstreeken, als in de bijzondere van ons Vaderland, eenen doorsleepenen Staatsman zoo noodzakelijk, gelijk ook in die van Gods kerke; een goed Philosooph, vooral in eenig gedeelte van de natuurkunde, een bekwaam Regtsgeleerde, en voor eenen Staatsman een groot Godgeleerde.’ Zulke bekwaamheden voorwaar waren zijnen dichterlijken aanleg niet weinig behulpzaam; een schat van allerlei kundigheden is in alle zijne Werken te vinden, bovenal in zijn dichtstuk (1)De Geuzen.

[p. 207]origineel

Men zoude dit Werk met (1)den verdienstelijken Bilderdijk het best eene Verzameling of Samenstel van Vaderlandsche Lierzangen kunnen noemen. Ieder bevoegd regter moet dezelve voor schoone kunststukken erkennen; alles is hier stout, verheven en schilderachtig; (2)de versmaat is hier en daar wel wat ruw en slordig, en de taal niet zeer beschaafd; men mist, gelijk (3)Bilderdijk te regt aanmerkt, die schoonheden van den tweeden rang, op welke onze leeftijd en landaart zo gezet, zo kiesch en zo keurig is, maar het is vervuld met alle die schoonheden van den eersten rang, te veel in zijnen tijd verwaarloosd. Uit een honderdtal van schoone plaatsen, welke wij tot proeven zouden kunnen bijbrengen, zullen

[p. 208]origineel

wij eenige kiezen, niet om het overige als 't ware daardoor minder te keuren, maar om u, mijne Heeren! en alle ware hoogachters der Nederduitsche Dichtkunst, aan te sporen tot het geheel. Wij rangschikken hetzelve onder de heerlijkste kunstvruchten van den Nederlandschen Zangberg. Dus vermeldt hij b.v. de eerste Watergeuzen:

 
(1)Oranj' en Vrijheid doen herschijnen
 
De Geuzen, welke Dwinglandij
 
Van d'aarde zogt te doen verdwijnen,
 
En 't wit van hare rasernij!
 
Zij rijzen weder uit de baaren,
 
Daar hen de Vrijheid deê bewaren,
 
Toen alles vluchte, boog of viel.
 
Een kleine Vloot is haar vermogen,
 
Maar d'onversaagdheid is in d'oogen,
 
En 't Vaderland in ieders ziel.
 
 
 
Dus, van Collatien vertrokken,
 
De dolk, en bloedig, in de hand,
 
Kwam de eerste Brutus, onverschrokken,
 
Zich toonen aan de Tijbers rand.
[p. 209]origineel
 
‘Romeinen! riep hij, neigd uw ooren,
 
De blijde Vrijheid laat zich hooren;
 
Zij zegt: “Kiest mij of slavernij!”
 
Voor Wetten, of voor Heer, te beeven,
 
Verkiest, of slaav of vrij te leeven!’
 
En 't Capitool weergalmde, ‘Vrij!’

Hoe vernuftig en schilderachtig is, bij het opnoemen der Scheepsbevelhebberen voor den Briel, de episode, waarin ons de reden, die Hendrik Thomasz., een Noordhollander, tot den togt bewogen heeft, eenvoudig, maar niet te min fraai, aldus wordt medegedeeld!

 
(1)De Jonge Thomasz bragt die mannen,
 
Die 't waaterig Noord - Holland zond,
 
Die uit de Rijp en Grafter - bannen
 
De rijksdom's prikkel hem verbond.
 
Met Keetj' aan 't Beemster - meir gebooren,
 
Heeft Thomasz alle hoop verlooren
 
Van zoete Keetje's lieve hand;
 
Gelijk in zeeden, woonplaats, jaaren,
 
In kindsheid reeds in hoop van paaren,
 
Wie had belet haar echte band?
[p. 210]origineel
 
Ach! Keetje's Vader, rijk in gelden,
 
In veenen, weijden, hooi en gras,
 
Wil nimmer Schoonzoon hooren melden,
 
Bij wien een kleiner erfdeel was.
 
Dus als, met d' eerste blink der reeden,
 
De zeedigheid voor alles treeden,
 
En cieren moet een' jonge maagd,
 
Krijgd Keetje last, voor al te vlieden
 
Dien Thomasz, meer dan and're lieden,
 
Die, minder rijk, haar meest behaagd.
 
 
 
Vergeefs gaf Meij toen zagte dagen,
 
De Soomer 't aangenaamste groen,
 
Geen tuin kan Keetje meer behaagen
 
In 't allervruchtbaarst' Ooft - saijsoen.
 
Maar als de vorst, in Wintertijden,
 
Geheel Noord - Holland koomt verblijden,
 
Dan draagd de Liefd' aan vrijsters hulp;
 
Wanneer de Jeugd, op schaats geheeven,
 
De snelle winden - lijk gaat zweeven.
 
Wijl d'Ouderdom bewaard de stulp.
 
 
 
Dan kunnen Minnaars, zonder schroomen,
 
(De gulle vreugde heerscht in 't Land)
 
Op 't ijser en de gladde stroomen
 
Vergaderd, vliegen hand in hand.
[p. 211]origineel
 
Dan leijden Thomasz vlugge schaatsen
 
Zijn hartewensch door buure - plaatsen,
 
Hij drukt de ving'ren, welk' hij houd;
 
En als, wijl Keetj' een weinig ruste,
 
Een zoentje beider lijden suste,
 
Scheen ijs en noorde wind niet koud.
 
 
 
Maar als bij d' Ouders is vernomen
 
Die korte troost, en rust, zo kuis,
 
Werd geene reden aangenoomen
 
Die Keetje bragt uit Moeders huis.
 
Wat zal des Vrijers moed beginnen?
 
‘Koomt,’ zegt hij, ‘makkers! buit gaan winnen,
 
Daar and'ren lokt der Vrijheids glans!
 
Wat s' aan de Geusen mag vertoonen,
 
Laat s' ons met goud en vrijsters loonen!’
 
En honderd man nam aan die kans.

Kon onze van Haren den trotschen en bloeddorstigen Alba afschuwelijker afschilderen, dan op deze allerkrachtigste wijze?

 
(1)Dit alles doet aan Alba denken,
 
Dat Nederland bedwongen is,
[p. 212]origineel
 
(1)Dat geen de minste vouw zal krenken
 
Het blad van die geschiedenis;
 
Dat de Overwinning, sijnen wagen
 
Gevolgd, getuigenis zal dragen,
 
En brengen aan een and'ren Eeuw,
 
Dat hij, in Vrijheid heeft gevonden,
 
En heeft getemd, en heeft gebonden
 
Den sieren Nederlandschen Leeuw.
 
 
 
‘'t Schavot heeft reeds de dood gegeeven
 
Aan elk, die wederspannig was,
 
De goederen van sij, die leeven,
 
Behooren aan des Konings kas.
 
Gaat, willekeurige beveelen,’
 
Zegt hij, ‘gaat ieder en besteelen
 
Hun Oud'ren goed, en Vad'ren erf!
 
Dit Volk moet arm, behoeftig weesen,
 
Van Beedelaars is niet te vreesen,
 
En Vrijheid strekt tot haar bederf!’
[p. 213]origineel
 
Dus hefte zich na Edens zonden,
 
Vernoegd aanschouwende sijn werk,
 
(Wijl d' eerste Ouders schaamrood stonden)
 
En knerste Satan tegen 't zwerk.
 
Maar niet te vreeden met de kwaalen,
 
Die hij op haar dêe nederdaalen,
 
Was nog sijn vuile geest bedacht
 
Op alles, dat na hen zou leeven,
 
En zag, met vreugd, verdoemnis (1)zweeven
 
Op 't allerlaatste Nageslagt.

Het eerste gedeelte der zevende zang is bijzonder voortreffelijk; het boezemt ons in de diepste Godsvrucht, en het levendigste gevoel onzer afhankelijkheid.

 
(2)Maar schoon de duiternis de landen
 
Van d' eene helft van d' aarde dekt;
 
En rust verspreid op deese stranden,
 
Wijl dageraad weer and'ren wekt;
 
Het oog van God blijft altijd waaken.
 
ô Mensch! gedenk in alle zaaken,
[p. 214]origineel
 
Het zij gij diend, of wel gebied,
 
Graveer op 't diepst in uw geweeten,
 
In weelde, of in gebrek gezeeten,
 
Dat u de Godheid stadig ziet.
 
 
 
Ver boven 't Firmament verheeven,
 
Geeft d' Allerhoogste sijne wet.
 
De throon, die deese wet ziet geeven,
 
Is boven lof, en zonder smet.
 
Aldaar is alles reijn en heijlig,
 
Voor 't aardsch' en voor 't bevlekte veijlig.
 
De Deugden speelen om dien throon;
 
Sij offren zuivere gebeeden;
 
Terwijl de zwakke Menschlijkheden,
 
Van verre, bidden om verschoon.
 
 
 
Bij alle Volk'ren aangebeeden,
 
Schoon geen van haar sijn weesen kend,
 
Werd hij gezogt in plegtigheeden,
 
Geleerd bij Khoran, Vedam, Zend.
 
De Wild' eerd hem in lucht, en winden.
 
Elk tracht om sijne wet te vinden;
 
Elk zoekt een tempel in de smart.
 
ô Sterveling! in uw geweeten
 
Is sijne vaste wet gezeeten.
 
Sijn tempel is in 't deugdzaam hart.
[p. 215]origineel
 
Sijn helder oog kan nimmer feijlen,
 
En ziet gelijk ann alle zijd;
 
Het kan 't ongrondelijke peijlen;
 
Het kend de waarheid, meet de tijd;
 
Het wil in deernis wel beschouwen
 
Ons kort vermaak, ons lang berouwen,
 
Ons ongeduld in ramp, en pijn,
 
D' onweerenheid, dat ongelukken,
 
Die leeren onder God te bukken
 
Bewijsen zijner goedheid zijn.
 
 
 
Hij gaf geboorte, kracht, en leeven
 
Aan alle Glooben zonder tal,
 
Welk' in d' onmeetb're ruijmte zweeven,
 
Elkaêr bewaarende voor val.
 
Zo wel die d' afstand doed verdwijnen,
 
Als zij, die onbeweegbaar schijnen,
 
Zijn all' in eevenwigt gezet:
 
En in de loop, of rust, begonnen,
 
Comeeten, Weerelden, of Sonnen,
 
Volgd ieder d' eens gezette wet.
 
 
 
Maar noch die blinkende gevaarten,
 
Wier wigt d' inbeelding naauwlijks vat,
 
Noch gij, geduchte vier'ge Staarten,
 
Planeetens nieuwe leevens - schat,
[p. 216]origineel
 
Sijn voor Sijn' oogen meer in waarde
 
Als 't bloedeloose dier op aarde,
 
(1)Dat kleint', aan 't zoekend oog, verborg;
 
De Vorsten, welk' een land vercieren,
 
Het voedsel, nodig voor de mieren,
 
't Is alles deel van sijne zorg.

Dit is een andere toon van Godsdienstige verzen, als bij de Bijbelrijmelaars van dien tijd.

 

Dan, mijne Heeren! ik ben hier in een al te heerlijk bloemhof geplaatst voor het kort verblijf mij vergund; op deze wijze voorttredende, zal het einde ver te zoeken zijn. Ik moet echter bij het heerlijke tafereel der kuische Rosemond, hoe uitvoerig, u noodzakelijk ophouden; het zoude onvergeefelijk zijn zulke bloemen onachtzaam voorbij te treden, en er u niet oplettend op te maken.

[p. 217]origineel
 
(1)'t Ontstuimig Zwerk nogtans, aan 't woelen,
 
Heeft niet alleen aan Vlaand'rens rand,
 
Maar bittre werking ook doen voelen
 
Aan Walch'rens Wester duijne - kant.
 
Meer oostelijk als d' and're steden
 
Heeft Veere mind're schaê geleeden,
 
Doch hoorde d' ijsselijke wind:
 
En waar zijn harten zonder schroomen,
 
Wanneer m' in noodweer, op de stroomen,
 
Of vader weet, of man, os kind?
 
 
 
Maar niemand heeft in deese wallen
 
Met meerder angst den avondstond
 
In zwarte wolk zien nedervallen,
 
Als gij, deugdrijke Rosemond!
 
't Is juijst agt jaaren thans geleeden,
 
Dat Rosemond, beroemd door zeeden,
 
Haar trouw, de Lang', aan u verbond;
 
Dat gij, gelukkigst' aller menschen,
 
Genoot het toppunt uwer wenschen
 
In 't blij bezit van Rosemond.
 
 
 
't Is waar, wanneer de lentedagen,
 
Met d' eerste blijk van sonnegloed,
[p. 218]origineel
 
Verdwijnen doen de wintervlagen,
 
En 't licht herzoekt de Noordse vloed;
 
Dat jaarlijks uwe nijvre zorgen
 
U, maanden lang, voor 't oog verborgen
 
Van uwe vrouw, en huisgezin:
 
Maar welke vreugd', in najaarstijden,
 
Als vader, huijs en vrouw verblijden,
 
En voeden kwam door sijn gewin.
 
 
 
Hoe vroolijk gleeden dan all' uuren
 
Van 't weer vereende jonge paar!
 
Als in de kou, bij goede vuuren,
 
Sij tellen overwinst van 't jaar;
 
Als zamen aan den disch gezeeten,
 
Na vroeg en matig avond - eeten,
 
In 't langzaam nad'ren van de nacht,
 
Sij hem verhaald, wat kinders zeijden,
 
Die om sijn afzijn dikwijls schreijden,
 
En welke troosten sij bedacht.
 
 
 
Of wel, als hij, in kers - tijds rusten,
 
Op zee - caart toon de aan Rosemond,
 
Waar deese reijs, op Groenlands kusten,
 
De beste nering zich bevond.
 
‘Hier,’ zegt hij, ‘ziet men Hecla branden;
 
Daar was 't, in 't ijs, op Spitzbergs randen,
[p. 219]origineel
 
Dat storm ons 't noodgebed afwrong;
 
De Hemel in dees' oogenblikken,
 
Zag mij voor u alleen verblikken.’
 
Haar oog en hart volgt sijne tong.
 
 
 
Zo lang de Dwinglandij, aan 't woeden,
 
Noch wederstand noch paalen kend,
 
Was hare zorg voor drift te hoeden
 
De Lang', aan hare raad gewend.
 
Maar als nu God, getergd door Spanje,
 
De Vrijheid toonde bij Oranje,
 
Was sij 't, die moedig haren man
 
Vermaand', in krijg, en in gevaaren,
 
Sijn bloed en leven niet te spaaren,
 
Daar God en Land hem roepen kan.
 
 
 
Sij zeid', ‘Ik zal nooijt overleeven,
 
ô Waard', ô dierbaar' Echtgenoot!
 
Den dag, die u de dood zou geeven
 
Voor 't Vaderland op kust of vloot,
 
Maar 'k wensch het einde mijner dagen
 
Veeleer, als dat de Spanjaards zagen,
 
Dat voor 't gevaar de Lange beeft;
 
Of ik 't verwijt zou kunnen hooren,
 
Dat laffe rust hem kon bekooren,
 
Als 't Vaderland hem nodig heeft.’
[p. 220]origineel
 
Hij antwoord: ‘mijner ziels beminde!
 
Mijn welzijn altijd is gewis,
 
Mits Rosemond maar ondervinde,
 
Dat haar de Lange waardig is.
 
Ik ga voor Godsdienst en de Landen,
 
Voor Rosemond en onse panden,
 
De Vrijheid zoeken, of de dood;
 
En 't zal Oranje nooijt berouwen,
 
Wat sijne wil mij mag betrouwen,
 
(1)In Zeelands, sijn', of Geusen nood.’
 
 
 
Hij scheen nog meer te willen spreeken,
 
Maar 't oog gezwollen toont een vloed
 
Van vogt, gereed om door te breeken,
 
Niettegenstaande taeije moed.
 
Maar Rosemond durft vrijlijk storten
 
Die traanen, welk' ons leed verkorten.
 
Een kus scheid haar en haren Man,
 
Een teed're kus, die op de lippen
 
De beide zielen zâem doed glippen,
 
En egte Min maar geeven kan.
[p. 221]origineel
 
Wijl Tweedragt, uit de Hel ontslooten,
 
En tusschen Krijg en Wraak gezet,
 
Door hare toorts, en 't bloed vergooten,
 
Rivieren, Kust, (1)en Dampkring smet,
 
Vuld zagte vreê (de deugdsbelooning)
 
ô Rosemond, uw hart en wooning;
 
In beid' is alles even rein.
 
Geen driften gaan in 't harte zweeven,
 
Geen weelde stoord de rust van 't leeven,
 
Het zeedig huijs is net en klein.
 
 
 
Drie kind'ren, zoet en waarde panden,
 
Gewenschte vrucht van hare trouw,
 
Vermeerd'ren nog de lieve banden,
 
Zo heilig bij de kuische Vrouw.
 
Haar oudste Soon, nu zeven jaaren,
 
Spreekt reeds van over zee te vaaren;
 
Het meisje speelt bij Moeders schoot,
 
De meerd're gunst schijnt haar te spijten
 
Wanneer de Moeders hand, op 't krijten
 
Van 't zuijgend kind, de borst ontbloot.
[p. 222]origineel
 
Een weinig melk, een weinig water,
 
Met meel (1)en eijeren gemengd,
 
Geeft d' eene vroeger, d' and're laater,
 
Het voedzel, eerst op 't vuur gezengd.
 
Terwijl is Moeders oog aan 't dwaalen,
 
In twijffel, waar sij meest kan praalen;
 
't Is egter, of sij 't hoogste prijkt
 
Met hem, die haar is eerst gegeeven,
 
Die verst gevorderd is in 't leeven,
 
Die meest na haren Man gelijkt.
 
 
 
De buijen, die zich laten hooren,
 
't Gehuil der winden in de lugt
 
Koomt deese zoete vreugde stooren,
 
En oorzaakt meenig bange zucht.
 
‘Wie weet,’ zegt sij, in zwaare reegen,
 
‘Wie weet, waar hij nu is geleegen;
 
Of zwerfd, verwaeijd in holle zee!
 
Sij spraaken laast van uit te vaaren,
 
En nergens Spanje's vloot te spaaren,
 
Zelfs niet op Englands kust of ree.
[p. 223]origineel
 
ô Dat men tijden mogt beleeven,
 
Dat ieder zwakke jonge Vrouw
 
Voor haren Man niet altijd beeven,
 
Noch zorg voor Weesen voeden zouw!
 
Voor Weezen?’ - Rosemond, bewoogen,
 
Voeld traanen (1)duisteren haar' oogen,
 
Die hare hand veegt spoedig af;
 
Maar d' oudste kind'ren laaten 't speelen,
 
Om (2)bij de Moeder 't leed te heelen,
 
't Geen ieder vreesde dat hij gaf.
 
 
 
Die kind'ren eijschen nieuwe zorgen,
 
(3)De kindsheid vorderd vroege rust:
 
D' aanstaande nacht, zal, voor de morgen
 
Bereiden kracht en nieuwe lust.
 
De moeijheid blijkt alreed' aan 't gaapen,
 
Een kort gebed verhaast de slaapen,
 
Die slaap is zuiver, ongestoord,
 
Wijl Rosemond, diep in gedachten
[p. 224]origineel
 
Op 't zeemans lot, in zulke nachten,
 
Met zidd'ring elke rukwind hoord.
 
 
 
Maar, denkt se, 't zorgen kan niet helpen,
 
Hij is, ô God! in uwe hand,
 
't Sij hem de golven overstelpen,
 
Of sijne pligt hem vind' aan land!
 
Ik moet voor deese kind'ren leeven:
 
Nog eens de borst aan 't klein gegeeven!
 
En, als de lamp is uitgeblust,
 
Keert Rosemond zich in gebeeden
 
Tot 's Hemels goedertierenheeden;
 
En hare slaap is ook gerust.

Ik weet niet, dat de achttiende Eeuw ons eenig kunststuk schilderachtiger, natuurlijker en gevoeliger heeft geleverd; leest en herleest, bid ik, deze onnavolgbare episode, en vereer van Haren met mij, als den kenner en doorgronder der schuilhoeken van het menschelijk hart, den schilderachtigen Dichter van huisselijke tafereelen, die het regte punt getroffen heeft, om ons op het genoegelijkst te streelen en te roeren. Die bij zulke schilderingen koud blijft, is voor geene poëtische verwarming vatbaar. Van Haren wist, dat zulke voorwerpen den waren

[p. 225]origineel

gevoeligen meest treffen, en bedient er zich met regt meermalen van, b. v:

 
(1)Maar welk is van de schouw-tonneelen
 
Die 't menschdom aan uw oog ontdekt,
 
't Geen allerminst u kan verveelen,
 
Of allermeest genoegen wekt?
 
Het is, wanneer de Moeders borsten
 
Verzachten eigen kind'rens dorsten,
 
En voeden 't kroost dat God haar gaf,
 
(2)Als sij die reed're zuijgelingen
 
Bewaard voor melk van vreemdelingen,
 
En weigerd aan 't ontijdig graf.

Van Haren, niet gewoon anderen slaafsch te volgen, leide zich toe op zulke natuurlijke schoonheden. Hij zocht zijne poëzij niet door overlading van verschrikkelijke woorden en akelige denkbeelden met duistere woordschikking kracht en verhevenheid bij te zetten; hij spaart zulke krachtige trekken voor enkele reizen, en bedient zich

[p. 226]origineel

liever van schilderingen en gelijkenissen, uit die zachte en teedere tooneelen ontleend, waarin onze verbeelding zoo gaarne zich verlustigt, omdat een welgesteld hart er zijn grootst en edelst genoegen in vindt. Tot bewijs strekke nog het begin des twaalfden zangs, waarmede ik dit verslag omtrent de Geusen zal besluiten:

 
(1)Wanneer, door bittre nood gedrongen,
 
Uit Oudren huijs, een éénig Soon,
 
Van sijne Moeders zij gewrongen,
 
In verre landen houd de woon,
 
Dan leefd de Moeder in verlangen,
 
Geen rust kan hare ziel bevangen,
 
Maar hoop en wenschen, dat de dag,
 
De blijde dag voor haar, mag leeven,
 
Die 't waarde pand zal wedergeeven,
 
Dat eens in hare boezem lag.
 
 
 
Doch als de tijdstip is gekomen,
 
Dat se, onverwagt, de tijding hoord,
 
Dat op de kusten is vernomen
 
Een schip, en hare Soon aan boord,
 
Dan weegen uur en oogenblikken,
 
De minste winden doen verschrikken,
[p. 227]origineel
 
Door hare vreesen storm gemaakt:
 
Die zorgen zijn maar opgeheeven,
 
Als in haar' armen is gegeeven
 
Die 't Moeders hart zo teder raakt.
 
 
 
Dan dwaald de stem op hare lippen,
 
Dan zoekt, vergeefs, het kortste woord
 
Uit hare mond verhaast te glippen
 
Door nieuwe woorden weêr gestoord.
 
Sij wil verhalen, sij wil vraagen,
 
Wat sij, wat hij heeft ook verdraagen;
 
Maar nette taal is weg gevlucht;
 
De spraak, in order niet te brengen,
 
Voeld zig met snikken ondermengen;
 
Verwarde klank vervuld de lucht.
 
 
 
Die dag is thans alhier gebooren, enz.

Het zal, na zulke proeven, niet noodig zijn, verdere bewijzen bij te brengen uit de overige Lierzangen, welke afzonderlijk gedrukt zijn, als daar zijd (1)de Vrijheid,

[p. 228]origineel

Vaarwel van een oude Vader aan zijn Soon, enz. (1)de Koopman, de Staatsman, de Schimmen,

[p. 229]origineel

(1)de Komst van de Messias, (2)de Koophandel, (3)de Herschijning, (4)de Landbouw, en (5)de Inënting, om nu niet te spreken van zijne, (6)Dichterlijke Vertalingen. Hij heeft ons

[p. 230]origineel

(1)twee Treurspelen, Willem den Eersten en Agon, Sultan van Bantam, genaamd, nagelaten;

[p. 231]origineel

het laatste verdient zeer veel lof, doch vereischt eenige beschaving.

 

Wij erkennen Onno Zwier van Haren voor het uitstekendst sieraad der achttiende eeuw, die in Poot alleen eenen waardigen mededinger vindt. Het eenparig verslag der Letterkunstige berichten mogen hem, volgens (1)Bilderdijk, alle aanspraak op den eernaam van Dichter ontzeggen, wij, met dezen Hoofddichter van onzen tijd zulke onwetende betweters belagchende, vereeren van Haren, met een warm gevoel, als een Dichter van zeer zeldzame verdiensten, die moed en kunde genoeg had, slaafsche banden te breken, en zich op eene hoogte te stellen, door dichtlievenden van zijnen tijd op verre na niet bereikt.

[p. 232]origineel

Om de verdiensten van de Broeders van Haren naar eisch te waarderen, vergelijke men hunnen dichttrant met dien van andere toen beroemde tijdgenooten, b.v. van den Rotterdam-+mer (1)FRANS de HAES.

 

Het is inderdaad opmerkingswaardig, hoe hier alles verschilt.

Zijn de Gedichten der Vriesche Dichters taalkundig gebrekkig, die van de Haes, met zijne uitgegevene (2)Nederduitsche Spraakkunst overeenstemmende, zijn ten dezen opzigte zonder vlek of rimpel. Zijn de verzen van de eerste, vooral die van Onno Zwier, dikwerf stroef en stooterig, die van den laatsten rollen als van zelve. Is de Friso, zijn de Geuzen hier en daar niet vrij van al te groote vrijheden, zijn de episodes misschien te lang, is het geheel wel wat ongelijk, nu te kort in één gedrongen, dan weder al te wijdloopig, is de woordschikking somwijlen duister; bij de Haes is alles regelmatig, overduidelijk, evenredig, ja als met een passer afgemeten. Zijn de van Harens vrij, luchtig, stout, krachtig, mannelijk, verheven, sierlijk; de Haes is naauwkeurig, stil, zacht, welluidend, gelijkmatig, ja veelal beschroomd. De uitgevers der Tael en Dichtkundige Bijdragen, de hooggeachte

[p. 233]origineel

en beste beoordeelaars van dien tijd, begonnen het Werk van de Haes dus aan te kondigen: ‘(1)De edele Dichtkunst zeker stijgt van trap tot trap, en werdt hoe langer hoe nader aan de volkomenheid gebracht;’ terwijl de Friso als Heldendicht werd uitgekreten voor een onvolkomen lettervrucht, niet te vergelijken bij eenen Gideon, veelmin bij eenen Abraham. De Friso was niet genoeg bewerkt, niet genoeg geregeld; (2)in de tedere lente der kunstoefening des Dichters gevormd en geplukt, ontbeerde dezelve eenen alles rijpmakenden zomer. Hierin werd W. van Haren geprezen, dat hij met Hoogvliet en Steenwijk aan het voegelijk opschrift van een Heldendicht, door het naar den held Friso te noemen, voldaan had. Zie daar de geest van dien tijd! De (3)Poëtische Uitbreiding over de Euangelische Gelijkenis van den Verloren Zoon, in drie boeken, gevolgd van eene lange Bespiegeling door de Haes, was voorzeker tot Heldendicht bevorderd, zoo maar een naam aan dien Zoon in de Heilige bladeren gegeven ware. Van de Geusen werd in de beoordeelingen van dien tijd naauwelijks, of, gelijk wij gezien hebben, met minachting melding

[p. 234]origineel

gemaakt. Zuiverheid van taal, keurigheid van uitdrukking, zoetvloeijendheid waren vóór de van Harens, en bij derzelver tijdgenooten de hoofdvereischten, en daar zij, dank zij hun vernuft, de toorts eener betere dichtwijze ontstaken, zich, door eene al te groote keurigheid noch zuiverheid, van stoutheid noch levendigheid te rug houdende, werden zij, die hierdoor den hoogsten lof verdienden, misprezen.

Het beste dichtwerk van de Haes is buiten twijfel (1)het Verheerlijkte en Vernederde Portugal, bij gelegenheid der aardbeving van Lissabon vervaardigd. Veel eigenaardigs is er voorzeker in deze schildering van den schuddenden grond, die

 
...(2)Door Water, Vuur en Wind in 't hart bestreden,
 
Een barrenende Koorts voelt rijden door zijn leden,
 
Die, onverwacht, aen 't woên, met overforsch geweld,
 
Wat in het lichaem huist in rep en roere stelt;
 
De vochten hollen doet, en met de lucht', bij 't prangen
 
Der adren, worstelen, om vrije vaert te erlangen; Tot
[p. 235]origineel
 
Dat alles schud, en beeft, en trilt van topp' tot teên;
 
Tot dat de gloed, te sterk, barst door de buizen heen;
 
Met vreeselijk geschal, verscheurt des aerdrijks navel,
 
En brandmerkt de opperhuid met plekken van den zwavel
 
En sulfer. De aerdboôm gilt, en kermt op elken stoot,
 
Niet anders dan een Vrouw, van smerte, in barensnood'.
 
Men hoort gekraek, gedreun als van een grooven donder,
 
Die brommend', stommelende en vreeslijk romm'lende onder
 
Den grond, zoo ver het oor kan reiken, henen rolt.
 
De Bosschen huilen; al 't Geboomte suizebolt,
 
Als, door een dwarrelwind, geslingerd en getroffen.
 
De Torens waggelen. Men hoort ze nederploffen.
 
Paleizen, Huis en Kerk, ontworteld en ontkroond,
 
Verzinken, en met haer wat haren grond bewoont.
 
Wie kan het naer gekrijt van Mannen en van Vrouwen
 
En Kindren, in dien nood' verwekt, naer eisch ontvouwen?
 
Ik ijs, als ik herdenk dat jammerlijk akkoord
 
Van klagt en klokgeklep, nooit droeviger gehoord.
 
De Bergen daverden, en loeiden, bij het horten
 
Der toppen tegens een, tot ze op de Rotsen storten,
 
En plompen in den vloed, wiens bodem, zwaer geparst,
[p. 236]origineel
 
Door een verborgen kracht, al krakende openbarst,
 
Dat de Oceaan, van schrikk', tot in zijn diepste kolken,
 
Beroerd, aen 't hobblen raekt, en steigert tot de wolken.

Zulke proeven bewijzen, dat de Haes en andere Dichters van dien tijd, zoodra het ontwerp als van zelve hen noopte tot het krachtige, schilderachtige en sterke, aanleg en vuur genoeg hadden, om uitstekende Dichters te zijn. Is er daarentegen een eenvoudig denkbeeld te schetsen, alles wordt plat en laag. Zoo zegt de Haes b.v., sprekende van Portugals koophandel:

 
(1)Men ziet de Koopzorg hier, bij dag en avond, zweeten.
 
De hoop op groot gewin doet lief en leed vegeten.
 
Mistrouwende argwaan, die elks hart, als 't zijne, krom
 
En avrechts schat, ziet hier, met duizende oogen, om,
 
Als 't op een wisslen gaat, of aenkoomt op het sluiten
 
Eens koops, om andren eer, dan zich, te laten snuiten.
[p. 237]origineel

Onder de Nagelaten Gedichten van de Haes, trok onze aandacht dit krachtig Grafschrift voor een blind, rijk en gierig oud wijf:

 
(1)Hier rot een rimplig Wijf en stekeblinde Prij,
 
Een afgevroete Mol, een snoode Geldharpij,
 
Die tonnen gouds bezat, en echter niets van waerde
 
Voor andren of zich zelf' ooit ovrig had op aerde.
 
De Grafworm, op het dorr' en mergeloos gebeent,
 
Dat nooit het zijne ontfong, verbolgen, mort en steent,
 
En acht het aesloos' rif noch beet, noch knaeuwens waerdig.
 
De ziel, ter hel gedaeld, vond vlam en pekstok vaerdig,
 
Om hear, in 't dal des nachts en eindelooze ellend,
 
Te strekken tot een licht, op aerde nooit gekent.

Wij erkennen de Haes voor een oordeelkundig, stichtelijk en keurig Dichter, voor een niet geheel onwaardig nakomeling van den grooten Gerard Brand en den geestrijken Kasper van Baerle.

[p. 238]origineel

Verhief zich Rotterdam destijds op zijnen stichtelijken Bijbel- en Zededichter de Haes, het naburig 's Gravenhage roemde mede op eenen Godvruchtigen Dichter, die zich door zijne Psalmberijming, Stichtelijke Gedichten en Gezangen, +veel lofs verwierf; wij bedoelen (1)JOANNES EUSEBIUS VOET.

Deze bespeelde met veel losheid de gewijde snaren:

 
(2)Triumph! Triumph! Immanuël
 
Vaart glorierijk naar boven!
 
Triumph! Triumph! de dood en hel
 
Zijn uit het veld verstooven! -
 
De juichtoon, die mijn Cymbaal slaat,
 
Laat zig door niets bepaalen;
 
De snel gewiekte Dageraad
 
Zou hem niet achterhaalen;
 
Hij vliegt den drang der wolken door
 
Tot in het zalig Hemelkoor
 
En volgt den Zegewagen. enz.
[p. 239]origineel

Doch in alle Gedichten van hem heerscht niet de juiste smaak. Door de Werken van (1)Boddaert opgewekt, door Schutte en Badon, zijne kunstvrienden, aangemoedigd en ondersteund, gewoon zijne Werken (2)door Godgeleerden, Taal- en Dichtkundigen van allerlei geboorte, rang en geleerdheid te laten beschaven, aan het leerstellige en symbolische gehecht, verloor hij dat natuurlijke en eenvoudige, hetwelk nog in sommige zijner eerste Gezangen doorstraalt, en liet zich tot den verkeerden smaak, toen bij vele Kerkelijken zigtbaar, verleiden. Dus bezong hij b.v. Jezus Schoonheid, en schreef te gelijk eene (3)Verhandeling over den Geestelijken Smaak.

 
(4)Mijn God en Heiland!.............
 
Ontfonk mijn hart nu met een kool van 't zoenaltaar;
 
Door 't duivewiekje van uw Geest in vlam geblaazen,
 
Op dat dit heilig vuur zich met mijn woorden paar',
 
En ik uw Sion doe op lekkernijen aazen. -
 
Och! dat Loruchama mijn taal in 't harte eens drong!
 
Och! zag ik den Euphraat en Ganges palmen spreiden!
 
En 't rijke Scheba voor den Koning, dien ik zong,
 
Het geurig reukwerk tot zijn outerdienst bereiden!
[p. 240]origineel

Zulk eene tale Kanaäns van Dichter en Leeraar heete toen roerend en treffend, schoon de menigte, die ze met een geloovig hart aannam, er dikwijls geen woord van verstond. Wij zullen bij den Dichter Trip hiervan meerdere bewijzen bijbrengen. Voet had veel vernuft, eene gemakkelijke versificatie, lossen zwier en eene bevallige eenvoudigheid. Hij bezat zeer veel aanleg tot het vervaardigen van goede geestelijke Gezangen, hetgeen inderdaad niet zeer gemakkelijk is. Jammer dat hij zich niet maar bij zulk eenen ongekunstelden dichttrant bepaalde, als b.v. in zijn Heilig Stilstaan doorstraalt. Alles is hier eenvoudig, gemoedelijk, zacht en stil, zonder echter laag of plat te zijn:

 
(1)Helaas! waar worde ik heen gevoert!
 
Hoe slinger ik op 's waerelds stroomen,
 
Door nieuwe winden steeds beroerd!
 
Waar zal mijn kiel ten anker komen?
 
Ik heb gezwoegd, geslaafd, gezweet,
 
En nu voor dit, dan dat, verlangen
 
Mijn zorg, en rust, en geld, besteed,
 
En, als ik heb mijn wensch ontfangen,
 
Hijgt staâg mijn ziel op nieuws naar meer,
 
Of vindt zig in haar keus bedrogen,
[p. 241]origineel
 
Of 't voorwerp mindert keer op keer
 
In zijn bezitting in mijn oogen.
 
'k Heb hoven lustrijk aangelegd,
 
En sierlijk vijvers laaten graaven,
 
'k Heb mij een speelhuijs opgeregd,
 
En knegten in mijn dienst doen slaaven,
 
En aan mijn oogen slaap ontroofd,
 
Om, ook uit 's waerelds andre hoeken,
 
Koraalen, steenen, planten, oost,
 
En wat er vreemd was, op te zoeken. -
 
Maar, laas! wat heeft dit alles in?
 
Ook 't geen ik reeds nu heb ontfangen?
 
Ik vinde in zijn bezitting min,
 
Dan in 't vergadren, en 't verlangen.
 
Zoo ras doet niet de morgenstond
 
Mij op het laauwe dons ontwaaken,
 
Of ik bedenk en zoek in 't rond,
 
Wat mij die dag toch zal vermaken,
 
Het wandlen, visschen, of de jagt,
 
Of het doorsnufflen van mijn boekeu,
 
Of het gezelschap dat mij wagt,
 
Om tijdverdrijf in 't spel te zoeken:
 
Maar nu stoort dit, dan dat verdriet
 
Al mijn bejaagde vergenoegen,
 
En dat 'er 's avonds overschiet
 
Is moeite, ziekte, of zielewroegen. -
[p. 242]origineel
 
Hoe zalig zijn zij, die omhoog
 
Dit rustloos woelen zijn ontvaaren;
 
En, op den blaauwen starreboog,
 
Gaan hand aan hand met de Englenschaaren
 
Bij 't eeuwig ongeschapen Licht;
 
Daar zij, van duisternis ontheven,
 
Beglanst door 't Godlijk aangezigt,
 
In ware vreugd gestadig leven.
 
Daar hier omlaag de grootste vreugd
 
Vervliegt met de allervlugste schagten,
 
En slegts 't bestendige in de deugd,
 
En haar' gevolgen is te wagten.
 
Helaas! wat is een sterveling!
 
Gelijk een schaduw vlugt zijn leeven,
 
En onder 's hemels starrenkring
 
Is niets, dat duurzaam rust kan geeven.

Deze dichtwijze is geenszins schitterend noch stout, maar zij is eigenaardig en stichtelijk.

Iedere dichtsoort moet op eene haar bijzonder eigene wijze behandeld worden; geheel iets anders vereischt het Heldendicht, geheel iets anders het Kerkdicht; Minne- en Krijgszangen vorderen verschillende toonen; Leer- en Zededichten, Wijsgeerige Dichtbrieven, moeten wel verlevendigd door vergelijkingen, en inmengsel van wel gegroepte beelden; maar zijn niet berekend voor

[p. 243]origineel

die vlugt en die verheffing, welke aan het Lierdicht eigenaardige kracht en werking bijzet. De Bespiegelingen voorgesteld in Dichtmatige Brieven van de Amsterdamsche Dichteres +(1)CHRISTINA LEONORA de NEUFVILLE missen levendigheid en vastheide. Zulk eene taal, als:

 
(2)Het schrander schepsel, door de Godheid Mensch genoemd,
 
Dat hoog de Majesteit van zijnen Maker roemt
 
Door wondren, tot wier nutte opmerking onze levens
 
De tijd ontbreekt, bestaat uit geest en ligchaam tevens;

is proza. Alles moet ook hier stevig en schilderend, duidelijk zonder te plat, bondig zijn zonder te ingewikkeld te worden. Goede wijsgeerige Dichters vermijden het duistere; een gebrek, waartoe de Neufville wel eens, en na haar vele anders verdienstelijke Dichters vervallen zijn. Men zoekt bij deze lang en dikwerf te vergeefs naar de ware meening en den juisten zamenhang.

[p. 244]origineel

Het eerste vereischte van alle taal, en dus ook van allen dicht, is verstaan te worden. Onverstaanbare woord- en zinschikking, alleen voor den Dichter zelven, in hooge verbeelding, duidelijk, al is het in de gladste versificatie, is niet anders dan

 
(1)Homlen, stomlen en gedruis,
 
Daar Lijsbet vlooit den deken,
 
Heis op, heis neer in 't knekelhuis.

De dwaasheid dezer pijnelijke zinsverduistering brengt razernij voort, wanneer men verlevendiging zoekt door allerlei geratel, gekraak en gebulder van knarsende duivels en loeijende orkanen, opdonderende uit afgronden en sulferkolken, krielende van helsche spoken en bliksemspugende draken. De bevallige Dichtkunst schuwt zulke akelige voorwerpen. Niets is meer van het zedelijke en wijsgeerige, dat zachtheid en stilte ademt, verwijderd. De kracht moet uit de zaken, niet uit schel- en hardklinkende woorden geput worden. De Dichtkunst moet overal, en bijzonder in het wijsgeerige, eene fakkeldraagster en bloemenstrooister zijn; zij moet door vergelijking en

[p. 245]origineel

beeldspraak het duistere verhelderen, het afgetrokkene zigtbaar maken; zij moet het zwakke denkvermogen sterken, den geest door levendigheid onderschragen, en alzoo, den sterveling opbeurende, hem opwaarts voeren, zoo dat hij in geestelijke en hemelsche bespiegelingen deele. Zulk eene geestverheffing zal men te vergeefs bij de Neufville zoeken, wier bespiegelende Dichtbrieven met bijna tweemaal zoo vele Ophelderingen in onrijm, door haar zelve, moesten toegelicht worden. Het bulderende kan men haar echter niet te last leggen. Een enkele maal wordt het zwaar weder, zonder schade te doen aan eene kiesche dichtkunde.

 
(1)Nu vreest ge, in't zuivren van de lucht, de donderslagen,
 
De bliksemvlammen, die het stoutste hart vertsagen;
 
Dan doet een onweêrwind, een bulderende Orkaan,
 
Als hij uw' Vloteling verrast op d' Oceäan,
 
Uw' Steêling siddren, die, vol doodängst, vol verlangen,
 
In 't loeijen van den storm de weeklagt waant te vangen,
[p. 246]origineel
 
Te hooren 't laatst Vaarwel, gezonden van de vloot,
 
Aan Vader, Broeder, Vriend, aan Kroost en Echtgenoot.

Hare (1)Vertalingen uit het Fransch zijn vloeijend. Zij was eene vrouw van veel studie en belezenheid, eene ijverige minnares van wijsgeerte en natuurkunde, doch haar ontbrak het noodig vernuft, om, de natuur in hare diepste schuilhoeken opsporende, de voorwerpen met den schitterenden glans der verbeelding op te helderen. Zulk een geest, zulk een dichtvermogen versierde den uitmuntenden Trip, bij wien wij nu eenige oogenblikken zullen stilstaan.

 

+(2)LUCAS TRIP was een man van geleerdheid en aanzien. De waardigheden van Raadsheer en Burgemeester zijn door hem in zijne geboortestad Groningen met luister bekleed. Het dichterlijk schoon uit de echte bronnen puttende, verhief hij zich boven het lage van zijnen tijd. Hij vervalt wel tot het gebrek van al te harde en onnatuurlijke spreek-

[p. 247]origineel

wijzen, en mengt, gelijk de kunstkeurige (1)de Bosch te kennen geeft, te veel het geheimzinnige van den geopenbaarden Godsdienst in zijne Gedichten, waardoor alles, dikwijls in plaats van verheven, laag wordt; maar zijn (2)Tijdwinst in Ledige Uuren bevat tevens de heerlijkste en fraaiste trekken van oorspronkelijkheid en stoutheid; alles kenteekent den verstandigen en kunstigen Dichter, b. v:

 
(2) Wat is een hand vol aardsche schatten?
 
Wat hooge staat? bewijrookt' eer?
 
Een waterbubbel, naauwlijks meer
 
Dan louter lucht, die onder 't vatten
 
De holle hand met schijn bedriegt,
 
Of met uw' adem henen vliegt?

Bij de verwoesting van Jeruzalem beschrijft hij de pest aldus:

 
(3)De onzienelijke Pestpijl snort
 
Bij 't schemerlicht der naare wolken,
[p. 248]origineel
 
Langs merkt en heiligdom; en stort
 
Een talleloos getal van volken,
 
Door 's Hemels brandmerk blaauw gevlekt,
 
In 't voetzand neer; daar 't onbegraaven,
 
Versmaad van gieren en van raaven,
 
Zijn naaste bloed ten walge strekt.

Zijn Gedicht (1)Godt zichtbaar in het Onaanzienlijke: vertoont in de beschouwinge van een Kei, Blaauwbesse en Vlieg, overtreft alle zijne Gedichten. Diepe kennis der natuur, ware dichtkunst, zuivere Godsvrucht maken het geheel éénig in zijne soort. De houding, overgang en uitvoering, alles is voortreffelijk. Zonder het overige iets te willen benadeelen, strekken deze kunstige regels, bij de beschouwing der blaauwbesse-plant, tot eene proeve:

 
(2)Konstenaars in waterwerken,
 
Die de vogten opwaarts jaagt!
 
Kan uw tuigkunde ons beperken,
 
Hoe de stam, die 't plantje draagt,
 
't Groeizaam nat weet op te pompen;
 
En het voert van steê in steê?
[p. 249]origineel
 
Neen! gij bloost, en ziet de sneê
 
Van uw fijn vernuft verstompen.
 
 
 
Stam en steelen zijn de pijpen,
 
Die uit zijnen wortelbak,
 
Waar in daauw en regen sijpen,
 
't Voedend sap in blad en tak
 
Door de vezeltjes verspreiden,
 
En van klepje in klep het vogt,
 
Als een watermolentogt,
 
Naar de naaste slootjes leiden.
 
 
 
Maar wat vogt? zijn 't waterkegels
 
In het stookhuis van Natuur
 
Naar de alwijze scheppings regels,
 
Saamgeklont uit zoet en zuur?
 
Zijn 't gekante, of ronde bollen,
 
Van gemengeld kruidernat?
 
Klootjes, die, van vat in vat,
 
Duizend on een haarbreed rollen?
 
 
 
Groote Godt! ik zie uw vinger
 
In de zaak; maar, werwaarts heen
 
Mij de Wijsbegeerte slinger'
 
In haar vorming, 'k vat er geen.
[p. 250]origineel
 
't Oog met Leuwenhoeksche glazen
 
Welgewapend, ziet zich blind,
 
Daar het kleen geen endpaal vindt.
 
Kennen wijkt hier voor verbaazen.

Wij bevelen dit heerlijk dichtstuk hun ter lezing en herlezing aan, die het natuurkundige juist en dichterlijk willen gadeslaan; zij zullen telken reize nieuwe schoonheden, meerdere voortreffelijkheid ontwaren.

Dan de onpartijdigheid vereischt, dat wij ook iets van het gebrekkige van dezen Dichter aanwijzen. Er heerscht eene harde, al te gezochte en gekunstelde tegenstelling en overbrenging in zijne geestelijke Gedichten; b. v:

 
(1)O Schepper, die me schiept, herschep! herschep mij weder,
 
Om 't dierbaar kruisrantsoen van uw' geliefden Zoon!
 
Ontdek, o Middelaar! mijn Bartimeus oogen!
 
Meng de aardsche midd'len aan met vogt van uwen mond!
 
Beziel uw bloedfontein met artzenij - vermogen!
 
Zoo werd' mijn blind verstand verhelderd en gezond.
 
De vinger van uw' Geest herstel d' ontspannen trommel
 
Van mijn verward begrip, en onopmerkzaam oor. enz.
[p. 251]origineel

Nu eens noemt hij den Zaligmaker (1)Alfa van 't Verbond, dan weder (2)Hemelsche Advocaat. Hoe jammer is het, dat zulk een krachtig Dichter, als Trip, somwijlen tot zulke platte en gezochte uitdrukkingen vervalt! Trip, aan zijnen eigen geest overgelaten, was vol vinding en natuurlijk vernuft. Doch men had hem in het Theologische aan eenen verkeerden kunstsmaak, toen alomme geroemd, gewend. Alles moest ten sterksten gekleurd worden, en ten krachtigsten afsteken, b. v:

 
(3)Of mach men ongestraft den voet
 
Aan 's Hemels erffenisse stooten?
 
Het onwaardeerbaar Goëls bloed
 
Met onbesuisde verkenspooten
 
Vertrappen in een moddergoot
 
Van lusten; Godt in 't aanzicht spuwen;
 
Van Jezus bloed als onrein gruwen;
 
En lachen met den baaren dood?

Hier is kracht en wansmaak vereenigd. Be-

[p. 252]origineel

rispenswaardig zijn zulke uitdrukkingen, als (1)Wraakfiolen, of het

 
(2)Pappig lijm, in 't weefgetouw
 
Van 't werkende genadeleeven.

Dan genoeg, om u de ligt verschoonbare gebreken van dezen uitmuntenden Dichter te doen kennen; eenen Dichter, die door zijnen kleinen bundel te regt eenen grooten en onuitwischbaren roem verworven heeft.

 

Op meerdere kieschheid dan Trip mogt zich +zijn vriend, de beschaafde (3)PIETER HUIZINGA BAKKER, beroemen.

Deze was een man van een sijn oordeel omtrent onze dichtkunde; zijne werken ademen smaak en bevalligheid. Zijne Poëzij is vol geest en verstand, keurig van taal, en niet zelden stout

[p. 253]origineel

krachtig. Om u een blijk te geven van het vuur, dat dezen edelen vriend der Dichtkunde bezielde, zullen wij u dit gedeelte van een zijner (1)Klinkdichten tegen de Engelschen, in het drie of vier en tachtigste jaar zijns levens vervaardigd, mededeelen:

 
Hebt gij dien woesten aart gezoogd uit beesten spieren?
 
Getoogen uit dat vleesch, uw dagelijkschen beet,
 
Dat gij, met bloed, met al, als Canibaalen vreet,
 
En woest verslindt, verscheurt, als havikken en gieren?
 
Het gras en veldgewas voedt vreêgezinde dieren,
 
Vleeschvraatzugt maakt den wolf en tijger woest en wreed,
 
Het rund graast in de wel, doet niemand schade of leed,
 
d' Een ijlt naar roof, daar die veel zagter zeden sieren.
 
Naar wie toch zweemt ge 't meest, ô Britten! van gemoed? enz.

Huizinga Bakker is, mijns oordeels, een Dichter van ongemeene verdiensten. Alles is bij hem eenvoudig, los en met de juiste woorden uitgedrukt.(2)De Geboortegroet aen

[p. 254]origineel

Hylas, welks begin wij tot eene proeve kiezen, kan ten bewijze strekken van zijnen naïeven dichttrant.

 
Heden hebt gij, achttien jaeren,
 
's Leevens wufte zee bevaeren,
 
Met des lighaems schip gezeild:
 
Zelden hebtge nog, bij 't spoeden
 
Op de tuimelende vloeden,
 
't Zeil gereefd, den grond gepeild.
 
't Was nog vaeren met een' roeier,
 
Dobbren in een boot of boeier,
 
Op een binnenlandschen vloed;
 
Daer men zorgloos, onder 't zingen,
 
Roer en riem of zeil kan dwingen,
 
Nu met meêr, dan minder, spoed.
 
't Was nog los en onbedreeven,
 
Langs de stranden van dit leeven,
 
Onbekommerd, onberaên,
 
Zonder oogwit, voortgetoogen,
 
Daer men schaers opmerkende oogen
 
Dagt op kaert of koers te slaen.
 
In dit speelend zorgloos zeilen,
 
Was de schipper traeg in 't peilen,
 
En de stierman min bedagt,
 
Of het zeil eens gijpte en kraekte,
[p. 255]origineel
 
Of de kiel een gaeping maekte,
 
't Werdt slegts lugtig uitgelagcht.
 
Nu, maer nu, zal 't errenst worden,
 
Nu behoort, met wisser orden,
 
Beter kennis, vaster geest,
 
't Ligchaems schip de reis te waegen:
 
Ligte vloeden, heldre dagen,
 
Speelzeilagien, zijn geweest. enz.

Ons bestek verbiedt ons bij zijne Hekeldichten en andere uitmuntende Werken verder stil te staan.

 

Schoon Huizinga Bakker niet behoorde tot die Dichters, welke door eene stoute vlugt, edele hoogdravenheid of vindingskracht zich verheffen, toont hij echter overal keurigheid, vernuft en schildering. Hij heeft grooten rijkdom van welgepaste woorden, aardige vonden, goede gedachten, en geestige wendingen. Alles heeft bij hem iets van de eenvoudige en stevige dichtwijze van vroegere dagen:

 
(1)Hij wist zijn Zangvriendin der ouden tooi te geeven,
 
Hun nette eenvoudigheid, 't eenvoudige verheven:
 
De onafgebroken vlijt van 't oeffenend verstand
 
Schonk hem een vaste hand.
[p. 256]origineel

Het zoud ehier de plaats zijn, te gewagen van eenen (1)Cornelis Elzevier, (2)Gerard Muyzer, (3)Isaak van Nuyssenburg, en vele anderen der toen bloeijende Dichters; dan daar deze noch onder de meest bekende, noch onder de allerlofwaardigste Dichters behooren, gaan wij liever over tot de beroemde +Echtgenooten (4)NICOLAAS SIMON van WINTER en Lucretia Wilhelmina van Merken.

[p. 257]origineel

Van Winter mag met regt een keurig en levendig Dichter genaamd worden. De Amstelstroom, in den vloeijenden trant van Smits Rottestroom vervaardigd, kan den twijselachtigen hieromtrent overtuigen; daar is alles los en bevallig, het zij de Dichter ons bloemen schildert, waarvan

 
(1)Dees verheffen steile topjes;
 
Genen duiken in het gras;
 
Andren zoomen 't spiegelglas,
 
't Stroomnat met hun schoone knopjes.
 
Wat verschil ontdekt zich hier
 
In de wortels, in de zaden,
 
In de takjes, in de bladen,
 
In de rankjes, los van zwier!

het zij hij ons de zwanen, die in den Amstel duiken en dartelen, dus afbeeldt:

 
(2)De een spoelt hals en borst en pluimen,
 
In het fladdrend waterwed;
 
De ander, die de vleugels net,
 
Doet het bruisschend water schuimen.
 
Deze zwemt, met snellen spoed,
 
Door de tuimelende baren;
 
Die zien we, onder 't spelevaren,
 
Wenden, draaijen, in den vloed.
[p. 258]origineel

Hoe gepast en verstandig is niet in dat zelfde Gedicht het volgende, bij de beschouwing van een Kerkhof, aan stad noch kerk verbonden!

 
(1)Zo plagt ook, in vroeger tijd,
 
Bij de dappre Batavieren,
 
't Groen de stille wijk te sieren,
 
Aan der dooden rust gewijd.
 
Bloedverwant en rouwgenooden
 
Dekten met geen' marmren steen,
 
Maar, bij klagten en geween,
 
't Ruime graf met groene zooden.
 
't Bijgeloof, hoe trots door waan,
 
Blind in ijver, snood in zeden,
 
Had natuur nog niet vertreden;
 
Had, schijnheilig, niet bestaan
 
Rondöm bedehuis en kerken,
 
Ja, in kerk en bedehuis,
 
Graf bij graf, en kluis bij kluis,
 
Als iets heiligs af te perken. enz.

Ik zoude hier gemakkelijk andere schoone proeven kunnen bijbrengen; dan men zal ook uit deze het dichtwerk genoeg kunnen beoordeelen.

 

De Jaargetijden, eenigermate gevolgd naar het Engelsch van Thomson, zijn in eenen meer deftigen trant gedicht. ‘De Dichtkunst,’ zegt

[p. 259]origineel

van Winter voor dit Dichtwerk: ‘door eene Christelijke Wijsbegeerte gesterkt in het beschouwen der schepselen, te doen dienen tot eer van den grooten Schepper, is mij altoos voorgekomen haar verhevenste gebruik te zijn: ik heb dit naar mijn vermogen trachten te doen, en hoope mijne pogingen niet nutteloos aangewend te hebben.’ Onzes oordeels, is hij in dit zijn doel gelukkig geslaagd. Niet zoo goed slaagde hij, volgens sommigen, in het Treurspel; schoon zijn Monzongo, naar mijn inzien, op veel dichterlijks roemen mag.

 

Misschien bestond er nimmer een paar door zuivere liefde en schitterende dichtverdiensten tevens zoo verbonden, als van Winter en zijne nog +meer beroemde Echtgenoot (1)LUCRETIA WILHELMINA van MERKEN. De laatste, in den jare 1722 te Amsterdam geboren, werd reeds vroeg door haren Neef, den kundigen Dichter Frans de Haes, met de voortreffelijkste vernuften van haren tijd in kennis gebragt; hierdoor, maar bijzonder door eene dagelijksche oefening in de werken van Vondel, Cats en de Decker, gaf zij haren natuurlijken aanleg tot de dichtkunst werking en leven. In de schriften der beste oude Nederlandsche

[p. 260]origineel

Dichters was zij door eene herhaalde lezing zoo gemeenzaam, dat een geoefend lezer vele schoone trekken van hun in hare Gedichten ziet doorstralen. Door haar huwelijk met den keurigen van Winter werd hare zucht tot de poëzij meer en meer opgewakkerd; zijne kunde en geoefend oordeel kwam haar uitmuntend te stade. Na een leven, bij allen te regt geroemd wegens buitengewone nuttigheid en zeldzame dichtvermogens, overleed zij te Leijden in den jare 1789.

Na reeds in 1745 het Treurspel Artemines in het licht gegeven te hebben, verscheen in 1762 van haar het voortreffelijk Leerdicht het Nut der Tegenspoeden; dit is, mijns bedunkens, vooral niet het minste van hare werken; het is vol van eenvoudige sieraden, b. v:

 
(1)Wat schenkt de Rijkdom haar' bezitters op dees aard?
 
Een huis, een handvol gouds: is dit uw wenschen waard?
 
Doetdit, met zoo veel krachts, naar zijn bezit u haaken?
 
Dekt dan de ruwe pij zo warm niet als 't scharlaken?
 
De nijvre werkman word door kou de minst geraakt.
 
Van weinig houts word een verwarmend vuur gemaakt.
[p. 261]origineel
 
Al vormt de laage hut geen prachtige vertooning
 
Voor ons hoogmoedig hart, 't is echter ook een wooning;
 
Zo wel een rustplaats op de groote levensreis,
 
Als d' allerruimste zaal van 't vorstelijk paleis:
 
Of hoont die laagheid u, doet u die engte vreezen,
 
Daar haast een kleene kist u ruim genoeg zal weezen?
 
Geen wooning, hoe gering, die geen verblijf verstrekt.
 
De mensch is wel gehuist, zoo hem geen schuld bevlekt.

Wij zullen dit zinrijk Gedicht niet verder openslaan, uit vrees van ons te lang daarbij op te houden, waartoe het ons allezins uitlokt. Godsdienst, Wijsbegeerte en Dichtkunst hebben met vereenigde pogingen van Merken in dit en andere Werken ten dienst gestaan, waardoor hare Gedichten te gelijk ernstig, verstandig en stichtelijk zijn. Achter dit Leerdicht heeft men eene Verzameling van Brieven en andere Gedichten, waarvan vele lof verdienen.

Wij zullen niet, als verblind door hare waarlijk groote en buitengewone verdiensten, beweren, dat hoogdravendheid en stoutheid in de Gedichten van deze uitmuntende Vrouw doorstralen; neen, zij deelde ongelukkig in de gebreken van haren leeftijd; maar dit durven wij staande houden, dat zoetvloeijendheid, sierlijkheid, bevalligheid, fijn gevoel en kiesche smaak hare pen bestuurden; daarenboven zijn hare Werken

[p. 262]origineel

vol van de schoonste lessen, en als zoodanig van een onberekenbaar nut.

Vier jaren na de zoo even genoemde Verzameling kwam het bekende Dichtwerk David in het licht. Wij hebben bij den Abraham van Hoogvliet onze gedachten omtrent dergelijke dichtstukken medegedeeld; ook dit moeten wij geheel op den David toepassen, doch tevens verzekeren, dat geene dichtstukken van dezen aard, mijns oordeels, zoo bevallig behandeld zijn, als de David. De woede van Saul, de liefde van Michol, de vriendschap van Jonathan, alles is levendig, en met de ware onderscheiding behandeld. Wij zullen uit dit algemeen bekend en te regt geroemd Werk geene proeven bijbrengen; hetzelve is een van die weinige, nuttige en bekoorlijke werken, welke, in een aantal brave, godsdienstige en kunstlievende huisgezinnen, te regt de genoegelijkste uren van voorlezing en aangename stichting verschaffen.

Meerderen roem van krachtige en stoute poëzij verdient de (1)Germanicus. Het eenige, hetgeen ons in dit Dichtwerk voornamelijk hindert, doch hetwelk, wat het dichterlijke betreft, weinig ter zake doet, is de stof, het onderwerp. Ware een Claudius Civilis, Arminius of een ander onzer dappere en tegen het Romeinsche juk worstelende

[p. 263]origineel

voorouders de held des Gedichts geweest, en dus de zaak als 't ware omgekeerd, het zoude eene meer aanlokkende en streelender lezing verschaft hebben; doch, wij herhalen het, als dichtstuk heeft het uitmuntende verdiensten. Hoe fraai is onder anderen de (1)beschrijving van het bezoek van Germanicus in het bosch van Teutoburg! b.v.:

 
(2)Sints Varus ongeval, zes jaaren reeds geleên,
 
Wierd deeze plaats geschuwd door vreemden en gebuuren.
 
Geen doodscher stilte waart bij de omgestorte muuren
 
Van steden, door 't geweld gesloopt en uitgemoord,
 
Rondom 't verlaaten puin, dan in dit aaklig oord.
 
Dees stilte werkt met kracht op Romes legerschaaren;
 
Elk zucht, en ducht, dat hier zijn dierbre vrienden waaren,
 
En hoort, in zijnen waan, 't gekrijt van 't geestendom.
 
Op 't ritslen van één blad, zien gantsche benden om,
 
Als of zij langs zich heen die schimmen zagen zweeven. enz.

De geheele beschrijving is voortreffelijk; het slot bovenal, war Germanicus met zijnen vriend

[p. 264]origineel

Titus een belangrijk gesprek heeft, is vol natuurlijk gevoel:

 
(1)Ach! Titus, zegt hij, hoe veel helden dekt dees aard'!
 
Doch schoon het denkbeeld van hunn' ramp mijn hart bezwaart,
 
Nog sterker treft mij 't lot van zo veel duizend menschen,
 
Die thans hier 't laatst vaarwel aan hunne vrienden wenschen,
 
Door 't aaklig denkbeeld, dat geen een van dit getal
 
Na honderd jaren tijds op de aard meer leeven zal.
 
Dit, antwoord hem zijn vriend, is 't lot der stervelingen.
 
Al de aarde is een toneel van standveranderingen,
 
Ligt dat dit zelfde bosch, korts rood van Romes bloed,
 
Hier na een akker wordt, die 't laate nakroost voed;
 
Ligt zal de landman, als zijne ossen 't kouter trekken,
 
Door 't stooten van den ploeg, nog eens de plaats ontdekken
 
Waar Romes dierbaar kroost door u thans rust geniet;
 
Ligt dat hij, graavend, hun verbroken speeren ziet,
[p. 265]origineel
 
En op hunn' hollen helm, door roest belet te blinken,
 
Bij 't roeren van den grond zijn ijzren spaê hoort klinken;
 
Daar hij, al siddrend, zijn verschrikt gezicht mistrouwt,
 
Als hij het overschot van 't heldenkroost beschouwt.

Wie herinnert zich hier niet eene (1)menigte van uitmuntende plaatsen van Latijnsche Dichters? Zulke navolgingen zijn prijzenswaardig. Genoeg bekend, nooit genoeg geroemd is de treffende en gevoelige schilderij, welke de Vader der Dichtkunst, Homerus, ons geeft van den edelen (2)Hector, afscheid nemende van zijne waarde Andromache, terwijl de teedere As-

[p. 266]origineel

tyanax voor 's Vaders helm, met pluimen versierd, angstig wegschuilt, en Hector, na het afleggen van den helm, het lieve kind op zijne armen neemt, kust, en, om hoog tillende, de Goden bidt. Deze schilderij gelooven wij, dat van Merken voor den geest gehad heeft, bij het schilderen van het afscheidnemen door Germanicus van zijne echtgenoot en kinderen, een der fraaiste plaatsen van dit werk. Het is voorwaar te beklagen, dat onze Nederduitsche Dichters zich niet meer in Homerus oefenen, ten einde uit deze heerlijke bron fraaije vergelijkingen, aandoenelijke tafereelen en schoone beschrijvingen te putten. (1)De kundige de Bosch heeft den weg tot dit levend water ook voor hun geopend, die der Grieksche tale onkundig zijn; zoo dat ook dezen nu eenen vrijen toegang hebben, en als van Merken, schoon op aanwijzing van anderen, in hunne Gedichten meesterlijke trekken van den oudsten en grootsten Dichter kunnen ontleenen.

 
(2)Hij droogt, meedogend, haar de traanen van 't gezicht;
 
Kust kleenen Cajus, en het jongstgeboren wicht,
[p. 267]origineel
 
Die naauw' hun' vader in zijn wapenrusting kennen,
 
Doch aan den glans daarvan welhaast hun oog gewennen,
 
Daar zich het teder jongske, aan kindsche vreugd gehecht,
 
In 's vaders schild, als waar 't een rustbed, nederlegt,
 
En 't zoogend wicht, bekoord door 't prachtig hoofdsieraadje,
 
Den helmtop aanlagcht, op 't beweegen der pluimaadje.

Zie daar een kiesch gebruik maken van voorbeelden; een enkele wenk was genoeg, om haar uitstekend vernuft op te wekken. Ik zal u noch bij den uitmuntenden (1)lofzang der Duitsche Vrouwen, noch bij de meesterlijke beschrijving van den (2)storm en het levensgevaar van Germanicus en de zijnen, noch bij de (3)mannelijke taal van Catumarus, eene kroon weigerende, noch bij zoo vele andere fraaije gedeelten van den Germanicus, noodigen, overtuigd, dat het geheel, in al zijne voortreffelijkheid, u genoeg bekend is.

[p. 268]origineel

(1)De ware Geluksbedeeling, Brieven en Nagelaten Gedichten van deze Dichteres hebben veel goeds; onze aandacht trof bijzonder (2)het onderscheid tusschen Zijn en Leven, aan N.N. op zijn Verjaardag, een Gedichtje, dat op veel naiefs zich beroemen mag.

Hare (3)Treurspelen, niet, gelijk die van anderen, naar Fransche voorbeelden gevolgd, hebben, als oorspronkelijke werken, waarde, te meer daar zij door eenen levendigen dichttrant en eene goede en vaste schildering van karakters en hartstogten uitmunten. Aan dezelve ontbreekt echter die verwarring en ontwikkeling, welke men in deze soort van Dichtwerken gewoon is te verlangen.

Van Merken, wier naam op ieders tong, wier werken in ieders handen zijn, zal roem behouden, zoo lang men aan de schoone kunne en aan ware verdiensten hulde bewijzen zal.

 

Ook andere Vrouwen versierden toen den Nederlandschen Zangberg. Ons Vaderland, dat ten allen tijde op keur van Letterminnaressen zich verheffen kon, kweekte toen, in onderscheidene Gewesten, geachte Dichteressen. Groningen roem-

[p. 269]origineel

de op eene (1)Anna van der Horst; Vriesland op (2)Cynthia Leenige, en met Overijssel op de verdienstelijke (3)Clara Fyoena van Sytzama, gelijk Utrecht met Zeeland zich verhief op (4)Petronella de Timmerman en op eene (5)Sara Maria van Zon; te gelijk was Holland met reden trotsch op de keurige van der Wilp, en Bataafsch Braband op de begaafde de Lannoy.

[p. 270]origineel

Aller verdiensten in het licht te stellen, zou ons tot genoegen zijn; dan wij zijn reeds te wijdloopig geworden, en bepalen ons daarom tot de twee laatste, die ook door de meeste bekendheid zich aanbevelen.

 

+(1)SARA MARIA van der WILP, wier waardige Vader, Willem Fredrik van der Wilp, met grooten roem van geleerdheid als Conrector in de Latijnsche Schole te Amsterdam onderwijs gaf, had voor de vorming van haren smaak dien kunstlievenden Vader veel te danken.

Na in den jare 1757 (2)eene vertaling tot proeve gegeven te hebben, gaf zij later blijken van haren dichtgeest, door eene verzameling van hare Gedichten, welke zich veelal aanprijzen wegens keurigheid van taal, goeden smaak en schilderachtige voorstelling. Tot een voorbeeld kan strekken het begin van het Gedicht op de Vrede te Aken gesloten.

 
(3)Wanneer, na buldrende onweêrvlagen,
 
En winterstormen, met meer glans
 
De morgenzon aan 's Hemels trans
 
Uit de oosterkimmen rijst, en brengt de lentedagen,
[p. 271]origineel
 
Dan lacht al 't omgelegen veld,
 
En van den blijden zang der schelle nagtegaalen,
 
Weêrgalmen bosschen, heuvels, dalen,
 
Waar al het pluimgedierte om strijd zijn vreugd vermeld.
 
 
 
Dan mag de herdersknaap, gezeten
 
In 't lommer van een vrugtbre streek,
 
Daar 't loof zig spiegelt in de beek,
 
Weer, speelende op zijn riet, het bar saizoen vergeeten,
 
Terwijl zijn vrolijkhupplend vee
 
In 't malsche klavergroen, den honger mag verzaaden,
 
Waar hen geen roofziek wild kan schaaden,
 
En 't veldtapijt verstrekt een zachte legersteê.
 
 
 
Zo rijst ook, na veel oorlogsrampen, enz.

Of wil men een kort, maar krachtig, voorbeeld uit het uitmuntend Gedicht, Bethlehems Kindermoord:

 
(1)Daar rukt men 't kind van moeders volle borst.
 
Men kletst zijn hoofd te plettren aan de steenen,
 
En werpt het wicht verachtelijk daar heenen,
 
Van brein en bloed te deerelijk bemorst.
[p. 272]origineel
 
De legerknaap, gevoelloos voor ontfermen,
 
Rukt gints een zoontje uit moeders klemmende armen,
 
Terwijl zij 't dacht te bergen in dien nood.
 
Zij kermt, en smeekt om teder mededoogen;
 
Vergeefs, helaas! hij moort het voor haare oogen,
 
En spot, terwijl hij 't lagchen wicht doorstoot.

Deze verdienstelijke Dichteres was geboren in 1716, en overleed in 1803.

 

+Nog meer verdient eene bijzondere aandacht JULIANA CORNELIA de LANNOY, die te Breda in 1738 het eerste licht zag, en aldaar in den bloeijenden ouderdom van 44 jaren overleed.

(1)Der Fransche en Engelsche talen magtig, ja der Latijnsche eenigermate kundig, wist deze Barones, die

 
(2)... zacht van aart, maar vol van moed en leeven
 
Door de aandrang van Natuur tot dichten wierd gedreven,
[p. 273]origineel
 
Van haare teerste jeugd met weetenslust bezield,
 
Haar boeken, toen alreeds, voor haar gespeelen hield,
 
En zonder 't minst gelei van kennis, maag of vrinden,
 
Geheel verwonderd was zich op Parnas te vinden,

wist, zeg ik, deze Baronnes, door oefening gesterkt, hare plaats op den Nederduitschen Zangberg met roem te handhaven.

 

In 1767 gaf zij het uitmuntend Treurspel Leo de Groote in het licht, en in 1770 het Beleg van Haarlem, alomme geroemd. In 1776 volgde Cleopatra. Hare Treurspelen zijn, mijns oordeels, voortreffelijk, en boven die van velen harer tijdgenooten verre te stellen. Hare Dichtkundige Werken gaf zij in 1780 uit. De Brieven zijn in eenen vrolijken trant geschreven, en prijzen zich aan door dezelfde geestigheid en losheid, welke zoo zeer doorstraalt in het meer uitvoerig Hekeldicht (1)het Gastmaal. Om u eene proeve te geven van dezen haren dichttrant, strekke het Gedichtje, genaamd de Onbestendigheid:

 
(2)Moest eindlijk Babylon in puin en asch verkeeren,
 
Die stad, die 't gansch Heelal verwondring heeft gebaart!
[p. 274]origineel
 
En gij, ô Nineve! dat zo voortreflijk waart,
 
Kon niets den ondergang van uw Paleizen weeren?
 
Moest Titus Zegeboog zijn luister ook ontbeeren!
 
Is Piza's heerlijk Beeld door d' eeuwen niet gespaard!
 
Ja zag men 't woedend vuur, dien Tempel zo vermaard,
 
Epheze's wonderstuk in eenen nacht verteeren!
 
ô Pharos! wierp de tijd uw trotsche vuurbaak neer!
 
Mauzool is van uw graf het minst bewijs niet meer!
 
In 't kort, kan niets op aard zijn eersten glans bewaaren?
 
Wat reden heb ik dan om zoo verbaasd te staan,
 
Dat, naa den trouwen dienst van agt of negen jaaren,
 
Van mijn balijnen rok de haak is afgegaan?

Hare Lierzangen echter blinken onder hare Dichtkundige Werken beter uit. Om van de overigen niet te spreken, (1)de Lof der Heerenvan der Does, van der Werf en van Hout, heeft, zoo wel als (2)de ware Liefde tot het Vaderland, vele uitmuntende verzen.

Na haren dood, in 1783, heeft de ijverige Bilderdijk hare Nagelaten Dichtwerken uitgegeven. Vele geestige stukjes komen in deze Verzameling voor; dan dezelve onderscheidt zich niet

[p. 275]origineel

alleen door vernust, maar ook door kracht en verheffing. Om u hiervan te overtuigen, zullen wij den aanhef van den Lierzang voor 's Lands Verdedigers, ter gelegenheid van den Zeeslag bij Doggersbank, mededeelen.

 
(1)'t Is edel, met gelijke krachten,
 
In spijt van vuur, en staal, en dood,
 
Den Vijand restig af te wachten;
 
Dan zelf is de overwinning groot;
 
Maar de overmagt en duizend dooden
 
Te trotsen, tot men Zege erlang':
 
Dit voegt alleen aan halve Goden,
 
Aan Helden van den eersten rang.
 
 
 
Breekt door, verrukking! vreugdetraanen!
 
Breekt door een wolk van kommer heen!
 
Hoe zoet is 't u een weg te baanen,
 
Daar niets dan ramp te duchten scheen!
 
Wie zijn ze, die beroemde Braaven,
 
Daar gantsch Euroop het oog op vest?
 
Triumph! triumph! het zijn Bataven!
 
Men kweekt er nog in ons Gewest.

Zulk eene uitstorting van overstelpt gevoel, het ware kenmerk der Poëzij, was toen zeldzaam,

[p. 276]origineel

en toont eenen mannelijken dichtgeest, ver boven de zoete en verwijfde rijmelarij van vele tijdgenooten verheven.

Wij vereeren deze zeldzame vrouw als eene Dichteres van veel verdiensten, die met eenen gelukkigen uitslag

 
...(1)zich fier aan 't Schouwtoneel dorst wagen;
 
Die driemaal op Parnas eene eerkroon weg mogt dragen,

en van wie men met grond mag zeggen, dat haar

 
(2)geest, bestraald met Godlijk vuur,
 
In Lier- en Heldendicht de kunst huwd' aan natuur.

Pronkten onderscheiden gewesten toen op keur van Dichteressen, de voorgang, de aanmoediging van keurige Dichters bragt daartoe veel bij. Wie denkt hier niet aan het Amsterdamsche dichtgezelschap, waarin een (3)Pieter Meijer, (4)Henri Jean Roullaud, Asschenberg, de Bosch, van Steenwijk, Pater, van Winter, Hartsen, Lut-

[p. 277]origineel

keman en anderen zich beijverden, om eene van Merken en van der Wilp door leer en voorbeeld op te wekken? Niet dat wij van dezen kring zekere ongewone verheffing van Dichtkunde afleiden, dit zij verre; zij vertaalden met goed gevolg de Fabelen van Gellert, vervaardigden eene fraaije (1)Berijming der Psalmen en keurige (2)Christelijke Gezangen; zij hadden eenen beschaafden en stichtelijken dichttrant, waardoor zij zich meer onderscheidden dan door vinding of geestdrift.

In dien kring, waar een de Bosch, Pater en van Steenwijk den godsdienstigen ernst hunner kunstgenooten geboeid hielden, ontspande een (3)HERMANUS ASSCHENBERGH+ door zijne korte en geestig berijmde Vertelsels de langgerekte aandacht. Niet veel dichterlijks, doch veel vermakelijks hebben zijne Gedichten, waarvan dit tot voorbeeld strekken kan:

(4)Tedere liefde.
 
Na lange droogte kwam een zachte en milde regen
 
Op 't kwijnend aardrijk neergezegen.
 
Dit zagen Jaap en Piet met vergenoeging aan.
[p. 278]origineel
 
Jaap sprak, door blijdschap ingenomen:
 
‘Al wat in de aarde is, zal nu frisch te voorschijn komen,
 
En onze wensch zal zijn voldaan.’
 
‘'k Verlang geenzins,’ sprak Piet, ‘naar zulke groote gaaven:
 
'k Heb, vóór agt dagen eerst, mijn wijf daar in begraaven.’

Het zoude echter niet moeijelijk zijn uit andere Gedichten van hem te toonen, dat hij geenszins voor eene deftige dichtwijze geheel ongeschikt was. Zijne Tooneelspelen zijn zonder verheffing.

 

Gaarne gewaagden wij, zoo ons bestek zulks gedoogde, nog iets van den Salomon, de Euangelische Liederen, Zedespelen en Nagelaten Gedichten van (1)WILLEM HENDRIK SELS;+ of van de Oorspronkelijke Dichtwerken, Vertalingen, Nieuwste Poëzij en andere niet onverdien-+stelijke werken van den scheikundigen (2)PIETER JOHANNES KASTELEIJN; dan ik moet dezen, met den geleerden Geneesheer (3)Hermannus Gerardus Oosterdijk en an-

[p. 279]origineel

dere Amsterdamsche Dichters, voor ditmaal met stilzwijgen voorbijgaan, om nog van anderen als ter loops te gewagen.

Het was toen, zoo het scheen, der Geneeskunst bijzonder gegund met de Dichtkunst te huwen. De Poëzij klom als een teedere en steunbehoevende wijngaard welig op tegen dezen vasten en statigen olm. Een Macquet in Zeeland, een Stijl in Friesland, beijverden zich, om eene lossere en betere dichtwijze te bevorderen; de Verhandelingen inzonderheid van (1)JAN MACQUET+, over (2)het schoone in de Poëzij, over (3)de voortreffelijkheid der oude en hedendaagsche Poëten, behalve andere van zijne (4)Dichtlievende Uitspanningen, zoo in gebonden als

[p. 280]origineel

ongebonden stijl, waren hiertoe strekkende. Zijne geestelijke Gedichten, (1)hoe ongepast van opdragt, zijn over het geheel genomen levendiger dan de toen nog heerschende smaak scheen toetelaten. Onder zijne Mengeldichten munten eenigzins uit, (2)de Mensch, een verheven en laeg Wezen, (3)Jaargetijden, (4)ter Gedachtenis van den Admiraal Heemskerk en (5)Koridon, Veldzang, op den dood van een eenig Zoontje. Beide laatsten, hoe verschillend, daar het eene vol kracht en stoutheid, het andere vol schildering en zachtheid is, kenmerken op verschillende wijzen het dichtvermogen van Macquet. Als gedwongen om uit één van dezen eene proeve bij te brengen, bepalen wij ons bij dit gedeelte uit den Koridon:

 
(6)Wie zal Alekzis nu door bosschen, landen, weien
 
Verzellen? Wie voortaen genoeglijk spelemeien
[p. 281]origineel
 
Op jeugdig klavergroen, voor vaders aengezicht,
 
Daer hij in lenteschaeuw en buiten zorgen ligt?
 
Wie zal in 's vaders hand zijn teere handjes klappen,
 
En danssend naest de zij van vader dorpwaert stappen?
 
Wie loopt, als vader keert, bij 't nadren van den nacht,
 
Voor uit naer Silvia, die hare lief de wagt,
 
En roept, door vreugde op 't zien van moeder ingenomen,
 
‘Goên avond, moederlief, zoo straks zal vader komen.’
 
Wie geeft nu Silvia een lekkren morgenzoen?
 
Wie valt haer om den hals, wie volgt haer in het groen,
 
Als zij de koeien melkt, en weet door kouten, vragen
 
Naer naem van koei en schaep zijn moeder te behagen?
 
Wie streelt haer, als ze in huis door zorgen is bezet?
 
Wie brengt zij 's avonds nu al kussende te bed?
 
Nu lieve Koridon hunne oogen is ontweken.
 
Voor wien zult gij nu meer en vee en boomen kweken,
 
Alekzis? Ach voor wien ent gij nu lekkre peer
 
En blozende appelen, voor wien zult gij nu meer
 
Uw land bezaeien? Door uw klaverrijke weiden
 
Een kronkelende beek van gindsche heuvels leiden?
 
Het vee door u gekweekt, 't geboomt door u geplant
 
Groeide op met Koridon. enz.
[p. 282]origineel

Van dezen (1)aanzienlijken en begaafden Geneesheer gaan wij over tot den niet min achtenswaardigen +(2)SIMON STIJL, wiens afsterven allen, die op braafheid en kunde prijs stellen, nu onlangs trof. Het zoude, na hetgeen de kundige en ijverige Scheltema zoo krachtig, voor weinige dagen, geschetst heeft, overtollig zijn, hier iets verder aan te stippen; genoeg zij het te melden, hoe de leerling van eenen Valckenaer, de vriend van eenen Schrader en Higt, (allen door hunne Latijnsche, de laatste ook door Nederduitsche Dichtwerken beroemd) overal doorstraalt, en ons in zijne Dichtwerken blijken geeft doordrongen te zijn geweest van eenen zuiveren smaak, gezogen uit Grieksche en Latijnsche bloemen; hiervan kunnen de zoo krachtige (3)Mityleners, hiervan kan de (4)Vrijer naar de Kunst, en vooral de geestige Krispijn Philosooph getuigen. De Slotzang ter liefde van het Vaderland, (5)achter zijn heerlijk werk over de opkomst en bloei der Ver-

[p. 283]origineel

eenigde Nederlanden is, gelijk Scheltema, niet zonder grond, zegt: (1)‘een der fraaiste proeven van het beschrijvend Leerdicht, welke immer in eenige taal is gegeeven; een dichtstuk, waarin de zwier en keur van uitdrukking met kracht en klem gepaard zijn, en hetwelk ten bewijze verstrekt, wat een Dichter vermag, die eene rijke verbeeldingskracht door een juist oordeel regelt.’ Alles is eenvoudig en toch krachtig. b. v:

 
(2)Een algemeene trek, den stervling ingegeeven,
 
Doet hem zijn Vaderland beminnen, naast het leven
 
En d' appel van zijn oog; een diepgeplante zucht
 
Doet alles haaken naar zijn Vaderlandsche lucht,
 
Zijn Vaderlijken grond, en lang bekende Steden.
 
Hiertoe werkt alles meê, gewoonte, spraak en zeden,
 
En 't lief herdenken aan de onnozelheid der jeugd,
 
Zo lustig doorgebragt in zorgelooze vreugd.
 
Trek van den Noordpool naar de dorstige Abyssynen;
 
Elk mint zijn sneeuwspelonk, of dorre zandwoestijnen.
 
De Samojeed veracht zijne ijsgebergten niet,
 
En Tarter noch Sarmaat geeft blijken van verdriet.
 
Geen uitheemsch paradijs zal hun gezicht bekooren,
[p. 284]origineel
 
Voor 't woest en bar gewest, waarin zij zijn gebooren;
 
Zelfs daar de Dwinglandij haar snoodste vierschaar spant,
 
Blijft nog in 't slaafsch geslacht een zucht voor 't Vaderland.

Treffend is de volgende zoo juiste teekening van den Nederlander:

 
(1)Dees Landaard, zacht van geest, genegen tot den vrede,
 
Trok nooit, dan tegen dank, het slagzwaard uit de scheede;
 
Maar schroomde ook vuur noch staal, noch Koninglijke magt,
 
Zodra 't getergde bloed aan 't zieden wierd gebragt.

Van zijne losse Gedichten roemen wij onder anderen den (2)Lierzang op de Onsterflijkheid der Ziele. De godsdienstige en wijsgeerige vastheid, die den edelen Stijl in alles bezielde, blinkt hier bijzonder uit. Deze Dichter, geacht van alle weldenkenden, stierf in Bloeimaand van dit jaar (1804), in den ouderdom van 73 jaren, en geniet thans de vervulling van die hoop, die hem voor lang reeds in vele wisselvalligheden opbeurde:

[p. 285]origineel
 
(1)Verheven hoop! wien zoudt gij niet bekooren,
 
Wie wenscht u toch te bannen uit zijn hart,
 
U, die het graf en alle kerkers tart?
 
Als 't lichaam sterft, dan wordt de ziel herbooren.

Beijverden zich op het einde der achttiende Eeuw, meer dan te voren, kundige en geleerde mannen, om der Vaderlandsche Letterkunde van nut te zijn; stipten wij aan, hoe een Voet, Oosterdijk, Macquet, Stijl en andere Geneeskundigen de Nederlandsche lier niet ongelukkig bespeelden; ook bekwame Regtsgeleerden, eerlijke Staatsmannen waren ten dezen niet achterlijk, maar bragten volvaardig het hunne toe, tot aankweeking onzer Dichtkunst. Om een enkel bewijs bij te brengen, noemen wij slechts HIERONIJMUS van ALPHEN, in den+ voorleden jare (1803) aan de Vaderlandsche Letteren ontrukt. Schoon als Prokureur - Generaal van den Hove van Utrecht, als Pensionaris van Leijden, als Thesaurier - Generaal der Unie in de hoogste en belangrijkste werkkringen geplaatst, wijdde hij onvermoeid zijne bespaarde uren nu eens der Regtsgeleerdheid, dan weder der Godgeleerdheid, somwijlen der Geschiedkunde, dikwerf der Dichtkunde.

[p. 286]origineel

Zijne uitgave van (1)Riedels Theorie der schoone Kunsten en Wetenschappen, met vele bijvoegsels, had veel invloed op de wetenschappelijke beoefening der Dichtkunde in ons Vaderland; of dezelve der ware Dichtkunde voordeelig geweest zij, zullen wij hier niet onderzoeken, veelmin toestemmen; genoeg zij het te melden, dat van Alphen door zijne (2)Proeve van Stichtelijke Mengelpoëzij, (3)Gedichten en Overdenkingen, (4)Mengelingen in Poëzij enz., en laatstelijk door zijne (5)Proeven van Liederen en Gezangen voor den Openbaren Godsdienst, als stichtelijk Dichter bij velen met roem bekend is. Het zij ons vergund aan te merken, dat hij, onzes oordeels, lof verdient door zijne (6)Kindergedichtjes en (7)Nederlandsche Gezangen.

Het is niet zoo gemakkelijk, als de meesten in den eersten opslag wanen, Gedichtjes, voor der kinderen bevatting geschikt, zamen te stellen; die van van Alphen zijn proefondervindelijk welbe-

[p. 287]origineel

hagelijk gevonden; zeer velen hebben het zelfde met hem gepoogd, en geen is met zoo gelukkigen uitslag bekroond geworden. Ik weet wel, dat eene gemakkelijke versificatie hier veel afdoet; maar dit toch weet ik ook, dat de eenvoudige taal van het kinderlijk hart, zonder plat of laag te worden, te bezigen, aan weinigen met van Alphen gegeven is. De naam van dezen kinderlievenden Dichter zal steeds in waarde blijven bij deugdzame ouders en leergierig kroost.

De (1)kleine bundel der Nederlandsche Gezangen bevat, naar mijn oordeel, de beste dichtstukjes, door van Alphen vervaardigd; tot een voorbeeld strekke een gedeelte van (2)het Bestand:

 
Slijt nu eens geruste dagen,
 
afgestreden Vaderland!
 
Doet den oorlogstrommel zwijgen,
 
hangt de wapens aan den wand! -
 
Haalt nu adem, jonge helden,
 
en verlaat het oorlogsveld;
 
Ach! ik zie uw zogende egaês,
 
van hun dartlend kroost verzeld,
 
Sprakeloos aan uwe voeten,
 
en, door blijdschap schier ontgeest,
[p. 288]origineel
 
Schreiend toonen, hoe angstvallig
 
ze in uw afzijn zijn geweest.
 
Ach! omhelst uw lieve wigtjes,
 
drukt hen aan uw vaderhart!
 
Geeft uw vrouwen duizend kussen
 
voor haar tranen, voor haar smart.
 
Dikwijls zag men haar verslagen,
 
met een bleekbestorven mond,
 
Aan de legerboden vragen,
 
wie geveld was, wie gewond? -
 
Jonge Elize wagt, verlangend,
 
op de thuiskomst van haar held,
 
Dagt te vliegen in zijne armen,
 
toen zijn dood haar wordt gemeld.
 
Wonden, die wel moed getuigden,
 
maar geen heelkunst ooit genas,
 
Velden hem, die s'lands beschermer,
 
en Elizes blijdschap was.
 
Zij, die straks bevallig bloosde,
 
zingend uitzag, zwijgt verbleekt,
 
Kan niet schreijen; starende oogen
 
zijn het slegts, waar 't hart in spreekt.
 
Spraakloos schijnt ze tog te vragen,
 
waar zijn lijk is, waar zijn graf,
 
Wie hem, in zijn bangste stonden,
 
troost en artzenijen gaf?
[p. 289]origineel
 
Ach! verzwijgt uit medelijden,
 
met wat smarten hij ontsliep;
 
Hoe hij, met verstijfde lippen,
 
nog om zijne Elize riep,
 
Hoe hij, met gebroken oogen,
 
rondzag, maar geen egaê vondt;
 
Zwijg het eeuwig, zulke pijnen
 
maken al te diepen wond.
 
Treur Elize! zie ons weenen!
 
ja gij mist uw troost en vreugd:
 
Maar - voor 't vaderland te sterven
 
is beloning voor zijn deugd.

Van Alphen sleet de laatste jaren zijns levens wel ambt- doch niet werkeloos, en zamelde toen ijverig in den oogst van jeugdigen letterbouw.

 

Gedachtig aart ons (1)gezegde wegens onvermogen, om de menigte Dichtwerken dier dagen naar eisch op te tellen, veelmin dezelve met gezette vlijt te lezen en te beöordeelen, laten wij de voortbrengsels der vruchtbare Genootschappen Kunstliefde spaart geen Vlijt en Kunst wordt door Arbeid verkregen, zelfs de Dichterlijke Handschriften onaangeroerd; wij willen niets onttrekken

[p. 290]origineel

aan de verdiensten van de minder bekende (1)Joannes van Spaan, (2)Josua van Iperen, (3)Carolus Vlieg, (4)Johan Pieter Broekhoff, (5)Simon van der Waal, (6)Isaak de Clercq en een groot aantal anderen, on-

[p. 291]origineel

der welke een (1)Hendrik Houtam en (2)Otto Christiaan Fredrik Hoffham onderscheiding verdienen; maar wij

[p. 292]origineel

zullen alleen ten slotte nog melding maken van de meer bekende Nomsz, Bellamy en Nieuwland, alle beroemde Dichters, waarvan de twee laatsten, bijzonder uitmuntende, in den (1)bloei hunner jaren den Vaderlande ontrukt zijn.

+De ijverige (2)JAN NOMSZ, aan wien de Schouwburg zoo groote verpligting heeft, daar zijne menigvuldige, zoo wel oorspronkelijke als vertaalde, Spelen juistheid, keurigheid en gemakkelijkheid, niet zelden kracht in zich besluiten, verdiende inderdaad beter lot, dan in een Gasthuis van algemeene armen een behoeftig leven te eindigen.

 
(3)... Men heeft zijn dienst aan 't schouwtoneel vergeten. -
[p. 293]origineel
 
(1)Zoo gij voor 't schouwtoneel uw geesten af wilt slooven,
 
Kom dan toch hoon op hoon door taai geduld te boven,
 
Al put ge uw krachten uit, de hoon is hier uw prijs;

was reeds zijn zeggen voor bijna veertig jaren, en hij voegde er bij:

 
(2)Ach! zo ik van mij zelv' eens, uit een vrije borst,
 
Hoe klein mijn kunstkracht zij, één woordje spreken dorst -
 
Ik denk het is genoeg, wanneer u word verhaald:
 
Dat geen Meceen mij ooit één nachtkaars heeft betaald.

Het is hier de plaats niet te onderzoeken, of hij zich zelven zijnen armoedigen staat te wijten heeft gehad, of te beweren, dat, daar bij echte Dichters de grootste vergelding is de

 
(3)---- achting, hun betoond,
 
Hun grootste loon bestaat in niet te zijn beloond;
 
 
 
dit is mijns oordeels zeker, het was de pligt ge-
 
weest van Bestuurders van den Schouwburg, ter
[p. 294]origineel

liefde der kunst, hem voor zoo kommerlijk een leven, en voor zoo rampzalig een sterven te bevrijden; de verwaarloozing van dezen pligt bewijst, indien men er anders aan mogt twijfelen, dat de ware Dichtkunst ten Schouwburge toen weinig of geene aanmoediging vond.

Het uitgebreidste en meest bekende zijner Werken is de Willem de Eerste. Schoon een dier zoogenaamde Heldendichten van vorige dagen, welke alle blijken dragen, van bij poozen, op gezette tijden, in een gemakkelijken leuningstoel, met het geschiedverhaal ter zijde liggende, op rijm gebragt te zijn, heeft het echter hier en daar zeer fraaije regels, en toont alzoo, op vele bijzondere plaatsen, dat een meer krachtig dichtvermogen, een helderder licht reeds begon door te breken. Men zie b.v. waar

 
(1)..... Alva komt, verzeld van al de plagen
 
Die de afgrond ooit tot straf van 't menschdom op deed dagen:
 
De schrik, met angstig zweet en doodverf op 't gezigt,
 
Vliegt voor den wagen heen, steeds krakend van 't gewigt
 
Des koopren stoels, een steun voor Alva's ijzren leden.
[p. 295]origineel
 
Het bloed springt uit den grond, waar 's wreedaarts rossen treden;
 
En waar het snorrend rad de bevende aarde raakt,
 
Verspreid zich straks een rook, die 't daglicht duister maakt.

Nomsz had eene zeer gemakkelijke versificatie, waarom in zijne (1)Mengelwerken de Brieven en Vertelsels den lezer als medeslepen. Onder de eersten verdienen, door stevigheid van uitdrukking, die (2)aan den Philosooph onderscheiding; de laatsten hebben bijna allen veel naïefs, niet zoo zeer in de zaken, die verhaald worden, als wel in de wijzen, waarop zij zijn voorgedragen; waarom dezelve, onzes oordeels, verre boven die van Asschenbergh te stellen zijn. Die zelfde geestigheid heerscht ook in vele der (3)Hekelschriften. In zijne (4)Mengeldichten bewijzen de Vertalingen, hoe Nomsz door lossen zwier en juiste overbrenging tot dit werk uitmuntend geschikt was. Onder de oorspronkelijke werken verdient de (5)Lierzang aan den Dood, over het afsterven van den Dichter Jan de Marre, te worden aanbevolen.

[p. 296]origineel

Nomsz was zoo vlug van dichtpen, dat hij als ter loops menig klein stukje of verhaal (1)dadelijk op rijm bragt. (2)De Verjaargroet aan een Negentigjarig Heer, op deze wijze vervaardigd, is eenvoudig geestig; ook getuigt van deze vlugheid

(3)Mohammed.
 
‘Gij eischt,’ sprak Mohammed, profeet der Arabieren,
 
‘ô Volk! dat Allahs magt, het ongeloof ten val,
 
Door mij, door wien hij u met luister doet bestieren,
 
Den gindschen heuvel, voor uw oog, verzetten zal?
 
Welaan! - Gij, heuvel! hoor; hoor toe, gij, kind der aarde!
 
De Hemel zegt door mij u zijn bevelen aan:
 
Een wonder overtuig' dit volk van mijne waarde!
 
Kom tot mij.... nu, ga voort!... Maar hoe! gij blijft nog staan?
 
Wel! sta dan eeuwig stil. Nu, let eens wel, gij vromen!
 
Ei! sla de ootmoedigheid van 's Hemels zendling gaê:
[p. 297]origineel
 
Dewijl de heuvel niet tot Mohammed wil komen,
 
Dat Mohammed, gedwee, dan tot den heuvel ga!’

Wij verbeelden ons, dat Nomsz, bij meerdere aanmoediging en bij meer beschaafde en geschikte levenswijze, zeer groote vorderingen zou gemaakt hebben. Was zijne jeugd in latere dagen, toen een meer levendige dichttrant zich verspreidde, door eenen goeden omgang met verdienstelijke Dichters gesterkt, en hij ter navolging opgewekt, de heldere lichtstralen, die men nu in zijne werken ontwaar wordt, zouden in vollen luister aan onzen dichthemel schitteren.

Wij hopen, dat zijn ongelukkig lot geen jeugdig Dichter zal afschrikken, om

 
(1)....op 't pad der kunst manmoedig voort te gaan.
 
Werk zonder zucht tot loon

was de les van Nomsz, hoe rampspoedig, aan zijnen, toen jeugdigen, vriend Uijlenbroek.

 

(2)JACOBUS BELLAMIJ werd in den+ jare 1757 te Vlissingen uit geringe ouders gebo-

[p. 298]origineel

ren. Tot het onaanzienlijk beroep van Bakker opgeleid, werd hem, zoodra men den aanleg van zijnen geest, ook uit zijne ruwe kindsche proeven, gewaar werd, betere gelegenheid tot beschaving en oefening zijner dichtvermogens gegeven, zoo in zijne geboortestad, als aan de hoogeschool van Utrecht, waar hij zich tot den predikdienst voorbereidde.

Begaafd met een fijn gevoel voor het schoone en met eene levendige verbeelding, maakte hij in de Dichtkunst, bij meerdere oefening, meesterlijke vorderingen. Zijn eerst uitgegeven werk, Vaderlandsche Gezangen, draagt overal blijken van stoutheid en oorspronkelijkheid; bijzonder behagen ons daarin (1)Aan de Utrechtsche Burgeren; (2)Bij den dood van J.D. Baron van der Cappellen; (3)Ter gedachtenis van Jarrij; (4)Aan de Nederlanders; (5)Het

[p. 299]origineel

Vaderland, (1)Zang van Matroozen en (2)Aan eenen Verrader des Vaderlands. Om u te toonen, hoe verre Bellamij verwijderd was van eene, in zijnen bloeitijd nog zoo algemeen geroemde, zoete Poëzij, strekke het begin van het laatste gedicht tot proeve:

 
't Was nagt, toen u uw moeder baarde,
 
Een nagt, zoo zwart als immer was;
 
Een heir van helsche geesten waarde;
 
't Gevogelt liet een naar gekras,
 
Door 't aaklig woud, tot driemaal, hooren;
 
De zee werd woedend, klotste en sloeg,
 
Dat zelfs, tot in de hemelkooren,
 
Den eng'len schrik in 't harte joeg!
 
Uw moeder zag u - en het leven
 
Ontvlugtte aan heur benepen hart!
 
Uw vader schrikte - stondt te beeven -
 
Zeeg neêr - verwonnen door de smart,
 
Wanneer een stem, gelijk een donder,
 
Klonk door het huis, dat u ontving:
 
‘Dat elk zich van dit kind afzonder'!...
 
‘Natuur wrogt hier een' aterling!
[p. 300]origineel

Het geheel heeft echter iets van dat harde en al te sterk gekleurde, hetwelk de ware teekening bederft, en echter maar al zeer in de laatste dagen dezer eeuw geliefd werd. Beter bevalt mij dit Gedichtje (1)aan God:

 
Gij die, daar duizend waereldbollen,
 
Geregeld, om hunne assen rollen,
 
De kragt van hunne werking voedt,
 
Gij die, tot op de verste paalen
 
Der schepping, waar geen zonnen straalen,
 
Aan 't Niet uw aanzijn voelen doet:
 
 
 
Gij, op wiens wenk, uit 't hol der bergen,
 
Die met hun spits den hemel tergen,
 
Een stroom van gloeiend solfer breekt:
 
Gij die, in zalige valeijen,
 
Waar zuidewindjes spelemeïen,
 
De geurenrijkste planten kweekt;
 
 
 
Gij die, aan duizend, duizend dieren,
 
Die wriemlend op een stoftje tieren,
 
De gunsten schenkt van uwe hand:
 
o God! die alles eens deedt worden!
 
Die leven, werking geeft en orden!
 
Vergeet Gij nu ons Vaderland!!...
[p. 301]origineel

Een buitengewone aanleg tot een groot Dichter bespeurt men niet alleen in deze Vaderlandsche Gezangen; zijne andere Gezangen en Nagelaten Gedichten zijn, indien al niet zoo stout en krachtig, toch zoo vol geestigheid en zacht gevoel, dat wij ze verre boven de Vaderlandsche stellen. Alles is bevallig, los en natuurlijk. (1)Chloë, (2)aan Chloë, (3)aan God, (4)aan mijne Ziel, (5)Mijn Wensch, (6)Aan de Maane, (7)Mijn Lier, (8)De Liefde, (9)Kuschje, (10)Zang van Vaderlandsche Meisjes, (11)De Naamen, (12)Mijn Geboortedag, (13)De Misbruikte Vrijheid, (14)Het Wijsgeerig Antwoord, (15)Het Keurslijf, (16)Aan Cats, en dat (17)Ann

[p. 302]origineel

Stilling, het laatste dat Bellamij vervaardigd heeft, reken ik de besten. Waarlijk eene keuze onder zoo vele verdienstelijke Minnedichtjes is zeer moeijelijk. Om u door Bellamij's voorbeeld te toonen, hoe het eenvoudig naieve toch behaagt, kiezen wij in de eerste plaats het begin van mijn Geboortedag:

 
Toen ik, op mijn geboortedag,
 
Nog naauwlijks in het wiegje lag,
 
Kwam 't dartel wicht, de looze Min,
 
Het kraamvertrek al lagchende in.
 
Het knaapje schaterde overluid:
 
‘Veel heils met deze jonge spruit!
 
Hij zal, zoo ik mij niet bedrieg,’
 
Dit zeggend keek hij in de wieg;
 
‘Hij zal nog aan mijn moeders kroon
 
Een paerel zijn van 't eerste schoon.
 
Me dunkt, dat op zijn kleen gelaat
 
Alreeds een trek der Liefde staat!’
 
Men zegt, als of ik 't laatste woord
 
Reeds met bewustheid had gehoord,
 
Dat ik, met eenen lieven lagch,
 
Naar 't vrolijk minnegoodje zag.
 
‘Zie!’ sprak de dartle Jongen toen,
 
En gaf mijn kleene wang een zoen;
 
‘Zie! heb ik nu wel mis geraên?
 
Het kind ziet mij reeds lagchend aan!
[p. 303]origineel
 
Gewis, mijn liefste kind, gij zijt
 
Om mijne komst met recht verblijd;
 
Ik zal u, in uw prille jeugd,
 
Genieten doen de zoetste vreugd.
 
Door mij zult gij het puik en de eer
 
Der meisjes.... Zie!.. daar lagcht hij weêr!
 
Ja, Jongen! wordt maar schielijk groot!
 
Dan schenk ik u een' speelgenoot,
 
Een meisje vol bevalligheên,
 
Uitmuntend schoon en juist van leên!
 
Nu lagcht gij, maar gij weet nog niet
 
Wat gunsten u de Liefde biedt. -
 
- Kom, nog een kuschje, kleene knaap!...
 
En wieg den jongen nu in slaap!’ - enz.

Ten anderen kan hiervan tot bewijs strekken het zachtgestemde Minnedichtje aan de Maane:

 
Schoone maan, zeg, ziet gij heden,
 
daar gij 't halve rond bespiedt,
 
Schoone maan, zeg, ziet gij heden
 
mijn geliefde Fillis niet?
 
Ja, gij ziet haar, want geen wolkje
 
dekt uw helderblinkend oog;
 
Gij kunt onverhinderd tuuren
 
van den hoogen starrenboog.
 
Onverhinderd! ach! wat zeg ik?...
 
dak of vengster zal misschien
[p. 304]origineel
 
U, ô Nachtvorstin, beletten,
 
om mijn' levenslust te zien.
 
Nijdig dak, afgunstig vengster!
 
laat het oog der zuivre maan
 
Door uw digtgevoegde reeten
 
bij mijn lieve Fillis gaan!
 
Maar, zoo gij, ô lust des Hemels,
 
mijn bevallig meisje ziet,
 
Zeg dan, dat heur trouwe minnaar
 
Haar zijn ted're groete biedt.
 
Zeg, met een verhelderd blikje,
 
door een' schitterender gloed,
 
Schoone Fillis, 't is uw minnaar,
 
die u door mijn straalen groet.
 
Nachtverlichtster, stiltekweekster,
 
ziet gij mijne Fillis nu?
 
Mooglijk ziet zij, tederdenkend
 
aan heur' minnaar, thans op u!
 
Mooglijk denkt zij, opwaards ziende,
 
daar gij 't halve rond bespiedt,
 
Schoone maan, zeg, ziet gij heden
 
mijn' geliefden Damon niet?
 
Mooglijk zendt zij ook een zugtje
 
van verlangen naar mij heen.
 
Vang dit zugtje, schiet het weder
 
met uw straalen mij beneên!
 
Hemeldogter, wellustwekster,
[p. 305]origineel
 
blijf ons beider oogenlijn,
 
En laat uw vergulde straalen
 
immer onze boden zijn.

Onder zijne overige Gedichten munt uit de Vertelling (1)Roosje, te vinden in de Proeven voor het Verstand, den Smaak en het Hart. Dit Gedichtje, bekoorlijk door zijne eenvoudigheid en lossen zwier, moet elke gevoelige ziel treffen, en bewijst, dat Bellamij te regt de bron eener goede poëzij uit het hart, niet uit eene koele bespiegeling, afleidde. Meerdere bewijzen hiervan vindt men in dezelfde Proeven; ik behoef u slechts (2)eene Vraag te herinneren. Ook in een ander werk, waarin Bellamij, even als in het zoo pas genoemde, de voornaamste hand gehad heeft, (3)den Poëtischen Spectator, is dit blijkbaar.

Een los en geestig vernuft, hoe zeer niet overal

[p. 306]origineel

door eenen juisten en geoefenden smaak gewijzigd, schittert in Bellamij's Gedichten. Zij verdienen buiten twijfel veel lof; alleen moeten wij aanmerken, dat een niet genoeg beschaafd vernuft dezelven niet zelden tot het laffe doet nederdalen, waartoe het rijmelooze van vele der Gedichtjes iets schijnt bij te dragen. Onze Noordsche hoven zijn, onzes oordeels, voor zulke ranke, teedere en op zich zelve gelaten bloemen te koud; de minste wind uit zee knakt ze op hare stelen; aan het rijm gebonden, erlangen zij de behoorlijke ondersteuning. Het gehoorig Griekenland en het zangerig Italie, waar de zachte maat op vleugels van zuidewinden den Dichter als van zelve toewaaide, waren meer geschikte kweekhoven voor zulke vruchten. Vele van Bellamij's rijmelooze Gedichtjes vloeijen echter zeer gemakkelijk, en men kan hem niet wijten, dat vele zwakke geesten, door het nieuwe steun en behagen zoekende, op zijn voorbeeld, ons overladen hebben met eene reeks van nietsbeduidende rijmelooze dreunen, zonder smaak of kracht; laffe schriften, zonder geest of gevoel, stuitend voor het kiesch geboor; zeer zoutelooze geregten, waarvan eene gezonde tong walgt,

[p. 307]origineel

en die men ons toch met geweld voor goeden Hollandschen dichtkost wil opdringen.

Indien Bellamij's vlugge en losse geest door meerdere jaren vastheid had erlangd, zijne Dichtstukjes zouden meer merg van zaken, meer versijnden smaak hebben ten toon gespreid, en eene onmisbare kieschheid zou alles nog grooter luister hebben bijgezet. Bellamij echter heeft het door eene zachte en gevoelige schildering reeds tot eene hoogte gebragt, waartoe het zeer weinigen gegeven is te geraken.

Hij overleed in den ouderdom van 28 jaren, tot groote smart van allen, die zich met regt iets groots van hem voorstelden.

 

Nog treuriger was de dood van den niet min+ beroemden (1)PIETER NIEUWLAND,

[p. 308]origineel

mede een Dichter uit geringe ouders afkomstig, doch in wien het Vaderland eenen der braafste Burgers, de geleerde wereld haar grootste sieraad verloren heeft. Deze uitmuntende man, voorzeker boven Bellamij, door meer beschaafden, meer zinrijken dichttrant, te stellen, verdient in de laatste plaats onze aandacht.

Nieuwland, door de zorgen van vele kunstlievende mannen in de geleerde talen onderwezen, met de voortbrengsels der beste Dichters van bijna alle volkeren bekend gemaakt, overtrof in alles, en dus ook in zijne kindsche Dichtwerken, ras de verwachting zijner leermeesters. De jeugdige Nieuwland deed ieder verbaasd staan over het nooit, gehoorde van zulk een alles omvattend vernuft. Hij dichtte, ook toen hij nog met (1)tol en hoepel speelde, en was velen dier bejaarde Dichters in verdiensten toen reeds niet ongelijk, welke hij naderhand zeer verre overtrof. De regte smaak, de juiste verheffing, het warmst gevoel blinkt overal in zijne Gedichten.

Zij, wien het met mij bekend is, met welk eene losheid en gemakkelijkheid Nieuwland alle wetenschappen beoefende, en bijzonder zijne Gedichtjes vervaardigde, die hij al spelende daar henen schreef; zij, die weten, hoe

[p. 309]origineel

weinig prijs hij op dezelven stelde, hoe weinig roem hij daar in zocht, - zij alleen kunnen regt oordeelen, welk een dichterlijk vernuft in dezen voorbeeldeloozen en zedigen man geschitterd heeft.

Welke soort van Gedichten hij vervaardigde, in alles was hij oorspronkelijk, eenvoudig, los en geestig. Bij eenen statelijken starrenhemel hief hij dus krachtig aan, ter eere van den Orion:

 
(1)Wie heft met statelijke pracht,
 
Bij de achtbre stilte van den nacht,
 
Uit de Oceaan het hoofd naar boven?
 
Wie blijft in 't aanzien van Diaan',
 
Die vruchtloos poogt dien gloed te doven,
 
Met onverzwakten luister staan?
 
 
 
Zijt gij 't, Orion! voor wiens licht
 
Der kleiner zonnen slikkring zwicht
 
Als 't licht der maan voor Febus glansen?
 
Rijs, grote Orion! rijs omhoog!
 
Zijt welkom, held! aan onze transen!
 
Verruk, verruk ons starend oog!
 
 
 
Wat sterreglans, die eerbied baart,
 
Praalt op uw gordel, knods en zwaard,
 
Bezaaid met tintelende vieren! enz.
[p. 310]origineel

(1)Aan den Amsterdamschen Nachtwacht gaf hij tot een Nieuwjaarsgift een Gedichtje, dat, in geestigheid en losheid, alle dergelijke, mijns oordeels, overtreft. Nieuwland beveelt den Wacht geestig de zorg, niet voor zich of het zijne, maar voor zijne geliefde; vol naïviteit (2)wijst hij denzelven naauwkeurig hare woning, en vervolgt aldus:

 
(3)Heerschten in dees barre streeken
 
Niet bestendig wind en vorst,
 
Mist, waardoor naauw zon kan breken,
 
Vocht, de pest voor long en borst.
 
 
 
Speelden hier de zachte luchten,
 
Die, aan Taag of Ibers boord,
 
't Flaauw geluid van 's minnaars zuchten
 
Voeren, daar zijn meisjen 't hoort.
 
 
 
Hadden dan de Zanggodessen
 
Mij doen delen in haar gunst,
 
Mij verwaardigd met haar lessen
 
In de schone citerkunst.
[p. 311]origineel
 
o! Dan hield ik, gansche nachten,
 
Zelf de wacht voor Anna's huis.
 
'k Zou mij wel zorgvuldig wachten,
 
Haar te hindren door gedruis.
 
 
 
Maar, wanneer door 't groen der blaêren
 
't Licht der Maan op 't water lacht,
 
Roerde ik daar de citersnaren
 
In de stilte van den nacht.
 
 
 
'k Zou, in tedre minneklanken,
 
Nu haar klagen, 't geen ik lij';
 
Dan haar milde goedheid danken,
 
Zich ontfermende over mij.
 
 
 
Wierd die klank door haar vernomen,
 
Dan verliet zij stil het bed;
 
Aan het venster zou zij komen,
 
Op een kleine reet gezet;
 
 
 
Aan het venster zou zij luistren;
 
Doch vooraf den flaauwen schijn
 
Van het nachtlicht gansch verduistren,
 
Om 'er niet bemerkt te zijn.
 
 
 
Tot zij mooglijk, zacht bewogen
 
Door de tonen van mijn lied,
 
Met een zucht, de borst onttogen,
 
Of zich met een' lach verried!
[p. 312]origineel
 
Doch! helaas! mijn stroeve vingren
 
Leerden nooit, met kunst en zwier,
 
Tonen door elkander slingren,
 
Zwevende over luit of lier.
 
 
 
En het onbestendig Noorden
 
Duldt geen teder nachtmuzijk:
 
't Zangchoor schuwt bevrozen boorden,
 
Neemt in zoeler lucht zijn wijk.
 
 
 
Wilde een Minnaar 's nachts hier zwerven,
 
In den winter, langs de straat,
 
Dan deed ligt de kou hem sterven,
 
Schoon de min hem 't leven laat.

Van gelijken aard is dat aan (1)A.H. Pruijssenaar, waarin hij, als minnaar, zich den bekoorlijksten en natuurlijksten droom van een aanstaand gelukkig huwelijk overaardig voor den geest brengt; eenen droom, waarin (en hierin onderkent men den grooten Dichter van den kleingeestigen woordenrijmer) de gemeenzaamste en eenvoudigste zaken met eenen geestigen zwier, vol smaak en kunst, op eene keurige en gemakkelijke wijs, ons worden medegedeeld. Zoo zijn ook (2)De Les in het Koffijdrinken,

[p. 313]origineel

(1)De Jufferlijke Hoed, (2)Aan A.H. Pruijssenaar, (3)Op het Huwelijk van.... en dergelijken. Vol (4)waar gevoel is (5)het Fragment, en bovenal het fraaije, treffende en met regt geroemde Lijkdicht ter gedachtenisse van zijne geestrijke echt genoote en pasgeboren eenig kind, beiden den braven en gevoeligen vader op het onverwachtst ontrukt.

 
(6)ô Teêrgeliefde en vroegverloren Vrouw!
 
Om wier bezit ik alles gaarne geven,
 
En willig goud en glorie offren zou,
 
Kon ik u slechts herroepen in dit leven!
 
Ontvang van mij, die ook in 't zwijgend graf
 
U minne en ere en uw volmaaktheên huldig,
[p. 314]origineel
 
Dees laatsten pligt!... Ik leg dien wenende af.
 
'k Ben dit uw trouw en mijner liefde schuldig.
 
Ook gij, lief Wicht! dat moeders schoot verliet,
 
Om in den schoot des grafs met haar te slapen,
 
Gij eischt geween, geen vrolijk welkomlied!
 
Hoe ras, o God! wordt vreugd in wee herschapen!
 
Of is 't een droom, een zwevend schaduwbeeld,
 
Dat 's nachts den geest benaauwt met nare zorgen,
 
Doch dat, ter vlugt in 't bijster brein geteeld,
 
Ter vlugt ook wijkt bij 't nadren van den morgen?
 
Neen! 't is geen droom!... 'k Ontwaak, en tast in 't rond,
 
Maar vind geen vrouw aan mijn verlaten zijde,
 
En voel geen' kusch van haren lieven mond,
 
En hoor geen stem, wier klank mijn ziel verblijdde.
 
Die lieve mond is bleek en koud, en zwijgt.
 
Stijf is de hand, die teder mij omärmde.
 
Nu klopt geen hart, geen boezem zwelt en hijgt,
 
Waaräan welëer haar liefde mij verwarmde.
 
Nacht dekt het oog, den spiegel, daar haar ziel,
 
Steeds groot en goed, en telkens toch verscheiden,
 
Zo hemelsch blonk, en altoos elk geviel,
 
En niemand wilde en niemand kon misleiden.
 
o Gij, die bouwt op schoonheid, jeugd, en kracht!
 
Was zij niet jong en schoon als lentebloemen?
 
Wie kon, als zij, van 't maagdelijk geslagt,
 
Op mannekracht bij vrouwezachtheid roemen?
[p. 315]origineel
 
Maar 't doodlijk gif van een' verborgen worm
 
Vernielt in 't veld de schoonste roos van allen;
 
Het woest geweld van enen maartschen storm
 
Doet ook in 't woud de kloekste stammen vallen.
 
o Edle roos! o knopjen, jong en teêr!
 
Dezelfde storm heeft beide fel verslagen.
 
Ik ben geen Gade, ik ben geen Vader meer!
 
De winter heerscht reeds in mijn lentedagen. enz.

Dan men moet het geheel lezen, om de waarde van Nieuwland, als gevoelig Dichter, naar eisch te vatten; eene waarde, welke mijne zwakke pen niet in staat is flaauw te schetsen, ik laat staan juist te teekenen, en met de vereischte kleuren krachtig te verlevendigen.

 

Zijne andere Gelegenheids - verzen zijn als die van een groot Dichter; zij hebben niets stijfs noch gezochts. Het begin van dat op den dood van het tienjarig dochtertje van zijnen vriend de Graaf strekke ten voorbeelde:

 
(1)Gelijk, in 't prilst der lentedagen,
 
't Bevallig roosje lieflijk bloeit,
 
Met srisschen ochtenddauw besproeid,
 
Eer 't door een storm wordt neêrgeslagen;
 
Zo bloeide ook uw Maria's jeugd,
 
Versierd met lieve aanminnigheden,
[p. 316]origineel
 
Met rijpe kennis, zachte zeden,
 
En meer dan kinderlijke deugd.
 
Maar och! dat knopje, pas ontloken,
 
Ligt nu reeds door het woest geweld
 
Van eene herfstbui neêrgeveld,
 
Te vroeg van zijnen steel gebroken.
 
Hoe moet dees slag uw deugdsaam hart,
 
Kroostlievende Ouders, hevig treffen,
 
Wie, wie kan beider lot beseffen!
 
Wie, tedre moeder! schetst uw smart!
 
Nog onlangs prijkte 't aan uw zijde,
 
En spreidde lieflijk al zijn schoon
 
Voor 't oog der Ouderen ten toon,
 
En aêmde een geur, die 't hart verblijdde. -
 
Doch troost u, moet ge uw roosje missen,
 
't Ligt niet vertreden in het stof,
 
't Is in een' eeuwigschonen hof
 
Verplant uit 's waerelds wildernissen,
 
Daar 't nooit geschud, ontbladerd wordt
 
Door 't woest geweld van aardsche stormen,
 
Die hier de schoonste bloem misvormen:
 
't Spreidt daar zijn geuren, nooit verdord.
 
Gij zult het zelf eens daar zien bloeien,
 
Maar eindloos schoner dan 't hier plag;
 
Dat heil verbiedt u 't naar geklag,
 
Des laat geen ijdle tranen vloeijen
 
Om 't lot, dat vroeg haar viel ten deel! enz.
[p. 317]origineel

Zijne Vertalingen overtreffen die van de meeste Dichters, die wij geroemd hebben. Hij heeft hierin het ware punt getroffen, en weet bij het overhalen, als een kundig natuurkenner, zoo vele fijnere geesten voor de vervlogene weder bij te dragen, dat de evenredige kracht, het ware ligchaam behouden blijft, zoo dat de juiste schikking, rolling en vloeijing van woorden en zinsneden, het nationaal verband tusschen taal en zin, zelfs de maat niet verloren gaat. Zouden wij proeven bijbrengen? - alle zijne Vertalingen bewijzen het; - alle zijn voortreffelijk; (1)Het Duifje van Anakreon is echter geene der minste:

 
Van waar gij, lief duifje?
 
Van waar zo ter vlugt?
 
De geur van uw wiekjes
 
Bewijrookt de lucht.
 
Wie schonk u dien balsem?
 
Wie zijt ge? waarheen?...
 
 
 
Anakreon zendt mij
 
Naar zijne Climeen',
 
Die thans alle harten
[p. 318]origineel
 
Beheerscht door haar schoon.
 
Anakreon heeft mij
 
Gekocht van Dioon';
 
Hij gaf haar een liedje,
 
En kreeg mij ten loon.
 
Nu dien ik mijn' meester,
 
En heb hem zo lief!
 
Gij ziet, ik bezorg nu
 
Voor hem dezen brief.
 
Dan laat ik, dus sprak hij,
 
Wel spoedig u vrij;
 
Doch, schoon hij mij losliet,
 
Toch bleef ik hem bij.
 
Waarom zou ik zwerven
 
Door 't veld en in 't woud?
 
En eeten in 't wilde?
 
En schuilen in 't hout?
 
Neen! liever bewoon ik
 
Anakreons schoot,
 
En pik uit zijn vingers
 
De kruimeltjes brood,
 
En lep uit zijn' beker
 
Verkwikkenden drank.
 
Dan spring ik en klapwiek
 
Uit vrolijken dank,
 
En sprei om zijn' schedel
 
Mijn vleugeltjes uit,
[p. 319]origineel
 
En, wil ik gaan slapen,
 
Ik rust op zijn luit.
 
Nu weet gij het alles,
 
't Is tijd om te gaan.
 
Geen raaf zou meer klappen,
 
Dan ik heb gedaan!

Onder de Gedichten van Nieuwland verder eene keuze te doen, of hem tegen andere tijdgenooten te vergelijken, is mij niet mogelijk. Ik ken zeer weinige Dichters hem gelijk. Ook gevoel ik, dat ik eene partijdigheid, waarop ik roem drage ondanks mij zelven, voor hem en al het zijne heb opgevat. Van hem, zoo ontijdig ontrukt aan mij, en aan allen, die hem van nabij kenden, dat is, die hem hoogachtten, die hem lief hadden, meer te gewagen, hem naar eisch te loven, die, de eenvoudigste en geleerdste man tevens, in de verhevenste bespiegelingen, zijne gulheid, zijne kinderlijke hartelijkheid, zijne engelachtige onschuld niet verloor, verbiedt mij eene reeks van aandoeningen, die mijnen geest en pen, bij het herdenken aan Nieuwland, thans belemmeren. De gedachte aan zijnen vroegen, aan zijnen droeven, dood vervult mijne ziel met diepe treurigheid, mijn oog

[p. 320]origineel

met tranen - het zijn tranen van rouwe, tranen van vriendschap, tranen van dankbaarheid; - verschoont ze, Mijne Heeren! - ik kan, ik wil ze niet weerhouden:

 
(1)Waarom toch zou mijn oog geen droeve tranen plengen?
 
Hij, om wiens dood ik ween, is al die tranen waard.
 
Maar die zij 't eenigst niet, dat wij ten offer brengen.
 
Zijn deugd, zijn grootheid, zij voor 't nageslacht bewaard.