Proeve eener geschiedenis der Nederduitsche dichtkunde


auteur: Jeronimo de Vries


bron: Jeronimo de Vries, Proeve eener geschiedenis der Nederduitsche dichtkunde. Twee delen. Johannes Allart, Amsterdam 1810  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 321]origineel

Derde afdeeling.
Besluit van de opgave der dichters dezer eeuw.

Zoo hebben wij dan ook omtrent deze Eeuw het moeijelijk werk eener korte opgave der Dichters volbragt! - hoe volbragt, zonder van levende en zoo schitterende Dichters te gewagen? - Ja, Mijne Heeren! ik zeide reeds in mijne inleiding, van levende Dichters niet te zullen spreken, en de redenen, die mij daartoe bewogen hebben, zijn, mijns oordeels, zoo duidelijk en voor elk in het oog loopende, dat ik u met eene opgave daarvan niet eens zal vermoeijen; echter gevoel ik uwe vraag en hare bedoeling in volle kracht; ja beken gaarne, dat de onzekerheid, hoe in dezen te handelen, mij bijna had afgeschrikt van dit gansche werk. De billijkheid toch vorderde, dat wij ook de verdiensten van zulke schitterende en zeldzame vernuften, waarop wij ons met volle regt nog mogen verheffen, in een behoorlijk en helder licht stelden, en dat wij, gedachtig hoe veel deze verdienstelijke mannen hebben toegebragt, om eene krachtige, levendige, gevoelige en meer zakelijke dichtwijze in te voeren,

[p. 322]origineel

hunne namen dankbaar in den rei der uitstekendste Dichters aanschreven - namen, die, der onsterfelijkheid gewijd, mij op de tong en u zoo zigtbaar voor den geest zweven, als of zij hier te lezen waren. Inderdaad, Mijne Heeren! waarom zouden wij het ontveinzen? onze leeftijd mag zich beroemen op Dichters van geleerdheid en van fijn gevoel, die, doordrongen van Grieksche en Latijnsche letterkunde, met den waren smaak, als met een levenwekkend water, den toen dorren grond bevochtigd, en tot meerderen groei en bloei uitgelokt hebben.

Ik zoude tot veelvuldige herhalingen vervallen, zoo ik het verdienstelijke en gebrekkige der Dichtkunst in de Achttiende Eeuw hier in het breede wilde vermelden. Wij hebben met opzet, zoo in onze inleiding tot deze Eeuw, als bij de bijzondere Dichters, beide gepoogd in het licht te stellen; ook zal de vergelijking der Eeuwen, of het kort overzigt van het verhandelde, in een volgend Hoofdstuk, nog genoegzaam hiertoe bijdragen. Nu zij het genoeg, alles als zamentrekkende, aan te teekenen, dat, mijns, oordeels, in de eerste drie vierdedeelen der Achttiende Eeuw, wel een beschaafde, rollende en zachte, doch tevens flaauwe dichttrant doorstraalt. Kracht, stoutheid, verheffing, ware smaak, juist gevoel voor natuurlijke schoonheden waren schaars te vinden, schoon de lust tot dichten misschien nimmer zoo algemeen was in ons Vaderland.

[p. 323]origineel

Wanneer men de menigte levensgeschiedenissen van heilige mannen, die de Dichters van dezen tijd bezongen, slechts nadenkt, zal ras de trage gang, het geschiedkundig berijmde, en het koude der afzonderlijke deelen, met al het bonte in deze zoo genoemde Heldendichten, ons voor den geest zweven, en ons overtuigen, dat de regte bron eener goede poëzij, een levendig gevoel namelijk voor hetgeen goed, schoon en groot is, toen ontbrak. Zulk een gevoel geeft als van zelve uitstorting en verheffing, en zonder hetzelve blijft de Dichter, ook met de beste versificatie, een koude beschrijver, op zijn best genomen, een geestig schilder. Hij, die in beschaafde taal de oorspronkelijke, de natuurlijke aandoeningen des harten in zijne verzen overstort, is, naar mijn gevoel, de ware Dichter.

Werd het Heldendicht miskend, de Lierzang was dikwerf door het korte van zijne regels en het lange van zijnen duur slechts te onderscheiden; aan dezen bovenal bespeurde men, dat de oude letterkunde weinig geraadpleegd werd. De kracht werd gezocht in bulderende en schelklinkende woorden, welke somwijlen bij het overige als bloedvlekken op een wit kleed afstaken.

De Mengel- of Gelegenheidsgedichten waren flaauw, zonder dat warm kunstgevoel, dat onmisbaar aan alle soort van Dicht verknocht is. Men zette zich tot het verzenmaken, als tot eenen omslagtigen, pijnelijken arbeid. Men blokte op de vrije kunst; en het was duidelijk bij velen, dat zij,

[p. 324]origineel

om eenen dierbaren vriend, een eenig kind, of eene teederbeminde gade te beschreijen, de Lijkdichten van vorige Dichters naauwkeurig hadden nageslagen.

Wij zullen geene meerdere dichtsoorten behoeven bij te brengen, maar alleen aanmerken, dat het Leer- en Zededicht, uit deszelfs aard voor eenen zachten gang best berekend, en met de stemming der Dichters best maat houdende, natuurlijk het meest en het gelukkigst beoefend werd.

Wil men, dat wij de oorzaken van dezen tragen gang van den dichterlijken geest in deze gedeelten der Achttiende Eeuw nasporen, wij verwijzen u in de eerste plaats naar de Geschiedenis, door ons in onze inleiding tot deze Eeuw geraadpleegd. De Staat bleef daarna onder Willem den Vierden, en de eerste jaren van het Stadhouderschap zijns Zoons, uiterlijk rustig, en in dezelfde stemming; schoon zich de gemoederen, inwendig woelig en wrevelig, tot die onrust en partijschap voorbereidden, welke naderhand burgers van één Vaderland, vrienden van ééne verwantschap, ja leden van één en hetzelfde huisgezin, zoo fel als vijanden tegen elkander in het harnas joeg.

De Staatkunde toonde ook nu weder haren invloed op de Dichtkunst. Bij den rustigen gang der tijden, in het voorlaatste gedeelte der Eeuw, bleef de kunst mede in denzelfden tragen gang, tot dat, de meerdere woeling der partijschap als door eene

[p. 325]origineel

gedurige wrijving vele heldere dichtvonken hebbende uitgelokt, op eens een meer algemeen zuiver en helder dichtvuur ontstak. De eerste reden derhalve van den tragen dichtgeest in het voorlaatste gedeelte dezer Eeuw bleef dezelfde staatkundige rust, en het kalme genot des voorspoeds, welke wij hier voren, geschiedkundig ontwikkeld, als de bron daarvan vermeld hebben.

Eene andere reden is de geringe invloed en mindere beoefening der oude Schrijvers, en de algemeene zucht tot nieuwe, Fransche en vooral Duitsche, schriften, die eene verkeerde strekking, een valsch gevoel verspreid hebben. De Grieksche en Romeinsche letterkunde vormen den waren smaak, geven den regten tact, de behoorlijke onderscheiding. Door gemis hiervan was het, dat men, het gebrek van eentoonige en altijd gelijk afloopende denkbeelden, in zoo zoetvloeijende verzen uitgedrukt, gevoelende, om kracht te erlangen, tot harde en onnatuurlijke spreekwijzen, tot gewrongen tegenstellingen en vreemde woordspelingen verviel.

De gezaghebbende Genootschappen, die zich, na Pels, meer dan eene Eeuw hebben gehandhaafd, en een kwalijk geplaatste beschavingslust, onderdrukten ook nog langen tijd veel goeds. De Theorien, uit bespiegelende wijsgeerige bepalingen, niet uit den aard en het wezen der Dichtkunde geput, benaauwden den vrijen dichterlijken geest, en gaven alles een eentoonig, donker en somber aanzien. Dichters en Taalkundigen stelden zich

[p. 326]origineel

voor of tegen weinig beteekenende schoolsche spitsvindigheden met zoo veel ijver te weer, alsof Parnas zelf bestormd werd. Een laat ons of laten wij, een nominativus of ablativus absolutus verdeelde en verhitte de anders koude gemoederen. Ware kracht, natuurlijke aanleg en juist gevoel werden dienstbaar gemaakt aan enkele taalkundige wetten en speculative voorschriften. De geringste dichterlijke vrijheden werden als taalkundige feilen uitgemonsterd. Aan eene gladde versmaking werd veel belangrijks prijs gegeven. Men zie slechts de nadere uitgaven en zoogenoemde verbeteringen van Hoogvliet, Feitama, de Bosch en anderen, welke door hunne zoogenaamde taalkundige reiniging met de vlekken alle de eigenaardige tinten en zachte toetsen der schildering wegnamen. Men leze de Recensien van den Friso of de Geuzen, beide veroordeeld om hunne taalkundige gebreken, of eene hier en daar stuitende versmaat, terwijl de zoetklinkende heldentoon van den beschaafden Steenwijk en den keurigen Feitama alom hemelhoog geroemd werd. Men zag inderdaad meer op woorden dan zaken.

Wie de geschiedenis der Bouw-, Beitel- en vooral Graveer-, Teeken- en Schilderkunst in dezen tijd met een oplettend oog gadeslaat, zal door vergelijking van de waarheid van ons gezegde en van de standvastige, eenzelvige, rigting der beeldende kunsten, die als getrouwe lotgenooten in elkan-

[p. 327]origineel

ders toestand steeds deelden, meer en meer overtuigd worden. Hoe koud, hoe hard, hoe gedwongen, gezocht, overladen en onnatuurlijk is alles! Gebrek aan smaak en aan levendig gevoel van den onvervalschten indruk der zuivere en altijd milde natuur, straalt bij Dichter, Teekenaar, Plaatsnijder, Bouwmeester en Schilder in dit tijdsbestek alomme door.

Wij spreken, Mijne Heeren, van den geest en de strekking van het grootste gedeelte der Achttiende Eeuw, niet van bijzondere vernuften, welke wij gaarne en van ganscher harte de verschuldigde hulde toebrengen.

Wanneer wij de strekking en den gang dezer tijden nasporen, blinken, wel is waar, enkele Dichters uitstekend uit, doch niet anders dan de maan aan eenen flaauwen sterrenhemel. Poot, die ook dán heerlijk zou hebben uitgeblonken, wanneer hij van de schitterendste Dichters ware omringd geweest, staat als het ware alleen; hij verdient daarom des te meer onzen lof, maar hij grensde ook nog aan de vorige Eeuw, en was afgezonderd van de beschavende dichtgezelschappen. Poot leefde op het land, en oefende zich met vlijt in de schriften der Ouden, hoedanig dezelve hem dan ook mogen bekend geworden zijn; de gedurige navolging duldt dienaangaande geene twijfeling. Poot beschaafde, op deze wijze, zijnen uitstekenden natuurlijken aanleg; hij begluurde de natuur in hare stille schuilhoeken en statelijke pracht;

[p. 328]origineel

hij sloeg deze, als de beste leermeesteresse, die hij altijd voor en om zich had, gedurig gade, en bereikte alzoo eene dichterlijke hoogte, welke bij den lagen stand zijner tijdgenooten heerlijk afsteekt. Na Poot, om van Schermer niet te spreken, die tot de vorige Eeuw eigenlijk moet gebragt worden, of eenen Vlaming, Langendijk, Feitama, Huidecoper en dergelijken, die men onder de Dichters van den eersten rang toch niet mag rangschikken, aan te halen, stuit men al ras van Hoogvliet op Schim en Smits, alle verdienstelijke Dichters van later tijd, doch ook alle Dichters, die, hoe uitstekend in eenig bijzonder en afzonderlijk dicht-gedeelte, niet op eenen algemeenen, het geheele ligchaam doorstroomenden dichtader roemen kunnen.

Zulk eene schaarsheid van uitstekende Dichters moet ieder opmerkzamen verwonderen. Ik weet wel, dat het getal van uitmuntende Dichters niet altijd overvloedig zijn kan, nademaal de gave der echte Dichtkunst eene bedeeling is, aan weinige stervelingen verleend; maar, in vergelijking van vorige dagen, en ondanks den algemeenen lust en zoo vele dichtgezelschappen, moet het gering getal toch ieder oplettend beschouwer, ook in den eersten opslag, bevreemden. Zoo vele Aristarchen, zoo vele leerscholen, met de uitgezochtste en uitlokkendste Latijnsche en Nederduitsche blazoenen, konden zoo weinig hun doel bereiken, zoo weinig uitstekende kweekelingen opleveren! Inderdaad - even min

[p. 329]origineel

als een andere Douw, Rembrand, van der Helst, of een de Keizer en van Kampen, door bouw- of schilder - kollegien, toen in menigte voorhanden, konden teruggeroepen worden, even min bragten de dichterlijke Genootschappen éénen Dichter, Vondel gelijk, te voorschijn; maar ook, even gelijk een van Huizem ons als in het luisterrijkst tijdperk der Schilderkunst verplaatste, even zoo heeft Poot den vollen bloei der Dichtkunst voor het kunstkeurig oog te rug gebragt.

 

Op dit gedeelte der Achttiende Eeuw volgden betere tijden. Willem, en vooral Onno Zwier van Haren, lieden van hoog aanzien en gezag, geleerden van uitnemenden smaak, waren de eersten, die zich boven de toen geëerbiedigde Keurmeesters en Dichtgezelschappen verheven gevoelden, en zich moedig aan derzelver eigendunkelijke voorschriften en eenen lagen dichtgeest onttrokken. Zij hebben hunne Gedichten meer ziel en leven bijgezet. De Grieksche en Latijnsche sieraden werden door hun weder ingehaald, en met oordeel in de Gedichten geplaatst. Eigen vinding, weliger vernuft, natuurlijker, losser dichttrant kenmerken hunne werken. Waren door den invloed van de Dichtgenootschappen hunne taal en versificatie geregelder en beschaafder geweest, hunne uitdrukkingen keuriger, hadden zij meer gedeeld in de verdiensten van andere nette Dichters omtrent hunnen leeftijd, zij

[p. 330]origineel

zouden mogelijk die stoutmoedigheid, die kracht, die verhevenheid, die natuurlijke losheid en ongedwongenheid, die geestigheid gemist hebben, waarop zij zich nu met reden verheffen. Van hun begint als 't ware een nieuw en beter tijdperk der Dichtkunst. Van toen af werd der Dichteren hemel allengskens meer en meer helder.

Wij zullen niet onderzoeken, hoe veel invloed hier gehad hebben de staatkundige gesteldheid des lands, de meerdere woeling der gemoederen, door partijschap verhit, de opscherping van het denkvermogen bij velen, de Amerikaansche vrijheidszucht, om niet te gewagen van latere voorvallen, droevig voor de herinnering, maar toch opwekkend voor die kunst, die zich in den stroom van bruischende aandoeningen zoo gaarne ontlast, en zich als van zelve met de vlugt eener hooggespannen verbeelding opwaarts voert; het zij genoeg u te herinneren, hoe, met en na de van Harens, een de Kruijff, Trip, Huizinga Bakker, van Winter, van Merken, de Lannoy, en, om van anderen niet te gewagen, een Bellamij, en vooral een Nieuwland, overal blijken geven van meer algemeene verheffing, meer algemeenen smaak voor ware, natuurlijke dichtkunst.

Het is waar, de gebreken der vorige tijden stralen ook hier en daar in het laatste gedeelte dezer Eeuwe bij de Dichters door. Ten allen

[p. 331]origineel

tijde vervaardigde men te veel Gedichten; Focquenbroch zong reeds:

 
(1)Tappen, dichten, en trouwen
 
Dat zijn huidendaags, dunkt mijn,
 
Voor drie neringen te houwen,
 
Die het meest profijtlijk zijn.
 
Want in deze slechte tijen
 
Klaagt schier ieder ambagtsman,
 
Maar het tappen, 't dichten, 't vrijen
 
Neemt, Godt lof, nog daaglijks an;

bijzonder echter was het laatste gedeelte van de Achttiende Eeuw vruchtbaar in Dichtwerken. Wat al Genootschappen hebben toen Gedichten uitgegeven! Wanneer het Tweede Stuk van het Tiende Deel der Poëtische Mengelstoffen en Prijsvraagen van het Dichtlievend Genootschap, Kunstliefde spaart geen Vlijt, in het licht kwam, riep de Poëtische Spectator: (1)‘reeds tien boekdeelen! - en dat alles in poëzij? - in poëzij wel juist alles niet - maar ten minsten alles in vaerzen en op rijm!’ Wat een reeks Heldendichten, Lierzangen, Prijsverzen zag men ieder jaar in het licht verschijnen, en hoe weinig den druk waardig, hoe weinig den naam, waarmede zij

[p. 332]origineel

betiteld werden, verdienende! (1)‘Het schijnt zeer gemeen te worden,’ zegt de zoo even aangehaalde Schrijver, ‘om het woord Ode als een opschrift te gebruiken; doch iedereen weet, dat het weinig kosten en moeite vereischt, om voor een kleene bierkroeg, een groot uithangbord te plaatsen met deeze woorden: Het groote, nieuwe Heeren - Logement; men behoeft niet eens de deur in te gaan, om te zien, dat het Logement zich niet verder uitstrekt, dan het uithangbord.’ Wat al koude Verjaar-, Trouw- en Lijkdichten, waarmede ook goede Dichters, somwijlen tot bederf der kunst, deerlijk geplaagd werden, zag men toen in het licht verschijnen, terwijl eigene zwakheid, of de al te gedienstige hulde van vrienden en naastbestaanden, met deze en zoo vele andere weinig beteekenende Rijmwerken, de verzamelingen deed uitzetten en verdikken! Weinigen was het gegeven, hierin steeds levendigheid, bevalligheid en kracht te brengen; Nieuwland was hierin een meester.

 

Alle Eeuwen hebben hunne gebreken, en de Achttiende had de hare, welke ik wat naauwkeuriger moest aanwijzen. Ik wil haar echter in de Dichtkunst haren roem niet betwisten. Groote Dichters heeft zij voortgebragt. Zoetvloeijendheid, beschaafdheid, zuiverheid van taal en uitdruk-

[p. 333]origineel

king, keurigheid, aangename schildering, teederheid kenmerken meermalen hare poëzij. Daarenboven heeft zij de opwekking tot Godsdienst en zeden met bijzonderen ernst in acht genomen: een Hoogvliet, eene van Merken, een de Bosch en anderen hebben, in prijzenswaardige Dichtwerken, hun edel doel, het dubbel oogmerk der Dichtkunst, volgens (1)Horatius, bereikt; zulke werken behagen en stichten tevens. De roem van vele brave en edele menschen tot Godsdienst en zedelijkheid opgeleid te hebben, is voorwaar het vereerendste en kittelendste, waarop een regtschapen hart zich verheffen kan.

Op liefelijke, bevallige, uitstekende Dichters mag voorzeker deze Eeuw roemen Kan men natuurlijker schilderen dan Poot, de diepste schuilhoeken van 't menschelijk hart in minnedichten opsporen en geestiger ten toon stellen? Is Poot niet alleen in staat eene eeuw luister van Dichtkunst bij te zetten? Had Langendijk geene geestigheid en gevoel voor het aardige? Kan men liefelijker, bevalliger en aanminniger de

[p. 334]origineel

dichtkunst tot zachtheid van woorden en zaken doen vloeijen, dan Smits gedaan heeft? Zijn niet de van Harens stout en verheven? hadden zij niet den waren smaak, het fijn gevoel voor het schoone? kunnen hunne Lierdichten met de oude niet gerust vergeleken worden? Wist Trip de natuur niet in hare diepste verborgenheden op te sporen, en in aangename verzen ons als zigtbaar te maken? Hadden Schim, van Winter en Bellamij niet iets gevoeligs en schilderachtigs? Was Nieuwland niet oorspronkelijk, natuurlijk, stout, teeder en geestig? In 't kort, zijn deze en vele anderen geene uitmuntende Dichters? Zijn zulke namen niet genoeg, om u te overtuigen, dat de Achttiende Eeuw, bijzonder het laatste gedeelte, der Dichtkunst uitstekende beöefenaars geschonken heeft? Dit is toch zeker, de kiesche smaak voor hetgeen schoon en welvoegelijk is, is in het laatste tijdperk meer dan ooit doorgedrongen. De Genootschappen hebben eene meer edelmoedige wijze van handelen en beoordeelen aangenomen, en de Dichtkunst niet alleen niet zoo zeer als te voren in eenen engen band gesloten, maar zelfs door welmeenende aanmoediging haar dikwerf onderschraagd. Onder veel middelmatigs, hebben de Genootschappen in hunne werken hier en daar vrij wat voortreffelijks bewaard. De Dichtgezelschappen zijn thans niet meer gevreesde verzamelplaatsen van altijd schavende en herschavende letterwijzen. Men

[p. 335]origineel

heeft ook daar meer op innerlijke waarde, dan uiterlijke gladheid en rolling der verzen beginnen te letten. De Dichtvergaderingen zijn niet meer zoo gezagvoerend, niet meer zoo gevreesd voor den jeugdigen Dichter, als voor veertig of vijftig jaren; hij behoeft nu zijne dichtwerken niet angstvallig ter tafel te brengen, en bij het rondgaan met een beklemd hart ze na te staren; door eene losse voorlezing lokt hij eene meer gulle en welmeenende beoordeeling uit. Op eene meer eigenaardige, op eene meer billijke beoordeeling in het algemeen verheft zich onze leestijd, waarin men, bij meerdere kracht en verheffing, tevens de Dichtkunst in meer vrijen, in meer ongedwongen tooi welkom heet, waarin men hare gaven als edel gebloemte met meer lossen vinger aantast, en men de kleine stippen, die op een of ander blaadje zigtbaar zijn, geenszins met geweld poogt weg te nemen, gedachtig, dat de roekelooze hand, die hier met harden vinger ter zuivering nijpen wil, het bloempje berooft van zijn edelst sieraad, van zijne ongekrenkte eer.

Men voege eindelijk bij dit alles zoo vele voortreffelijke levende Dichters, lieden van smaak, geleerdheid en juist gevoel, die voorzeker hunne voorgangers verre overtreffen door lossen zwier, ware verheffing en statelijken ernst, zoodat sommigen hunner roemen kunnen op een dichtvermogen, indien niet zoo luisterrijk, ten minste niet

[p. 336]origineel

veel minder schitterend, dan dat van Hooft, Vondel of Poot.

 
(1)Natuur verschafte aan Hooft den levendigsten zwier;
 
Men leze, al wat hij schreef: zijn schriften zijn verheven.
 
Natuur sloeg zelfs de hand aan Vondels gouden lier.
 
Zij leerde Poot den toon van 't vrolijk akkerleven.
 
Nog brengt ze in 't Vaderland een edlen dichtren voort,
 
Die oor en harten treft door grootsche Meesterstukken.