|
Den 14 Jan. l.l. heeft het Provinciaal Geregtshof van Noord-Holland, regt doende in hooger beroep, uitspraak gedaan in het bekende regtsgeding tusschen de stad Leiden en den Staat der Nederlanden, over den eigendom der drooggemaakte gronden van het Haarlemmermeer. Het vroeger gewezene vonnis der Amsterdamsche Regtbank is bij die uitspraak bevestigd, en alzoo aan de stad Leiden haar eisch ontzegd. Van de overwegingen, die het Hof tot deze beslissing hebben geleid, is het publiek in staat gesteld kennis te nemen. De hoofdzaak daarbij was de uitlegging der woorden, voorkomende in den brief van 21 April 1433, waarbij Hertog Filips van Bourgondië, als Graaf van Holland, aan de stad Leiden in erfpacht geeft de visscheryen, omtrent onser stede gelegen, geheten dat Vroon. In het arrest van het Hof leest men daaromtrent de volgende overweging 1) : ‘dat, volgens de duidelijke woorden van dien brief, aan de stad Leiden is verpacht de visscherij, het Vroon geheeten, en alzoo niet het vischwater, maar alleen het vischregt;’ ‘dat, bij dien duidelijken zin van het woord visscheryen, men noodeloos tot eene overdragtelijke |
1) Weekblad van het Regt, 11 Febr. 1858, bl. 2.
|
opvatting van dat woord zijne toevlugt zou moeten nemen, om daaraan de beteekenis van vischwater te geven.’ Het was niet zonder bevreemding, dat ik deze woorden las. De aard van het groote regtsgeding, en de grond waarop de eisch van Leiden steunde, was mij tot dusverre vreemd gebleven 1) ; onbevooroordeeld kon ik de bewoordingen van den giftbrief lezen, die ik voor het eerst met aandacht beschouwde. Maar geheel buiten deze regtzaak om, alleen op grond van de studie der Middelnederlandsche taal, die steeds het hoofddoel van mijn streven was, had ik altijd gemeend, dat visscherie in de 15e eeuw geene andere beteekenis had dan die van vischwater, en eerst later, na de Bourgondische regering, de tegenwoordige opvatting van het visschen of vischregt had aangenomen. Ik meende, dat die beteekenis van vischwater, wel verre van eene overdragtelijke opvatting te zijn, integendeel de eigenlijke en oorspronkelijke, ja destijds de eenige beteekenis des woords mogt heeten. Het moest mij derhalve treffen, in de uitspraak van het Hof eene zoo lijnregt verschillende verklaring te vinden, en dat wel als den duidelijken zin van het woord, en als eersten en voornaamsten grond, waarop de verdere overwegingen steunden. De eerbied voor het achtbaar Geregtshof gedoogde geene ligtvaardige ontkenning van hetgeen door bekwame regtsgeleerden rijpelijk |
1) Ik moet dit tot mijn leedwezen - welligt tot mijne schande - bekennen. Maar de rustige beoefenaar der letteren leeft veelal alienus a forensibus negotiis.
|
|
overwogen en als de slotsom van grondig onderzoek uitgesproken was. Maar met allen eerbied voor het hooge Collegie kon ik toch mijne meening niet zonder bepaalde redenen laten varen, en redenen waren door het Hof niet bijgebragt. Daar de zaak nu eenmaal mijne belangstelling had opgewekt, besloot ik, mij bekend te maken met hetgeen tot hiertoe over het onderwerp was geschreven, en een opzettelijk taalkundig onderzoek in te stellen naar de ware beteekenis van het woord visscherie ten jare 1433. De uitkomst van dat onderzoek heeft mij in mijn gevoelen volkomen bevestigd, en mij tot de stellige overtuiging gebragt, dat inderdaad visscherie destijds niets anders dan vischwater beteekende, en eerst later, eerst na 1600, als vischregt werd opgevat. In het belang eener zaak van zooveel gewigt, acht ik mij geroepen, mijne beschouwingen niet voor mijzelven te houden, maar vrijmoedig aan het oordeel mijner landgenooten te onderwerpen. Waar zoovele regtsgeleerden, die het geschilstuk aan alle zijden onderzocht, al het voor en tegen gewikt en gewogen hebben, eenparig van oordeel zijn, dat de hoofdzaak eigenlijk nederkomt op de juiste beteekenis der bewoordingen van den giftbrief, kan het wel niet als eene aanmatiging worden beschouwd, wanneer een beoefenaar onzer middeleeuwsche taal, die juist ijverig bezig is met de bewerking van een Middelnederlandsch woordenboek, zijne gedachten over den zin dier bewoordingen mededeelt. Het is veeleer een pligt jegens de wetenschap en het algemeen belang, datgene niet achterwege te houden, wat misschien zal kunnen strekken om, uit een taalkundig oogpunt, het gewigtige vraagstuk eenigzins nader op te helderen. Maar ziedaar dan ook het standpunt aangewezen, waarbij ik mij uitsluitend zal bepalen: de taalkundige beschouwing der zaak. Al wat daarbuiten gaat, al wat tot het gebied der regtsgeleerdheid behoort, ligt geheel buiten de grenzen mijner bevoegdheid: ik zal mij wel wachten op dat gebied een enkelen stap te wagen. Mijn oogmerk is niet, den eisch der stad Leiden te verdedigen - waarvoor het trouwens te laat is -: ik wensch alleen, naar vermogen iets bij te dragen tot regt verstand der woorden, waarop de aanspraak van Leiden berustte. De gevolgtrekkingen, daaruit af te leiden, laat ik gaarne aan diegenen over, die daartoe bevoegd en geroepen zijn. Ik behoef dan ook niet te vreezen, dat ik, als inwoner van Leiden, den schijn van partijdigheid op mij zal laden, omdat mijn onderzoek ten voordeele van hare bewering is uitgevallen. Ik ben mij bewust, dat ik geene partij gekozen, maar geheel zelfstandig, en onafhankelijk van het regtsgeding, niets anders gedaan heb dan de taalkundige vraag in gemoede te overwegen. Daarenboven, zoo ik inwoner van Leiden ben, evenzeer ben ik burger van Nederland. De belangen van den Staat zijn mij niet minder dierbaar, dan die van de stad, waar onze hoogeschool is gevestigd. Amicus Socrates, amicus Plato, sed magis amica veritas. Mede te werken tot opsporing der waarheid, in het vak van wetenschap dat mij is opgedragen: ziedaar het eenige wat ik verlang. I. Visscherij.De juiste bepaling van de beteekenis der woorden uit vroegere eeuwen is eene zaak, die dikwijls een veelomvattend onderzoek en altijd groote behoedzaamheid vereischt. Waar het een woord betreft, dat thans geheel verouderd en voor ons geslacht onverstaanbaar geworden is, moge de taak het moeilijkst schijnen, maar is zij inderdaad het gemakkelijkst. De hedendaagsche taal heeft dan volstrekt geen invloed op ons oordeel; wij kunnen vrij en onbeneveld uit het verband, waarin het woord voorkomt, de juiste opvatting nagaan, en door vergelijking van verschillende plaatsen, die elkander aanvullen of ophelderen, den waren zin bepalen. Maar indien het een woord geldt, dat nog heden leeft in de taal die wij zelven spreken, dan is de zwarigheid grooter en zijn wij aan het gevaar van vergissing eerder blootgesteld. Onwillekeurig staan wij onder den invloed van het taalbewustzijn, dat ons spreken beheerscht, en al ligt brengen wij iets van den zin, waarin wij gewoon zijn een woord op te vatten, op datzelfde woord over, waar wij het aantreffen in vroegere geschriften. En toch, de tegenwoordige beteekenis van een woord beslist niets, volstrekt
niets, voor de beteekenis die het eertijds gehad heeft. Zij kan ja dezelfde, maar zij kan ook evenzeer hemelsbreed verschillende zijn. Door uitbreiding of inkrimping van het begrip, door toepassing, overdragt enz. zijn de woorden in den loop der tijden allengs van de oorspronkelijke opvatting tot allerlei afgeleide beteekenissen verschoven; en hoe meer men dit verschijnsel met aandacht nagaat en de taal van vorige eeuwen met die van heden vergelijkt, des te meer komt men tot de overtuiging, dat bijna in alle woorden de hedendaagsche beteekenis van de vroegere verschilt. Men gevoelt, welke verpligting hieruit voortvloeit voor hem, die met juistheid zal bepalen, in welken zin een woord op een gegeven tijdstip werd opgevat. Hij moet beginnen met het begrip, dat wij thans aan dat woord verbinden, voor goed op zijde te zetten; hij moet dat woord geheel objectief beschouwen, als iets dat hem tot dusverre vreemd was en waarvan hij de beteekenis niet kent; om dan, vrij van alle vooroordeel, te rade te gaan bij de schrijvers, die toen ter tijde leefden, en van hen een getuigenis te vragen, dat zij alleen bevoegd zijn te geven. Zeker, het is niet zoo gemakkelijk, zich van den indruk der levende taal geheel vrij te maken, om volkomen onbeneveld het spraakgebruik van vervlogene dagen waar te nemen. Het is eene taak, die veel omzigtigheid en langdurige oefening vordert. Maar het is tevens voor den taalvorscher eene onontbeerlijke voorwaarde, zonder welker getrouwe vervulling hij nooit het voorgeslacht zóó zal leeren verstaan, als het inderdaad heeft gesproken. Het hier gezegde is op het woord visscherij volkomen toepasselijk. Wij hechten aan dat woord de beteekenis 1o. van het visschen, als bedrijf; 2o. met ligte overdragt, van het regt tot visschen, het vischregt. Volgt nu daaruit, dat visscherie in een stuk van 1433 hetzelfde zal beteekenen? Volstrekt niet, evenmin als men a priori zou mogen aannemen, dat de beteekenis destijds verschillend was. De zaak is eenvoudig deze: met dat tegenwoordige begrip hebben wij in casu niets te maken, het is bij ons onderzoek volmaakt onverschillig; even als het voor de bepaling der hedendaagsche beteekenis niets afdoet, wat er van het woord over vier eeuwen zal geworden zijn. De vraag is alleen: hoe hebben de Hollanders van 1433 het woord opgevat? en die vraag kan alleen door hen zelven worden beantwoord. Heeft men bij de uitlegging van visscherie altijd dit beginsel voor oogen gehouden? Heeft men zich geheel los gedacht van de tegenwoordige taal, en de verklaring, die men zocht, alleen aan het getuigenis van tijdgenooten ontleend? Het is geoorloofd, een bescheiden twijfel te uiten. Overal zie ik de beteekenis van vischregt eenvoudig aangenomen, als iets dat algemeen bekend, dat voor ieder duidelijk is, waarbij men zich slechts behoeft te beroepen op ons aller taalbewustzijn. Nergens vind ik aangewezen, dat die beteekenis in de 15e eeuw werkelijk bestond; nergens zelfs een enkel voorbeeld aangehaald, waardoor het regt om die verklaring aan te nemen kan worden gestaafd. Mag men derhalve niet vermoeden, dat het hedendaagsch spraakgebruik onwillekeurig te
veel invloed op de uitlegging gehad heeft, en dat die uitlegging dus alles behalve vast en zeker is, omdat zij beheerscht werd door de toevallige verschijnselen van het heden, en niet uit de stellige waarneming van het verleden als noodwendige gevolgtrekking werd afgeleid? Men stelle eens, dat de uitlegging van een dergelijken giftbrief aan Fransche regtsgeleerden ware opgedragen. Wel denkelijk ware dan de verklaring in tegenovergestelden zin uitgevallen; want in het Fransch heeft pêcherie nooit iets anders dan vischwater beteekend; het zou een Franschman onmogelijk zijn, daarbij aan vischregt te denken 1) . Maar heeft men nu wel grondig onderzocht en beslissend uitgemaakt, of het oude visscherie met ons hedendaagsche visscherij, dan wel met het Fransche pêcherie overeenstemt? Dat is de eigenlijke vraag, waar alles op nederkomt. Ik wil trachten tot hare beantwoording den weg te banen. Wat hebben wij daartoe te doen? Het getuigenis in te winnen van tijdgenooten. Maar vooraf dient te worden bepaald, tot welken tijd die getuigen moeten behooren. Bij het jaar 1433 mag men zich niet beperken. |
1) ‘Pêcherie, lieu où l'on a coutume de pêcher, ou qui est préparé pour une pêche’: zegt de Dict. de l'Acad. Franç. - Ook op Groningsche regtsgeleerden moet het woord een anderen indruk maken dan op hunne Hollandsche confraters; want visschernij voor vijver is nog heden in Groningen bekend. Zie Laurman, Bijdragen enz. bl. 72. Ja, zelfs in de algemeene Nederlandsche taal is de beteekenis van vischwater, vischplaats, nog niet uitgestorven. De Heeren Bomhoff en Van Moock hebben ze in hunne woordenboeken opgenomen. Men weet, dat ook het Hoogd. fischerei en Eng. fishery, nevens de nieuwe opvatting, nog deze oude beteekenis bewaard hebben.
|
|
Want zeer te regt heeft men opgemerkt, dat de bewoordingen in den Leidschen giftbrief in verband moeten beschouwd worden met vroegere brieven, waarbij dezelfde visscherien aan anderen in pacht zijn gegeven, en waaruit dat woord in de latere stukken met eenige toevoegsels werd overgenomen 1) . De oudste vermelding der pacht schijnt te zijn die van 1316, waarbij mede het woord viskerie is gebezigd. Ziedaar dan den vroegsten termijn van ons onderzoek: de beteekenis van het woord in 1316. Evenwel mag het ons niet onverschillig zijn, wat het woord ook in 1433 of later beteekende. Immers in den giftbrief van 1433 kan visscherie niet als eene gedachtelooze naschrijving uit vroegere stukken worden opgevat. Er werd gehandeld over dezelfde zaak. Dat ontkent niemand. Gebruikte men daarbij hetzelfde woord, dan blijkt het dat dit woord intusschen niet van beteekenis was veranderd. De tijd derhalve, waarover ons onderzoek zich moet uitstrekken, wordt bepaald door de reeks van stukken, tot de pacht van het Vroon betrekking hebbende, in welke het woord visscherie voorkomt. Die stukken nu loopen van 1316 tot 1484. Wat heeft dus visscherie in dat tijdperk beteekend? Dat vragen wij aan de getuigen en oorkonden, die wij uit die jaren kunnen bekomen. En wij vragen het, om het even of zij spreken over het Vroon of over andere visscherijen. Wij onderzoeken niet het regt der stad Leiden, maar alleen de beteekenis van het woord visscherie. |
1) Zie o.a. het Advies van den Heer Staatsraad Lands-Advocaat aan Z.E. den Minister van Binnenlandsche Zaken, over den eigendom van het Haarlemmermeer (Leiden, 1847), bl. 16.
|
|
Wij vragen dus niet, òf en hoe eene oorkonde met de aanspraak van Leiden in verband staat, maar alleen wat zij ons leert omtrent den zin, waarin ons woord werd opgevat. Het getuigenis van tijdgenooten omtrent de beteekenis van een woord kan tweeledig zijn. Het is òf eene regtstreeksche verklaring, waar zij opzettelijk het woord uitleggen, als b.v. in een woordenboek; òf het is die, wel niet regtstreeksche, maar even zekere aanwijzing, die blijkt uit de wijze waarop en den zamenhang waarin zij gewoon waren het woord te gebruiken. Zien wij, wat van beide kanten tot ons onderzoek dienen kan. Doch ik mag hiertoe niet overgaan, zonder eerst eene bedenking af te snijden, die welligt bij den lezer is opgerezen. Men zou kunnen vragen, of wel de door mij aangenomen methode van onderzoek de eenig ware is, of niet veeleer de beteekenis van een woord behoort afgeleid te worden uit de analogie, uit de vergelijking van soortgelijke woorden, met denzelfden uitgang gevormd. Ik geloof, dat die toepassing der analogie geheel in mijn voordeel zou zijn: de meerderheid der woorden op -erie had zeker in 't Mnl. eene concrete beteekenis (als bottelrie, meyerie, enz.). Maar - daargelaten dat die woorden destijds nog te weinig talrijk waren om voldoende stof te leveren tot eene behoorlijke waarneming, - de billijkheid eischt, die geheele aanwending der analogie als onbruikbaar te verwerpen. De zin der woorden wordt niet bepaald door de afleiding, maar uitsluitend door het gebruik; de vergelijking met andere gelijkgevormde woorden beslist niets omtrent de beteekenis; wat oorspronkelijk
gelijksoortig was, kan sedert lang verschillend geworden zijn. Bakkerij, brouwerij, gieterij, smederij, spinnerij, verwerij, of boekerij, stoeterij enz. zijn concrete benamingen: het zijn de plaatsen, waar gebakken, gebrouwen, gegoten, gesmeed, gesponnen of geverwd wordt, waar boeken of stoeten (merries) worden bewaard. Heb ik daarom het regt te beweren: ergo is visscherij de plaats, waar gevischt wordt? Neen voorzeker. Men zou mij aanstonds wijzen op bedriegerij, boeverij, schelmerij enz., alle van abstracte opvatting. Ik ga verder. Al hadden ook alle andere woorden zonder onderscheid de concrete beteekenis, toch zou ik gaarne erkennen, dat bij visscherij alleen nog wel de abstracte kon gelden. Maar evenzeer ook, al bragt men uit de 14e en 15e eeuw een aantal voorbeelden bijeen van woorden, in abstracten zin gebezigd, dan ware daarmede nog niets gewonnen voor ons visscherie, dat even goed in concrete opvatting kon hebben gegolden. De analogie der woorden op -erij - ieder taalkenner zal het volgaarne toestemmen - doet dus hier niets ter zake. Elk woord moet geheel op zich zelve worden beschouwd, en de beteekenis - voor een gegeven tijd - alleen aan het getuigenis van tijdgenooten worden ontleend. Hooren wij dan, wat er van visscherie getuigd wordt. I. In de eerste plaats zien wij om naar eene regtstreeksche verklaring, naar de uitlegging in de woordenboeken van dien tijd gegeven. Zeer hoog kunnen wij daarmede niet opklimmen; want onze oude letterkunde is arm aan zulke glossen of woordverklaringen, die het Oud-Hoogduitsch in overvloed bezit. Het oudste
woordenboek dat ons ten dienste staat, is de Teuthonista van G. Van der Schueren; maar juist dit werk is voor ons tegenwoordig oogmerk van uitnemend belang. Het werd voltooid in het jaar 1475 1) , en valt dus juist binnen het tijdperk, waarnaar wij onderzoek doen. Het is het werk van een man, wiens ‘oordeel, kundigheid, onvermoeide arbeid’ en ‘waarlijk uitmuntende bekwaamheid’ niet alleen door den uitgever Clignett 2) worden geroemd, maar door allen erkend, die gewoon zijn den Teuthonista bij hunne studiën te raadplegen. Het is vooral een uitstekende gids bij de verklaring onzer Hollandsche taal uit de eerste helft der 15e eeuw: de verdienstelijke uitgever van den Minnenloep (1413-1417) heeft er door talrijke aanhalingen het bewijs van geleverd. Alles loopt dus te zamen, om ons met belangstelling te doen vragen naar de verklaring van zulk een bevoegd getuige. Wij slaan den Teuthonista op, en lezen op bl. 291: Vischerye. Piscina. piscaria. piscatoria. Wat beteekenen deze Latijnsche woorden? Vooraan staat piscina. Hieromtrent kan geen twijfel bestaan: het is nooit iets anders dan vischvijver, vischwater, vischplaats geweest. Daarna volgt piscaria. Ook dit beteekent hetzelfde. Bij Du Cange heet het: ‘Locus in quo piscatur. Italis peschiera. Estang, ou Pescherie’, en hij haalt daar 13 voorbeelden van aan. Het is waar, de Benedictijnen voegen er bij, dat het ook voorkomt als jus |
1) Zie Clignett, in de Voorrede, bl. XVII vlg.
2) T.a. pl. bl. XIII.
|
|
piscationis, en bevestigen dit met twee voorbeelden uit een charter van den Engelschen koning Hendrik VII, van 1487. Dit doet echter niets te kort aan de hoofdbeteekenis des woords, die stellig aan het Fr. pêcherie gelijk was. Het bewijst alleen, dat piscaria, in betrekkelijk lateren tijd, ook wel voor droit de pêcherie werd genomen. Het derde woord, piscatoria, is minder zeker. Wel staat bij Du Cange vooraan: ‘Locus in quo pisces capiuntur’, maar hij laat er op volgen: ‘Item jus piscationis’. Ik laat daar, of de voorbeelden, die hij bijbrengt, die tweede beteekenis bewijzen: iets dat ik niet boven bedenking acht. Doch ik wil die beteekenis aannemen en erkennen, dat piscatoria zoowel vischregt als vischwater kan heeten. Geeft nu die dubbelzinnigheid in het laatste woord ons regt tot de onderstelling, dat Van der Schueren de beide beteekenissen zou hebben bedoeld? Het zou met alle gezonde uitlegkunde in strijd zijn. Als hij drie woorden gebruikt, waarvan het eerste uitsluitend, het tweede gewoonlijk den zin van vischwater heeft, terwijl in het derde die beteekenis althans op den voorgrond staat, dan is zijne meening niet te miskennen. Niet wat piscaria eene enkele maal, of wat piscatoria somtijds, maar wat beide doorgaans beteekenen, heeft hij bedoeld: de gelijkstelling met piscina bewijst het. Als men b.v. het Fransche métairie verklaard vindt door ‘landhoeve, boerderij’, zal men dan zeggen: de schrijver heeft twee beteekenissen aangegeven; want boerderij wordt ook voor het boerenbedrijf genomen? Neen, juist door de zamenvoeging
met landhoeve heeft hij getuigd, dat hij hier alleen aan de gewone opvatting dacht, dat hij boerderij als synoniem van landhoeve beschouwde. Had Van der Schueren de beteekenis van vischvangst of vischregt willen uitdrukken, hij zou dan piscatus, piscatio, hebben geschreven: dat was duidelijk en lag voor de hand. Daarenboven - en dit doet alles af - hij laat de drie woorden doorloopen zonder eenige afscheiding, terwijl hij elders, waar hij verschillende beteekenissen vermeldt, die òf in afzonderlijke artikelen rangschikt, òf althans door vel of aut vaneen scheidt. Hier derhalve heeft hij niet aan verschillende opvattingen gedacht, maar aan die ééne, die in piscina de uitsluitende, in piscaria en piscatoria de gewone beteekenis was. En juist uit de bijeenvoeging van drie synonyme woorden is het blijkbaar, dat hij die vertaling niet vlugtig nederschreef, maar met nadruk aanwees als de uitlegging, die hij stellig bedoelde. Aan vischerye heeft hij dus geene andere beteekenis dan die van vischwater toegekend. Voorzeker, een merkwaardig getuigenis! Wie onzer heeft regt, tegenover een deskundig tijdgenoot staande te houden, dat visscherie geen vischwater, maar vischregt beteekende? In allen gevalle mag die stelling voortaan niet meer beweerd, zij behoort bewezen te worden. Zoolang Van der Schueren niet van dwaling overtuigd is, zal men zijn gezag niet kunnen betwisten.
Maar Van der Schueren staat niet alleen. Een ander bevoegd tijdgenoot legt dezelfde verklaring af. Wij bezitten nog een ander woordenboek uit de 15e eeuw,
de zoogenaamde Gemmula Vocabulorum, een werk, dat de Latijnsche woorden in het Nederlandsch vertolkt, en geheel onafhankelijk van den Teuthonista werd vervaardigd. Het werd in zijnen tijd op hoogen prijs geschat; verscheidene uitgaven zagen het licht, gedeeltelijk herzien en gewijzigd, doch die thans alle hoogst-zeldzaam zijn geworden. De rijke boekerij der Leidsche Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde bezit een drietal verschillende drukken, die van 1486, 1488 en 1491 1) . In de beide eerste leest men het volgende: Piscina, een vischdijc of een vischerye. In dien van 1491, met onbeduidend verschil van spelling: Piscina, een vischdijck of een vischerie 2) . Visscherie wordt dus ook hier met piscina gelijkgesteld, en als synoniem met vischdijc aangewezen, waarin men terstond het Hoogd. fischteich, vischvijver, vischwater, herkent 3) . Van geene andere beteekenis |
1) Zie den Catalogus, I. bl. 139.
2) Om de bedenking te voorkomen, dat of hier welligt niet als sive, maar als vel bedoeld zou wezen, zij even aangeteekend, dat op dezelfde en de volgende bladzijde o.a. nog voorkomen: een tuyn of hof, een dose of busse, een dingher of pleyter, slecht of effen, enz.
3) Ons dijk (hd. deich) en hd. teich zijn twee verschillende vormen van hetzelfde woord, dat zoowel den dam als de bedding van het water beteekent. Kiliaen: Dijck, agger: et fovea, alveus, fossa. Dijck. j. vijver. piscina, stagnum. Visch-dijck. j. vijver. piscina. K. Schwenck, Wörterbuch der deutschen Sprache (4te Aufl. 1855, bl. 121), schrijft te regt: ‘Deich, Teich, entweder die Höhlung, woraus die Erde gegraben ist, oder ein durch Graben der Erde aufgeworfener Damm, der Aufwurf eines Grabens, der engl. dick heiszt.’
|
|
weet de auteur der Gemmula te spreken: hem, evenzeer als Van der Schueren, is de opvatting van het visschen of vischregt nog geheel vreemd. Is het twijfelachtig, hoe zij den giftbrief van 1433 zouden hebben verstaan? Twee tijdgenooten, de eenige wier regtstreeksch getuigenis wij kunnen inroepen, protesteren alzoo tegen de woorden, op bl. 1 aangehaald. Juist eene eeuw na het verschijnen der Gemmula schreef Kiliaen zijn onwaardeerbaar Etymologicum. De eerste druk, naar het schijnt, zag in 1588 het licht. Wat zegt hij van visscherij? In de drie door mij geraadpleegde uitgaven (1588, 1598 en 1599 1) eenparig het volgende: Vischerije. Piscatus, piscaria, piscina. De beteekenis van vischwater, vischvijver, is hem nog bekend; maar daarnevens noemt hij die van piscatus, het visschen, ja deze stelt hij op den voorgrond. Kiliaen heeft dus in de eerste plaats ons woord als het visschen, de vischvangst, opgevat. Die beteekenis, die de auteur der Gemmula in 1491 nog niet kende, was dan in 1588 reeds opgekomen, zij was reeds bezig de vroegere opvatting, die van piscina, te verdringen. De weg was gebaand tot het tegenwoordig gebruik; want van vischvangst tot het verlof om te visschen, het vischregt, was maar een kleine stap, die nu spoedig volgen moest. Maar zelfs vóór 1588 komt visscherij in den zin van piscatus voor. |
1) Deze laatste uitgave is door Kiliaen zelven herzien en als de beste erkend. Zie Van Hasselt, aant. op de Voorrede, bl. 3.
|
|
Het eerste mij bekende voorbeeld is van het jaar 1544, in eene ordonnantie van Karel V op de visscherij in de Merwede 1) . In dat stuk treft men het woord herhaaldelijk aan. Op sommige plaatsen zou men nog aan den juisten zin kunnen twijfelen; maar als men leest van ‘staecken - - van sulcke dickte ende groote als 't gewoonlijck is, ter visscherye dienende’, dan is geene andere verklaring denkbaar, dan die van het visschen, de vischvangst. Als resultaat van ons onderzoek schijnt tot dusverre te blijken, dat visscherie tot 1491 geene andere beteekenis dan die van vischwater had, tusschen 1491 en 1544 de beteekenis van vischvangst heeft aangenomen, en eerst na 1599 ook tot die van vischregt is uitgebreid. Het is opmerkelijk, |
1) Bij J. Van Oudenhoven, Zuyt-Hollandt, bl. 29. Een tweede voorbeeld vond ik in een octrooi van Karel V, in dato 22 Maart 1553, bij Van de Wall, Handv. v. Dordr. bl. 1154. Daar beteekent het duidelijk de vischvangst. Dat echter de beteekenis van vischwater daarnevens bleef voortbestaan, blijkt uit art. 90 der keur van het land van Voorne (a. 1519), waar men leest: ‘Ende indien hy in yemants visscherye steect mit elgeren, oft berooft yemants boomgaert’. Zie Keuren ende Priv. des lands van Voorne (1684), bl. 102, en Van Alkemade, Beschrijving van de stad Briele, II. bl. 146. Visscherye en boomgaert derhalve op ééne lijn gesteld! Evenzoo in een plakaat van 1551, waar gesproken wordt van personen, die ‘hen daghelicks vervorderen te komen - - in de wateringhen, visscherien, vivers, voghelrien, driften ende duyf-huysen’, enz. Zie Merula, over de Wildernissen, III. bl. 48. Zijn niet deze beide voorbeelden bijna beslissend? Ja zelfs in 1623, en ook, bij hernieuwing derzelfde keur, in 1716, wordt nog verboden, ‘te vissen in eenige visseryen, wateringen ofte vyveren, de Graeffelijkheit enz. aenkomende’. Zie de boven aang. Keuren van Voorne, bl. 219, en Van Alkemade, a.w. II. bl. 228.
|
|
hoe deze uitkomst, a posteriori verkregen, volmaakt overeenstemt met hetgeen men regt had, op grond van bekende feiten uit de geschiedenis der taal, a priori te verwachten. Ieder taalkenner weet, dat de uitgang -erij door Franschen invloed in onze taal is binnengedrongen. Die invloed had reeds in de 14e eeuw gewerkt, door de Fransche betrekkingen van het Henegouwsche en Henegouwsch-Beijersche huis. Werkelijk treffen wij in die eeuw reeds enkele woorden op -erie aan, doch ook niet meer dan enkele. Met de 15e eeuw nemen zij allengs toe; doch eerst in den vollen bloei van het Bourgondische huis, toen de Fransche invloed zich oppermagtig gelden deed en ook de taal sterk aantastte, zijn de woorden op -erie regt talrijk en algemeen geworden. Nu ligt het in den aard der zaak - de historie der taal leert het overal, - dat, waar eene zekere klasse van woorden zich sterk uitbreidt en algemeen in zwang komt, dit altijd gevolgd wordt door eene verruiming en uitbreiding der beteekenis. Zoolang de taal nog maar enkele woorden van eene bepaalde soort bezit, bewaren deze gemakkelijk de oorspronkelijke kracht; de eigenlijke zin wordt, bij beperkt gebruik, inniger vastgehouden. Maar zoodra het aantal toeneemt, zoodra de vorming van soortgelijke woorden algemeen wordt, ook wel eens met onjuiste toepassing, gaat het eigenaardige en kenmerkende van het begrip door het veelvuldige gebruik verloren, de scherpe omtrekken worden uitgewischt, de beteekenis wordt rekbaar, ruim, vaag, voor overdragtelijke aanwending vatbaar. Leert ons dan de geschiedenis der taal, dat omstreeks het midden der 15e eeuw de woorden op -erie algemeen begonnen te worden, dan mag men reeds vooruit vermoeden, dat zij tegen het einde dier eeuw allengs eene ruimere beteekenis en nieuwe opvattingen zullen aannemen. Welnu, de uitdrukkelijke verklaring der tijdgenooten bevestigt dit vermoeden volkomen. Tot 1491 kennen zij slechts éóne beteekenis, in 1544 zien wij reeds eene tweede daarnevens, in 1588 is deze reeds op den voorgrond getreden, om straks tot eene nieuwe overdragt te leiden: van nu af is het onvermijdelijk geworden, dat de oorspronkelijke opvatting allengs in onbruik moest geraken. Maar uit deze zelfde beschouwing vloeit nog eene andere opmerking voort, die - naar mijn oordeel - sterk pleit voor onze verklaring van visscherie. Is het zeker, dat onze woorden op -erie aan Franschen invloed hun ontstaan te danken hadden - en daaraan heeft nooit iemand getwijfeld; - is dus de eerste vorming van ons visscherie, met meer of min helder bewustzijn, beheerscht geworden door de vergelijking van het Fransche pêcherie, dan mag men wel in redelijkheid verwachten, dat de oudste, de oorspronkelijke beteekenis aan die van het Fransche woord gelijk zal zijn geweest. Maar pêcherie was, en is nog heden, niets anders dan vischwater 1) . Ziet! zoowel in de algemeene |
1) Filips de Schoone beveelt in zijn Hervormings-edict van 1495 (bij Kluit, Hist. d. Holl. Staatsreg. V. 431): ‘Item voulons et ordonnons en oultre que toutes excluses, pescheries, volilleries ès rivieres et ruisseaulx et autres eaues communes, et semblablement tous herbaiges ou pasturages communes, soit dedens, dessus ou dehors les dycques par tous nos pays de Hollande, Zeellande et Frise enz.’ Daar, in een Fransch stuk, is geene andere opvatting dan die van vischwater geoorloofd. Zal men nu in ernst aannemen, dat Filips, als hij heden van pescheries en morgen van visscherien sprak, twee verschillende zaken bedoelde? Doch men leze deze geheele plaats, om zich te overtuigen, dat men werkelijk gewoon was de wateren zelve in erfpacht te geven.
|
|
ontwikkeling der woorden op -erij, als in de bijzondere verhouding van visscherie tot zijn Fransche voorbeeld, wijst ons de geschiedenis der taal juist datgene als waarschijnlijk aan, wat Van der Schueren en de auteur der Gemmula stellig getuigden. Wordt dan niet hun getuigenis ten volle bekrachtigd? II. Nu wij weten, hoe tijdgenooten het woord visscherie hebben uitgelegd, waar zij het regtstreeks moesten verklaren, willen wij nagaan, wat omtrent de beteekenis blijkt uit de wijze waarop en den zamenhang waarin zij gewoon waren het woord te gebruiken. Ik wil uit verschillende oorkonden, van de jaren 1316-1484 afkomstig, een aantal voorbeelden bijbrengen, en er de blijkbare gevolgtrekkingen uit afleiden. Ik zal daarbij het een en ander moeten herhalen, dat reeds door mijnen hooggeachten ambtgenoot, Prof. H. Cock, is aangevoerd, met wiens betoog ik mij gaarne vereenig 1) . Die herhaling is voor mijn doel onmisbaar; zij zal, in een ander verband en te midden van talrijke nieuwe bewijsplaatsen, voor ons onderzoek niet onvruchtbaar zijn. Om de beteekenis van een woord, in vroegere geschriften voorkomende, uit het gebruik en den zamenhang |
1) De Regten der Stad Leyden enz. (Leiden, 1843). - Ik bedoel natuurlijk alleen het taalkundig gedeelte van dat betoog. Over het regtsgeleerde komt mij geen oordeel toe.
|
|
te bepalen, kan men vijf verschillende waarnemingen te werk stellen, die, alle te zamen genomen, een volledig resultaat moeten opleveren. Men heeft namelijk te letten: 1o. op den aard van het grammatisch gebruik, waarin niet zelden eene kennelijke aanwijzing voor de beteekenis ligt opgesloten. 2o. op de soortgelijke woorden, in welker gezelschap het quaestieuse woord verschijnt. 3o. op de uitdrukkingen, met welke het in den loop der rede wordt verbonden, en die tot nadere bepaling verstrekken. 4o. op de woorden, met welke het als synoniem wordt verwisseld. 5o. op de klaarblijkelijke bedoeling der geheele rede, die omtrent de beteekenis van een der hoofdwoorden zelden twijfel overlaat. Bij elk dezer vijf punten moeten wij afzonderlijk stilstaan. 1. Het grammatisch gebruik.In dit opzigt treft ons eene omstandigheid, die van gewigt is voor de bepaling der beteekenis van visscherie. Ik bedoel, dat het woord met het onbepaalde lidwoord verbonden en in het meervoud gebezigd wordt. Een vischerie, leest men bij Mieris 1) , III. 426. a. (a. 1385); van eenre visscherie, ald. II. 115. a. (a. 1310), |
1) Waar ik alleen den naam van Mieris aanhaal, is altijd het Groot Charterboek bedoeld. De bijvoeging H.v.L. verwijst naar de Handvesten enz. van Leiden.
|
|
III. 551. a. (a. 1390). Van het meervoud behoef ik hier geene voorbeelden aan te halen: zij zullen straks in menigte volgen. Ook in onzen brief van 1433 wordt van visscheryen gesproken. Het lidwoord een en het gebruik des meervouds kan uit den aard der zaak alleen gelden bij woorden, die voorstellingen uitdrukken, bij welke aan meer dan ééne van dezelfde soort kan worden gedacht. Het woord regt b.v. heeft een meervoud, men kan van een regt of van regten spreken, omdat het algemeene begrip van regt, door zijne toepassing op bijzondere gevallen, in verschillende gelijksoortige begrippen gesplitst wordt. Men kent jagtregt, vischregt enz.: er zijn dus verschillende regten. Maar de toepassing op een enkel geval, de uitdrukking van één bepaald regt, is niet voor een meervoud vatbaar, juist omdat het eenig in zijne soort, omdat het één en ondeelbaar is. Men heeft het regt om te visschen, of men heeft het niet; maar meer dan één vischregt laat zich niet denken, evenmin als het afgetrokken begrip het visschen een meervoud toelaat. Had visscherie derhalve de beteekenis van het visschen of vischregt, dan kon met geene mogelijkheid van ene visscherie of van visscherien worden gesproken. Het geldt hier eene wet, in den aard der taal met logische noodzakelijkheid gegrond, en die juist daarom te allen tijde moet hebben gegolden. Ons eigen spreken bewijst het. Thans, nu visscherij de beteekenis van het regt om te visschen heeft aangenomen, zal niemand ooit, in dien zin althans, eene visscherij of visscherijen zeggen, evenmin als men van een vischregt of van vischregten spreekt. En wanneer men al van
visscherijen sprak, aanstonds zou het woord, zelfs nog heden, in de concrete opvatting van het Fransche pêcherie worden verstaan. Boerderij heeft twee beteekenissen, die van landhoeve en die van het boerenbedrijf; maar wie van eene boerderij of van boerderijen hoort, moet natuurlijk aan landhoeve denken. Zoo wordt ook jagt zoowel van het jagtveld als van het regt om te jagen gebezigd; maar alleen met de eerste beteekenis is het meervoud bestaanbaar. Indien men dan eertijds sprak van ene visscherie, en herhaaldelijk van visscherien gewaagde, is het dan niet blijkbaar, dat het woord werkelijk concreet werd opgevat in den zin, dien de Teuthonista ons meldde? Ik weet, dat deze redenering meermalen gebruikt is, en dat men er weinig waarde aan schijnt te hechten. Toch acht ik ze volkomen onberispelijk, en geloof dat geen taalkundige er zijne toestemming aan weigeren zal. En mogt men al meenen, dat het bewijs geene voldingende kracht heeft, men zal echter wel willen erkennen, dat het althans de schaal der waarschijnlijkheid naar onze zijde doet overhellen. 2. Soortgelijke woorden.Een uitstekend hulpmiddel om de ware beteekenis van een woord uit te vorschen, staat ons ten dienste, wanneer wij kunnen nagaan, met welke andere woorden het gewoonlijk te zamen genoemd wordt. Soort bij soort, zegt de bekende regel, die zoo eenvoudig en natuurlijk is, dat hij ook in den kunsteloozen stijl der oude oorkonden niet kon worden verwaarloosd.
Vindt men een woord, dat ons twijfelachtig is, nevens of te midden van andere geplaatst, die de uitdrukkingen zijn van afgetrokken begrippen, dan heeft men regt, ook dat ééne woord als zoodanig op te vatten. Of ziet men het op ééne lijn gerangschikt met andere woorden, die zigtbare, tastbare, ligchamelijke zaken aanduiden, dan mag men gerust vaststellen, dat het mede tot dezelfde soort moet behooren. Elk woord ontleent zijne verklaring aan het gezelschap, waarin het gewoonlijk verkeert. In welk gezelschap nu treffen wij onze visscherien aan? Zeer gewoon is vooreerst de verbinding visscherien ende wateren, als b.v.: onse visscherien ende wateren tusschen Hairlem ende Leyden. - - in den voorn. chynse off erffpachte van onsen Vroone wateren ende visscheryen. in andere vreemde wateren ende visscheryen. Evenzoo worden visscherien ende meeren te zamen genoemd, als b.v.: welke meer ende vischerye, binnen dijxcs ende buten dijxcs, enz. zeeckere meeren ende visscheryen, daer omtrent gelegen. - - Elders vindt men ons woord met kreken verbonden, als: eenige visscheryen of kreecken binnen desen lande. Meermalen ook met Vronen vereenigd, als: in de voorschreven visscheryen ende Vronen te visschen. - - Ik laat dit Vronen een oogenblik daar, omdat men de beteekenis daarvan betwist, ofschoon ons later zal blijken, dat er niets anders dan vroonwateren mede bedoeld kan zijn. Maar wateren, meren en kreken worden met visscherien in éénen adem genoemd, als woorden van dezelfde soort, als bijna synonyme uitdrukkingen. Wat is nu aannemelijker? dat visscherien, naar de hedendaagsche beteekenis, als vischregt moet worden opgevat? of dat Van der Schueren en de auteur der Gemmula gelijk hadden, toen zij verzekerden dat het woord in hunnen tijd niets dan vischwater beteekende? Vonden wij tot hiertoe de visscherien met wateren gelijkgesteld, elders zien wij ze met landerijen te zamen genoemd op eene wijze, die noodwendig dezelfde opvatting vordert. In eene uitspraak over zekere geschillen tusschen den Proost van St. Pieter te Utrecht en den Heer van Gaasbeek enz., wordt gesproken van ‘47 morgen lants, geheiten ten Oudenhoeve’, en, volgt er: ende van ses morgen in den Broeck mitter visscheryen, geheiten die Meer. en straks weder: die ses morgen mitter visscheryen. Op den naam, dien deze visscherij draagt, komen wij later terug. Maar zes morgen lands met de visscherij. Kan hier aan vischregt worden gedacht? Geeft men iemand landerijen met vischregt? Het behoort eerst te blijken, of in die landerijen water is om te kunnen visschen. Neen, men geeft de landerijen met het water dat zij bevatten, en de overdragt van dat water sluit dan natuurlijk die van het vischregt in zich. Nog duidelijker loopt dit in het oog, waar wij het woord, in dit zelfde verband, in het meervoud gebezigd vinden, als: een stuck lants, dat ghenoemt is de Nesse, met synen visscheryen, gelegen aen Swindrecht, tusschen de Devel ende de Wale. Een stuk lands met zijne vischregten? Of met de vischwateren die het bevat? Wat dunkt u, lezer? Doch er is meer. Ook andere woorden komen nevens visscherien voor, die niet minder krachtig getuigen. Ziet hier eenige staaltjes: vesten, molen, veren, vischrien, voeghelrien, ende alle hoer uutgoersen [ende] moerdiken, die si hadden binnen onsen lande voersz., so waer dat si gelegen waren. Vesten, molens, veren, uitgorzen en moerdijken: alles zigtbare en tastbare zaken. Is het dan denkbaar, dat alleen de visscherien en vogelerien, midden tusschen de andere in genoemd, een onligchamelijk regt zouden wezen? Blijkt het niet veeleer, dat er wateren
of plassen en rietbosschen worden bedoeld, waarin zich de visschen en watervogels ophielden 1) ? Maar verder: die sluse tot Utermeer met horen toebehoren, dat is te verstaen die visscherie ende den dam - - ende twe morghen lants - - - De sluis met haar toebehooren. Wat behoort tot eene sluis? In de eerste plaats de dam. En vervolgens? Het regt om te visschen? Neen voorzeker; maar water, waarin gevischt kan worden. En als nu visscherie midden tusschen sluis, dam en land wordt genoemd, zal men dan nog twijfelen of het een regt dan wel een water beteekent? |
1) Het spreekt van zelf, dat alles, wat ik van visscherien zeg, ook op vogelerien wordt toegepast. De beide woorden staan gewoonlijk te zamen, en overal is het duidelijk, dat men met vogelerien de plaatsen bedoelde, waar watervogels werden gevangen. Het zal in 't vervolg telkens blijken, zoo dikwijls wij het met visscherien vereenigd zullen vinden. Wil men intusschen voorloopig een afdoend bewijs, men vergelijke de zoo even in den tekst aangehaalde woorden met die uit het plakaat van 3 Aug. 1627 (Groot Placaat-boek, I. 1515, aang. in Weekblad van het Regt, 12 Jan. 1854, bl. 2), waar men leest: ‘Item van alle erven en landen, visscheryen, vogelkooyen, vogelpypen, meeren, gorsingen, rietbosschen’. Men ziet, het zijn dergelijke zaken, die hier genoemd worden; maar de vogelerien zijn in vogelkooyen en vogelpypen veranderd. In 1627 begreep men dus te regt, dat vogelarijen, waarvan de beteekenis veranderd was, ligt tot misverstand aanleiding zou kunnen geven. Maar visscheryen behield men nog, want de oude beteekenis daarvan was nog niet uitgestorven (verg. bl. 17 aant.), gelijk zij dan ook nog heden bestaat (bl. 8 aant.). Over de vogelpijpen zie men Oudenhoven, Zuyt-Holl. bl. 34.
|
|
Elders lezen wij weder: die viskerien van den Hoefsloet ende van Langhelaen mit sinen toebehoren, als inneghe wateringhen, ende die gate upten Langhendijc ende upten Oestendijc- - Tot de visscherien behooren alzoo de innige wateringen, de gaten en bruggen. Bij het vischregt past dit alles, dunkt mij, niet al te best: bij vischwateren uitnemend. In gelijken zin luidt het volgende: die overtocht, die sluze ende die visscherye tot Bodegraven, also zi daer gheleghen sijn. - - an hoerre sluse, watringhen, tochten ende viskeryen van der Wisen enz. - - Ziedaar weder de wateringen genoemd, als tot de visscherien behoorende, en dat woord herhaaldelijk met overtogt, sluis, togt, water en watering als iets gelijksoortigs vermeld. Verlangt men meer aanhalingen? Zoo ja, ik wijs dan nog op eene oorkonde van Graaf Willem VI,
waarin hij aan zijnen ‘geminden’ Aernt van Ghent eenige vrije heerlijkheden in leen uitgeeft, met al de daartoe behoorende regten en vaste goederen. Eerst wordt eene lange lijst van regten vermeld, van het hoog en laag geregt af, tot jairscot en nacoip toe, en dan volgen de immobilia aldus: ackerlant, weyde, vischerie, vogelie, ende vaersteden mit hoiren upslagen aen beyden zyden, ende mit anders allen hoeren toebehoeren. Visscherie en vogelerie alzoo kennelijk van de lijst der regten afgezonderd, en te midden van ackerlant, weyde en vaersteden geplaatst! De tijdgenooten wisten het wel, die visscherie door piscina verklaarden. 3. Nader bepalende uitdrukkingen.Mogt alles, wat wij tot hiertoe aanvoerden, nog niet duidelijk genoeg zijn, om de beteekenis van ons woord in het licht te stellen, letten wij dan vervolgens op die uitdrukkingen, met welke het in den loop der rede verbonden wordt. Niets kan meer geschikt zijn om ons nader te doen inzien, wat men onder de benaming visscherie verstond. Welke werkwoorden vindt men aan dat naamwoord toegevoegd? Welke bijzonderheden worden ons van de visscherien gemeld? Hoe worden zij ons voorgesteld en beschreven? Aan stof tot voldoende waarneming is hier geen gebrek. Wij willen het voornaamste bijeenzamelen en met een enkel woord toelichten. De bepaling der beteekenis,
de keuze tusschen een regt of een water, zal dan wel niet twijfelachtig zijn. a). De visscherien worden geographisch bepaald door hare ligging. In onzen giftbrief van 1433 heet het: alsulcke visscheryen, omtrent onser stede gelegen. En dezelfde uitdrukking komt elders talrijke malen voor, als: die visscheryen, die totten ambochte voorseyt toebehoren, die gelegen sijn van Heeren Ghenemans polre westwaerts tot der Heeren visscheryen van S. Pieters tUtrecht in den Dubbel. een vischerie, gheleghen bi Rotterdamme, streckende van den nuwen dijc tot den ouden dijc, mit haren toebehoren. de visscheryen ende sluysen ter Weer met heure toebehoirten, soo die gelegen sijn tot Purmereynde. welcke visscherye voorsz. gelegen is van Lecker-kercke nederwaert gaende tot Bolnessersloot toe, enz. welcke visscherie leyt binnen den palen, die hier na volghen: dats te verstaene van Yselmonde westwaerd voerbi Sconnerloe an sHeren visscherie van Vorne, ende oestwaerd van Yselmonde tote ant Oirvaers, dat Tranoys is, Heren Vriesen sone vander Mie, ende an Alaerd Crudemans soens visscherie. de visscherien binnen dese voorsz. paelen ligghende. Men ziet, aan de visscherien wordt overal eene ligging binnen zekere palen toegeschreven, zij worden door andere visscherien begrensd. Wijst dit niet duidelijk op het water zelf, veeleer dan op het bloote regt om daarin te visschen? Het is waar, men heeft deze bedenking trachten te
ontzenuwen door te beweren, dat de ligging alleen vermeld wordt, om de grenzen aan te duiden, binnen welke het regt om te visschen wordt toegestaan. De visscherijen, gelegen enz., zal zooveel beteekenen als: het vischregt in de wateren, gelegen enz. Men moet dan noodwendig de uitdrukking elliptisch verklaren, zoodat gelegen niet zal slaan op de visscherie (het vischregt), maar op het daarbij gedachte water. Gesteld, dat die ellips op zich zelve denkbaar ware, dan neemt toch het woord visscherie daardoor eene overdragtelijke beteekenis aan, en te regt waarschuwt ons het Hof, dat men ‘bij den duidelijken zin’ van een woord ‘niet noodeloos tot eene overdragtelijke opvatting zijne toevlugt moet nemen.’ De ligging nu eener visscherie, als vischwater opgevat, is eene duidelijke en klare zaak; maar van de ligging eener visscherie, wanneer dat woord eigenlijk vischregt beteekent, kan niet anders dan zeer overdragtelijk worden gesproken. Nemen wij een voorbeeld, aan eenige andere soort van regt ontleend. Gij bezit eene erfdienstbaarheid op het huis van uwen buurman, of het vruchtgebruik van eenige landerijen in de gemeente Warmond. Is het dan geoorloofd te spreken van de erfdienstbaarheid, staande aan het Rapenburg, of van uwe vruchtgebruiken, onder Warmond gelegen? Het geval staat volkomen gelijk. Of, om bij ons zelfde regt te blijven, stellen wij voor de visscherij in een water (als vischregt opgevat) het woord bevissching van een water in de plaats, dat zeker op hetzelfde nederkomt. Kan men dan, in gezonde taal, zeggen: de bevisschingen, tusschen Haarlem en Leiden gelegen? Met een dergelijken stijl
en eene dergelijke uitlegging zou noch de rhetorica noch de grammatica vrede kunnen hebben. In allen gevalle ware de uitdrukking vrij overdragtelijk, wel wat al te poëtisch voor den ouden kanselarijstijl van Hertog Filips. Daarenboven, zoo men al die overdragt aanneemt, dan is, voor dit geval althans, de zin van het woord aanstonds gewijzigd. Beteekent visscherie in 't algemeen vischregt, maar wordt het hier overdragtelijk genomen en met gelegen verbonden, dan ontstaat hier ook, dóór die overdragt, eene afwijking van de algemeene beteekenis, en moet het woord op deze plaats worden opgevat als het water waarin gevischt wordt. Maar het was ons eigenlijk alleen om de verklaring van deze plaats te doen. De beteekenis van vischwater moge dan de eigenlijke of overdragtelijke zijn; maar hoe men het keere of wende, ik zie geene kans, om het woord in den giftbrief van 1433 anders te verklaren 1) . |
1) Ik voorzie, hier en elders, eene aanmerking die ik niet onbeantwoord mag laten. Men zal misschien meenen, dat de strikt naauwkeurige toepassing der grammatica minder gepast is bij den eenvoudigen stijl van vroegere eeuwen, aan welken men gewoonlijk vrij wat slordigheid ten laste legt. Die meening moge bij velen bestaan, zij is niettemin eene dwaling. Zoo wij in onze oude schrijvers allerlei licentiae of onjuistheid van uitdrukking wanen op te merken, ligt de fout veelal aan ons zelven. Ik mag hier uit ondervinding spreken. In vroegere jaren, toen ik pas aan het Mnl. begon, vond ik telkens dien ouderwetschen stijl onnaauwkeurig, slordig, onhandig, en achtte bij de uitlegging menige vrijheid geoorloofd. Het was alleen, omdat ik de taal niet genoeg verstond en te veel las met een oog uit de 19e eeuw. Maar hoe dieper ik in de oude taal doordrong, hoe meer ik door dagelijksche studie de fijnere trekken van het toenmalig spraakgebruik leerde opmerken, des te meer week dat vooroordeel. Bij juister inzigt vond ik orde en regelmaat, waar ik vroeger wanorde en willekeur meende te zien. De stiptste getrouwheid aan de wetten der spraakkunst bleek overal de hechtste grondslag voor eene juiste verklaring. Mij dunkt, ook hier geldt hetzelfde. Wie visscherie, naar de hedendaagsche beteekenis, als vischregt opvat, moet natuurlijk den stijl van onzen giftbrief al zeer onnaauwkeurig achten. Heeft men daarentegen ingezien, dat het woord vischwater beteekent, en past men die beteekenis toe, dan kan de strengste stylist niets te berispen hebben. Maar welke uitlegging is nu de beste: diegene, volgens welke de schrijver aan alle eischen van taal en stijl voldaan heeft? of diegene, bij welke men zich aanstonds dekken moet door de bewering, dat zijn stijl te slordig is, om eene zuivere toepassing der grammatica toe te laten? Ik laat het antwoord gaarne over aan hen, die ooit ernstig hebben nagedacht over de wetten eener oordeelkundige tekstverklaring.
|
|
b). De visscherien worden aangeduid door namen, en wel door plaatselijke namen 1) . De visscheryen - geheten dat Vroon, zegt onze oorkonde. Een water moet natuurlijk een naam hebben. Vatten wij dus het woord in dezen zin op, dan is de zaak eenvoudig. Maar kan ook een regt een naam dragen? In zekeren zin ja, in zooverre daardoor de aard van het regt nader bepaald of omschreven wordt. Doch het blijft altijd eene benaming, het wordt nooit een naam in den waren zin des woords, nooit een eigennaam. Vat men vroon als heerlijk regt op, ik stem toe, dat men dan het vischregt wel het Vroon zou kunnen noemen, om aan te duiden dat |
1) De woorden alsoo groot ende alsoo cleyn, waaraan men nog al gewigt heeft gehecht, ga ik met stilzwijgen voorbij. Ik erken, dat uit die woorden, in de taal der 15e eeuw, geene bepaalde gevolgtrekking kan worden afgeleid.
|
|
het eigenlijk een regt van den landsheer is. Maar nimmer zou het vischregt b.v. de Dijk of het Meer kunnen heeten, of een anderen plaatsnaam dragen. En bleek het ons, dat eene visscherie werkelijk zulk een naam droeg, dan ware het uitgemaakt, dat met dat woord geen regt, maar een water bedoeld werd. Welnu, de volgende aanhalingen mogen getuigen: van eenre visscherye, die men hiet de Wendeldijk 1) . mitter visscheryen, geheiten die Meer. van eenre visscherie, die gheheten is die Hinkelen. Die Hinkelen is mede wel degelijk een eigennaam. Ook elders bij Van Mieris (II. 128. a., 312. a.) wordt Hinkele vermeld, en het is bekend dat de Hinkel of de Hinkelinge eertijds een water was, waarvan nog de Hinkelenpolder in Zuid-Beveland getuigt 2) . Dergelijke namen van visscherien waren dan ook zeer gewoon, en leveren het onmiskenbare bewijs, dat men het woord geheel met water gelijkstelde. Zoo wordt nog in 1594, bij de aanwijzing der uitgestrektheid van het Leidsche Vroon, aangeteekend, dat die ‘wateren ende visscheryen’, die daar nader worden omschreven, ‘mit verscheyden namen werden ghenoemt, als: de Zijl, 't Zweylant, de Norremeer, de Hemmeer, de Valckemeer of 't Vennemeertgen, de Spriet, de Kever, de Zeven, 't Hellegat, de Zassemmeer, de Greveling, de Aa, Huykesloot, de Cagermeer, de Aftermeer, |
1) Over dijk vergelijke men de aant. 3) op bl. 15.
|
|
de Leydtschemeer, de Haerlemmermeer, de Hellemeer, de Verremeer, de Stommeer, 't Griet, de Brasemeer, de Oudeweteringhe, de Gooch ende de Nieuweweteringhe (Mieris, H.v.L. 708)’. Zeker, dat stuk is van 1594, en ligt dus buiten ons tegenwoordig onderzoek. Doch men zal wel willen toegeven, dat al die namen destijds niet van gisteren waren. Het blijkt dan, dat men werkelijk gewoon was wateren en visscherien als dezelfde zaak te beschouwen, en gezamenlijk met namen te bestempelen, altijd wijzende op meren, weteringen, zijlen, slooten enz. Maar die geheele verklaring van 1594 kunnen wij des noods missen. Van 1310 tot 1410 vonden wij drie visscherien, geheeten: de Wendeldijk, de Meer en de Hinkelen. Is het dan niet duidelijk, dat visscherie destijds het vischwater beteekende? c). In de visscherien wordt gevischt, zij zelve worden bevischt. Ik begin met een paar voorbeelden van het laatste. een vischerie, gheleghen bi Rotterdamme, - - - die te bruken ende te bevisken tot zinen orber. die voirsz. visscherie te bevisschen, te verpachten ende synen vrien wille dair mede te doen. Men heeft de kracht van dit bewijs ontkend, en beweerd dat bevisschen ook wel van het vischregt kon gezegd worden. Zoo in 't algemeen gesteld, wil ik dit niet loochenen: het ww. bevisschen is voor ons gevoel niet zoo sprekend, dat het noodwendig maar ééne soort van objekt zou toelaten. Maar kunnen wij er
niet over beslissen, vragen wij dan aan het voorgeslacht, hoe men destijds gewoon was het woord te gebruiken, met welke objekten men het plagt te verbinden. Zoo zullen wij de toepassing op het hier aanwezige geval van diegenen leeren, die het beter weten dan wij. te bevischen die spoye ende alle die slusen, gheleghen binnen der vryheit van Rotterdamme. dat hi slusen bevischt heeft - - dat wy de spoeye ende sluyse voorsz. niet en sullen bevischen, noch doen bevissen. Ende voort alle de sluysen enz. - - - waert dat se Bailliuwen off Rentmeesteren enz. - - - bevischte, deden off lieten bevisschen. ende soe wes streckende is buyten der stede vryheeden in die oude haven, dat en sal die stede noch ick nyet bevisschen. - - Het zijn dus spuijen, sluizen, sluisvlieten, havens en vesten (vestgrachten), die worden bevischt. Altijd wateren. Het gebruik van dat ww. staat vast: de toepassing op visscherie ligt voor de hand. Sterker nog is de uitdrukking: in de visscherien wordt gevischt. dat sy in die selve vysscherien ende wateren niet en vysschen noch en doen vysschen. him vervorderende - - - in de voorsz. visscheryen te visschen. - - de genen die gevischt hebben in de voornoemde visscheryen. Men vergelijke daarmede het volgende: dat si den here van Egmont mit sinen luden - - - dese viskerie ghebruken laten tot horen besten oerbaer, ende verbieden allen luden ende enen yeghelic bisonder, dat si noch corve, noch staende couwe, noch vuyken, noch kudele, noch zeghenen, noch gheenrehende ander ghetouwe daer in en setten, noch voer noch beziden. Niet alleen, dat in de visscherien gevischt wordt, maar korven, fuiken, netten enz. worden in of voor of bezijden de visscherien geplaatst. Waarlijk, indien het woord eigenlijk vischregt beteekent, moet men hier wel tot eene stoute overdragt zijne toevlugt nemen. d). De visscherien hebben kanten, met ruigte begroeid, en zij bevatten snoek. het belieft dagelijcks eenige persoonen ontrent die voorscreven visscheryen ende meeren voornoemt, die ruuchte omtrent die kanten van der selver meeren ende visscheryen staende, te snyden ende die uut den wateren te haelen, ende die voort brengen ter plaetsen daer hunluyden dat best belieft, doende mits dien onser voorsz. stede groote schade in de voorscreven visscherye; want mit dat de snouck daer inne wesende aldair geen ruychte en bevindt, soo strijckt hy van danen in andere vreemde wateren ende visscheryen. Deze merkwaardige plaats is reeds door Prof. Cock aangehaald, en later in het regtsgeding ter sprake gekomen; doch zij heeft geene overtuiging verwekt. Ik |
1) Ook elders wordt van ruychte bij visscherien gesproken. Mieris, III. 447. a. (a. 1386): ‘die ghift van der kerken met oterdijc, vyssceryen, voghelyen, ruychten, bedijct ende onbedijct, alsoe alse die gheleghen ende ghedeylt sijn.’ Ook hier weder worden de visscherien met andere vaste goederen te zamen genoemd.
|
|
moet bekennen, dat het moeilijk valt te overreden, waar een dergelijk bewijs wordt gewraakt. Toch vlei ik mij, dat de aanhaling, in verband met al het boven gezegde beschouwd, en zóó in haar volle licht geplaatst, nu krachtiger dan vroeger zal getuigen. Ik merkte op bl. 6 aan, dat hij, die met juistheid zal bepalen, in welken zin een woord op een gegeven tijdstip werd opgevat, moet beginnen met dat woord te beschouwen als iets dat hem tot dusverre vreemd was, en waarvan hij de beteekenis niet kent, om dan te rade te gaan bij de schrijvers, die destijds leefden. Stellen wij nu, dat wij het woord visscherie nooit gehoord hadden, dat het ons geheel vreemd was. Stellen wij het x. Nu zeggen ons de tijdgenooten: ‘x is iets dat kanten heeft, met ruigte begroeid; uit x strijkt een snoek weg en zwemt naar eene andere x. Oordeelt nu zelven, wat x beteekent: een water of een regt.’ e). Omtrent of om de visscherien zijn menschen gezeten of woonachtig. allen onsen goeden luden ende ondersaten, over al tusschen Hairlem ende Leyden omtrent onse vysscherien ende wateren voirsz. geseten. aen den dorpen ende ingeseten van Wairmonde, Oestgeest, ende andere omtrent die voorsz. meeren ende visscheryen geseten. Waaraan beantwoordt dit beter: aan ons hedendaagsche visscherij, vischvangst of vischregt, of aan het Fransche pêcherie, vischplaats? f). In de visscherien worden menschen in hechtenis genomen. die ter contrarie van desen doen sullen, wie datse sijn, onse voorsz. stede van Leyden salse mogen doen hechten ende vangen - - daer mense sal mogen vinden, het sy in den voornomde visscheryen of elders. Men lette vooral op dit elders, eene nadere aanwijzing, dat bij visscherien hier onmogelijk aan iets anders kan gedacht worden dan aan de plaatsen, waar gevischt wordt. Men ziet, de tijdgenooten blijven bij hun gevoelen. Eenparig getuigen zij: visscherie beteekent piscina. g). Eene visscherie, die nu niet aanwezig is, kan worden of ontstaan. ende gheven hem die visschrye ende die voghelrye, die daer binnen mochten worden. Het is Jan van Beaumont, die het land, Catwoude geheeten, tusschen Monnikendam en den Zeevank, aan zekeren Allijn en anderen verkoopt ‘tot eenen vryen eyghendom.’ Hij geeft hun daarbij de visscherie en vogelerie, die binnen dat land mogten worden, en dus toen nog niet bestonden. Kan daar het regt om visschen en vogels te vangen zijn bedoeld? Neen, dat regt was vooreerst reeds in den vrijen eigendom bevat; en daarenboven, het vischregt wordt niet, het ontstaat niet als van zelve, het wordt regtstreeks door den landsheer verleend. Maar wateren, ja, die kunnen worden of ontstaan: door overstrooming, doorbraak enz. kunnen zich poelen en plassen vormen, waarin zich straks visschen en watervogels zullen vertoonen. Om allen twijfel
te voorkomen, aan wien die wateren - nu niet aanwezig en dus niet in den koop begrepen - later zouden behooren, worden zij reeds bij voorraad afgestaan. h). Eene visscherie wordt bescut, d.i. afgeschut of afgedamd. dat nyemant dese viskeryen - - en ghebruke, beviske, noch en bescutte binnen der watren ende tochten voersz. Bescutten wordt straks door verscutten, versparren, herhaald. Blijkbaar is ook hier weder de visscherie als een water voorgesteld. i). Eene visscherie kan droog worden. waert dat eenige visscheryen of kreecken binnen desen lande droogden, soo soude die aenwas daer of volgen den lande, daert naest aen gelegen ware. Mij dunkt, deze aanwijzing zet de kroon op alles wat wij reeds hoorden getuigen. Eene visscherie kan droogen. Ook de visscherien derhalve, in 1433 aan Leiden in erfpacht gegeven, konden droogen. En dit is werkelijk gebeurd; alleen niet van zelf en door gebrek aan water, maar door het welberaamd opzet en den volhardenden arbeid der menschen. En wat is nu droog gewoorden? Het regt om in het Haarlemmermeer te visschen? Neen, dat meer zelf, de bedding van het water waarin men eenmaal vischte. Zijn wij geregtigd, aan het oude visscherie de beteekenis van vischregt op te dringen, waarvan de Teuthonista en de Gemmula nooit hadden gehoord? 4. Woorden, met visscherie als synonymen verwisseld.Om herhalingen van hetzelfde woord te voorkomen, zetten wij menigmaal eene synonyme uitdrukking in de plaats, dat is eene zoodanige, die of geheel of bijna hetzelfde beteekent. Vinden wij dergelijke synonymen in vroegere geschriften gebezigd, en is een der beide woorden ons duister, men gevoelt dat het aanstonds door het andere wordt opgehelderd, en dat wel met volstrekte zekerheid; want de schrijver heeft juist door de verwisseling getuigd, dat hij beide als nagenoeg hetzelfde beschouwde. Lees ik b.v. dat iemand zijne boekerij verkocht, en - na een paar tusschenzinnen - dat hij zeer tevreden was over de opbrengst zijner bovengenoemde bibliotheek, of dat zij meer opbragt dan andere bibliotheken; al ware het woord boekerij mij dan ook vreemd, ik zou terstond weten, dat het gelijkstaat met bibliotheek. Niemand zal voorzeker deze gevolgtrekking ontkennen. ‘Woorden, die met elkander afwisselen, beteekenen bijna hetzelfde.’ Ziedaar dan de major mijner stelling. ‘Visscherien wisselt af met wateren’: zoo luidt de minor. - Atqui ergo. Ik moet dus bewijzen, dat visscherien met wateren afwisselt. Dat bewijs kan niet moeilijk vallen. Men hoore de onwraakbare getuigen. a). In eene uitspraak van het Geregt van Dordrecht, tusschen den Heer van de Merwede en de stad, wordt eerst verhaald, dat partijen geschil hadden van der reede ende waterscheydinge tusschen huere beyden visschery in de Marwede, en vervolgens dat geschil aldus uitgewezen, dat die waterscheydinge ende rechte reede tusschen beyden wateren voornoemt wesen sal ende is - enz. Beider visscherie in de Merwede heet later de beyde wateren voornoemt. Er wordt dan niet het visschen of vischregt, maar het water zelf door verstaan. b). Hertog Albrecht verpacht aan die van Verhout enz. hoer slusen - - - mit allen horen inneghen wateren, om ses pont tsjaers, en, volgt er: alsulc payment, als onse rentmeester van onsen anderen vischerien innemen sal. Nog een drietal dergelijke verpachtingen, in dezelfde bewoordingen vervat, zijn op bl. 479 en 480 te vinden. De sluizen met de binnenwateren waren dus mede visscherien. Eene visscherie was derhalve een water. c). In eene handvest van Willem V aan de ingelanden van ‘Crommenyer-damme’, handelende over het leggen en schouwen van den Nieuwendam, wordt bepaald: Voort, soo sal die visscherye van de Crommenie ons wesen; maer anders sullen alle wateren vry wesen, als sy nu zijn. De visscherye van de Crommenie, het hoofdwater, zal den Hertog toekomen, maar anders zullen alle wateren (slooten, togten enz.) vrij blijven. Ook de visscherye wordt dus een water genoemd 1) . |
1) Men heeft deze plaats aangehaald als een voorbeeld, dat het vischregt van het eigendomsregt der wateren zelve onderscheiden zou geweest zijn; en schijnt dus visscherye hier als vischregt te hebben opgevat. Zie Weekblad van het Regt, 6 April 1854, bl. 3. Ik voor mij lees er het tegendeel in. Maar men zegt er bij, dat de brief gerigt is aan de ‘Kennemerlanders’, en dit gaf welligt tot eene min juiste opvatting aanleiding, omdat men de visscherye van de Crommenie tegenover alle andere wateren van Kennemerland stelde, die toch niet alle vrij konden zijn, zoodat men nu alleen aan vrijheid van visschen dacht. Doch de brief is uitsluitend aan de ingelanden van Crommenyer-dam gerigt. Binnen dat waterschap behoudt zich de Hertog het hoofdwater voor: de andere, kleinere wateren zullen vrij eigendom blijven van hen, aan wie zij thans behooren.
|
|
d). Niet minder duidelijk is de boven reeds aangehaalde oorkonde, waarbij Albrecht ‘een vischerie, gheleghen bi Rotterdamme’, van den nieuwen dijk tot den ouden dijk, met de nieuwe Rotte en de helft van de oude Rotte, in erfpacht uitgeeft, en aan een iegelijk verbiedt daaromtrent te visschen binnen viertich roeden na in uutgaende wateren, die onverhuyrt sijn. Tegenover de hier verpachte visscherie en Rottestroom worden straks de uitstroomende onverhuurde wateren gesteld. Ook de visscherie was derhalve een water. e). Ten overvloede verwijs ik nog naar het verdrag van Hertog Albrecht met die van Oostergoo en Westergoo, in 1398, te vinden bij Van Mieris, III. 671. Daar wordt, na het vermelden eener bepaling omtrent zekere sluizen en daartoe behoorende visscherien, gezegd, dat ‘alle andere visscheryen’ den Hertog zullen toekomen, dat en weere off iemandt in den lande van Oostergoe ende Westergoe haers selves slooten, de tusschen oeren lande liggen, corven en leyde op oer selves arve, off om oer selves huise vyvers ofte grafte groeve. De woorden corven en leyde zijn blijkbaar bedorven. Doch de zin zegt kennelijk, dat de slooten, op eigen erf gelegen, de vijvers en grachten, om eigen huis gegraven, vrij zullen zijn en niet, even als ‘alle andere visscheryen’, aan den Hertog behooren. Ook de slooten, vijvers en grachten waren dan visscherien. Wederom blijkt het, dat eene visscherie een water was. Waarlijk, het kan ons niet bevreemden, dat wij (bl. 24 vlgg.) de visscherien zoo dikwijls met wateren, wateringen, meren, kreken en togten gelijkgesteld vonden. 5. De beteekenis van het woord, blijkende uit de bedoeling der geheele rede.Waar een woord op zich zelf niet duidelijk is en van de bijstaande woorden geen voldoend licht ontvangt, blijft ons nog een hulpmiddel ter verklaring over: de blijkbare bedoeling der rede, die, wèl begrepen en in haren zamenhang doorgrond, zelden twijfel zal overlaten omtrent de beteekenis van een der hoofdwoorden. Ook deze wijze van beschouwen is voor onze visscherien niet onvruchtbaar: zij zal ons tot dezelfde uitkomst leiden als al het tot hiertoe behandelde. a). Den 21 Julij 1388 verpachtte Hertog Albrecht aan den heer van Egmond en IJselstein ‘mit sinen luden enz.’ 1o. die vischerie van den sluze van Alkmaar, 2o. die viskerien van den Hoefsloet ende van Langhelaen, beide met al wat daartoe behoorde (Mieris, III. 495 en 496). Tot het verkrijgen dezer pacht
hadden zij reeds dikwijls bij den Hertog aanzoek gedaan, ‘om orbaer hoers lants, ende om te verhoeden groten scade ende last, die hem onse viskers hemelic ende openbaer mit water op haer lant te laten, te doen pleghen’. Het was dus in het belang hunner landerijen, dat zij die visscherien zochten te bekomen. Was hun nu het uitsluitend vischregt voldoende, om dat doel te bereiken? Zeker, het hielp reeds veel, in zooverre het de lastige visschers van den Hertog weerde, en de heeren in staat stelde, het water door hunne eigene visschers en onder hun toezigt te doen bevisschen. Maar geheel geholpen waren zij nog niet, zoolang zij ook het water zelf niet in hunne magt hadden, om daaromtrent zoodanige maatregelen te nemen als de zorg voor het omgelegen land vereischte. Albrecht, gehoor gevende aan hunnen billijken wensch, moest dit natuurlijk in dier voege doen, dat zij eens voor al van de schade en den last werden bevrijd. Het is dus uit den aard der zaak waarschijnlijk, dat hij hun de wateren zelve, en niet het bloote vischregt, in pacht gaf. En dat dit werkelijk de bedoeling was, blijkt daaruit, dat de binnenwateren, tot de visscherien behoorende, met de gaten en bruggen, mede in de pacht werden begrepen. Wijst dus de geheele zamenhang niet duidelijk aan, dat met de visscherien de wateren zelve werden bedoeld? b). In eene uitspraak van Graaf Reinoud I van Gelder, in dto 5 April 1314, aangaande eenige geschillen tusschen hem en heer Alard van Buren, voornamelijk betrekking hebbende op de afbakening van het wederzijdsch regts- en grondgebied (‘dat gerigthe ende die
herscap’), wordt eerst het gebied tusschen Beest en de Trichtersluis aan den Graaf toegewezen, en vervolgens bepaald 1) : Voert so segwi, dat die visscherie in der Lengen van Trichtersluse nederwert, also vere als ons lant geet, ons is, ende boven Trigthersluse, also vere als ons lant geet, oec ons is, the halven strome thu. De visscherie in de Linge behoort den Graaf, ten halven stroome toe. Ik durf niet beslissen, of onder deze uitdrukking moet worden verstaan tot halve breedte of tot halve diepte van den stroom. Maar in beide gevallen moet de beteekenis van visscherie dezelfde zijn. Stellen wij, dat de visscherie in de Linge tot halve breedte bedoeld is. Kan hier dan aan vischregt worden gedacht? Wordt er alleen bepaald, dat de Graaf den stroom tot halve breedte zal mogen bevisschen? Neen, het geldt hier eene grensscheiding, eene afpaling van het landsheerlijk gebied. Er moet dus worden vastgesteld, tot wiens gebied het stroomwater zelf zal behooren. Den Graaf van Gelder zal de eene helft toekomen, alzoo verre als zijn land gaat; de wederhelft aan hem, die de overzijde der rivier bezit. Het is dus het water van den stroom, waarover uitspraak gedaan wordt. Wie dat eenmaal bezat, had ook het regt om er in te visschen. Dat het water met den naam van visscherie wordt aangeduid, is ligt verklaarbaar: immers alleen aan de opbrengst van visch ontleent het zijne waarde. Maar met die benaming verandert |
1) De oorkonde is bij Van Mieris, II. 142, hoogstgebrekkig afgedrukt. Ik volg de betere uitgave van Mr. I.A. Nijhoff, Gedenkw. I. 152.
|
|
zijne natuur niet, noch lost het zich op in een onligchamelijk regt. Vischwater heet het, om het gebruik dat men er van wil maken, maar altijd blijft het een water. Doch misschien hebben de woorden ten halven stroome toe een anderen zin, en heeft de Graaf zich zelven de visscherie in de Linge, in hare geheele breedte, maar slechts tot halve diepte toegewezen. Het zal ons weldra blijken, dat ook dan alleen het water zelf kan bedoeld zijn. c). Van eene visscherie tot halve diepe wordt meermalen gewag gemaakt, als b.v.: van heren Heyen lande in Zwindrechte, dair hi van ons houd alt ambocht te rechten leene, ende die vischerien tote halven diepen omtrent tambocht voirsz. alle visscheryen, stalen ende zegeworpen 1) , gelegen voor Barendrecht in den Waele aen die Zuyt-zyde ten halven diepe toe, ende streckende in lengten een stuck boven Aven Wiel, ende weder afgaende totten Missloot toe. Hoe deze uitdrukking op te vatten? Is het denkelijk, dat men iemand het regt zal hebben verleend, om te visschen tot de halve diepte van den stroom? Ik kan mij daar geene voorstelling van maken. Hoe |
1) Stalen zijn ‘eene soort van staken of dunne palen, waaraan de visschers gewoon zijn hunne netten en fuiken vast te maken’. Zie Van de Wall, Handv. v. Dordr. bl. 186. Met zegeworpen moet iets dergelijks bedoeld zijn. Althans bij J. Bottelgier, Somme Ruyrael, fol. 238 vso., lees ik: ‘so wie gevonden wort visscende op ses voeten na den worpe’. De worp of zegenworp moet dus de een of andere toestel geweest zijn, bij het visschen met zegens in gebruik.
|
|
zal men iemand bewijzen, dat hij dieper gevischt heeft? Zal men hem eene actie aandoen, op grond dat de snoek, dien hij gevangen heeft, op dat oogenblik een voet lager zwom, dan de grens van het vischregt zich uitstrekte? Hoe kan dan in hetzelfde stuk sprake zijn van het visschen met zegens, die immers lager reiken dan de helft van het water, ja langs den bodem worden voortgesleept? Denkt men daarentegen aan het vischwater ter halver diepte, dan laat zich de zaak best verklaren. Het regt om te visschen wordt dan onbeperkt verleend, tot op den bodem toe. Maar het water zelf wordt slechts voor de helft gegeven, de benedenste helft wordt niet afgestaan. En waartoe deze beperking? Om dit op te helderen, moet ik doen opmerken, dat in de twee plaatsen, die ik aanhaalde, gesproken wordt van de Maas en de Waal, beide groote stroomen of koninklijke waterwegen, wier bedding onvervreemdbaar was 1) . Wordt nu door den landsheer het vischwater van die stroomen in leen of pacht uitgegeven, dan moet uitdrukkelijk de bodem worden voorbehouden. Ziedaar, geloof ik, de ware beteekenis der woorden tot halve diepte 2) . Misschien zal men zeggen, dat de geheele stroom van een koninklijken waterweg onvervreemdbaar was, |
2) Daar de Linge, zoover ik weet, niet onder de koninklijke waterwegen gerekend werd, is het wel waarschijnlijker, dat in de uitspraak van Reinoud I de halve breedte van den stroom is bedoeld. Men zegt mij, dat de uitdrukking tot halve sloot in dien zin nog heden gebruikt wordt.
|
|
en dus ook over de bovenste helft van het water niet kon worden beschikt. Ik antwoord met te verwijzen naar eene oorkonde, waaruit het tegendeel blijkt. Ik bedoel de lijst der goederen, die de heer van Putten van den Graaf van Holland in leen hield, opgemaakt ten jare 1312, en te vinden bij Van Mieris, II. 123. Daar vindt men verschillende wateren, tot de Maas en Zeeuwsche stroomen behoorende, ter halver diepte aan den heer van Putten in leen gegeven, als: Bodemar ort ten halven diepen. - - En, volgt er dan: Voorts soo hielt mijn heere van Putte voornoemt vry van mijn heere den Graeve voorsz. de visscherien binnen dese voorsz. paelen, ligghende in dese voorghenoemde diepen; item 't Brederec ende die visscherye daer in. De wateren zelve waren derhalve in leen gegeven, doch met voorbehoud van den ondergrond, en dus slechts tot halve diepte 1) , of wel ‘op vierdhalf vademe diep’. Die wateren waren vooral van waarde om de visch, die |
1) Andere voorbeelden van afstand van het water der Maas en Merwede, ten halven diepe, vindt men bij Mieris, IV. 210 vlg. (a. 1412) en 951. a. (a. 1429). - Heb ik den zin van deze merkwaardige woorden juist verklaard, duiden zij werkelijk het voorbehoud van den ondergrond aan, dan gevoelt men hoe treffend de toepassing is op die visscherien, die zonder dat voorbehoud werden vervreemd.
|
|
er in gevangen werd: daarom worden zij visscherien, vischwateren, geheeten. d). Als een nieuw bewijs voor de juistheid dezer opvatting moet ik nog spreken van de gewone vermelding der visscherien en vogelerien, telkens waar een land of eene heerlijkheid, met al de daartoe behoorende goederen en geregtigheden, in leen gegeven, verkocht of anderszins vervreemd wordt. De voorbeelden zijn talrijk. Om den aard van hetgeen ik bedoel in het licht te stellen, moet ik er eenige aanhalen: Voort soo gheven wy hem al dat lant, hofsteden, husinghen, vischerien ende veren, die wy binnen den voorsz. ambochte hebben. al mijn goed, dat men heet heren Heyen land, legghende in Zwindrecht, gherechte, tiende, erve, viskerien. alle die heerlicheden --- met alle den waerden, mit vischerie, mit landt, met vere, met tienden ende met renten, in hoghen gherichte ende in laghen, also alse die heerscap gheleghen es. dat lant van Stavenisse, mid allen sinen toebehoeren, groet ende cleyn, alzo alst gelegen is, dat is te verstaen: ambocht, tienden, maelrie, visscherien, voghelrien, veren, uutdiken, indiken, lant, hofsteden, ambocht ende ambochts gevolge. dat alinge lant van Brederode, mid heerlicheden, hoge ende lage, tienden, visscherien, vogelrien, veren, ende mid anders allen sinen toebehoeren. ambocht ende ambochts ghevolch mit tienden, molen 1) , visscherien ende voghelien, ende mit anders allen sinen toebehoren. |
1) Men vindt nu eens molen, dan eens maelrie gebezigd. Ook maelrie kan dus niet het regt om te malen geweest zijn, want dat kon nooit molen heeten. Het was de molen zelf, die even goed maelrie heeten kon, als wij van bakkerij of verwerij spreken. - Ook veren en veerstallen worden door elkander gebruikt.
|
mitten heerlicheden, van hogen ende van lagen, mitten tienden, veerstallen, visscherye, ende mit anders allen hoeren toebehoeren. metter hoger ende lager heerlicheden, metten renten, opcomingen, vogelryen, visscheryen, ende enz. Doch reeds meer dan genoeg. Men ziet, dat bij vervreemdingen van land of heerlijkheid gewoonlijk ook van de visscherie of visscherien wordt melding gemaakt. Uit de bijstaande woorden laat zich de beteekenis van die uitdrukking niet opmaken: het zijn deels vaste goederen (land, erve, waarden, veerstallen, hofsteden, huizen enz.), deels blootelijk geregtigheden (renten, opkomingen, tienden, hoog en laag geregt enz.). Uit de loutere opnoeming kan onmogelijk blijken, of de visscherien tot de eerste of tot de laatste behooren. Maar wat uit de woorden zelve niet blijkt, kan, dunkt mij, met genoegzame zekerheid uit de kennelijke bedoeling worden afgeleid. Van de twee zaken, die bij de visscherij te pas komen, het vischwater en het regt om te visschen, sluit het eerste het laatste, maar niet het laatste het eerste in zich. Wie dus eene heerlijkheid vervreemdt, wie ze afstaat met al haar toebehooren, moet niet het vischregt afstaan (aan wien zou dan het water verblijven?), maar hij staat het vischwater af, waarin dan dat regt mede vervat is. Ik durf deze stelling met gerustheid nederschrijven, omdat ik ze ontleen aan een uitstekend regtsgeleerde.
De Heer Staatsraad Lands-Advocaat zegt op bl. 16 van zijn Advies: ‘Wil men bosschen en jagt verkoopen, dan verkoopt men eenvoudig de bosschen, waarin dan van zelve het jagtregt begrepen is’. Zonder bezwaar geloof ik deze woorden, op de visscherij toegepast, aldus te mogen stellen: ‘Wil men vischwater en vischregt verkoopen, dan verkoopt men eenvoudig het vischwater, waarin dan van zelve het vischregt begrepen is’. Zeer zeker nu was het, bij de bovengenoemde vervreemdingen, de bepaalde bedoeling, zoowel van het water als van het daaraan verknochte regt afstand te doen. Wordt dan alleen het woord visscherie genoemd, dan kan dit, naar eene gezonde uitlegging, alleen worden opgevat als het meerdere, dat het mindere in zich sluit. Met visscherie is derhalve het vischwater bedoeld. Stelliger nog blijkt de juistheid dezer gevolgtrekking, waar wij het woord gebezigd vinden bij den afstand der landsheerlijke hoogheid. Zoo b.v. in de akte van 1348, waarbij Margareta aan haren zoon Willem V het gebied over Holland, Zeeland en Friesland afstaat (Van Mieris, II. 746). In eene lange lijst worden de goederen en geregtigheden opgesomd, tot de grafelijkheid behoorende, en daaronder zijn ook de visscheryen niet vergeten. Margareta stond alles af, wat haar als landsvrouwe toekwam. Heeft zij zich dan het vischwater voorbehouden, en alleen het vischregt aan Willem overgedragen? Neen, de visscherien,
waarvan de akte spreekt, kunnen niet anders dan de wateren zelve geweest zijn 1) . e). Meermalen troffen wij reeds de uitdrukking aan: de visscherie met haren toebehoren. Wij zagen zelfs, dat o.a. de inneghe wateringhen daartoe gerekend werden. Maar al ware de aard van hetgeen bij de visscherie behoorde, nergens omschreven, nog komt het mij voor, dat die uitdrukking voor onze opvatting zou pleiten. Of kan men spreken van een regt met zijn toebehooren? Waarin zou dat toebehooren van het vischregt bestaan? Men hoore nog een laatsten getuige, wiens woorden in dit opzigt merkwaardig zijn, en wiens bedoeling niet twijfelachtig schijnt. Het is Graaf Willem III, die verklaart aan Willem Dukinck enz. verkocht te hebben onse visscherye van Leck-monde teenen vryen eygendomme mit allen den rechten datter toe behoort ---, welcke visscherye voorz. |
1) Men heeft beweerd, ‘dat de Graven van de vischwaters slechts het gebruik, maar geenszins den eigendom zouden bezeten hebben’. Die bedenking is, naar ik geloof, voldoende wederlegd. Het Hof heeft ze dan ook in zijne uitspraak ter zijde gesteld. Maar ten overvloede zij nog even herinnerd aan de akte van Keizer Lodewijk, in dto. 25 Nov. 1314 waarbij hij aan onze Graven volkomen afstand doet van alle rijksregten op Holland, Zeeland en Friesland, behoudens alleen den leeneed. Mieris, II. 145: ‘omne jus, quod iidem nostri predecessores in Comitatibus Hollandie, Zeelandie, et Dominatu Frizie reclamarunt seu reclamare potuerunt, aut nos reclamare possemus, libere et absolute de consensu et assensu nostrorum Principum quittamus, ac eidem ejusque heredibus et successoribus presentibus [atque futuris] duximus remittendum, salvo tamen nobis et Imperio homagio debito pro eisdem’. Wat dus ook van vroegeren tijd moge gelden, na 1314 althans kan aan de Graven van Holland hun regt niet worden betwist.
|
gelegen is enz. --- ende gelooven hen dese visscherye voorsz. hen eeuwelijck te waren alsse een vrye eygen goet. Het vischregt met al de regten die daartoe behooren? Laat zich dat zuiver verklaren? En kon een regt, in de taal der 14e eeuw, immer een vry eygendom of een vry eygen goet heeten? Een vischwater daarentegen, met al de daaraan verbondene regten, als een vrij eigendom te verkoopen: ziedaar iets, dat geheel onberispelijk gezegd is. Waarom dan niet de natuurlijkste opvatting gekozen, die hier zoo kennelijk door de bewoordingen zelve als de ware bedoeling wordt aangeduid? De hier aangehaalde oorkonde is van het jaar 1318; dus bijna gelijktijdig met de eerste vermelding der Leidsche visscherien. De beteekenis van het woord moet wel op beide plaatsen dezelfde geweest zijn.
Zoo zijn wij langs verschillende wegen altijd tot dezelfde uitkomst geraakt. Altijd vonden wij vischwater aangewezen als de natuurlijkste, de eenvoudigste, de meest geregtigde beteekenis, waarbij wij nooit tot eenige overdragt of gedrongene uitlegging onze toevlugt behoefden te nemen; terwijl het ons meestal onmogelijk bleek, zonder dergelijke forsche hulpmiddelen, die van vischregt toe te passen. Aan het einde nu van deze opsomming der verschillende bewijsgronden, die onze stelling schenen te staven, slaan wij nog een vlugtigen blik achterwaarts, om ze alle in één overzigt te vereenigen, en daardoor
des te beter te doen waardeeren in hunne volle sterkte en eendragtige zamenwerking. Wij hebben achtereenvolgens betoogd: 1o. dat de twee eenige tijdgenooten, wier regtstreeksch getuigenis wij konden vragen, visscherie door vischwater verklaren. 2o. dat de beteekenis van vischvangst zich eerst in 1544, die van vischregt eerst na 1599 laat aanwijzen. 3o. dat de geschiedenis der woorden op -erij daarmede geheel overeenstemt. 4o. dat het woord oorspronkelijk moet beantwoord hebben aan zijn Fransche voorbeeld, terwijl het Fr. pêcherie nooit iets anders dan vischwater was. 5o. dat visscherie in het lidwoord een en het gebruik van het meervoud den stempel draagt zijner concrete opvatting. 6o. dat de visscherien gelijkgesteld worden met wateren, meren en kreken, en met landerijen, akkerland, weiden, uitgorzen, moerdijken, molens, vaarsteden, veren, sluizen, dammen, vesten, wateringen en togten te zamen genoemd. 7o. dat zij geographisch worden bepaald door hare ligging. 8o. dat zij eigennamen dragen, en wel bepaaldelijk plaatselijke namen. 9o. dat in de visscherien gevischt wordt, en zij zelve bevischt worden, welk werkwoord men nooit anders dan op wateren toepaste. 10o. dat in, voor of bezijden de visscherien allerlei vischtuig geplaatst wordt; dat zij kanten hebben, met ruigte begroeid, en snoek bevatten. 11o. dat om de visscherien menschen wonen, en in haar in hechtenis kunnen genomen worden. 12o. dat de uitdrukking in de visscherien met elders wordt afgewisseld. 13o. dat eene visscherie kan worden of ontstaan; dat zij afgeschut, ja droog gemaakt kan worden. 14o. dat visscherien als synoniem met wateren wordt verwisseld; dat slooten, vijvers en grachten ook visscherien waren. 15o. dat in een aantal oorkonden de blijkbare bedoeling geene andere opvatting gedoogt. Tegenover het getuigenis van tijdgenooten, zóó van alle kanten gestaafd, zou ik bezwaarlijk durven volhouden, dat visscherie niet vischwater, maar vischregt beteekent. Gaarne wil ik aannemen, dat wel niet al het voorgedragene boven allen twijfel verheven zal zijn. Ik ben mij volkomen bewust dat ik dwalen kan, ook met de opregtste waarheidsliefde en het naauwgezetste onderzoek. Maar al worden tegen deze of gene bewering gegronde bedenkingen ingebragt; al worden eenige mijner bewijsgronden misschien geheel ondermijnd: de slotsom van mijn betoog zou daarmede nog niet vervallen. Immers, men bedenke vooral, dat mijne bewijzen niet ieder op zich zelf staan, maar elkander aanvullen, steunen en bevestigen in hun onderling naauw verband. Eerst dan, wanneer alle, één voor één, afdoende wederlegd zijn, zal ook hun zamenhang verbroken en de instorting van het geheele gebouw onvermijdelijk wezen. Maar zoolang dit niet is geschied, durf ik mijne stelling in gemoede aannemen
en als welbewezene waarheid beschouwen. Tot zóólang durf ik beweren, dat een Hollander van 1433, wanneer hij van visscherien hoorde spreken, noodzakelijk denken moest aan iets van gelijke soort, als hetgeen wij ons voorstellen, waar men van zanderijen of veenderijen, van boerderijen of landerijen gewaagt. En wat staat nu tegen dit alles over? Naar mijne bescheidene meening, niet veel. Ik heb alles nagezien, wat over de zaak in druk is verschenen, memoriën, pleidooijen, conclusiën, vonnissen. Nergens heb ik de beteekenis van vischregt bewezen gevonden. Altijd gaat men uit van de onderstelling, dat die beteekenis vaststaat: de eenige vraag is, of die van vischwater al dan niet daarnevens kan gelden. Niet een enkel getuigenis van een tijdgenoot, niet eene enkele aanhaling uit gelijktijdige geschriften is mij voorgekomen, waaruit zou moeten blijken, dat visscherie in de beteekenis van vischregt bij onze voorouders bekend was 1) . Vanwaar dit verschijnsel, dubbel opmerkelijk in eene zaak als deze, waar men erkende dat alles afhing van de juiste verklaring des woords? Vanwaar anders, dan dat het tegenwoordig taalgebruik zich te veel liet gelden? dat men, onwillekeurig en ter bester trouw, |
1) Alleen vind ik in het laatste pleidooi van den Heer Lands-Advocaat melding gemaakt van een Rotterdamsch charter van 1403, waarin de woorden ‘visscherie ende vroon’ voorkomen, en dat, volgens ZHEG., ‘zonder eenige tegenspraak alleen vischregt verleent’. Zie Weekblad van het Regt, 28 Dec. 1857, bl. 1. c. en 2. a. Het stuk is ten processe overgelegd, maar niet publiek gemaakt. Ik vermeet mij geen oordeel over een charter dat mij onbekend is, maar wenschte wel dat het in 't licht werd gegeven, om ons tot een oordeel in staat te stellen.
|
|
zich aan dien indruk overgaf, in plaats van die heden-daagsche opvatting voor goed op zijde te zetten, en alleen aan tijdgenooten te vragen, wat zij alleen hebben geweten? Ik gaf dit reeds vroeger te kennen, maar acht mij verpligt er op terug te komen, omdat het voor de wetenschap, die ik beoefen, inderdaad een merkwaardig verschijnsel is: een sterk bewijs voor de bezielende kracht van het levend taalbewustzijn; een blijk, dat het geene gemakkelijke taak is, zich aan dat subjective bewustzijn te onttrekken en het verledene objectief waar te nemen; een afdoend getuigenis daarenboven, dat de historische taalstudie, wel verre van zich alleen te verdiepen in afgetrokken bespiegelingen, integendeel van regtstreeksche en vruchtbare toepassing kan zijn op het praktische leven. Twijfelt men, of werkelijk de invloed van het heden-daagsch spraakgebruik in het spel is geweest? Men hoore de woorden, in een der pleidooijen gesproken 1) : ‘Wat beteekent visscherij, in 't gewone spraakgebruik? Ik zal niet terugkomen op de geleerde dissertatie der verbalia in ij; maar in gewoon spraakgebruik, durf ik zeggen, beteekent dat woord niets anders dan regt om te visschen; zoo spreekt men van de Groenlandsche, de haring-visscherij enz.; visscherij beteekent niets anders dan uitoefening van de visch-vangst, het visschen. Worden er niet van Staatswege in menigte verpacht zalm-visscherijen, Vroon-visscherijen op de Lek, Maas enz., en ook door particulieren; |
1) Zitting der Arr. Regtbank te Amsterdam, d. 20 Dec. 1853. Zie Weekblad van het Regt, 30 Jan. 1854, bl. 2.
|
|
denkt iemand dan aan de mogelijkheid, dat hij tevens ook het water en den grond zou verpachten?’ Toegestemd! Maar de giftbrief, waarop zich Leiden beroept, dagteekent niet van 1853. In gelijken geest is, zoover ik heb kunnen nagaan, altijd over ons woord gesproken. Ja, zóó sterk was die indruk van ons hedendaagsch gebruik, dat zelfs de verdedigers van Leiden zich daarvan niet altijd vrij konden maken. Mijn hooggeachte ambtgenoot, Prof. Cock, geeft toe, dat visscherij, ‘op zich zelf genomen, beide beteekenissen zou kunnen hebben’ (bl. 4). Dezelfde onderstelling staat in de pleidooijen op den voorgrond: men zoekt alleen te betoogen, dat het woord op deze plaats als vischwater moet worden verklaard. Maar neen! (ons onderzoek heeft het geleerd) dat is niet het standpunt, waarop men zich plaatsen moet. Met volle overtuiging mag men beweren: visscherie beteekende vischwater, en dàt alleen: de opvatting van vischregt, die van lateren tijd is, mag niet aan het jaar 1433 worden opgedrongen. Wat de veranderde beteekenis van een enkel woord niet al vermag! Ons boerderij, dat ik vroeger noemde, heeft, nevens de gewone opvatting, allengs ook die van het boerenbedrijf aangenomen. Ligt is, over vier eeuwen, die beteekenis de heerschende geworden, en zal zij de andere hebben verdrongen. Even ligt kan landerij eenmaal in den zin van landbouw beginnen te gelden. Wee dan het nakroost van hem, aan wien in 1858 boerderijen of landerijen worden vermaakt! In de 23e eeuw zal men dien eigendom betwisten, en niets anders erkennen dan het regt op de vruchten
van het boeren- of landbouwersbedrijf. Of hebt gij in onzen tijd zanderijen of veenderijen gekocht, die later in welige akkers worden herschapen: de grondeigendom zal voor uwe erfgenamen te loor gaan, zij zullen zich tevreden moeten stellen met eene schadevergoeding voor het gemis aan zand of turf, - zoodra de beteekenis der woorden zal veranderd zijn, gelijk al het ondermaansche verandert.
Ik heb nog mijn laatste woord niet gesproken tot toelichting van het oude visscherie. Nog rest mij eene opmerking, die, naar het mij voorkomt, zal leiden tot een bondig bewijs. Het geldt een punt, dat bij de behandeling van het regtsgeding telkens ter sprake is gekomen, waaraan men bijzonder veel waarde heeft gehecht; maar dat meer dan iets anders doet zien, hoe het spraakgebruik der 19e eeuw als een veilig rigtsnoer gold. Ik bedoel de vergelijking van visscherij en jagt. Na de woorden, op bl. 2 aangehaald, laat het Hof onmiddellijk volgen: ‘dat evenzoo in het gewoon gebruik, indien jagt wordt verpacht, niet het bosch, waarin, of het veld, waarop men jaagt, wordt bedoeld, maar alleen het regt om in zoodanig bosch of veld te jagen.’ Evenzoo werd in een der pleidooijen gezegd 1) : ‘Ik maakte daar gewag van jagt, en met opzet, omdat beide, jagt en visscherij, zijn gelijksoortige |
1) Zitting der Arr. Regtbank te Amsterdam, d. 20 Dec. 1853. Zie Weekblad van het Regt, 30 Jan. 1854, bl. 2. Verg. ook het vonnis der Regtbank, ald. 6 April 1854, bl. 3.
|
regten, zaken, meest te gelijk genoemd; en evenmin nu als jagtregt den eigendom van den grond insluit, evenmin sluit visscherij in den eigendom van het water en den bodem.’ Dezelfde beschouwing vindt men ook elders herhaaldelijk weder. Zij wordt telkens aangevoerd als het duchtigste wapen tegen de bewering der stad Leiden. Wanneer ik het waag, die beschouwing te bestrijden, bepaal ik mij ook hier tot het gebied der taalkunde, en laat de regtsgeleerde gevolgtrekkingen aan deskundigen over. Het zij met alle bescheidenheid gezegd, maar ik veroorloof mij, in de genoemde vergelijking eene petitio principii te zien. Waarop steunt de bijeenvoeging der woorden visscherij en jagt? Op het hedendaagsch spraakgebruik, op de beteekenis die wij thans aan het woord visscherij hechten, op de onderstelling derhalve, dat dit woord in de 15e eeuw hetzelfde beteekende. Maar juist dàt is het, wat bewezen moet worden, en wat ik, na al het boven gezegde, met vertrouwen durf ontkennen. Zal de vergelijking werkelijk opgaan, en worden aangenomen als grondslag van verdere redenering, dan behoort eerst te zijn aangetoond, dat ook in 1433 visscherie en jagt gelijksoortige woorden waren en nevens elkander werden gebruikt. Maar wie heeft daarvoor een enkel bewijs, een enkel getuigenis uit oude geschriften aangehaald? In al de oorkonden, die ik bij mijn onderzoek heb doorloopen, heb ik niet één voorbeeld ontmoet. Zoolang niet met afdoende bewijsplaatsen het tegendeel wordt gestaafd, moet ik beweren, dat visscherie en jagt destijds
ongelijksoortig waren. En waarlijk, de beteekenis van visscherie, zoo als wij die uit den mond van tijdgenooten opvingen, is zoozeer met die van jagt in strijd, dat het ons wèl mogt bevreemden, indien men eertijds die beide op ééne lijn had geplaatst. En nu mag ik verder gaan. Vonden wij nergens visscherie en jagt als gelijksoortige woorden gebezigd, dan rijst de vraag: welke uitdrukking was het dan, die met visscherie overeenkwam? Het antwoord is inderdaad verrassend. Het luidt: wildernisse. De woeste gronden, bosch en heide, het veld waarop gejaagd werd, in één woord, wat het voorgeslacht wildernisse of wildert noemde, dàt was aan visscherie evenredig. Slaan wij nogmaals het Charterboek op. Die meente, die te Baczen leghet, ende al die dunen, die legghen tusschen Maze ende Sipe, ende al die wildernisse, die dair an leghet, vinden wi den Grave, en si dat yemand mitten rechte besitte. -- Zoo leest men in eene uitspraak over den eigendom van onderscheidene goederen in het graafschap Holland. Tusschen Maas en Zijp wordt de geheele wildernisse den Grave toegekend, de visscherie der sluizen aan hem, die de sluizen bekostigd had. Er wordt dus beschikt over datgene, wat zijne waarde ontleende aan de opbrengst van jagt en vischvangst, over den jagtgrond en het vischwater. Het eerste wordt wildernisse,
het tweede visscherie genoemd: de beide woorden als gelijksoortig gebezigd 1) . Niet minder duidelijk is de volgende plaats: Item, dat Honterlant, bynnen dijcx ende buyten dijcx, mitten heerlicheden, hoge ende lage, mitten wildernisse, ende mit anders sinen toebehoeren. Item, dat Ambacht van Vlaerdingen mitten sluyssen ende visscherien, dair toe behoerenden. Is het niet onmiskenbaar, dat de visscherien met de wildernisse op ééne lijn worden gesteld? Evenzoo in de akten van overdragt van het landsheerlijk gebied, waarbij, nevens andere goederen en regten, natuurlijk ook datgene moest worden afgestaan, wat tot de jagt en de visscherij betrekking had. Wij zagen reeds boven, dat in die oorkonden gewoonlijk het woord visscherien vermeld staat, en daar niet anders kan worden opgevat dan als het meerdere (het vischwater), dat het mindere (het vischregt) in zich besluit. En hoe wordt die opvatting bevestigd, als men ziet met welk woord het jagtregt wordt overgedragen! Het is altijd wildernisse: niet het regt om te jagen, maar de jagtgrond. Somtijds wordt wilt en wildernisse te zamen genoemd: overtollig, zoo men wil, omdat de eigendom van het eerste in dien van het laatste is begrepen. Doch aan onze beschouwing |
1) Dat visscherie hier niet anders dan het water zijn kan, blijkt uit den inhoud der beschikking zelve. ‘Het maken toch van sluizen in bijzondere wateren behoorde aan de eigenaars’. Zie Mr. L. Ph. C. Van den Bergh, Nog een woord over Leidens Regt, bl. 10. Van hen derhalve, die, als eigenaars der wateren, de sluizen bekostigd hadden, wordt het wettig eigendom erkend. Dat eigendom was het water: het wordt visscherie genoemd. Dus is visscherie de benaming van het water.
|
|
doet dit niets te kort. Als tegenover wilt ende wildernisse het woord visscherie alleen staat, terwijl toch in beiden een gelijke afsta |